CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Memo doelstellingen en provincie.docx

openbare informatiebijeenkomst 27 juni 2023, gemeente Montfoort1.300 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Beantwoording vragen Montfoort Betreft: Onderbouwing opgave RES i.r.t. wind op zee en bevoegdheden Provincie t.a.v. windparken. Aan: Gemeente Montfoort Van: Programmateam RES U16

Inleiding

Er is door Montfoort verduidelijking gevraagd op twee onderwerpen: 1. Heeft de vergrote doelstelling wind op zee effect op de doelstelling van 35 TWh duurzame elektriciteitsopwek in de RES’en? 2. Welke bevoegdheden heeft de provincie ten aanzien van windmolens?

1. Effect wind op zee op de landelijke opgave voor de RES’en

De RES doelstelling van 35 TWh aan duurzame opwek op land in 2030 blijft nodig om gestelde doelen te halen. Om de 55% reductie van CO2 uitstoot te realiseren is zelfs meer nodig dan nu zowel op land als op zee wordt voorzien aan productie in 2030. Dit is inclusief de verhoogde doelstellingen voor wind op zee. Bovendien zal ook na 2030 de vraag naar elektriciteit verder blijven toenemen. Nadere toelichting In het Klimaatakkoord van 2019 werd een reductie van de CO2 uitstoot met 49% in 2030 nagestreefd. De opgaven voor de 30 RES’en gezamenlijk werd gesteld op 35 TWh elektriciteitsopwekking in 2030. De opgave voor wind op zee werd vastgesteld op 49 TWh in 2030. De oorsprong van de huidige opgave ligt in de afspraken die zijn gesloten in Parijs in 2015 (CoP Parijs). Hier is het volgende vastgelegd: “De gemiddelde mondiale temperatuurstijging moet behoorlijk onder (‘well below’) 2°C blijven, met inspanningen om de stijging verder te beperken tot 1,5°C” Doelstelling verhoogd naar 55% reductie CO2 uitstoot Deze afspraak is in Nederland doorvertaald in het Klimaatakkoord van 2019. Dit akkoord is de basis geweest voor de Klimaatwet in 2022. In de tussenliggende periode is in het regeerakkoord de doelstelling verhoogd naar een reductie van CO2 uitstoot van 55% met een streven naar 60%.

Dit is vastgelegd in de Klimaatwet: ‘Teneinde deze doelstelling voor 2050 te bereiken streven onze ministers die het aangaat naar een reductie van de emissies van broeikasgassen van 55% in 2030 en een volledige CO2neutrale elektriciteitsproductie in 2050.” Doelstelling RES’en niet verhoogd, wind op zee wel Om deze verhoogde doelstelling voor CO2 reductie te halen waren aanvullende maatregelen nodig. Gekozen is de doelstelling voor de RES’en niet te verhogen en het bij 35 TWh te laten. De doelstellingen voor wind op zee is wel verhoogd. Deze is bijna verdubbeld naar circa 95 TWh.

Ontwikkeling vraag naar elektriciteit i.r.t. opwek Naast het verhogen van de aanbod van duurzame elektriciteit is het natuurlijk de vraag hoe zich dat verhoudt tot de vraagontwikkeling. De vraag naar duurzame neemt om twee redenen toe: 1. Toename ten gevolge van voorgenoemde verhoogde doelstelling 2. Toename door autonome ontwikkelingen De verhoogde ambitie wind op zee compenseert onvoldoende om in de vraagstijging te voorzien. Er is daarmee geen aanleiding de doelstelling van 35 TWh voor de RES’en te verlagen. Door de Werkgroep Extra Opgave1 zijn in 2022 de mogelijkheden om van 49 naar 55% reductie te gaan onderzocht. Daar is veel elektrificatie voor nodig. De elektriciteitsvraag neemt daardoor nog meer toe, waar op duurzame wijze in voorzien moet worden. Daarnaast is er een autonome toename van de vraagontwikkeling naar elektriciteit ten opzichte van waar ten tijde van het Klimaatakkoord rekening mee werd gehouden. De werkgroep concludeert dat de duurzame opwek van 35 TWh op land en de verhoogde ambitie op zee van 95 TWh samen nog steeds onvoldoende zijn om de doelstelling van 55% reductie te realiseren. Inclusief maatregelen zoals biomassa en kleinschalig zon op dak is op basis van beleid een elektriciteitsaanbod van 183 TWh te verwachten in 20302. Deze productie moet in balans zijn met de voorziene elektriciteitsvraag, passend bij de reductiedoelstelling van 55% in 2030.

Voor inzicht in de vraagontwikkeling heeft de werkgroep zich gebaseerd op onderzoek van TNO3. Onderstaande tabel geeft inzicht in de toegenomen elektriciteitsvraag ten opzichte van het sluiten van het Klimaatakkoord (elektriciteitsvraag 108 TWh), de verwachte vraag in 2030 bij het sluiten van het Klimaatakkoord (120 TWh) en de extra vraag van verschillende sectoren. Bij een doelstelling van 55 reductie van CO2 uitstoot hoort een verwachte elektriciteitsvraag van 188 TWh. Oftewel, er is een gat tussen het aanbod (183 TWh) en de benodigde (188 TWh) elektriciteit. Er is daarom geen aanleiding de RES doelstelling naar beneden bij te stellen.

1 https://open.overheid.nl/repository/ronl-d7c49bfc357ac5b0ebdc26e037e19818a3aa7876/1/pdf/rapport-

alles-uit-de-kast-eindrapportage-werkgroep-extra-opgave.pdf 2 Een deel van de wind op zee doelstelling kan pas in 2031 gerealiseerd worden in verband met planvorming en doorlooptijden van aanleg. Dat gaat om circa 17 TWh. Voor de eenvoud is dit in dit memo al bij de realisatie 2030 meegerekend. 3 https://open.overheid.nl/repository/ronl41558b5f2991a3862405b0a47ecc96c5d93cdc49/1/pdf/achtergrondnotitie-tno-extra-opgaveelektriciteitsvoorziening-2030.pdf

Bevoegdheid provincie in relatie tot windparken

De wetgeving in het ruimtelijk spoor staat aan de vooravond van één van de grootste verbouwingen in decennia. Om helder te kunnen weergeven welke bevoegdheden de provincies hebben in relatie tot de planologische besluitvorming omtrent windparken, gaan we eerst in op de huidige juridische situatie, waarna we een doorkijk geven naar de nieuwe situatie. Het is van belang om te benoemen dat het bevoegd gezag een besluit mag nemen tot het opstellen van een (planologisch) plan of het verlenen van vergunningen en ontheffingen. Dit besluit moet voldoen aan alle betreffende wet- en regelgeving, en dient dus voorzien te zijn van een zorgvuldige en deugdelijke voorbereiding (afweging). Huidige situatie In de huidige juridische situatie zijn, conform de Elektriciteitswet 1998 artikel 9e lid 14, is provinciale staten het bevoegde gezag voor het aanwijzen van gronden en het vaststellen van een inpassingsplan voor een windpark met een vermogen van 5 MW tot 100 MW. Gedeputeerde Staten is het bevoegde gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de bouw, oprichting en het in werking hebben van een windturbinepark. Deze bevoegdheid ontslaat Provinciale Staten niet van een zorgvuldige en deugdelijke voorbereiding van een besluit (zoals bijv. een planMER en de toets op goede ruimtelijke ordening). Dit besluit kan zowel een afwijzing als een vaststelling van een inpassingsplan zijn.

Als Provinciale Staten deze bevoegdheid uitoefenen, worden Gedeputeerde Staten het bevoegde gezag voor de coördinatie van en de besluiten voor omgevingsvergunningen, waarover het College van B&W normaliter zou besluiten. Dit volgt uit artikel 9f, lid 1 en 2. Gedeputeerde Staten kan besluiten om geen toepassing te geven aan deze bevoegdheid en deze over te dragen aan de gemeente (artikel 9f, lid 6 onder a.). Van de mogelijkheid de bevoegdheid over te dragen wordt in concrete gevallen vaak toegepast. Voor windparken van 5 MW tot 100 MW windpark legt de provincie de 4 Zie hier het volledige wetsartikel: Artikel 9e Elektriciteitswet 1998

bevoegdheid dan actief bij de betreffende gemeente indien er sprake is van een vergunningaanvraag. Recent is dit bijvoorbeeld bij Windpark Goyerbrug in Houten5 gebeurd. Nieuwe situatie Een nieuwe Energiewet gaat de Elektriciteitswet van 1998 en de Gaswet vervangen. Er is vooralsnog geen datum van inwerkingtreding bekend. Indien de, nu in ontwerp zijnde, Energiewet in werking treedt, dan verschuift de drempel van 5 MW naar 15 MW. Gemeenten worden dan tot 15 MW het bevoegd gezag. Criterium daarbij is de omvang van het windpark ongeacht gemeentegrenzen. Voor een windpark dat in verschillende gemeenten ligt geldt dus het totaal opgesteld vermogen. Voor windparken van 15 MW tot 100 MW wordt Gedeputeerde Staten bevoegd voor het nemen van een projectbesluit (artikel 6.2 lid 1 onder a). Ook in deze Energiewet is de overdracht van bevoegdheid opgenomen. Dit kan plaatsvinden als besluitvorming door een ander bestuursorgaan het project kan versnellen of als aan besluitvorming door een ander bestuursorgaan anderszins aanmerkelijke voordelen verbonden zijn (artikel 6.2 lid 2). Overdracht van de provincie aan gemeenten blijft dus mogelijk.

5 Zie brief van GS Utrecht aan gemeente Houten d.d. 10 oktober 2018

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=ff470891-0356-4302-b3b6-fd7d3e03bf69