Bijlage 5 - Soorten onderzoek
Tekst van het document
Nader onderzoek ecologie T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten
projectnummer 466020.101 definitief revisie 00 12 oktober 2023
www.anteagroup.nl
Nader onderzoek ecologie T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020.101 definitief revisie 00 12 oktober 2023
Auteurs T.D. de Boer
Opdrachtgever Vitens N.V. Postbus 1205 8001 BE ZWOLLE
Gecontroleerd R. Keizer
Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus
datum 12 oktober 2023
beschrijving 1e uitgave
vrijgave J.L. de Jong
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding & planvoornemen Plan- en onderzoeksgebied Doel Leeswijzer
4 4 6 6
2.
Methodiek
7
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7
Boombroedende soorten (buizerd, sperwer en ransuil) Huismus Vleermuizen Kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) Heikikker Rugstreeppad Overzicht veldbezoeken
7 8 9 11 12 13 14
3.
Resultaten
15
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7
Boombroedende soorten (buizerd, sperwer en ransuil) Huismus Vleermuizen Kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) Heikikker Rugstreeppad Overige waarnemingen
15 16 17 20 21 23 24
4.
Effectbeoordeling
25
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7
Boombroedende soorten (buizerd, sperwer en ransuil) Huismus Vleermuizen Kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) Heikikker Rugstreeppad Overige soorten
25 25 25 26 26 26 27
5.
Conclusie & advies
28
5.1 5.2 5.3
Conclusie Advies beschermde soorten Advies vrijgestelde soorten
28 29 29
Literatuurlijst
30
Bijlage 1 Wettelijk kader
32
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding & planvoornemen Vitens N.V. is voornemens om een nieuwe waterleiding aan te sluiten op het bestaande productiebedrijf aan de Blindeweg 7 te Montfoort (gemeente Montfoort, Provincie Utrecht). Daarnaast worden nieuwe kabels en leidingen op het terrein van het productiebedrijf aangelegd en worden er twee nieuwe gebouwen bijgebouwd. Ten behoeve van de werkzaamheden worden bosschages met bomen en struiken gerooid. Ook worden twee gebouwen gesloopt. Er wordt niet gewerkt in de watergangen. Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met beschermde planten- en diersoorten. Er dient onderzocht te worden of de geplande ingrepen effect hebben op beschermde soorten (Wet natuurbescherming [Wnb]). Bijlage 1 bevat een overzicht van de verbodsbepalingen uit de Wnb. In het kader van het planvoornemen is een Natuurtoets uitgevoerd (Antea Group, 2022). Uit deze Natuurtoets is naar voren gekomen dat het plangebied potentieel geschikt is als leefgebied voor vogels met een jaarrond beschermd nest, vleermuizen, kleine marters en rugstreeppadden. Om te bepalen of dit daadwerkelijk het geval is, is nader onderzoek uitgevoerd in de periode maart tot en met september 2023. In voorliggende rapportage zijn de resultaten van het nader onderzoek beschreven.
1.2
Plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is gelegen in het veenweidegebied op een afstand van 3,5 km ten zuidwesten van de stad Utrecht. Het wordt omgeven door intensief gebruikt landbouwgebied (grasland) met sloten. Ten oosten van het plangebied staat een boerderij en ten noorden van het plangebied staan enkele bungalows. Het plangebied is deels verhard met beton en/of bestrating. De rest bestaat uit lage grassen met kruiden, enkele bosschages, boomgroepen en bomenrijen. De bomenrijen en boomgroepen bestaan uit essen en populieren. De bosschages bestaan uit onder andere zwarte els, zomereik, Spaanse aak, wilg en berk. Er is daarnaast een rijke ondergroei van onder andere hazelaar en meidoorn aanwezig. In de bosschages liggen ook takkenrillen. In het midden van het plangebied staat een zeshoekig pompgebouw dat enkele meters hoger ligt dan de rest van het plangebied. Ten westen van het pompgebouw is een grote opslagkelder aanwezig. Daarnaast zijn een aantal kleinere gebouwtjes aanwezig verspreid over het plangebied. In het oosten van het plangebied ligt een vijver met op de oevers enkele struiken. Zowel de noord- en zuidkant van het plangebied worden begrensd door sloten. Aan de westkant is alleen een greppel aanwezig. De sloten zijn veelal ondiep (minder dan 0,5 m) en hebben weinig oeverbegroeiing. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
In figuur 1.2 zijn de gevolgen van het planvoornemen weergeven.
blad 4 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
Figuur 1.1 Gedetailleerde ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Antea Group, 2022.
Figuur 1.2 Gevolgen van het planvoornemen voor gebouwen en vegetatie in het plangebied. Bron: Antea Group, 2022.
blad 5 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
1.3
Doel Het doel van het nader onderzoek is om een goed beeld te krijgen van de (beschermde) soorten die in het plangebied en de (directe) omgeving aanwezig zijn. Dit gebeurt door het uitvoeren van meerdere veldbezoeken. Op basis hiervan wordt getoetst of in het kader van de Wnb als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kunnen optreden. Daarnaast wordt ingegaan op de eventuele maatregelen die noodzakelijk zijn om overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb te voorkomen.
1.4
Leeswijzer Het nader onderzoek is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 bevat een omschrijving van het planvoornemen en de aanleiding voor het nader onderzoek; In hoofdstuk 2 staat de gehanteerde methodiek beschreven, inclusief een overzicht van de veldbezoeken; In hoofdstuk 3 staan de resultaten van het nader onderzoek; Hoofdstuk 4 bevat de toetsing van de resultaten van het nader onderzoek ten aanzien van de Wnb. Hoofdstuk 5 bevat de conclusies en een advies over het nader onderzoek en de te nemen maatregelen. In bijlage 1 wordt het wettelijk kader beschreven.
blad 6 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
2.
Methodiek In dit hoofdstuk wordt de methodiek beschreven die gehanteerd is tijdens de veldbezoeken om de aanwezigheid van beschermde soorten vast te stellen. Paragrafen 2.1 t/m 2.6 omvatten een beschrijving van de methode per soort. In paragraaf 2.7 staat een overzicht van de veldbezoeken.
2.1
Boombroedende soorten (buizerd, sperwer en ransuil) In het onderzoek is het Kennisdocument Buizerd aangehouden (BIJ12, 2017a) en er zijn extra terreinbezoeken geweest om de ransuil te onderzoeken. Nader onderzoek naar jaarrond beschermde nesten bestaat uit 2 tot 4 gerichte terreinbezoeken in de periode maart tot en met half mei (met een minimale periode van 10 dagen tussen de bezoeken) (BIJ12, 2017a). Overigens kan het daadwerkelijke broeden van o.a. de buizerd plaatsvinden van half maart tot en met augustus, maar het exacte moment is afhankelijk van onder andere de weersomstandigheden en kan per broedpaar verschillen. De sperwer broed tussen half maart en eind juni met de legpiek tussen half april en half mei (Sovon, Sperwer). Deze periode valt binnen de onderzoeksperiode voor de buizerd. Onderzoek naar de ransuil kan plaatsvinden van 15 februari tot 15 juli. In deze periode moet op minimaal 2 momenten gemonitord worden. De globale voortplanting bestaat uit: balts in februari/maart, legperiode eind maart tot half april en bedelende jongen in mei/juni. Het onderzoek vindt plaats bij geschikt weer (geen regen, geen harde wind) en op het juiste moment van de dag (tussen zonsondergang en zonsopkomst). In (de directe omgeving van) het plangebied is een aantal nesten in bomen aangetroffen die kunnen toebehoren aan boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest.
Deze nesten zijn nader onderzocht op de aanwezigheid van boombroedende soorten. De locaties van de nesten zijn weergegeven in figuur 2.1.
Figuur 2.1 Aangetroffen potentieel jaarrond beschermde boomnesten in (de omgeving van) het plangebied. Bron: Antea Group, 2022.
blad 7 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
2.2
Huismus In het onderzoek is het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2023) aangehouden. Er zijn drie gerichte veldbezoeken gebracht in de periode 10 maart tot en met 20 juni waarvan minimaal één bezoek in de optimale periode heeft plaatsgevonden (1 april tot en met 15 mei). De bezoeken hebben minimaal een uur geduurd en vonden plaats onder geschikte weersomstandigheden (geen regen, geen kou, geen harde wind, geen hitte) en op het juiste moment van de dag (enkele uren na zonsopkomst enkele uren voor zonsondergang). Tijdens het nader onderzoek is gelet op mogelijk nest-indicerend gedrag van de huismus. Onder nest-indicerend gedrag wordt verstaan: bezoek van een huismus aan een (waarschijnlijke) nestplaats, transport van nestmateriaal, transport van voedsel of ontlasting pakketjes, aanwezigheid van zingende mannetjes of bedelende jongen. Een deel van de bebouwing in het plangebied is geschikt voor de huismus. De huismus kan broeden in het productiebedrijf in het plangebied, bij de bungalows en een boerenerf buiten het plangebied. Deze gebouwen zijn nader onderzocht op aanwezigheid van de huismus. De locaties van de gebouwen zijn weergegeven in figuur 2.2.
Figuur 2.2 Potentiële broedplaatsen voor de huismus in (de omgeving van) het plangebied. Bron: Antea Group, 2022.
blad 8 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
2.3
Vleermuizen De gebouwen in het plangebied zijn geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen, omdat ze ventilatieroosters en open stootvoegen bevatten. Enkele van deze gebouwen worden aangetast, waardoor mogelijk verblijfplaatsen worden vernietigd. Deze gebouwen zijn daarom nader onderzocht op de aanwezigheid van gebouwbewonende soorten als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. In de bomen binnen het plangebied zijn holtes en scheuren aanwezig die verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen kunnen bevatten. Deze bomen worden mogelijk gekapt waardoor mogelijk verblijfplaatsen vernietigd worden. Deze bomen zijn daarom nader onderzocht op de aanwezigheid van boombewonende soorten als ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis. In het plangebied fungeert de rij met populieren in het westen van het onderzoeksgebied mogelijk als essentiële vliegroute. Deze bomenrij wordt mogelijk gekapt waardoor mogelijk een vliegroute vernietigd wordt. Deze bomenrij is daarom nader onderzocht op de functie als vliegroute voor vleermuizen. In figuur 2.3 zijn de locaties van de gebouwen, bomen met holtes en scheuren, en bomenrij weergegeven. Plangebied Gebouwen Bomen met holtes Potentiële vliegroute
Figuur 2.3 Bomen, gebouwen en bomenrij als onderdelen van het nader onderzoek vleermuizen. Bron: QGIS, 2023.
Onderzoek naar vleermuizen is in te delen in het inventariseren van zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. In het kader zijn de definities gegeven van de belangrijkste functies die een gebied kan hebben voor vleermuizen. Per mogelijke functie is onderzoek verricht conform het geldende Vleermuisprotocol 2021 (NGB, 2021). De veldbezoeken zijn gericht op het al dan niet vaststellen van deze functies in het plangebied. Hieronder wordt de methodiek per functie uiteengezet.
blad 9 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
Zomer- en kraamverblijfplaatsen In de periode 15 mei - 15 juli 2023 is het plangebied onderzocht op de aanwezigheid van zomer- en kraamverblijfplaatsen van vleermuizen. Het onderzoek is gericht op gebouw bewonende vleermuissoorten. De inventarisaties in deze periode bestonden uit drie bezoeken, waarvan er twee tot twee uur na zonsondergang en één twee uur voor zonsopkomst zijn uitgevoerd. Paarverblijfplaatsen In de periode 1 augustus - 15 september 2023 zijn twee inventarisaties in de late avond/ nacht uitgevoerd, teneinde paar- en winterverblijfplaatsen vast te stellen dan wel uit te sluiten. Vliegroutes en foerageergebied De inventarisaties naar vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen zijn simultaan met de overige vleermuisinventarisaties uitgevoerd. Hierbij zijn de aanwezige vliegroutes en/of foerageergebieden op kaart ingetekend. De inventarisaties zijn met behulp van een batdetector uitgevoerd. Er is gewerkt met de Pettersson D240x en M500-384. Deze apparaten vangen de ultrasone geluiden van vleermuizen op en maken deze hoorbaar voor het menselijk gehoor. Daarnaast biedt de M500-384 de mogelijkheid geluiden op te nemen voor analyse achteraf. Enkele soorten zijn namelijk zeer moeilijk te determineren in het veld en vereisen een controle met behulp van analyse-software. De ultrasone geluiden geanalyseerd met behulp van het programma Vleermuis Recorder.
blad 10 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
2.4
Kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) De bosschages met takkenhopen in het onderzoeksgebied zijn mogelijk onderdeel van foerageergebied en/of bevatten verblijfplaatsen voor kleine marters. De watergangen, ruigtes en struwelen bieden mogelijk looproutes voor kleine marters. In figuur 2.4 is het onderzoeksgebied voor kleine marters aangegeven. Om de aanwezigheid van kleine marters aan te tonen zijn op strategische plekken ten aanzien van deze elementen cameravallen en struikrovers geplaatst.
Plangebied Onderzoeks gebied
Figuur 2.4 Onderzoeksgebied kleine marters (groen omkaderd). Bron: QGIS, 2023.
In het onderzoek is de Handreiking Kleine Marters van de Provincie Noord-Brabant (Bouwens, 2017) aangehouden. Om de detectiekans te verhogen zijn twee verschillende methodes gebruikt: de losse wildcamera en de struikrover. Losse wildcamera Met behulp van een losse wildcamera kunnen schuwe en nacht-actieve dieren worden waargenomen. Deze methode is met name geschikt voor grotere marters zoals de bunzing en steenmarter, maar ook de wezel en hermelijn kunnen met een losse wildcamera worden waargenomen. Om de trefkans te vergroten is gebruik gemaakt van lokstoffen (pindakaas, stroop en gekookt ei). Er zijn in het onderzoek vier losse wildcamera’s gebruikt. Struikrover De struikrover is een pvc buis die aan één kant dicht is en aan de andere kant open. Aan de dichte kant is een wildcamera bevestigd. Naast kleine marters worden ook regelmatig andere marters (zoals de steenmarter) waargenomen met struikrovers. De wildcamera in de struikrover is gemonteerd op een plank waarin aan de open kant van de struikrover een lokstof geplaatst kan worden. In dit onderzoek zijn sardines en gekookt ei als lokstof gebruikt. In het blik sardines wordt een gaatje geprikt. Het principe is dat marters op de geur afkomen en bij het ruiken aan de lokstof worden gefotografeerd. Er zijn in het onderzoek vier struikrovers gebruikt.
blad 11 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
In figuur 2.5 zijn de locaties waar het onderzoeksmateriaal is geplaatst weergegeven. Voor de plaatsing van het veldmateriaal is aan de volgende punten gedacht: 1. De ecologie van de marters; 2. Potentieel geschikte verblijfplaatsen; 3. Diefstalgevoeligheid; 4. Gevoeligheid voor waterschade.
Figuur 2.5 Locaties van het onderzoeksmateriaal. Bron: QGIS, 2023.
2.5
Heikikker Voor het uitvoeren van het nader onderzoek naar de heikikker is aangesloten bij de methode zoals beschreven in het kennisdocument BIJ12 Heikikker. Dit houdt in dat er op twee avonden onder goede omstandigheden naar roepende heikikkers is gezocht in de periode 15 februari – 1 april. In totaal bestaat het onderzoek naar de heikikker uit twee bezoeken. In tabel 3.1 zijn de data van de uitgevoerde onderzoeken weergegeven. De vijver in en de watergangen rondom het plangebied zijn geschikt als voortplantingswater voor de heikikker. Beide wateren zijn ondiep of hebben ondiepe oeverzones. In de omgeving van de wateren zijn ook overwinteringsplaatsen aanwezig (landbiotoop). Relevante elementen in het plangebied die als overwinteringsplaats kunnen dienen, zijn hoge, dichte vegetatie en houtstapels. De overwinteringsplaatsen kunnen zich dus in de bosschages bevinden.
blad 12 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
2.6
Rugstreeppad In het onderzoek is het Kennisdocument Rugstreeppad (BIJ12, 2017e) aangevuld door het soortinventarisatieprotocol rugstreeppad (Netwerk Groene Bureaus) aangehouden. Tijdens twee bezoeken in de periode 15 april 2023 – 31 mei 2023 en één bezoek in de periode juni 2023 – juli 2023 is geluisterd naar kooractiviteit. Ook is bij deze bezoeken gebruik gemaakt van een recorder waarmee de baltsroep van de rugstreeppad is afgespeeld. De vijver in en de watergangen rondom het plangebied zijn geschikt als voortplantingswater voor de rugstreeppad. Beide wateren zijn ondiep of hebben ondiepe oeverzones. In de omgeving van de wateren zijn ook overwinteringsplaatsen aanwezig (landbiotoop). Relevante elementen in het plangebied die als overwinteringsplaats kunnen dienen, zijn bosschages, containers, puin en houtstapels. De overwinteringsplaatsen kunnen zich in potentie vrijwel overal in het plangebied bevinden mits er sprake is van voldoende dekking en een vorstvrije situatie.
blad 13 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020 betreft Nader onderzoek ecologie
2.7
Overzicht veldbezoeken Er zijn in totaal 15 veldbezoeken uitgevoerd. De veldbezoeken hebben plaats gevonden vanaf maart 2023 tot en met september 2023. In tabel 2.1 zijn de dagen, tijden en andere gegevens van de veldbezoeken weergegeven. Tabel 2.1 Data en omstandigheden van de veldbezoeken. Datum Tijd Gem. Wind Neerslag temperat uur 15-3-2023 12.00 – 10 °C 2 Bft Geen 14.00 22-3-2023
Type onderzoek
Onderzoeksgebied
Aantal personen
Jaarrond beschermd nest
JBN en check bomen voor ransuil Heikikker
2
Heikikker, huismus en JBN
2
JBN en rugstreeppad
2
Huismus, JBN en rugstreeppad Kleine marters
2
Vleermuizen en ransuil
4
Kleine marters
1
Vleermuizen en ransuil
4
Kleine marters
1
Kleine marters
1
Vleermuizen
3
Rugstreeppad
2
Vleermuizen
3
Vleermuizen
3
18.00 – 21.00 17.45 – 22.00
10 °C
4 Bft
Geen
Koorzang
11 °C
2 Bft
Geen
19-4-2023
19.45 – 23.45
9 °C
4 Bft
Geen
4-5-2023
19.00 – 00.15
8 °C
3 Bft
Geen
17-5-2023
20.00 21.15 21.15 23.35
11 °C
2 Bft
Geen
9 °C
2 Bft
Geen
31-5-2023
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
6-6-2023
21:30 00:00
16 °C
3 Bft
Geen
13-6-2023
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
30-6-2023
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
n.v.t.
4-7-2023
03.15 05.30
14 °C
2 Bft
Geen
13-7-2023
23.00 01.00 22.00 00.30
16 °C
2 Bft
Geen
18 °C
2 Bft
Geen
22.00 00.30
19 °C
2 Bft
Geen
Koorzang en Jaarrond beschermd nest Koorzang en Jaarrond beschermd nest Koorzang en Jaarrond beschermd nest Plaatsing cameravallen Zomer- en kraamverblijf, vliegroutes, foerageergebied en ransuil Controle cameravallen Zomer- en kraamverblijf, vliegroutes, foerageergebied en ransuil Controle cameravallen Controle cameravallen Zomer- en kraamverblijf, vliegroutes, foerageergebied Voortplantingswater en landbiotoop Paarverblijf, vliegroutes, foerageergebied Paarverblijf, vliegroutes, foerageergebied
4-4-2023
17-5-2023
17-8-2023
4-9-2023
2
1
blad 14 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
3.
Resultaten In dit hoofdstuk worden de resultaten van de veldbezoeken per soort beschreven. Paragraaf 3.1 t/m 3.6 bevat de resultaten van de onderzochte soorten. In paragraaf 3.7 wordt een opsomming gegeven van waarnemingen van overige soorten.
3.1
Boombroedende soorten (buizerd, sperwer en ransuil) Er zijn vier veldbezoeken uitgevoerd in de periode van april tot en met mei om de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten vast te stellen. Tijdens één van de veldbezoeken is een buizerd in de buurt van een van de nesten waargenomen. Deze vertoonde geen nestindicerend gedrag en was tijdens de daaropvolgende veldbezoeken afwezig. Het desbetreffende nest bleef vervolgens, tijdens de broedperiode van de buizerd, buiten gebruik. Hierdoor wordt het nest niet als jaarrond beschermd aangemerkt. Vermoedelijk is dezelfde buizerd, tijdens een later veldbezoek aangetroffen, met een ander individu op een nest buiten het plangebied. Dit nest is voor de volledigheid weergeven in figuur 3.1 en ligt op ongeveer 150 meter ten noordwesten van het plangebied. Op een boomnest ca. 40 meter ten noordoosten van het plangebied is tijdens de veldbezoeken een broedende ekster waargenomen. Dit nest bevindt zich buiten het plangebied en blijft dus intact. De ekster is een categorie 5 soort en word in hoofdstuk 4 besproken. Tijdens twee overige veldbezoeken, onder andere ten behoeve van vleermuisonderzoek, zijn in de buurt van het ekster nest twee bedelende jongen van de ransuil waargenomen. De aanwezigheid van deze jongen, die nog niet vliegensvlug waren, duidt op een nest van de ransuil in de nabijheid van het plangebied.
Effecten van het voornemen op de ransuil worden in hoofdstuk 4 besproken. Op de overige drie nesten is gedurende de veldbezoeken geen activiteit waargenomen.
blad 15 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
Figuur 3.1 Locatie van een koppel buizerds op nest en ransuiljongen in de omgeving van het plangebied. Bron: QGIS, 2023
3.2
Huismus Er is tijdens de veldbezoeken geen activiteit van de huismus waargenomen bij het pompgebouw, waardoor de aanwezigheid van broedplaatsen en overig leefgebied kan worden uitgesloten. Daarnaast zijn de bosschages rondom de bungalows en het boerenerf onderzocht op een functie als foerageergebied en rustplaats. Omdat de bosschages gekapt worden en de gebouwen behouden blijven lag de focus van het onderzoek op de bosschages. Tijdens de veldbezoeken is gebleken dat de meest oostelijk gelegen bungalow functioneert als broedplaats van de huismus; hier zijn vier individuen tijdens de broedperiode waargenomen (zie figuur 3.2). Deze vogels maakten gebruik van de hagen rondom de bungalow als foerageeren rustgebied. De huismus is waargenomen nabij het boerenerf in de broedperiode waargenomen. Hierom wordt uitgegaan van nestenplaatsen in een van de gebouwen op het boerenerf (zie figuur 3.2). Geen van deze huismussen is in de vegetatie in het plangebied waargenomen. Effecten van het voornemen op de huismus worden in hoofdstuk 4 besproken.
blad 16 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
Figuur 3.2 Vastgestelde broedplaats in bungalow en vermeende broedplaats op boerenerf van de huismus. Bron: QGIS, 2023.
3.3
Vleermuizen Tijdens de veldbezoeken zijn twee soorten vleermuizen waargenomen: gewone dwergvleermuis en laatvlieger. Beide soorten zijn gebouwbewonend. Er zijn geen boombewonende soorten in (de directe omgeving van) het plangebied waargenomen. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende soorten is uitgesloten. Er zijn geen zomer- en kraamverblijfplaatsen waargenomen in het plangebied. wel was er sprake van een baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis tussen de opslagkelder en de bomenrij aan de westzijde van het plangebied. door de constante baltsroepen en het vaste vlieggedrag wordt de paarverblijfplaats verwacht in de opslagkelder. De zuidelijke muur van de opslagkelder bevat spleten die mogelijk toegang bieden tot holle ruimten in het gebouw waar de gewone dwergvleermuis gebruik van kan maken. Zie figuur 3.3 voor de locatie van de verblijfplaats.
blad 17 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
Figuur 3.3 Locatie van een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Bron: QGIS, 2023.
Tijdens de veldbezoeken is de rij met populieren gemonitord om het gedrag van vleermuizen gedurende de schemering vast te stellen. Er was geen sprake van een verhoogde intensiteit van overvliegende vleermuizen ten tijde van zonsondergang of zonsopkomst, wat zou duiden op verplaatsing van verblijfplaats naar foerageergebied en terug. Daarom wordt geconcludeerd dat de bomenrij niet als vliegroute functioneert. Tijdens de terreinbezoeken zijn diverse keren foeragerende vleermuizen waargenomen, te weten gewone dwergvleermuis en laatvlieger. De gewone dwergvleermuizen foerageerden tijdens diverse veldbezoeken rondom de bosschages in het noordwestelijke deel van het plangebied, langs de bomenrij van populieren en in de buurt van de lantaarnpalen langs de weg die het plangebied doorsnijdt. Tijdens twee bezoeken in het voorjaar en één bezoek in het najaar zijn er 3 tot maximaal 6 gewone dwergvleermuizen gelijktijdig foeragerend waargenomen gedurende de volledige duur van het onderzoek. Doordat de gewone dwergvleermuizen voor lange tijd bleven is het een indicatie voor foerageergebied en niet voor vliegroute. Door het gebruik door soortgelijke structuren in de omgeving is het plangebied aan te merken als essentieel foerageergebied (figuur 3.4). De laatvlieger is net buiten het plangebied waargenomen boven het weiland ten westen van het plangebied.
De laatvlieger is slechts tijdens één veldbezoek (foeragerend) waargenomen. Op basis van deze beperkte aanwezigheid wordt geconcludeerd dat de laatvlieger geen binding met het plangebied heeft. Concluderend kan een paarverblijfplaats en essentieel foerageergebied van de gewone dwergvleermuis niet worden uitgesloten binnen het plangebied. Effecten van het voornemen op de gewone dwergvleermuis worden in Hoofdstuk 4 besproken.
blad 18 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
Figuur 3.4 Essentieel foerageergebied gewone dwergvleermuis
blad 19 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
3.4
Kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) De bunzing is vastgelegd door drie van de acht cameravallen. Alle drie de camera’s stonden in een bosschage en nabij houtstapels/takkenrillen. Voor een van de houtstapels is vastgelegd dat de bunzing de houtstapel betreedt en ook overdag weer verlaat (zie figuur 3.5). Hieruit valt te concluderen dat deze houtstapel als verblijfplaats wordt gebruikt. In figuur 3.6 is de locatie van deze verblijfplaats weergegeven. Omdat marters als bunzing meerdere rustplaatsen hebben binnen hun leefgebied, is niet uit te sluiten dat vergelijkbare houtstapels in het plangebied als verblijfplaats worden gebruikt. Daarom worden alle aanwezige houtstapels in het plangebied als verblijfplaats gezien. Gelet op overige waarnemingen van de bunzing wordt de bosschage in het noordwestelijke deel van het plangebied als foerageergebied aangeduid. De hermelijn en wezel zijn niet waargenomen tijdens het onderzoek. De aanwezigheid van deze soorten in het plangebied is uitgesloten. De effecten van het voornemen op de bunzing worden in hoofdstuk 4 besproken.
Figuur 3.5 Enkele waarnemingen van de bunzing (rood omcirkeld). De onderste rij beelden geeft de momenten weer waarop de bunzing zijn verblijfplaats aandoet en verlaat.
blad 20 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
Figuur 3.6 Vastgestelde verblijfplaats (ster) en overige waarnemingen van de bunzing in het plangebied. Bron: QGIS, 2023.
3.5
Heikikker Tijdens het veldbezoek op 23 maart 2023 is één heikikker aangetroffen. Deze heikikker was op weg van een watergang in het zuiden van het plangebied naar de vijver in het plangebied (zie figuur 3.8). De vijver zelf kon in de voortplantingsperiode niet worden geïnspecteerd, omdat dat deel van het plangebied niet bereikbaar was. Desondanks kan op basis van de looproute van de heikikker worden geconcludeerd dat de vijver en de watergang in het plangebied als voortplantingswater van de heikikker functioneren. De landbiotoop van de heikikker bevindt zich altijd in de nabije omgeving van het voortplantingswater, tot op een afstand van 300 meter (BIJ12, 2017). Gelet op de eisen die de heikikker hieraan stelt (voorzien van hoge, dichte vegetatie), wordt geconcludeerd dat de bosschages in het plangebied deel uitmaken van het landbiotoop van de heikikker. De effecten van het voornemen op de heikikker worden in hoofdstuk 4 besproken.
blad 21 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
Figuur 3.8 Locatie van waarneming van de heikikker en water- en landbiotoop van de heikikker. Bron: QGIS, 2023.
Figuur 3.9 Waargenomen heikikker in plangebied
blad 22 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
3.6
Rugstreeppad Gedurende drie veldbezoeken in april, mei en juli (voortplantingsperiode) is geluisterd naar kooractiviteit van de rugstreeppad. Er zijn tijdens de veldbezoeken rugstreeppadden alleen visueel waargenomen, niet auditief. De waarnemingen bevonden zich op het landbiotoop van de rugstreeppad en niet in of nabij water. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de wateren in het plangebied niet dienen als voortplantingswateren. Mogelijk bevinden de voortplantingswateren zich in de weilanden rondom het plangebied. Tijdens terreinbezoeken voor het vleermuisonderzoek, zijn daarnaast ook rugstreeppadden visueel waargenomen in het plangebied, te weten in juli, augustus en september. Het maximaal waargenomen aantal individuen van de rugstreeppad was zeven. In figuur 3.10 zijn twee foto’s van rugstreeppadden weergegeven die aanwezig waren in het plangebied. In figuur 3.11 zijn de locaties van de waargenomen rugstreeppadden gedurende alle veldbezoeken weergegeven. In figuur 3.12 is het landbiotoop van de rugstreeppad weergegeven.
Figuur 3.10 Aangetroffen rugstreeppadden in het plangebied.
blad 23 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
Figuur 3.11 Locaties van waarnemingen van de rugstreeppad. Bron: QGIS, 2023.
Figuur 3.12 Landbiotoop rugstreeppad
Op basis van de periode en locatie van de waarnemingen kan worden geconcludeerd dat (een deel van) het plangebied als landbiotoop van de rugstreeppad fungeert. De dieren gebruiken het als foerageergebied en waarschijnlijk ook als overwinteringsplaats. Het is niet aannemelijk dat de verspreiding zich beperkt tot het bestrate deel van het plangebied, aangezien de rugstreeppad in het algemeen overwintert in onder andere bosschages. Om deze reden wordt geconcludeerd dat het hele plangebied dient als landbiotoop voor de rugstreeppad. Effecten van het voornemen op het landbiotoop van de rugstreeppad worden in hoofdstuk 4 besproken.
3.7
Overige waarnemingen Andere soorten die in het plangebied door de cameravallen zijn vastgelegd zijn de bosmuis, egel, haas, huiskat, konijn, gewone pad, bruine rat, rosse woelmuis en huisspitsmuis. Ook zijn diverse vogels vastgelegd, te weten de bergeend, fazant, heggenmus, koolmees, merel, nijlgans, winterkoning, zanglijster en zwartkop. Deze soorten vallen onder de zorgplicht en algemene broedvogels. Deze worden besproken in hoofdstuk 4.
blad 24 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
4.
Effectbeoordeling In dit hoofdstuk worden de resultaten uit het vorige hoofdstuk getoetst aan de Wet natuurbescherming (Wnb) en wordt aangegeven of er een noodzaak is om een ontheffing in het kader van de Wnb aan te vragen. Paragraaf 4.1 t/m 4.6 bevat de toetsing van de onderzochte soorten. In paragraaf 4.7 wordt ingegaan op soorten die vallen onder de Zorgplicht.
4.1
Boombroedende soorten (buizerd, sperwer en ransuil) De buizerd heeft een nest buiten het plangebied. Er is geen sprake van effecten op dit nest door de afstand van het nest tot de werkzaamheden. Het nest bevind zich buiten de verstoringsafstand van 75 meter van het plangebied. Er zijn geen vervolgstappen aan de orde. Er zijn bedelende ransuiljongen waargenomen nabij het plangebied. Tijdens het onderzoek is de ransuil niet op de nesten in of in de invloedssfeer van het plangebied waargenomen. De dieren komen waarschijnlijk van een nest langs de Blindeweg. Effecten van het voornemen zijn uitgesloten. De ekster heeft een nest binnen het plangebied. De nest van de ekster valt onder “categorie 5”. Dit betreffen nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze nesten zijn enkel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende gelijkwaardige beplanting aanwezig waar de ekster zijn nest kan bouwen. Om deze reden is er geen reden om jaarronde bescherming van het nest te rechtvaardigen.
De ekster valt hiermee onder de algemene broedvogels, waarbij effecten volledig voorkomen worden werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren.
4.2
Huismus Er zijn geen nestplaatsen van de huismus in het plangebied. Daarnaast zijn er geen huismussen in de te kappen bosschages waargenomen. Er zijn nestplaatsen van de huismus bij de oostelijke bungalow en het boerenbedrijf ten oosten van het plangebied. Het essentieel foerageergebied van deze nesten bevindt zich niet in het plangebied. Er is geen sprake van essentiële functies voor de huismus in het plangebied. Effecten van het voornemen op leefgebied en nesten van de huismus zijn uitgesloten. Ook is er geen sprake van verstoring van nesten. Huismussen zijn cultuurvolgers en hierom gewend aan menselijk activiteit. Een toename in verkeersbewegingen en geluid/optische verstoring door de werkzaamheden zal hierom niet leiden tot functioneel verlies van leefgebied.
4.3
Vleermuizen Er zijn geen zomer en kraamverblijfplaatsen aanwezig in het plangebied. bij de opslagkelder en bomenrij in het westen van het plangebied was sprake van een baltsterritorium van de gewone dwergvleermuis. Door het vertoonde gedrag wordt aangenomen dat de gewone dwergvleermuis een paarverblijf heeft in de opslagkelder. Dit gebouw wordt niet gesloopt of anderszins aangetast als gevolg van het planvoornemen. Wel worden de bosschages en bomenrij ten (noord)westen van de verblijfplaats gerooid als gevolg van het planvoornemen. Om te zorgen dat de verblijfplaats zijn functie behoudt, is het noodzakelijk dat er vegetatie in de directe omgeving van de verblijfplaats aanwezig blijft. Dat is het geval, omdat de bomenrij ten zuiden en de bosschage ten oosten van de verblijfplaats onaangetast blijft als gevolg van het planvoornemen. Er is dan ook geen sprake van verstoring of aantasting van verblijfplaatsen als gevolg van het planvoornemen. Er zijn geen vliegroutes van vleermuizen geconstateerd. Er is dan ook geen sprake van verstoring of aantasting van essentiële vliegroutes als gevolg van het planvoornemen.
blad 25 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
De vegetatie aan de westzijde van het plangebied, bestaande uit de bosschage en bomenrij, is essentieel foerageergebied van de gewone dwergvleermuis. De geplande kap van de structuren zorgt voor verlies van de functie als essentieel foerageergebied. Dit is in strijd met de verbodsbepalingen zoals omschreven in artikel 3.5 van de wet natuurbescherming. Om deze reden dient een ontheffingsaanvraag opgesteld te worden en is er sprake van een compensatieplicht Er vindt geen vernieling of verstoring plaats van verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes of essentieel foerageergebied. Uitvoering van het planvoornemen leidt op dit punt niet tot een overtreding van een van de verbodsbepalingen uit de Wnb.
4.4
Kleine marters (bunzing, hermelijn en wezel) Er is een verblijfplaats van de bunzing vastgesteld in het plangebied. Hierom is ook sprake van aanwezigheid van essentieel leefgebied binnen het plangebied. De bunzing staat vermeld op onderdeel A, behorende bij artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Voor de soorten vermeld op onderdeel A geldt dat het verboden is de soorten opzettelijk te doden of te vangen, ook is het verboden vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Er is echter geen sprake van een verbod op verstoring van de soorten (in tegenstelling tot onder art 3.1 en 3.5 beschermde soorten). Als gevolg van het planvoornemen dient de bosschage gekapt te worden. Hiermee worden verblijfplaatsen en foerageergebied aangetast. Uitvoering van het planvoornemen leidt daarom tot een overtreding van een van de verbodsbepalingen uit de Wnb. Er dient een ontheffing aangevraagd te worden en er is sprake van een compensatieopgave.
4.5
Heikikker In het plangebied is voortplantingswater en landbiotoop van de heikikker aangetroffen. De heikikker is beschermd onder de Habitatrichtlijn (artikel 3.5). Daarmee is het verboden deze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, of eieren te vernielen of te vangen. Ook is het verboden vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Als gevolg van het planvoornemen dient de bosschage gekapt te worden. Hiermee worden verblijfplaatsen en foerageergebied aangetast. Daarnaast zal het planvoornemen tijdens de uitvoeringsfase tot verstoring leiden. Uitvoering van het planvoornemen leidt daarom tot een overtreding van een van de verbodsbepalingen uit de Wnb. Er dient een ontheffing aangevraagd te worden en er is sprake van een compensatieopgave.
4.6
Rugstreeppad Er zijn in het plangebied rugstreeppadden waargenomen. De dieren bevonden zich hoofdzakelijk op een bestraat terrein, maar zijn vermoedelijk in het hele plangebied aanwezig. Het plangebied fungeert als landbiotoop van de rugstreeppad, zijnde foerageergebied en overwinteringsplaats. De rugstreeppad is beschermd onder de Habitatrichtlijn (artikel 3.5). Daarmee is het verboden deze opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, of eieren te vernielen of te vangen. Ook is het verboden vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Als gevolg van het planvoornemen dient de bosschage gekapt te worden. Hiermee worden verblijfplaatsen en foerageergebied aangetast. Daarnaast zal het planvoornemen tijdens de uitvoeringsfase tot verstoring leiden. Uitvoering van het planvoornemen leidt daarom tot een overtreding van een van de verbodsbepalingen uit de Wnb. Er dient een ontheffing aangevraagd te worden en er is sprake van een compensatieopgave.
blad 26 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
4.7
Overige soorten Op de wildcamera’s zijn in het plangebied grondgebonden zoogdieren en algemene broedvogels waargenomen. Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor grondgebonden zoogdieren, zoals grasland en bosschages. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Utrecht geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor algemene broedvogels, zoals watergangen en bosschages. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (artikel 3.1). Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden.
blad 27 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
5.
Conclusie & advies In dit hoofdstuk worden conclusies en adviezen gegeven gebaseerd op het nader onderzoek en bedoeld om overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb te voorkomen. Paragraaf 5.1 bevat de conclusie. In paragraaf 5.2 worden vervolgstappen en maatregelen aangedragen.
5.1
Conclusie Vitens N.V. is voornemens om een nieuwe waterleiding aan te sluiten op het bestaande productiebedrijf aan de Blindeweg 7 te Montfoort (gemeente Montfoort, Provincie Utrecht). Daarnaast worden nieuwe kabels en leidingen op het terrein van het productiebedrijf aangelegd en worden er twee nieuwe gebouwen bijgebouwd. Ten behoeve van de werkzaamheden worden bosschages met bomen en struiken gerooid. Ook worden twee gebouwen gesloopt. Er wordt niet gewerkt in de watergangen. Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om de gewone dwergvleermuis, de bunzing, de heikikker en de rugstreeppad. In tabel 5.1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in hoofdstuk 4. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht. Tabel 5.1 Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming. Soort(groep) Essentieel leefgebied in (directe Maatregelen? omgeving van) plangebied? Boombroedende Ja, buiten de invloedsfeer van Nee, geen sprake van verstoring soorten (buizerd) het plangebied Boombroedende Ja, buiten de invloedsfeer van Nee, geen sprake van verstoring soorten (ransuil) het plangebied.
Mogelijk nest aan de Blindeweg. Boombroedende Nee Nee soorten (sperwer) Huismus Ja, buiten de invloedsfeer nabij Nee, geen sprake van verstoring de bungalow en nabijgelegen erf en/of aantasting Vleermuizen Ja, mogelijk paarverblijfplaats in Nee, verblijfplaats blijft verblijfplaatsen de opslagkelder functioneel Vleermuizen – Nee Nee essentiële vliegroutes Vleermuizen – Ja Nader te bepalen essentieel foerageergebied Kleine marters Ja, verblijfplaatsen en Nader te bepalen (Bunzing) foerageergebied van bunzing in een bosschage in het plangebied Kleine marters Nee Nee (wezel en hermelijn) Heikikker Ja, wateren en bosschages in het Nader te bepalen plangebied dienen respectievelijk als voortplantingswater en als landbiotoop Rugstreeppad Ja, het plangebied dient als Nader te bepalen landbiotoop Vrijgestelde Ja, grasland en bosschages Ja, zie paragraaf 5.3 soorten dienen als verblijf- of broedplaats en foerageergebied
Ontheffing Wnb aan de orde? Nee Nee
Nee
Nee Nee Nee
Ja
Ja
Nee
Ja
Ja Nee
blad 28 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
5.2
Advies beschermde soorten In tabel 5.1 is aangegeven dat een overtreding van de Wnb voor een aantal soorten niet kan worden voorkomen en dat er een ontheffing Wnb aan de orde is. Voor het opstellen van een ontheffingsaanvraag is een activiteitenplan nodig. In het activiteitenplan moeten de volgende onderwerpen worden behandeld: • Essentiële functies van de beschermde soort; • Belang van het voornemen; • Alternatieven voor het verwijderen van de verblijfplaats; • Mitigerende maatregelen; • Compenserende maatregelen; • Toetsing aan de gunstige staat van instandhouding. Geadviseerd wordt om tijdig te starten met het opstellen van een activiteitenplan. Een ontheffingsprocedure neemt circa 20 weken in beslag (exclusief 6 weken ter inzage) en moet worden ingediend bij het bevoegd gezag (Provincie Utrecht). Wanneer het bevoegd gezag akkoord is met de werkwijze, wordt een ontheffing (vaak onder voorwaarden) verleend. Voor de uitvoering van de werkzaamheden uit het planvoornemen dient aanvullend een ecologisch werkprotocol te worden opgesteld. In een ecologisch werkprotocol staat omschreven welke maatregelen getroffen worden om effecten op de beschermde soorten te voorkomen. Ook staat erin hoe te handelen als deze effecten toch optreden.
Er staat onder andere in vermeld: • In welke periode gewerkt moet worden; • Welke activiteiten op welke locaties en op welk moment plaatsvinden; • Welke maatregelen worden genomen en wat daarmee wordt gerealiseerd; • Wanneer begeleiding door een soortendeskundige noodzakelijk is; • Wie de soortendeskundige is en wat de deskundige exact gaat doen.
5.3
Advies vrijgestelde soorten In tabel 5.1 is ook aangegeven dat een overtreding van de Wnb voor een aantal soorten kan worden voorkomen wanneer wordt voldaan aan de zorgplicht. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. Dit betekent dat handelingen (of het nalaten hiervan) waarvan men weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat ze nadelig zijn voor planten en/of dieren niet mogen worden uitgevoerd. Wanneer dergelijke handelingen toch uitgevoerd moeten worden, moeten maatregelen, voor zover dit in redelijkheid kan, worden genomen om de nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Bij uitvoering van het planvoornemen kan de zorgplicht voor amfibieën en grondgebonden zoogdieren in acht worden genomen door het treffen van eenvoudige maatregelen, zoals: Werken in één richting, waarbij de richting wordt bepaald door mogelijke vluchtroutes voor dieren. Hiermee wordt voorkomen dat dieren worden ingesloten tijdens de werkzaamheden; Zoveel mogelijk werken vanaf bestaande infrastructuur en stapvoets rijden, zodat dieren kunnen wegvluchten; Te allen tijde zorgvuldig te handelen en bij het aantreffen van dieren ze de kans geven om rustig weg te vluchten. Er kan eenvoudig rekening worden gehouden met broedvogels door (kap/snoei)werkzaamheden buiten het broedseizoen (circa maart tot en met juli2) uit te voeren.
Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen te werken, dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient vooraf aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een erkend ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied dan worden locatie-specifieke maatregelen voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wet natuurbescherming aan de orde.
blad 29 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
Literatuurlijst Bouwens, S., 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. BIJ12, 2017a. Kennisdocument buizerd (Buteo buteo). Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017b. Kennisdocument gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus). Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017c. Kennisdocument heikikker (Rana arvalis). Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017d. Kennisdocument rugstreeppad (Bufo calamita). Versie 1.0, juli 2017. Netwerk Groene Bureaus, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). Netwerk Groene Bureaus (NGB), 2021. Vleermuisprotocol 2021.
Overig NDFF Street Smart AERIUS-calculator, versie 2022. www.ravon.nl www.sovon.nl www.zoogdiervereniging.nl
blad 30 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
Bijlage 1 Wettelijk kader
blad 31 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
Bijlage 1 Wettelijk kader In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader. Wnb - Algemeen De Wet natuurbescherming (Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Wnb beschermt: • De Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn in het kader van het Europees natuurbeleid (gebiedsbescherming) • De planten- en diersoorten (onderdeel soortbescherming) • Bos en houtopstanden (onderdeel houtopstanden). Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij de provincies. Er zijn hierop wel uitzonderingen waarvoor het ministerie van LNV bevoegd gezag is. Dit betreft onder andere de aanleg en uitbreiding van hoofdwegen, landelijke spoorwegen, hoofdvaarwegen, primaire waterkeringen, militaire terreinen en oefengebieden, militaire luchthavens, Schiphol en overige burgerluchthavens, het landelijke gastransportnet, hoogspanningsverbindingen van tenminste 220 kV, activiteiten van buitenlandse mogendheden en activiteiten namens een lid van het Koninklijk Huis. LNV is ook bevoegd gezag voor ruimtelijke ingrepen in de Exclusieve Economische Zone (EEZ) en voor Windenergie op zee (kavelbesluiten). Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. De Wnb richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden.
Wnb - Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’(onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’) (artikel 3.10 e.v. Wnb). Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1 e.v. 1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Het is mogelijk om ontheffing aan te vragen voor de overtreding van de verbodsbepalingen. De ontheffing kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’ (dit is dus strenger dan voor soorten van de Habitatrichtlijn en de andere soorten); - Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en/of Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb) Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5 e.v.:
blad 32 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
1.
2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Onder de Wnb is het mogelijk om voor streng beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Hierbij geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.5. Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 van de Wnb bij overtreding van de verbodsbepalingen een ontheffing worden aangevraagd. De ontheffing kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Andere soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb) De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage A en B van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten.
De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.10 e.v.. Het is verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling wanneer aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Daarnaast geldt ook vrijstelling bij ruimtelijke projecten voor soorten die staan op besluit vrijgestelde soorten. Het hangt per provincie af welke soort is vrijgesteld van de verbodsbepalingen in artikel 3.10, ook de grond waarvoor een vrijstelling geldt kan ook variëren tussen provincies. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Deze zorgplicht is verder in deze bijlage nog toegelicht. Indien de ‘andere soorten’ niet zijn vrijgesteld en daarmee het voornemen de gestelde verboden in artikel 3.10 overtreedt, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt.
blad 33 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten uit de categorie ‘andere soorten’ van de Wnb bij overtreding van de verbodsbepalingen een ontheffing worden aangevraagd. De ontheffing kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang h ‘in het algemeen belang’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Samenvatting gronden waarop een ontheffing verleend mag worden per categorie beschermde soorten (artikel 3.1, 3.5 en 3.10). Ontheffingsgronden Artikel 3.1 Artikel 3.5 Artikel 3.10 Soorten van de Vogelrichtlijn 1 2 3
Er bestaat geen andere bevredigende oplossing Leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding volksgezondheid en openbare veiligheid veiligheid van luchtverkeer ter voorkoming van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij ter bescherming van Flora en Fauna voor onderzoek, onderwijs, uitzetten en herinvoeren van soorten / teelt dwingende reden van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor milieuwezenlijke gunstige effecten ruimtelijke inrichting of ontwikkeling schade en overlast, ter beperking omvang populatie, ter bestrijding van lijden en ziekte, bestendig beheer en onderhoud (ook natuurbeheer), algemeen belang, bestendig gebruik
Andere soorten
Ja
Soorten van de Habitatrichtlijn, Bonn & Bern Ja
Ja
Ja
Ja
Ja Ja Ja
Ja Nee Ja
Ja Ja Ja
Ja Ja
Ja Ja
Ja Ja
Nee
Ja
Ja
Nee Nee
Nee Nee
Ja Ja
Ja
Zorgplicht Er dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de zorgplicht zoals vastgelegd in artikel 1.11 van de Wnb. Deze zorgplicht houdt o.a. in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor in het wild levende dieren en planten, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht heeft betrekking op de gebieds- en op de soortbescherming. In het tekstkader hieronder staat het wetsartikel uitgeschreven.
blad 34 van 36
datum 12 oktober 2023 projectnummer 466020.101 betreft Nader onderzoek ecologie
Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 1. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Er dient bijvoorbeeld zo gewerkt te worden dat dieren kunnen ontsnappen en het kan nodig zijn om soorten te verplaatsen (bijvoorbeeld planten en amfibieën). Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland.
blad 35 van 36
Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.
Contactgegevens Tolhuisweg 57 8443 DV Heerenveen Postbus 24 8440 AA Heerenveen E. jorrit.dejong@anteagroup.nl
Copyright © 2023 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs. De informatie die in dit rapport is opgenomen is uitsluitend bestemd voor geadresseerde(n) en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten. Gebruik van deze informatie, door anderen dan de geadresseerde(n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is niet toegestaan. De informatie is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt door de geadresseerde, voor het doel waarvoor dit rapport is vervaardigd. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden niet toegestaan, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group en wordt u verzocht de gegevens te verwijderen en direct een melding te maken bij security@antegroup.nl. Derden, zij die niet geadresseerd zijn, kunnen geen rechten aan dit rapport ontlenen, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group.
www.anteagroup.nl