CConstaterende datMontfoort
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Toelichting bestemmingsplan Dorpstraat 9

Raadsvergadering 22 april 2024, gemeente MontfoortBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Dorpstraat 9 te Linschoten14.448 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Dorpstraat 9, Linschoten Gemeente Montfoort

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0335.BPDorpstraat9-VG01

Datum:

19 februari 2024

Kenmerk Buro SRO:

SR230203

Opdrachtgever:

Fam. de Ruijter de Wildt - van Waegeningh

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 13 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 15

4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 18 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 18 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 19 4.3 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 19 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 22 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 23 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 23 4.7 Waterhuishouding.............................................................................................................................................

26 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 29 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 30 4.10 Cultuurhistorie ................................................................................................................................................ 31 4.11 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 32 4.12 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 33

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 35 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 35 5.2 Plansystematiek ................................................................................................................................................ 35 5.3 Toelichting afzonderlijke bestemmingen .......................................................................................................... 36

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 37 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 38 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 38 7.2 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 38 7.3 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 38

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemers hebben het voornemen om op de locatie aan de Dorpstraat 9-11 te Linschoten één nieuwe duurzame woning te realiseren ter plaatse van de bestaande kalverschuur. De initiatiefnemers hebben zich geworteld in Linschoten en zijn al lange tijd woonachtig in de naastgelegen monumentale woonboerderij. Zij willen daarom graag op de locatie blijven wonen. Gezien de leeftijd van de initiatiefnemers is de woonboerderij te groot en van een dusdanig formaat dat het onderhoud en de energiekosten te hoog zijn. Daarom willen zij een kleinere en duurzame woning laten bouwen. De bestaande kalverschuur met overkapping zal worden gesloopt. Ter plaatse hiervan zal de nieuwe vrijstaande woning worden gebouwd en de percelen gesplitst. Het perceel zal worden gesplitst op ca. 3 m afstand van de boerderij en sluit haaks aan op de Jacob Barneveldstraat. Hiermee krijgen zowel de bestaande boerderij als de nieuwe vrijstaande woning een eigen perceel. De bouw van de extra woning naast de als rijksmonument aangeduide woonboerderij vraagt om een zorgvuldige inpassing en een passende bouwmassa. Het voornemen is om de nieuwe woning passend aan te laten sluiten bij de woonboerderij, zonder dat het afbreuk doet aan het monumentale karakter van de boerderij, en anderzijds de woning passend te laten zijn in het straatbeeld van Linschoten.

Voor de beoogde ontwikkeling is bij de gemeente Montfoort een principeverzoek ingediend. Op 19 juni 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders aangegeven, onder voorwaarden, een positieve grondhouding te hebben ten opzichte van het plan. Het initiatief past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Kern Linschoten', vastgesteld op 5 september 2011. Op de gronden van de beoogde nieuwe woning is namelijk geen bouwvlak aanwezig. Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken zal een partiële herziening van het bestemmingsplan (postzegelbestemmingsplan) moeten worden opgesteld. Onderhavig plan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen in de (historische) kern van Linschoten, op de hoek van de Dorpstraat en de Jacob Barneveldstraat. Het plangebied staat kadastraal bekend onder de kadastrale gemeente Linschoten, sectie B, perceelnummers 1581 (noordelijke deel), 2427, 2452 en 2746. De percelen bij elkaar hebben een oppervlakte van ca. 585 m². Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de bestaande monumentale woonboerderij op perceelnummer 1581 (zuidelijke deel). Ten westen van de woonboerderij ligt de rivier de Korte Linschoten. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan de Voorvliet met aan de overzijde een bedrijventerrein met een voormalige houthandel. Aan de oostzijde sluit het plangebied aan op een parkeerkoffer met daarachter de woningen van de Jacob Barneveldstraat. Navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en globale begrenzing van het plangebied.

5

Globale ligging, plangebied rood omcirkeld (bron: Google Earth).

Globale begrenzing, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan ‘Kern Linschoten’, vastgesteld op 5 september 2011. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan. Voorts geldt het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen Montfoort', vastgesteld op 29 oktober 2018. De navolgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

6

Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Kern Linschoten', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).

In het geldende bestemmingsplan zijn de gronden van het plangebied voorzien van de enkelbestemming 'Gemengd - 1'. De voor ‘Gemengd - 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor wonen met aan huis gebonden beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, bedrijven uit ten hoogste milieucategorie 2, detailhandel en dienstverlening, horeca (ten hoogste categorie 1), kantoren, maatschappelijke voorzieningen en een bed & breakfast. Het bouwvlak van de (buiten het plangebied gelegen) bestaande woonboerderij is voorzien van de functieaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding - 1’ waarmee aangeduid is dat hier een rijksmonument staat. De bomen naast de bestaande woonboerderij zijn voorzien van de functieaanduiding ‘monumentale boom’. Verder beschikt het plangebied over de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie’ waarmee de cultuurhistorische waarden worden beschermd en aanvullende regels worden gesteld voor het bouwen. Tot slot beschikt het plangebied over de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - 4’ in het noordelijk deel en de functieaanduiding ‘specifieke vorm van waarde - 2’ in het zuidelijk deel van het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op het toevoegen van een woning op een plaats waar geen bouwvlak geldt. Hiermee is het initiatief in strijd met het geldende bestemmingsplan.

Middels de voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan wordt de voorgenomen ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 volgt allereerst een planbeschrijving van de huidige situatie met vervolgens een beschrijving van de voorziene ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan het geldende ruimtelijk beleid op verschillende schaalniveaus. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst op inpasbaarheid en uitvoerbaarheid aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten. De juridische toelichting wordt gegeven in hoofdstuk 5. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in respectievelijk hoofdstuk 6 en 7 belicht.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Op het perceel aan de Dorpstraat 9 staat in de huidige situatie een bestaande boerderij. Deze woonboerderij dateert uit 1672 en is een beschermd rijksmonument. De gronden rondom het perceel zijn in gebruik als tuin en (hobbymatige) boomgaard. Ten noorden van de woonboerderij staat een nietmonumentale voormalige kalverschuur met daaraan grenzend een overkapping. De schuur is in de huidige situatie in gebruik als opslag en garage. Direct ten noorden van de schuur staat een gebouw met vier garageboxen. De meest westelijke daarvan (kavel 2451), direct grenzend aan het plangebied, is tevens in eigendom van de initiatiefnemers. Op de noordoostelijke hoek van het plangebied staat een beeldbepalende en door de gemeente als beschermd object aangemerkte acaciaboom. In het plangebied is sprake van een hoog kwaliteitsniveau. De ontsluiting vindt plaats aan de oostzijde van het plangebied, via een inrit direct aan de (haaks op de Dorpstraat gelegen) Jacob Barneveldstraat. De navolgende afbeeldingen tonen impressiefoto’s en een schets van de huidige situatie van het plangebied.

Impressie huidige situatie plangebied (bron: Buro SRO).

8

Schets huidige situatie plangebied (bron: Buro SRO).

2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemers hebben het voornemen om op de locatie aan de Dorpstraat 9-11 te Linschoten één nieuwe duurzame woning te realiseren ter plaatse van de bestaande kalverschuur. Deze schuur met overkapping zal gesloopt worden, hiermee wordt ca. 110 m² aan bebouwing verwijderd. Ter plaatse daarvan zal de nieuwe vrijstaande woning worden gebouwd. Het perceel zal worden gesplitst op ca. 3 m afstand van de boerderij en sluit haaks aan op de Jacob Barneveldstraat. Hiermee krijgen zowel de bestaande boerderij als de nieuwe vrijstaande woning een eigen perceel. Zoals in de vorige paragraaf beschreven is er in de huidige situatie een schuur en verharding aanwezig. De nieuwe woning krijgt een oppervlakte van maximaal 12 m bij 8 m. Doordat er in de huidige situatie al verharding aanwezig is tussen de boerderij en de schuur, zal door de opstelling van de nieuwe woning de verharding ongeveer gelijk blijven. De beoogde woning zal, net als de bestaande boerderij, worden ontsloten via de Jacob Barneveldstraat. Zoals hiervoor gemeld wordt het bestaande plangebied opgedeeld in twee kleinere kavels, echter blijft de bestaande inrit behouden en daarmee gedeeld door de bewoners van de bestaande boerderij en de nieuwe woning.

Door het vervangen van de bestaande schuur door een nieuwe woning kunnen de huidige bewoners in Linschoten blijven wonen en komt de woonboerderij vrij voor nieuwe bewoners. Dit draagt bij aan de vitaliteit van het dorp. Met de haakse inpassing op de Jacob Barneveldstraat, waarmee van de woning op de rooilijn van de boerderij komt te liggen, en de 'schuur'-achtige vorm en uitstraling van de woning, behoudt de beoogde woning de ondergeschikte uitstraling van bijgebouw bij de (monumentale) boerderij. De woning zal bestaan uit 1 bouwlaag met Mansardekap. De bouw- en goothoogtes zijn afgestemd op die van de bestaande boerderij. De nieuwe woning wordt voorzien van een goot- en nokhoogte van respectievelijk 3 m en 8 m. Aan de noordzijde van de woning wordt een aanbouw gerealiseerd die ook als berging gebruikt zal worden. De oppervlakte van deze aanbouw zal ca. 52 m² bedragen. Daarbij krijgt deze aanbouw een maximale hoogte van 3 m, of de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw vermeerderd met 0,25 m.

9

Ontwerp, stedenbouw en welstand De huidige woonboerderij dateert uit 1672 en is een beschermd rijksmonument. De bouw van de extra woning naast deze woonboerderij vraagt om een zorgvuldige inpassing en een passende bouwmassa. Derhalve is een massastudie uitgevoerd. In de massastudie zijn 3 modellen opgenomen, waarbij de massa's passend zijn ontworpen bij het straatbeeld van de Jacob Barneveldstraat. Op basis van het tweede (indicatieve) model is een ontwerp gemaakt dat bij het principeverzoek is ingediend. Met de gemeente Montfoort en de commissie voor ruimtelijke kwaliteit van Montfoort (Mooisticht) is uitvoerig overleg gevoerd. Dit overleg heeft geresulteerd in de onderstaande voorkeursvariant, die tegemoetkomt aan de zorgen van de commissie. De Stichting Hugo Kotestein is ook geraadpleegd en heeft aangegeven niet tegen deze ontwikkeling te zijn.

Situatietekening beoogde situatie (bron: Buro SRO, 9 juni 2023).

Om in beeld en massa aan te sluiten op de bestaande boerderij zijn de volgende aandachtspunten van belang voor de nieuwe woning:

•

Door het aanhouden van de voorgevelrooilijn van de bestaande woonboerderij komt de nieuwe woning haaks op ca. 6,5 m afstand tot de Jacob Barneveldstraat te staan. De afstand tot de boerderij bedraagt minimaal 6 m en 3,0 m tot de perceelsgrens met de parkeerkoffer. Daardoor is er voldoende afstand tussen de nieuwe woning en de boerderij.

•

De bestaande inrit blijft behouden waardoor er aan de voorzijde sprake blijft van een samenhangend boerderijerf met een gezamenlijke (verbrede) erfontsluiting. De voortuin wordt voorzien van een boerensplit. Aan de straatzijde komt tevens een lage haag. Op de nieuwe perceelsgrens, achter het boerderijerf wordt een hoge haag geplant die aan weerszijden parkeergelegenheden mogelijk maakt op eigen terrein.

• • •

Een nieuwe berging (maximaal 3 m hoog) wordt gepositioneerd aan de noordzijde tegen de bestaande garages en parkeerkoffer aan en blijft hierbij uit het zicht vanaf de Jacob Barneveldstraat. De bouw- en goothoogtes worden afgestemd op die van de bestaande boerderij, namelijk maximaal 3 m goothoogte en 8 m nokhoogte.

10

•

Bestaande bomen blijven behouden en worden ingepast op het perceel van de nieuwe woning.

Inrichting Bij de inrichting van het perceel wordt rekening gehouden met de monumentale status van de boerderij en het behoud van het boerderijerf. Hiertoe is door Vicas Tuinontwerpen een ontwerp voor de voortuin gemaakt (zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). De heg (berberis) wordt doorgetrokken tot de hoek van het perceel. Tegen de woning komen, net als bij de boerderij, hortensia's en worden struikrozen en lavendel herhaald. Het voorste gedeelte van de oprit blijft grind. De beeldbepalende acaciaboom zal intact blijven. Er zal een smalle groene erfafscheiding komen op de erfgrens tussen het nieuwe huis en de boerderij. Dit wordt een schutting van verticale houten planken of gevlochten wilgentenen, tot de rooilijn van de voorgevel. Deze zal men laten begroeien met klimplanten. Het pad van de straat naar de voordeur wordt aangelegd van getrommelde gebakken klinkers. Rondom dit pad worden kunststof grasroosters aangebracht, geschikt om op te parkeren. Het gras van de boerderij herhaalt zich bij het nieuwe huis. Verkeer en parkeren De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Jacob Barneveldstraat. Zowel op de nieuwe kavel als op de resterende kavel van de woonboerderij is voldoende parkeergelegenheid (realiseerbaar) op eigen terrein. Op het inrichtingsplan zijn vier parkeerplaatsen per woning ingetekend.

De bewoners van de nieuwe woning bezitten in de nieuwe situatie bovendien een garagebox die zich achter de toekomstige woning bevindt. Voldaan zal worden aan de parkeernormen van de gemeente Montfoort. In de toelichting paragraaf 4.12.2 wordt nader ingegaan op de parkeerbehoefte.

11

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit, het realiseren van woningen en het behouden en het versterken van cultureel erfgoed.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:

12

2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigingsof het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt op 12 nieuwe woningen. Het voorliggende plan maakt de realisatie van één woning mogelijk, waarmee het project niet wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet nader getoetst hoeft te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:

• • • • • • •

waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.

Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers.

13

Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden. Planspecifiek In de Omgevingsvisie valt het plangebied in het Landschap Groene Hart. Het Groene Hart is een zeer divers landschap met tegenstellingen. In de onderliggende kwaliteitsgids van het Groene Hart wordt specifiek ingegaan op de kwaliteiten van het gebied. Met het beoogde plan wordt een nieuwe woning op een bestaand erf in de kern Linschoten mogelijk gemaakt. Er wordt geen afbreuk gedaan aan de kernkwaliteiten van het Groene Hart.

De ontwikkeling vindt plaats binnen stedelijk gebied. Daarmee wordt aangesloten bij de ambitie van de provincie om de ruimtevraag voor wonen op duurzame wijze te accommoderen via binnenstedelijke en binnendorpse ontwikkeling. Door de nieuwe woning zorgvuldig in te passen naast de bestaande monumentale boerderij, sluit onderhavig plan aan op het behouden van de unieke bestaande stedelijke kwaliteiten met aandacht voor o.a. cultuurhistorie en identiteit, aanbod voorzieningen en functiemenging. Hier is nader op ingegaan in toelichting paragraaf 2.2. Tevens sluit de beoogde woning aan op de woningbouwopgave van de provincie Utrecht zoals geformuleerd in het Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie provincie Utrecht.

3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s.

De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar

14

hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Uit kaart 19 van de Interim Omgevingsverordening blijkt dat het plangebied ligt in stedelijk gebied. Artikel 9.15 verordening stelt dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen stedelijk gebied bestemmingen en regels kan bevatten voor verstedelijking en voor woningbouw. Op de planlocatie is het mogelijk om nieuwe woningen te realiseren, mits deze passen binnen het door de gedeputeerde staten vastgestelde programma wonen en werken en deze niet zorgt voor extra bodemdaling. De basisprincipes voor verstedelijking worden gevolgd, de ontwikkeling vindt immers plaats binnen stedelijk gebied. Daarmee wordt tevens bijgedragen aan een integrale stedelijke kwaliteit. Door een bestaande schuur te saneren en een nieuwe woning te bouwen vindt er een binnenstedelijke ontwikkeling plaats en wordt ingezet op efficiënt ruimtegebruik.

In lijn met de massastudie wordt daarbij aandacht gegeven aan een gezonde inrichting van de openbare ruimte in het stedelijk gebied met voldoende groen en water. Er wordt aangesloten bij de basisprincipes voor verstedelijking. Uit kaart 3 blijkt dat een deel van het plangebied ligt in een vrijwaringszone van een waterkering. De werkzaamheden vinden plaats buiten de vrijwaringszone van deze waterkering. In toelichting paragraaf 4.7 wordt hier nader op ingegaan. Uit kaart 15 blijkt dat het plangebied ligt in CHS - agrarisch cultuurlandschap. In artikel 7.7 van de omgevingsverordening wordt gesteld dat rekening gehouden moet worden met de waarden en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden. Daarbij moet gekeken worden naar de kernkwaliteiten, als bedoeld in bijlage 14 bij de verordening. Onderhavig plangebied ligt in deelgebied Linschoten. Zoals blijkt uit toelichting paragraaf 2.2 heeft er uitvoerig afstemming plaatsgevonden om de kernkwaliteiten in het gebied te behouden. Gesteld kan worden dat voldaan wordt aan dit artikel. Uit kaart 16 blijkt dat het plangebied ligt in het 'Landschap Groene Hart'. In artikel 7.9 wordt gesteld dat op de kernkwaliteiten van het landschap en de wijze waarop met de bescherming van deze kernkwaliteiten is omgegaan, ingegaan moet worden.

Voor het landschap 'Groene Hart' wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden: 1. 2. 3. 4.

openheid; (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.); landschappelijke diversiteit; rust & stilte.

Deze kernkwaliteiten zijn door de ligging van het plangebied in het dorp grotendeels niet meer te herkennen. De ontwikkeling vindt plaats op een locatie waar reeds dichte bebouwing aanwezig is. Wel is uitvoerig afgestemd hoe de ruimtelijke kwaliteit behouden kan blijven. Er vindt geen afbreuk plaats aan deze kernkwaliteiten. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Interim Omgevingsverordening van Provincie Utrecht.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Montfoort Op 13 december 2021 heeft de raad van de gemeente Montfoort de Omgevingsvisie ‘Vitale kernen in een waardevol landschap’ vastgesteld. In deze Omgevingsvisie heeft de gemeente Montfoort haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vastgelegd.

15

Allereerst worden in de omgevingsvisie de identiteit en de kernkwaliteiten van de gemeente onderscheiden. Deze zijn als volgt samen te vatten:

• • • • • •

Rust en ruimte koesteren Waardevol blauw en groen Trots op historisch karakter Levendig en zorgzaam Bourgondisch, sociaal en religieus Creatief en innovatief

De gemeente positioneert zichzelf als "Een toekomstbestendige gemeente met vitale kernen in een waardevol landschap". Dit doet zij middels de beschrijving van 10 strategische keuzes met bijbehorende ambities en doelstellingen. 1.

De leefomgeving moet passen bij onze identiteit, waarbij we onze landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten beschermen en verbeteren. 2. We kiezen voor een vitale, leefbare en inclusieve gemeente. 3. We bieden ruimte aan woningbouw. 4. We bieden ruimte aan de lokale maakindustrie. 5. Voor mobiliteit volgen we het adagium: "Lokaal vertragen, regionaal versnellen". 6. We bieden (zeer beperkt) ruimte aan energiebronnen in het buitengebied en op bedrijventerreinen. 7. We bouwen recreatieve en toeristische mogelijkheden uit. 8. We gebruiken klimaatadaptatie om de gemeente groener, gezonder en veiliger te maken. 9. We werken mee aan een toekomstbestendige landbouw met ruimte voor natuur. 10. We sturen ook vanuit de fysieke leefomgeving op een gezonde en veilige samenleving. De keuzes die gemaakt moeten worden zijn thematisch en gebiedsgericht uitgewerkt in de omgevingsvisie. De thema's worden aan de hand van vier onderdelen behandeld: Wat zijn onze doelen? Wat is onze rolopvatting daarbij? Wat willen we niet? En waar willen we dat dan? Vervolgens wordt de koers voor acht deelgebieden, ieder met een eigen karakter, kwaliteiten en ontwikkelrichtingen beschreven. Planspecifiek Het planvoornemen betreft een woningbouwontwikkeling in de dorpskern van Linschoten.

In de Omgevingsvisie van gemeente Montfoort wordt onder meer gericht op het behoud van het historische karakter, de leefbaarheid en bereikbaarheid voor zowel inwoners als recreatieve bezoekers. Daarbij geldt voor het beschermde dorpsgezicht qua welstandsniveau een bijzonder niveau van welstand. Bouwplannen moeten voldoen aan de bijbehorende criteria uit de welstandsnota. Voor nieuw te ontwikkelen bebouwing en activiteiten geldt in ieder geval dat deze in schaal, maat en uitstraling moet passen bij het huidige dorp. Onderhavige woning sluit hierop aan door haar passende karakter bij de bestaande woonboerderij. Voor het thema wonen wordt hoofdzakelijk aangesloten bij het doel om mogelijkheden die zich aandienen voor woningbouw actief te benutten door inbreiding, transformatie of herstructurering. Onderhavig initiatief betreft immers een inbreidingslocatie voor een specifieke behoefte. Daarnaast komt er met de realisatie van de nieuwe woning doorstroming op de woningmarkt tot stand. Hierdoor komt de bestaande woonboerderij beschikbaar voor anderen. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie van Montfoort.

3.3.2 Woonvisie gemeente Montfoort 2019 - 2030 Op 8 juli 2019 heeft de gemeenteraad de 'Woonvisie gemeente Montfoort 2019-2030' vastgesteld. De visie geeft inhoud en richting aan de ontwikkelingen op de woningmarkt. De bevolkingssamenstelling verandert, de economie verandert en de woningmarkt verandert mee. Keuzes die in 2019 gemaakt worden, werken door in de komende decennia. De visie is dan ook geen gedetailleerde opsomming van activiteiten in de komende jaren. De woonvisie wordt gezien als een 'kompas' waarmee aangegeven wordt hoe tegen de

16

opgaven in het woonbeleid aangekeken wordt. Er wordt richting gegeven en een bestendige lijn wordt uitgezet voor de toekomst. Daarbij inspelend op nieuwe ontwikkelingen en kansen die zich voordoen. De gemeente zet zich in voor de vitaliteit van wonen en leven in Montfoort en Linschoten. Een passend woonaanbod vormt een onderdeel hiervan, binnen de integrale ruimtelijke ontwikkeling van de kernen Met de woonvisie wil de gemeente toekomstgericht inspelen op de woonwensen en woonmogelijkheden voor de inwoners van Montfoort en Linschoten, en tevens haar bijdrage leveren aan het verminderen van de druk op de regionale woningmarkt. Dit laatste draagt ook bij aan een evenwichtige ontwikkeling van Montfoort en Linschoten. Differentiatie van woningen is daarbij nodig, om een toekomstbestendige woningvoorraad te hebben waar doorstroming in plaats kan vinden. Op basis van dit vertrekpunt en afweging van de drie gepresenteerde scenario’s kiest de gemeente Montfoort voor een toekomstscenario dat ruimte biedt aan ontwikkelingen passend bij de lokale vraag, met een kleine plus voor nieuwkomers in de gemeente Montfoort. Deze ambitie wordt uit aan de hand van vijf pijlers uitgewerkt: 1. 2. 3. 4. 5.

voorzichtige groei van de kernen: tot 2030, 250 woningen toevoegen, waarvan 130 voor de lokale behoefte; de twee kernen verschillen in woonmilieus en leefstijlen (nieuwe woonstijlen sluiten aan bij de leefstijlen in de kernen); voorkomen dat kwetsbare groepen op de woningmarkt verdrongen worden (o.a. 30% van nieuwbouwprogramma bestaat uit sociale woningbouw); de kernen zijn duurzaam en gezond (o.a. de woningvoorraad is in 2050 energieneutraal); ruimte voor eigen initiatief en innovatie (gemeente faciliteert particulieren initiatieven binnen afwegingskader; nieuwbouw moet zorgen voor een kwalitatieve toevoeging aan de kernen).

De woonvisie heeft ertoe geleid dat de gemeenteraad een stap verder wil gaan. Daarom heeft de gemeenteraad in januari 2020 de notitie 'Plusprogramma woningbouw gemeente Montfoort' vastgesteld. Daarmee is het woningbouwprogramma verhoogd met 180 woningen tot een totaal van 430 woningen. Met de extra woningen wil de raad nog beter kunnen voorzien in de lokale behoefte en zorgen voor voldoende draagvlak voor het behoud van voorzieningen in de kernen Montfoort en Linschoten. Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt bijgedragen aan de woningbehoefte in de kern Linschoten. Er wordt voorzien in de specifieke behoefte van de initiatiefnemers en er komt daardoor een andere woning vrij, waardoor doorstroming op gang komt. Bovendien stimuleert gemeente Montfoort eigen initiatief en innovatie. Er wordt ingezet op initiatieven die passen bij de schaal van de gemeente en (voor)ziet kansen voor sociale en fysieke innovaties. Herbenutting van bestaand vastgoed kan rekenen op ondersteuning van de gemeente, mits met een passend programma conform het afwegingskader en passend binnen het ruimtelijk beleid van de gemeente. Daarnaast zal de nieuwe woning voldoen aan de geldende duurzaamheidsnormen en daarmee aansluiten bij de vierde pijler uit de Woonvisie. Geconcludeerd wordt dat het plan in lijn is met de ambities van de Woonvisie 2025 en het daarop voortgeborduurde Plusprogramma.

17

4 Uitvoerbaarheid 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan, gelet op de aard, omvang en directe omgeving alsmede gelet op bestaande jurisprudentie over dit onderwerp, de beoogde ontwikkeling in dit specifieke geval niet is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie D 11.2 in de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage). Er is slechts sprake van één extra woning en van een (zeer) beperkt ruimtebeslag. Dit blijkt ook uit de uitvoerbaarheid van de relevante (milieu)thema's, waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie, zoals benoemd in hoofdstuk 4 van onderhavig plan.

18

Geconcludeerd wordt dat een (vormvrije) m.e.r.-(beoordelings)-procedure niet nodig is. Er hoeft dan ook geen m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen te worden.

4.2 Bodem In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het deelgebied bij elkaar passen. Planspecifiek Met onderhavig plan is er geen sprake van een functiewijziging naar een strenger bodemgebruik. Echter is de locatie verdacht op de aanwezigheid van bodemverontreinigingen door het voormalige agrarische gebruik. Om aan te tonen wat de kwaliteit van de bodem en het grondwater is, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (LAWIJN advies & management, september 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: In de laag zandige klei in de bovengrond van de locatie zijn lichte verontreinigingen met lood, zink en PAK geconstateerd. Zintuiglijk is zwakke tot matige bijmenging van puinresten en sporen grind waargenomen.

Bij het onderzoek op asbest is in de geroerde laag zandige klei in de bovengrond, zowel visueel als analytisch, geen verontreiniging geconstateerd. In de laag siltige klei in de bovengrond is een lichte verontreiniging met kwik geconstateerd. Zintuiglijk is geringe bijmenging van sporen puin waargenomen. In de ondergrond van de locatie zijn lichte verontreinigingen met kwik, lood, zink en PAK aangetroffen. Zintuiglijk zijn geen afwijkingen waargenomen in de ondergrond. In het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie zijn lichte verontreinigingen met molybdeen en nikkel aangetroffen, en is een licht verhoogde concentratie barium gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde. Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten bestaat, conform de richtlijnen van de Wet Bodembescherming, geen aanleiding tot nader onderzoek voor de planologische procedure. De verkregen resultaten geven geen milieutechnische bezwaren ten aanzien van de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie. In een reactie van de Omgevingsdienst Regio Utrecht op het uitgevoerde onderzoek is erop gewezen dat in een later stadium alsnog een aanvullend onderzoek nodig is. Dit onderzoek zal ten behoeve van een omgevingsvergunning worden uitgevoerd. Hierbij wordt rekening gehouden met kosten voor het saneren.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de beoogde planologische ontwikkeling.

4.3 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven

19

komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals bijvoorbeeld: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling wordt een gevoelige bestemming (woning) mogelijk gemaakt. Derhalve dient er beoordeeld te worden of er ter plaatse van deze milieugevoelige bestemming sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of andersom de activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg van het plan. Aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Kern Linschoten' is gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. In de navolgende tabel is hiervan een overzicht weergegeven.

Nr. 1 2

3

Activiteit bedrijven t/m milieucategorie 3.1 Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout Gemengde bestemming t/m milieucategorie 2

Milieucategorie Richtafstand Minimale (maximaal gemengd afstand tot de toegestaan) gebied woning

SBILocatie 2008

162 Laan van Overvliet 5 3.1

30 m

41 m

-

Korte Linschoten Oostzijde 3

3.2

50 m

30 m

-

o.a. Jacob Barneveldstraat 3

2

10 m

11 m

Bestemming 'Gemengd' Rondom het plangebied bevinden zich gronden met de bestemming 'Gemengd - 1' en 'Gemengd - 2'. Hier zijn planologisch gezien maximaal bedrijven van milieucategorie 2 toegestaan, met in gemengd gebied een richtafstand van 10 m. Er is één kadastraal perceel binnen 10 m van het plangebied gelegen dat niet bij het huidige adres Dorpstraat 9 hoort, namelijk perceel 2453 behorend bij de Jacob Barneveldstraat 3 op 8,6 m afstand in noordoostelijke richting. Op het dichtst bijgelegen deel van dit perceel staat een bijgebouw dat niet in gebruik lijkt te zijn. Theoretisch zou er sprake kunnen zijn van belemmering wanneer er hier een bedrijf of vergelijkbaar wordt opgericht. Echter wordt dit risico in de praktijk als verwaarloosbaar beschouwd. Op dit adres lijkt het hoofdgebouw momenteel als woning in gebruik, er ligt maar een zeer klein deel binnen de richtafstand waar ook een gebouw is gelegen. Bovendien zijn zowel op het perceel zelf alsook op het aangrenzende perceel 3144 (Jacob Barneveldstraat 5) reeds woningen aanwezig. Daardoor zal het bijgebouw in de praktijk geen belemmeringen opleveren. Geconcludeerd kan worden dat aan de richtafstanden betreffende gronden met de bestemming 'Gemengd - 1' en 'Gemengd - 2' ruimschoots kan worden voldaan.

20

Bedrijfsbestemmingen Ten noordwesten van het plangebied zijn gronden met de bestemming 'Bedrijf' gelegen. Hier is door middel van de functieaanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1' een bedrijf van maximaal milieucategorie 3.1 toegestaan. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 30 m, met als maatgevende aspect geluid. De afstand tot het plangebied bedraagt 30 m. Tevens is op het westelijk deel van de bedrijfsbestemming, tegenover het plangebied, door middel van de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - 1' tevens een timmerwerkfabriek (vervaardiging overige artikelen van hout) uit ten hoogste milieucategorie 3.2 toegestaan. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 50 m, met als maatgevende aspect geluid. De nieuwe woning wordt op ca. 30 m afstand van deze bedrijfsbestemming gerealiseerd. Daarmee wordt niet voldaan aan de richtafstand. Echter zijn er op kortere afstand van dit bedrijf reeds woningen gelegen. Deze woningen aan de Dorpstraat Jacob Barneveldstraat 3, 5 en 7 en de Dorpstraat 1 zijn nu al maatgevend voor de bedrijfsvoering van dit bedrijf op het bedrijfsperceel. Er wordt hierbij verwacht dat de kade niet (meer) geschikt is voor laad- en loswerkwerkzaamheden op het water vanwege de aanwezigheid van vaste bruggen over de Voorvliet.

Daarom kan worden gesteld dat de bedrijven hier niet verder in hun bedrijfsvoering worden beperkt door het realiseren van de beoogde nieuwe woning. Ten aanzien van het bepalen van een goed woon- en leefklimaat kan van de richtafstand uit de VNG-brochure worden afgeweken. Verder zijn tussen de bedrijfsbestemming en de beoogde locatie van de nieuwe woning garageboxen gelegen. Daardoor is er naar verwachting sprake van een lagere geluidsbelasting. Er is op dit moment geen timmerwerkfabriek op het terrein gevestigd maar de locatie is in gebruik voor opslag. Daarom is hier maximaal milieucategorie 3.1 toegestaan op basis van het bestaande gebruik, met een richtafstand van 30 m. Daarnaast ligt het niet in de lijn der verwachting dat hier ooit nog een timmerwerkfabriek gevestigd zal worden. Tot slot heeft de gemeente Montfoort aangegeven van plan te zijn om dit terrein te herontwikkelen tot woonwijk. Daarmee zal de milieucontour op termijn geheel komen te vervallen. De Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU) heeft aangegeven dat een akoestisch onderzoek industrielawaai niet noodzakelijk is, omdat de bestaande woningen maatgevend zijn. Bovenstaande inhoudelijke onderbouwing wordt als voldoende beschouwd. De navolgende afbeelding toont het plangebied in relatie tot bedrijven in de omgeving en milieuzonering.

Richtafstanden plangebied tot nabijgelegen bedrijfsactiviteiten, plangebied rood omkaderd (bron: Buro SRO).

21

Conclusie In de omgeving van het plangebied komen verschillende functies voor. Het gaat daarbij om woningen, bedrijvigheid en agrarische activiteiten. Door aanwezigheid van bestaande woningen worden de maximale planologische mogelijkheden van bedrijfsbestemmingen in de huidige situatie al beperkt. De beoogde woning vormt geen verdere beperking van bestaande rechten van bedrijven en is goed verenigbaar met de reeds aanwezige overige functies. Een goed woon- en leefklimaat kan bij de nieuwe woning gegarandeerd worden. Geconcludeerd kan worden dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

4.4 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek De bestemming 'Wonen' is in het kader van de Wet geluidhinder een gevoelige bestemming. De Dorpstraat en de Jacob Barneveldstraat kennen ter hoogte van het plangebied een snelheidsregime van 30 km/uur en zijn daarom geen gezoneerde wegen. Het plangebied ligt wel binnen de onderzoekszone van de Laan van Overvliet waar een snelheidsregime geldt van 50 km/uur. Derhalve is er voor de beoogde ontwikkeling door Kragten een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting van wegverkeerslawaai uitgevoerd (Kragten, 29 augustus 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Hierin wordt het volgende geconcludeerd: Toets Wet geluidhinder De Laan van Overvliet is gelegen op een afstand van circa 180 meter van het bouwplan. Vanwege de grote afstand van het plan tot de weg en de tussenliggende afschermende bebouwing wordt verwacht dat ter plaatse van het plan geen relevante geluidbelasting vanwege de Laan van Overvliet optreedt. In het onderzoek is een berekening, uitgevoerd met het softwareprogramma GeoMilieu versie 2023.1.

Hieruit blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Laan van Overvliet hoogstens 39 dB1 bedraagt. De voorkeursgrenswaarde wordt hiermee niet overschreden. De Wet geluidhinder legt verder geen restricties op voor de realisatie van het bouwplan. Toets goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening is eveneens een berekening uitgevoerd voor de gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle relevante omliggende wegen (inclusief 30 km/uur wegen). Uit de berekening blijkt dat de gecumuleerde geluidbelasting hoogstens 49 dB, exclusief aftrek ex art. 110g Wgh, bedraagt. Geconcludeerd wordt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Een nader akoestisch onderzoek is niet nodig.

22

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 µg/ m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Onderhavig plan bestaat uit het realiseren van 1 nieuwe woning. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als 'niet in betekende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2020 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 16,3 μg/m³ PM10, 9,0 μg/m³ PM2,5 en 14,3 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden.

Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Montfoort&id=ed7332cd-8fc0-48e3-aa4a-218693f9ff3d