Bijlage 4 - Natuurtoets
Tekst van het document
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten
projectnummer 466020 definitief revisie 00 8 december 2022
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten
projectnummer 466020 documentnummer 466020-NT-01 definitief revisie 00 8 december 2022
Auteur A. Wiersma
Opdrachtgever Vitens N.V. Oude Veerweg 1 8019 BE ZWOLLE Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus
De informatie in voorliggende rapportage is (deels) afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Gecontroleerd: R. Keizer
datum 8 december 2022
beschrijving definitief
vrijgave J.L. de Jong
Inhoudsopgave
Blz.
1
Inleiding
1
1.1 1.2 1.3
Aanleiding & planvoornemen Doel Leeswijzer
1 4 4
2
Effectbeschrijving en -beoordeling
5
2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.4 2.5 2.6 2.7
Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Effectbepaling voornemen Soortbescherming Afbakening relevante soortgroepen Vogels Zoogdieren – vleermuizen Zoogdieren – overige zoogdieren Amfibieën Zorgplicht Natura 2000 NNN en natuurbeheertypen Overig provinciaal beleid Utrecht Beschermde houtopstanden Wnb
5 8 8 8 8 14 18 21 23 24 25 26 26
3
Conclusie & advies
28
3.1 3.1.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Soortbescherming Zorgplicht Natura 2000 NNN Overig provinciaal beleid Utrecht Beschermde houtopstanden Wnb
28 30 31 31 32 32
Literatuurlijst Bijlage 1 Wettelijk kader Bijlage 2 Methodiek natuurtoets
33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
1
Inleiding
1.1
Aanleiding & planvoornemen Vitens N.V. is voornemens om een nieuwe waterleiding aan te sluiten op het bestaande productiebedrijf aan de Blindeweg 7 te Montfoort (gemeente Montfoort, Provincie Utrecht). Daarnaast worden nieuwe kabels en leidingen op het terrein van het productiebedrijf aangelegd en worden er twee nieuwe gebouwen bijgebouwd. Ten behoeve van de werkzaamheden worden bosschages met bomen en struiken gerooid. Ook worden twee gebouwen gesloopt. Er wordt niet gewerkt in watergangen. Het is nog onbekend wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd, waarschijnlijk medio 2023. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met beschermde planten- en diersoorten en met beschermde gebieden. Er dient onderzocht te worden of het voornemen effect heeft op beschermde soorten, beschermde gebieden of beschermde houtopstanden (Wet natuurbescherming (Wnb), Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overig (provinciaal) beleid). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en/of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. Dit wordt verkend in deze natuurtoets. Daarnaast worden kansen voor het verbeteren van natuurwaarden genoemd.
In de figuren 1.1 en 1.2 is de ligging van het plangebied weergegeven. In figuur 1.3 is een impressie van het ontwerp weergegeven en in figuur 1.4 zijn de te rooien bosschages en de te slopen gebouwen aangegeven.
Blad 1 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Figuur 1.1. Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van de omgeving. Bron: Street Smart, luchtfoto 2022.
Figuur 1.2. Gedetailleerde ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Street Smart, luchtfoto 2022.
Blad 2 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Figuur 1.3. Impressie ruimtelijke ontwikkeling: nieuwe waterleidingen (dikke rode lijnen), nieuwe gebouwen (grijze contouren) en bestaande waterleidingen (blauwe lijnen). Bron: Vitens N.V.
Blad 3 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Legenda mogelijk te slopen gebouwen mogelijk te kappen bosschages
Figuur 1.4. Impressie van te rooien bosschages (rood omlijnd) en te slopen gebouwen (blauw omlijnd).
1.2
Doel Het doel van de natuurtoets is om een goed eerste beeld te krijgen van de (beschermde) natuurwaarden die in het plangebied en de (directe) omgeving aanwezig (kunnen) zijn. Dit gebeurt door het uitvoeren van een bureaustudie en oriënterend terreinbezoek. Op basis hiervan wordt getoetst of in het kader van de Wnb als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kunnen optreden. Daarnaast wordt ingegaan op de eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.
1.3
Leeswijzer De natuurtoets is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding van de natuurtoets en voorgenomen ontwikkeling; Hoofdstuk 2 beschrijft het gebied en toetst de (in de omgeving) aanwezige beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden aan de natuurwetgeving en overige beleidskaders. Hoofdstuk 3 bevat de conclusies en advies over de te nemen vervolgstappen. In bijlage 1 wordt het wettelijk kader beschreven. In bijlage 2 wordt de methodiek van voorliggende natuurtoets beschreven.
Blad 4 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
2
Effectbeschrijving en -beoordeling In paragraaf 2.1 wordt allereerst een gebiedsbeschrijving van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2 de effectbepaling van het plan gegeven. In paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 wordt respectievelijk ingegaan op de aanwezigheid van en toetsing aan de Wnb van beschermde soorten, Natura 2000-gebieden, NNN, overig provinciaal beleid van de provincie Utrecht en beschermde houtopstanden. Indien blijkt dat een onderdeel van paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 niet relevant is voor voorliggend planvoornemen, vindt er geen toetsing van het voornemen aan de Wnb (of ander relevant beleidskader) van dat onderdeel plaats.
2.1
Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Op 6 december is vanaf circa 10:00 uur een oriënterend terreinbezoek uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Antea Group bij licht bewolkt weer met een temperatuur van circa 5 °C. Tijdens het terreinbezoek is het plangebied te voet geïnspecteerd. Hierbij zijn bomen met een verrekijker geïnspecteerd op de aanwezigheid van nesten, holtes en scheuren. Het plangebied is gelegen in het veenweidegebied op een afstand van 3,5 km ten zuidwesten van de stad Utrecht. Het plangebied wordt omgeven door intensief gebruikt landbouwgebied (grasland) met sloten. Ten oosten van het plangebied staat een boerderij en ten noorden van het plangebied staan enkele bungalows. Het plangebied is deels verhard met beton en/of bestrating. De rest bestaat uit lage grassen met kruiden, enkele bosschages, boomgroepen en bomenrijen. De bomenrijen en boomgroepen bestaan uit essen en populieren. De bosschages bestaan uit onder andere zwarte els, zomereik, Spaanse aak, wilg en berk. Er is daarnaast een rijke ondergroei van onder andere hazelaar en meidoorn aanwezig. In de bosschages liggen ook takkenrillen. In het midden van het plangebied staat een zeshoekig pompgebouw. Het pompgebouw ligt enkele meters hoger dan de rest van het plangebied. Ten westen van het pompgebouw is een grote opslagkelder aanwezig.
Daarnaast zijn een aantal kleinere gebouwtjes aanwezig verspreid over het plangebied. In het oosten van het plangebied ligt een vijver met op de oevers enkele struiken. Zowel de noord- en zuidkant van het plangebied worden begrensd door sloten. Aan de westkant is alleen een greppel aanwezig. De sloten zijn veelal ondiep (minder dan 0,5 m) en hebben weinig oeverbegroeiing. In figuur 2.1 is een impressie gegeven van het plangebied.
Blad 5 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Plangebied gezien in noordelijke richting met zeshoekig pompgebouw
Sloot langs noordzijde van plangebied en de rand van het bosschage
Westkant plangebied met achterzijde opslagkelder en populierenrij
Noordelijk deel van plangebied met gedeeltelijke verharding
Bosschage in het noorden van het plangebied
Sloot langs zuidzijde plangebied
Blad 6 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Ingang opslagkelder gezien vanaf noordwestzijde vanuit plangebied
Verhard terrein rondom het zeshoekige pompgebouw
Bosschage in het plangebied gezien vanaf zuidzijde
Zuidkant van plangebied met rechts het pompgebouw en in achtergrond opslagkelder
Vijver in plangebied
Bosje en één van de bungalows ten noorden van het plangebied
Figuur 2.1. Impressie van het plangebied.
Blad 7 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
2.2
Effectbepaling voornemen De volgende activiteiten vinden plaats als gevolg van het planvoornemen die een effect kunnen hebben op (het leefgebied van) (beschermde) soorten en beschermde gebieden: Er worden bomen en struiken gerooid voor het aansluiten van de waterleiding en de bouw van een aantal nieuwe gebouwen; Er worden gebouwen gesloopt voor het aansluiten van de waterleiding en de bouw van een aantal nieuwe gebouwen; Er wordt gegraven in de bodem waardoor de vegetatie wordt aangetast; Er vindt verstoring van de omgeving plaats door onder andere geluid, licht en trilling ten gevolge van de werkzaamheden.
2.3
Soortbescherming In de onderstaande paragrafen worden per soortgroep de resultaten van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek beschreven. Indien soortgroepen op basis van het oriënterend terreinbezoek op voorhand kunnen worden uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop, zijn deze soortgroepen vermeld in paragraaf 2.3.1. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek wordt ingegaan op de mogelijk effecten die als gevolg van het planvoornemen op mogelijk aanwezige beschermde soorten kunnen optreden. Indien negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten, wordt geadviseerd over de te nemen vervolgstappen.
2.3.1
Afbakening relevante soortgroepen Op basis van de bureaustudie en het verkennend terreinbezoek kan de aanwezigheid van meerdere soortgroepen worden uitgesloten. Aangezien het bekende verspreidingsgebied van beschermde reptielen, insecten, kreeftachtigen, weekdieren, zaadplanten, varens en bladmossen niet tot aan het plangebied reikt kan aanwezigheid van deze soortgroepen op voorhand worden uitgesloten. Aanwezigheid van de overige soortgroepen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Deze soortgroepen worden in de hiernavolgende paragrafen nader beschouwd.
2.3.2
Vogels In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.1. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2017-2022).
Soort Buizerd Huismus Ooievaar Ransuil Roek Sperwer Steenuil
Categorie 4 2 3 4 2 4 1
Blad 8 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Naast de in de tabel weergegeven waargenomen soorten is de omgeving van het plangebied ook geschikt als broedgebied voor soorten als boomvalk, havik en wespendief. Als gevolg van de relatief lage onderzoeksinspanning ontbreken mogelijk waarnemingen van deze soorten. Zoals blijkt uit de bureaustudie is een aantal vogelsoorten waargenomen in de omgeving van het plangebied waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waar bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats, alsook bij wezenlijke aantasting van de functionele leefomgeving, altijd ontheffing moet worden aangevraagd. Dit zijn boombroedende soorten (zoals buizerd en ransuil), gebouwbroedende soorten (zoals huismus) en overige soorten (zoals steenuil en ooievaar). Tijdens het terreinbezoek is in de omgeving van het plangebied een rustende buizerd waargenomen. Overige soorten met een jaarrond beschermd nest zijn niet waargenomen tijdens het terreinbezoek. Gedurende het terreinbezoek zijn in (de directe omgeving van) het plangebied een aantal nesten in bomen aangetroffen die kunnen toebehoren aan boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest. De locaties van deze nesten zijn aangegeven in figuur 2.2. Enkele van de aanwezige boomnesten aangetroffen tijdens het veldbezoek zijn weergegeven in figuur 2.3.
De aanwezigheid van nestplaatsen van boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest kan in (de directe omgeving van) het plangebied niet worden uitgesloten.
Legenda
^_ boomnesten plangebied
Figuur 2.2 Aangetroffen potentieel jaarrond beschermde boomnesten in (de omgeving van) het plangebied. Bron achtergrond: Luchtfoto, ESRI
Blad 9 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Figuur 2.3 Enkele aangetroffen potentieel jaarrond beschermde boomnesten in (de omgeving van) het plangebied. Bron achtergrond: Luchtfoto, ESRI
In het plangebied (en de directe omgeving) is bebouwing aanwezig. Deze bebouwing is (deels) geschikt voor soorten met jaarrond beschermde nesten welke in gebouwen broeden, zoals de huismus. Hierdoor kunnnen nestlocaties van de huismus in (de directe omgeving van) het plangebied niet worden uitgesloten. De huismus kan bijvoorbeeld broeden in het productiebedrijf in het plangebied, bij de bungalows en de boerderij buiten het plangebied. De potentiële broedplaatsen zijn aangegeven in figuur 2.4. Tevens bevinden zich essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving van de huismus binnen het plangebied, waaronder bosschages.
Blad 10 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Figuur 2.4 Potentiële broedplaatsen voor gebouw bewonende soorten met een jaarrond beschermd nest in (de omgeving van) het plangebied. Bron achtergrond: Luchtfoto, ESRI
De gebouwen die worden gesloopt zijn ongeschikt als broedplaats voor soorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest. De te slopen gebouwen hebben een plat dak en kennen geen openingen waarin genesteld kan worden. Wel kan er in potentie verstoring door de voorgenomen werkzaamheden optreden van soorten met een jaarrond beschermd nest in gebouwen. Doordat de gebouwbewonende soorten goed zijn aangepast aan menselijke verstoring wordt echter niet verwacht dat er broedgevallen verstoord worden indien werkzaamheden in het broedseizoen uitgevoerd worden. Door het rooien van de bosschages in het (noord)westelijke deel van het plangebied kan wel essentieel foerageergebied verloren gaan van de huismus. Of het bosschage daadwerkelijk essentieel is hangt van de hoeveelheid die wordt gekapt en kwaliteit van het foerageergebied. Buiten het plangebied is mogelijk geschikt broedbiotooop aanwezig voor de steenuil. Het gaat om de boerderij en de schuren. In het plangebied ontbreekt broedbiotoop echter. Geschikt broedbiotoop voor de ooievaar (kunstmatige palen of zeer grote boomnesten) en de roek (groepen nesten in bomen) is in (de directe omgeving van) het plangebied niet aanwezig, waardoor jaarrond beschermde nestplaatsen van deze soorten kunnen worden uitgesloten.
Blad 11 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Concluderend kan de aanwezigheid van soorten met een jaarrond beschermd nest in bomen en gebouwen niet worden uitgesloten in (de omgeving van) het plangebied. Boombroeders en gebouw bewonende soorten met jaarrond beschermde nesten vallen onder de bescherming van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), welke is verwerkt in de Wnb. Indien er nestplaatsen van deze soorten aanwezig zijn, kunnen broedvogels door de werkzaamheden worden verstoord. Dit is in overtreding met de gestelde verbodsbepalingen uit de Wnb. Om overtreding van de Wnb te voorkomen dient nader onderzoek naar het gebruik van deze jaarrond beschermde nesten in de bomen plaats te vinden. Er worden namelijk bosschages gerooid waarin bomen staan met mogelijk jaarrond beschermde nesten. Ook dient nader onderzocht te worden of het plangebied gebruikt wordt door de huismus in verband met de aanwezigheid van essentieel leefgebied (bijvoorbeeld de te rooien bosschages). In onderstaand kader zijn de vervolgstappen voor het nader onderzoek weergegeven. Het broedseizoen voor de huismus loopt van circa maart t/m augustus en voor boombroeders van februari t/m augustus (afhankelijk van vroeg dan wel laat broedende soorten).
Vervolgstappen jaarrond beschermde nesten Aangezien er bomen met nesten worden gekapt en/of essentieel leefgebied (bosschages) wordt aangetast is er nader onderzoek nodig naar zowel gebouw bewonende soorten als boom bewonende soorten. De opzet van dit nader onderzoek is hieronder toegelicht: Nader onderzoek huismus Om de aan- of afwezigheid van de huismus aan te kunnen tonen, is nader onderzoek noodzakelijk. Het nader onderzoek bestaat uit twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of drie gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni (BIJ12, 2017a). Nader onderzoek boombewonende soorten: Het onderzoek bestaat uit 2 tot 4 gerichte veldbezoeken gedurende maart t/m half mei (BIJ12, 2017b). Hiervan is tenminste één bezoek nodig in juli/augustus voor laat broedende soorten, zoals wespendief en boomvalk. Soorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 5) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.2. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1km) die in het NDFF door derden zijn ingevoerd (NDFF, 2017-2022).
Soort Blauwe reiger Boerenzwaluw Bosuil Ekster Grote bonte specht Groene specht Huiszwaluw
Categorie 5 5 5 5 5 5 5
Blad 12 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Koolmees Pimpelmees Spreeuw Torenvalk Zwarte kraai
5 5 5 5 5
Tijdens het terreinbezoek zijn enkele categorie 5-soorten waargenomen (grote bonte specht, ekster, koolmees en pimpelmees). Nesten van de categorie 5 vogelsoorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit laatste is op het plangebied niet van toepassing. Er zijn geen categorie 5 soorten te verwachten die zeldzaam zijn in de omgeving of onvoldoende nestgelegenheid hebben in de omgeving. Derhalve zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die jaarronde bescherming rechtvaardigen. De categorie 5-soorten vallen daarmee onder de bescherming van algemene broedvogels. Algemene broedvogels Tijdens de terreinbezoeken zijn diverse algemene broedvogels waargenomen (o.a. roodborst, merel, wilde eend, meerkoet en winterkoning). De bosschages en bomen in het plangebied bieden nestgelegenheid aan bos- en struweelvogels. De watergangen in en rondom het plangebied bieden nestgelegenheid aan watervogels en op/in de gebouwen kunnen soorten als witte kwikstaart, zwarte roodstaart en scholekster nestelen. Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wnb (artikel 3.1). Indien nesten aanwezig zijn mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden.
Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele (kap)werkzaamheden niet uit te voeren in het broedseizoen (circa maart tot en met juli1) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wnb aan de orde. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient een ecologische controle op de aanwezigheid van broedvogels plaats te vinden. In dat geval dient het plangebied voorafgaande aan het broedseizoen gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een deskundig ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied, kunnen locatiespecifieke maatregelen worden voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is. Ongeschikt maken van (delen van) het plangebied voorafgaande aan het broedseizoen is alleen mogelijk als middels nader onderzoek is uitgesloten dat het plangebied in gebruik is bij vogels met een jaarrond beschermd nest en/of andere beschermde natuurwaarden zijn uitgesloten, zoals leefgebied van kleine marterachtigen.
1
Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.
Blad 13 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Vervolgstappen algemene broedvogels: Bij voorkeur wordt gewerkt buiten het broedseizoen (circa maart t/m juli); Indien niet mogelijk kunnen (delen van) het plangebied voorafgaande aan het broedseizoen ongeschikt worden gemaakt door deze af te zetten met vlaggetjes en lintjes en de vegetatie kort te maaien. Deze werkwijze is uitsluitend toegestaan als aanwezigheid van andere beschermde natuurwaarden (zoals jaarrond beschermde nesten en kleine marterachtigen) zijn uitgesloten middels nader onderzoek; Indien niet buiten het broedseizoen kan worden gewerkt dient het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een ecoloog gecontroleerd te worden op aanwezige broedvogels.
2.3.3
Zoogdieren – vleermuizen In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.3 Overzicht van waargenomen vleermuizen in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2017-2022).
Soort Gewone dwergvleermuis
Beschermingsregime HR (artikel 3.5) X
Voor vleermuizen zijn drie functies van het leefgebied te onderscheiden die van groot belang zijn. Dit zijn verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Foerageergebieden en vliegroutes zijn alleen beschermd als deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van de verblijfplaats, zogenaamde essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes. Deze drie onderdelen (verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied) worden hieronder nader beschouwd. Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen hun verblijfplaats in gebouwen of bomen (of beide) hebben. Gebouw bewonende vleermuizen verblijven met name in spouwmuren, onder dak betimmering, achter boeiborden of op zolders. Boom bewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen. In de bomen binnen het plangebied zijn holtes en scheuren aanwezig welke potentiële verblijfplaatsen voor boom bewonende vleermuizen kunnen vormen (zie figuur 2.5). De locaties van deze bomen zijn tevens op kaart aangegeven (zie figuur 2.6). De aanwezigheid van verblijfplaatsen van boom bewonende soorten zoals ruige dwergvleermuis, en rosse vleermuis kan daarom niet worden uitgesloten. Deze bomen worden mogelijk gekapt waardoor verblijfplaatsen vernietigd worden.
Blad 14 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Figuur 4.5 Bomen met potentiële vleermuisverblijfplaatsen welke mogelijk gerooid worden.
Legenda
^_ bomen met holtes plangebied
Figuur 2.6 Aangetroffen potentiële verblijfplaatsen in bomen in (de omgeving van) het plangebied. Bron achtergrond: Luchtfoto, ESRI
De gebouwen in het plangebied zijn geschikt voor gebouw bewonende vleermuizen, aangezien er potentiële verblijfplaatsen aanwezig zijn, zoals ventilatieroosters en open stootvoegen, welke mogelijk in verbinding staan met de spouw (zie figuur 2.7). De aanwezigheid van verblijfplaatsen gebouw bewonende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis en laatvlieger kan daarom niet
Blad 15 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
worden uitgesloten. Enkele van deze gebouwen worden aangetast, waardoor mogelijke verblijfplaatsen worden vernietigd.
Figuur 2.7 Gebouwen met potentiële vleermuisverblijfplaatsen. Links te slopen gebouw met ventilatieroosters en rechts open stootvoegen in de oude opslagkelder.
Daarnaast moet rekening gehouden worden met het gebruik van bouwverlichting durende de actieve periode van vleermuizen (circa april t/m oktober). Afhankelijk van de weersomstandigheden kan deze periode langer dan wel korter duren. De bouwverlichting dient uitsluitend op het werkterrein gericht te worden en er wordt geadviseerd gebruik te maken van amberkleurige verlichting. Alle soorten vleermuizen zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn (artikel 3.5). De gebouwen in het plangebied kunnen als verblijfplaats dienen voor gebouw bewonende vleermuizen. De bomen in het plangebied kunnen als verblijfplaats dienen voor boom bewonende soorten. Als gevolg van de aantasting van gebouwen en bomen in het plangebied worden deze mogelijke verblijfplaatsen vernield. Dit is in overtreding met de Wnb. Om het gebruik van de bomen en gebouwen als verblijfplaats door vleermuizen vast te kunnen stellen, is nader onderzoek volgens het meest recente vleermuisprotocol noodzakelijk. Vleermuizen gebruiken hun verblijfplaats door het jaar heen op verschillende manieren. In onderstaand kader is de methodiek van het nader onderzoek toegelicht. Vervolgstappen vleermuizen: Aangezien bomen en gebouwen met potentiële verblijfplaatsen worden aangetast is nader onderzoek naar vleermuizen benodigd.
Nader onderzoek verblijfplaatsen: Indien gebouwen en/of bomen met mogelijke verblijfplaatsen worden aangetast door de werkzaamheden is nader onderzoek nodig. Dit nader onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol (2021). Hiervoor zijn tenminste 5 bezoeken in het actieve seizoen (tussen april en oktober) noodzakelijk. Maatregel gebruik verlichting: Gebruikte bouwverlichting gedurende het actieve seizoen (april t/m oktober) dient uitsluitend op het werkterrein te worden gericht. Er wordt geadviseerd gebruik te maken van amberkleurige verlichting.
Blad 16 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Essentiële vliegroutes Vliegroutes van vleermuizen betreffen (vaak) lijnvormige elementen in het landschap die als verbinding tussen verblijfplaatsen en foerageergebied fungeren. In het plangebied fungeert de rij met populieren aan de westkant mogelijk als essentiële vliegroute (zie figuur 2.8). Indien hier bomen worden gekapt is nader onderzoek nodig naar de functionaliteit van de vliegroute. In het plangebied zijn verder geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als (essentiële) vliegroute. De aanwezigheid van andere (essentiële) vliegroutes kan daarom worden uitgesloten. Vervolgstappen vleermuizen: Indien bomen in de populierenrij worden gekapt is nader onderzoek naar de functionaliteit van de vliegroute benodigd (zie figuur 2.8): Nader onderzoek vliegroute: Indien bomen in de populierenrij worden aangetast door de werkzaamheden is nader onderzoek nodig. Dit nader onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol (2021). Hiervoor zijn tenminste 2 bezoeken in het actieve seizoen (tussen april en oktober) noodzakelijk. Deze bezoeken kunnen worden gecombineerd met het onderzoek naar verblijfplaatsen. Maatregel gebruik verlichting: Gebruikte bouwverlichting gedurende het actieve seizoen (april t/m oktober) dient uitsluitend op het werkterrein te worden gericht. Er wordt geadviseerd gebruik te maken van amberkleurige verlichting.
Blad 17 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Figuur 2.8. Locatie van mogelijke essentiële vliegroute binnen plangebied (zwarte lijn). Bron achtergrond: Streetsmart luchtfoto 2022
Essentieel foerageergebied Foerageergebied van vleermuizen betreft locaties waar vleermuizen hun voedsel verzamelen. Dit kunnen uiteenlopende gebieden zijn. In het plangebied vormen de te rooien bosschages geschikt foerageergebied voor vleermuizen. In de omgeving van het plangebied is echter vergelijkbaar alternatief foerageergebied aanwezig. De aanwezigheid van essentieel foerageergebied (in de omgeving) van het plangebied kan worden uitgesloten.
2.3.4
Zoogdieren – overige zoogdieren In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van overige soorten zoogdieren in de directe omgeving van het plangebied weergegeven.
Blad 18 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Tabel 2.4 Overzicht van waargenomen zoogdieren in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2017-2022).
Soort Bunzing Haas Vos Waterspitsmuis Woelrat
Beschermingsregime HR Wnb (artikel 3.5) (artikel 3.10) X1
Vrijgestelde zoogdieren Wnb (artikel 3.10)
X X X X
1 Kleine marterachtigen worden in het eerste kwartaal van 2023 mogelijk van de vrijstellingslijst gehaald in de provincie
Utrecht.
De provincie Utrecht is voornemens om kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) vanaf begin 2023 van de vrijstellingslijst te halen. Deze soorten worden daarom in voorliggende toetsing meegenomen. Waterspitsmuis De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snelstromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. Ook wordt hij veelvuldig aangetroffen langs de binnenduinrand, natuurlijke duinmeren en kunstmatige infiltratiegebieden. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodem bedekkende vegetatie aanwezig is en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. Bovendien moet er in de oevers voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. De watergangen op en rondom het plangebied zijn niet geschikt als leefgebied voor de waterspitsmuis. De watergangen hebben veelal een slecht ontwikkelde oevervegetatie en zijn relatief voedselrijk. De vijver in het plangebied is te geïsoleerd gelegen om te kunnen fungeren als (onderdeel van) het leefgebied voor de waterspitsmuis, aangezien deze niet verbonden is met het leefgebied in de omgeving van het plangebied en deze tussen infrastructuur en bebouwing gelegen is.
Daarnaast is bij de vijver nauwelijks sprake van een goed ontwikkelde oevervegetatie noodzakelijk voor schuilgelegenheid. Aanwezigheid van de waterspitsmuis in het plangebied kan daarom uitgesloten worden. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) De bunzing, hermelijn en wezel komen voor in allerlei landschappen, zoals bossen, houwallen, ruigten, duinen, akkers, greppels en sloten. Voorwaarde is dat er voldoende voedsel, dekking en rust aanwezig is. De hermelijn heeft in het algemeen een voorkeur voor iets vochtigere terreinen dan de bunzing en wezel. In het plangebied is mogelijk leefgebied voor kleine marterachtigen aanwezig gevormd door de bosschages. Het gaat om de bosschages in het plangebied. Hier zijn ook potentiële verblijfplaatsen, zoals takkenrillen en houtstapels, aangetroffen. Hier worden bomen en struiken gerooid. Aantasting of vernietiging van de (functionaliteit van) verblijfplaatsen is daarom niet uitgesloten ten gevolge van de werkzaamheden. In figuur 4.9 is een impressie van het leefgebied in het plangebied aangeduid.
Blad 19 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Figuur 2.9 Mogelijk leefgebied met potentiële verblijfplaatsen voor kleine marterachtigen in het plangebied.
Vanaf 2023 zijn kleine marterachtigen naar verwachting niet meer vrijgesteld in de provincie Utrecht. Wanneer de werkzaamheden na deze opheffing van de vrijstelling uitgevoerd worden is nader onderzoek nodig naar het voorkomen in het plangebied. In onderstaand kader wordt de werkwijze van het nader onderzoek toegelicht. Vervolgstappen kleine marterachtigen Uitvoeren nader onderzoek ter hoogte van de te rooien bosschages in het plangebied. Het onderzoek kan worden uitgevoerd tussen maart en augustus gedurende 6 weken waarbij struikrovers en/of wildcamera’s met lokmiddel ingezet worden. Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde zoogdieren niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. Vrijgestelde soorten zoogdieren in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als muizen, haas, mol, vos en konijn. Het gaat om bijvoorbeeld de bosschages en open terreinen (grasvelden) op het werkterrein. Onder de oude opslagkelder zijn bijvoorbeeld enkele vossenholen gevonden tijdens het veldbezoek (zie figuur 4.9).
Blad 20 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Figuur 2.10 Impressie en locaties van aangetroffen vossenholen in het plangebied. De locaties zijn rechts op kaart met een groene driehoek aangeduid.
Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Utrecht geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.6 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.
2.3.5
Amfibieën In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van amfibieën in de directe omgeving van het plangebied weergegeven.
Blad 21 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Tabel 2.5 Overzicht van waargenomen amfibieën in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2017-2022).
Soort Bastaardkikker Bruine kikker Groene kikker onbekend Heikikker Kleine watersalamander Meerkikker Rugstreeppad
Beschermingsregime HR Wnb (artikel 3.5) (artikel 3.10)
Vrijgestelde amfibieën Wnb (artikel 3.10) X X X
X X X X
Heikikker De heikikker heeft een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en half natuurlijk grasland. Ook wordt de soort gemeld uit bos en struweel, een belangrijke habitat voor de populaties uit de Vijfheerenlanden en het Kromme Rijngebied. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. Daarnaast komt de soort voor in kleine geïsoleerde wateren en in sloten (in laagveen, klei-op-veen en komkleigebieden). In rivierbegeleidende wateren (kleiputjes) wordt de soort alleen langs de Nederrijn/Lek aangetroffen (RAVON, 2022). De watergangen in en rondom het plangebied zijn ongeschikt als voortplantingswater voor de heikikker. De wateren zijn namelijk te voedselrijk en er is over het algemeen te weinig oever- en watervegetatie aanwezig. Bovendien worden de watergangen en oevers niet aangetast door de werkzaamheden. Aanwezigheid van de heikikker in (de omgeving van) het plangebied kan worden uitgesloten. Rugstreeppad De rugstreeppad is vooral een soort van terreinen met een hoge natuurlijke of door mensen ingebrachte dynamiek. Braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier)duinen en uiterwaarden vormen een ideaal leefgebied voor de rugstreeppad.
Vaak is er een goed vergraafbare bodem aanwezig en is er bouwmateriaal om onder te schuilen. Maar de rugstreeppad is ook te vinden in meer stabiele gebieden als vennen in heideterreinen en sloten in akker- en graslandgebieden. De habitat laat zich omschrijven als onbeschaduwde, laag begroeide terreinen. Door gebrek aan dynamiek in natuurgebieden is het voorkomen van de soort in Nederland sterk afhankelijk van menselijke ingrepen (BIJ12, 2017c). De vijver in het plangebied en de sloten rondom het plangebied zijn mogelijk geschikt als voortplantingswater voor de rugstreeppad. Beide wateren zijn ondiep of hebben ondiepe oeverzones welke geschikt zijn voor voortplanting. De voortplantingswateren worden echter niet aangetast door de werkzaamheden. In de omgeving van deze watergangen zijn ook overwinteringsplaatsen aanwezig. Gedacht kan worden aan de bosschages en aanwezige elementen zoals containers, puin en houtstapels. De overwinteringsplaatsen kunnen zich vrijwel overal in het plangebied bevinden mits er voldoende dekking aanwezig is en deze vorstvrij zijn.
Blad 22 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Er worden bosschages gerooid en elementen die kunnen dienen als overwinteringsplaats verwijderd. Het is dus niet uitgesloten dat potentieel overwinteringshabitat wordt aangetast. Ook wordt mogelijk gewerkt gedurende de actieve periode van de soort welke loopt van circa april t/m half oktober, waardoor er tevens een risico is op verstoring van migrerende individuen. De voorgenomen werkzaamheden kunnen dus resulteren in verstoring van individuen en/of aantasting van mogelijke winterverblijfplaatsen. Voorafgaande aan de werkzaamheden dient daarom nader onderzoek naar de aanwezigheid van de rugstreeppad uitgevoerd te worden. De methodiek van dit nader onderzoek is in onderstaand kader toegelicht. Daarnaast dient het ontstaan van waterplassen op het werkterrein voorkomen te worden en moeten gebruikte gronddepots worden afgerasterd. Vervolgstappen rugstreeppad Uitvoeren van twee veldbezoeken tussen april en mei waarbij nabij voortplantingswater geluisterd wordt naar roepende exemplaren. De veldbezoeken worden uitgevoerd bij geschikte weersomstandigheden (bij voorkeur relatief warme, windstille avonden en nachten na zware regenval). In juni en juli moet nogmaals een bezoek uitgevoerd worden om aanwezigheid uit te sluiten (BIJ12, 2017c). Daarnaast dient het ontstaan van waterplassen op het werkterrein voorkomen te worden en moeten gebruikte gronddepots worden afgerasterd.
Op basis van het terreinbezoek worden overige beschermde amfibieën niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. Vrijgestelde amfibieën in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander. De vijver in het plangebied vormt geschikt voortplantingsbiotoop en er is overwinteringsbiotoop aanwezig in bijvoorbeeld de bosschages in het plangebied. Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Utrecht geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.6 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.
2.3.6
Zorgplicht In het plangebied kunnen vrijgestelde zoogdieren, amfibieën en vissen aanwezig zijn. Deze soorten zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht voor de Wnb in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt voor deze soorten, net als alle overige in het wild levende dieren en planten, de zorgplicht (zie bijlage 1). Dit houdt in dat tijdens de werkzaamheden zo veel mogelijk negatieve effecten op aanwezige natuurwaarden dienen te worden voorkomen dan wel te worden beperkt. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen, wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat
Blad 23 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
van instandhouding van de betreffende soorten worden gegarandeerd. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 2.6. Tabel 2.6. Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten.
Soort(groep) Grondgebonden (vossenholen)
Overige grondgebonden zoogdieren (overige soorten) Amfibieën (alle soorten)
2.4
Maatregel Niet werken in het gebied met de vossenholen en de holen afrasteren; Indien ter plaatse van de holen gewerkt moet worden dienen deze eerst ongeschikt gemaakt te worden voorafgaande aan de werkzaamheden. De kwetsbare kraamperiode van de jongen loopt van circa begin maart t/m half juni. De holen dienen buiten deze periode ongeschikt gemaakt te worden. Het ongeschikt maken gebeurt bij voorkeur in de schemer/nacht tussen 1 uur na zonsondergang en 1 uur voor zonsopkomst aangezien de vossen dan naar verwachting niet in het hol aanwezig zijn. Een richting opwerken en stapvoets rijden met machines
Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de uiterwaarden van de Lek welke liggen op circa 10 kilometer ten zuiden van het plangebied (zie figuur 2.11). Dit gebied is aangewezen op basis van de habitatrichtlijn. Binnen een straal van 15 km liggen nog drie andere Natura 2000-gebieden. Het betreft de Oostelijke Vechtplassen, de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Broekvelden, Vettenbroek en Polder Stein.
Blad 24 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Figuur 2.11. Ligging Natura 2000-gebieden in de omgeving van plangebied (rood kader). Bron: Ministerie van Landbouw, natuur en voedselkwaliteit.
De voorgenomen activiteiten als gevolg van het planvoornemen zijn bij de inwerkingtreding van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering per 1-7-2021 voor wat betreft stikstofdepositie vrijgesteld van de Wnb-vergunningplicht. Echter is door de Hoge Raad op 2-11-2022 dit besluit vernietigd. Derhalve dient de stikstofdepositie op de bovengenoemde Natura 2000-gebieden berekend te worden met AERIUS. Vervolgens moeten de effecten worden beoordeeld. Vervolgstappen Natura 2000 Uitvoeren stikstofdepositieberekeningen in AERIUS. Afhankelijk van de uitkomsten dienen vervolgstappen te worden genomen.
2.5
NNN en natuurbeheertypen In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 900 meter ten zuiden van het plangebied. Hier zijn de natuurbeheertypen kruiden- en faunarijkgrasland (N12.02) en haagbeuken- en essenbos (N14.03) aanwezig. Aangezien er geen sprake is van externe werking in de provincie Utrecht zijn vervolgstappen niet aan de orde.
Blad 25 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Figuur 2.12. Ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van het NNN. Bron: Website provincie Utrecht.
2.6
Overig provinciaal beleid Utrecht Conform het natuurbeheerplan van de provincie Utrecht is het plangebied niet gelegen binnen de begrenzing van de groene contour, water- en natuurparels en/of een weidevogelgebied. Daarnaast is het plangebied niet gelegen in agrarische percelen waarmee ook geen sprake is van Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (ANLb).
2.7
Beschermde houtopstanden Wnb Diverse bomen in het plangebied worden gekapt als gevolg van het planvoornemen. De bomen in het plangebied zijn onderdeel van een bosschage die een oppervlakte hebben van meer dan 1.000 m2 (0,1 hectare). Hiermee vallen de bosschages onder de definitie van een houtopstand zoals bedoeld in de Wnb. De Wnb is enkel van toepassing op houtopstanden die buiten de bebouwde kom Wnb (of voormalige Boswet) liggen. Op basis van de begrenzing van de bebouwde kom Wnb (of voormalige Boswet) ligt het plangebied buiten de bebouwde kom (Wnb) van gemeente Montfoort. De bomen in het plangebied vallen daardoor onder de bescherming van de Wnb. Ten gevolge van de werkzaamheden worden bomen gerooid. Het oppervlak aan verloren houtopstand dient nader bepaald te worden. Voor deze bomen geldt vervolgens een meldingsplicht bij het bevoegd gezag (provincie Utrecht) en een herplant plicht. De eisen van de herbeplanting zijn opgenomen in artikel 6.20 en 6.21 van de omgevingsverordening van de
Blad 26 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
provincie Utrecht. Tevens kan gemeentelijk beleid omtrent de kap van bomen en/of bosschages nog van toepassing zijn (zie ook bijlage 1). In onderstaand kader zijn de vervolgstappen omtrent houtopstanden opgenomen. Vervolgstappen houtopstanden Bepalen oppervlakte aan te rooien houtopstand ten gevolge van de werkzaamheden; Melding van vellen houtopstand indienen bij de provincie Utrecht; Afstemmen herplant met de provincie Utrecht; Nagaan of gemeentelijk beleid van toepassing is voor het vellen van de houtopstand.
Blad 27 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
3
Conclusie & advies In dit hoofdstuk is per onderdeel de conclusie en het advies gegeven dat voortkomt uit de uitgevoerde natuurtoets.
3.1
Soortbescherming Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: jaarrond beschermde broedvogels, algemene broedvogels, vleermuizen (verblijfplaatsen en vliegroutes), kleine marterachtigen en rugstreeppad. In tabel 3.1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in paragraaf 2.3 van voorliggende natuurtoets. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht. Tabel 3.1 Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming.
Soort(groep)
Vogels met een jaarrond beschermd nest in bomen (buizerd, boomvalk, havik, sperwer, ransuil en wespendief) Vogels met een jaarrond beschermd nest in gebouwen (huismus)
Vogels (algemene broedvogels)
Zoogdieren (diverse soorten vleermuizen) verblijfplaatsen Zoogdieren (diverse soorten
Essentieel leefgebied in (directe omgeving van) plangebied? Ja, mogelijk jaarrond beschermde nesten in de te rooien bomen aangetroffen binnen het plangebied.
Nader onderzoek nodig? Ja, zie tabel 3.2
Maatregelen?
Ja, mogelijk jaarrond beschermde nesten in gebouwen op en rondom het plangebied en mogelijk essentieel foerageergebied voor huismus. Ja, nestgelegenheid in bosschages, bomen, watergangen en gebouwen. Verblijfplaatsen in te slopen gebouwen en te kappen bomen in het plangebied.
Ja, zie tabel 3.2
Ja, zie tabel 3.3.
Afhankelijk van uitkomsten nader onderzoek.
N.v.t.
Ja, zie tabel 3.3
Nee
Ja, zie tabel 3.2
Ja, zie tabel 3.3.
Mogelijk essentiële vliegroute gevormd door populierenrij.
Ja, zie tabel 3.2
Ja, zie tabel 3.3.
Afhankelijk van uitkomsten nader onderzoek. Afhankelijk van uitkomsten
Blad 28 van 33
Ja, zie tabel 3.3.
Ontheffing Wnb aan de orde? Afhankelijk van uitkomsten nader onderzoek.
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Soort(groep)
vliegroutes) verblijfplaatsen ZoogdierenBunzing, hermelijn en wezel
Rugstreeppad
Essentieel leefgebied in (directe omgeving van) plangebied?
Nader onderzoek nodig?
Maatregelen?
Mogelijk leefgebied met verblijfplaatsen aanwezig in te rooien bosschages in plangebied. Mogelijk leefgebied in het plangebied.
Ja, zie tabel 3.2
Ja, zie tabel 3.3.
Ja, zie tabel 3.2
Ja, zie tabel 3.3.
Ontheffing Wnb aan de orde? nader onderzoek. Afhankelijk van uitkomsten nader onderzoek. Afhankelijk van uitkomsten nader onderzoek.
In tabel 3.2 is aangegeven dat er nader onderzoek nodig is naar jaarrond beschermde broedvogels, verblijfplaatsen van vleermuizen, kleine marterachtigen en rugstreeppad. De beschrijving van dit nader onderzoek wordt in tabel 3.2 uiteengezet. Tabel 3.2. Beschrijving nader onderzoek.
Soort Huismus
Jaarrond beschermde nesten in bomen Verblijfplaatsen vleermuizen Vliegroute vleermuizen
Kleine marterachtigen
Rugstreeppad
Onderzoeksmethode Het nader onderzoek bestaat uit twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens drie gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni (BIJ12, 2017a). Het onderzoek bestaat uit 2 tot 4 gerichte veldbezoeken gedurende maart t/m half mei (BIJ12, 2017c). Hiervan is tenminste één bezoek nodig in juli/augustus voor laat broedende soorten, zoals wespendief en boomvalk. Uitvoeren nader onderzoek conform het vleermuisprotocol (2021). Er zijn tenminste 5 bezoeken in het actieve seizoen (tussen april en oktober) noodzakelijk. Uitvoeren nader onderzoek conform het vleermuisprotocol (2021). Hiervoor zijn tenminste 2 bezoeken in het actieve seizoen (tussen april en oktober) noodzakelijk. Deze bezoeken kunnen worden gecombineerd met het onderzoek naar verblijfplaatsen (zie hierboven). Uitvoeren nader onderzoek ter hoogte van de te rooien bosschages in het plangebied. Het onderzoek kan worden uitgevoerd tussen maart en augustus gedurende 6 weken waarbij struikrovers en/of wildcamera’s met lokmiddel ingezet worden. Uitvoeren van twee veldbezoeken tussen april en mei waarbij nabij voortplantingswater geluisterd wordt naar roepende exemplaren. De veldbezoeken worden uitgevoerd bij geschikte weersomstandigheden (bij voorkeur relatief warme, windstille avonden en nachten na zware regenval).
In juni en juli moet nogmaals een bezoek uitgevoerd worden om aanwezigheid uit te sluiten.
Blad 29 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
In tabel 3.1 is aangegeven dat voor een aantal soorten het treffen van maatregelen benodigd is. De te nemen maatregelen zijn voor veel soorten afhankelijk van de resultaten uit het nader onderzoek (zie tabel 3.2). De te nemen maatregelen zijn in tabel 3.3 uiteengezet. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn vervolgstappen (anders dan nader onderzoek uitvoeren) niet noodzakelijk. Tabel 3.3. Beschrijving maatregelen om overtreding van de Wnb te voorkomen.
Soort(groep) Jaarrond beschermde nesten (zowel in bomen als gebouwen) Algemene broedvogels
Vleermuizen
Kleine marterachtigen Rugstreeppad
3.1.1
Maatregelen Bij voorkeur wordt gewerkt buiten het broedseizoen (circa maart t/m juli). Andere maatregelen te bepalen o.b.v. uitkomsten nader onderzoek Bij voorkeur wordt gewerkt buiten het broedseizoen (circa maart t/m juli). Ongeschikt maken delen van het plangebied. Deze werkwijze is uitsluitend toegestaan als aanwezigheid van andere beschermde natuurwaarden (zoals jaarrond beschermde nesten en kleine marterachtigen) is uitgesloten middels nader onderzoek; Indien niet buiten het broedseizoen kan worden gewerkt dient het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een ecoloog gecontroleerd te worden op aanwezige broedvogels. Gebruikte bouwverlichting gedurende het actieve seizoen (april t/m oktober) dient uitsluitend op het werkterrein te worden gericht. Er wordt geadviseerd gebruik te maken van amberkleurige verlichting. Andere maatregelen te bepalen o.b.v. uitkomsten nader onderzoek Maatregelen te bepalen o.b.v. uitkomsten nader onderzoek. Maatregelen te bepalen o.b.v. uitkomsten nader onderzoek. Het ontstaan van waterplassen op het werkterrein dient voorkomen te worden en moeten gebruikte gronddepots worden afgerasterd;
Zorgplicht Uit paragraaf 2.3.6 blijkt dat er in het plangebied soort(groep)en aanwezig (kunnen) zijn waarmee rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht voor soorten. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 3.4. Tabel 3.4. Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten.
Soort(groep) Grondgebonden (vossenholen)
Maatregel Niet werken in het gebied met de vossenholen en de holen afrasteren (zie figuur 4.9). Indien ter plaatse van de holen gewerkt moet worden dienen deze eerst ongeschikt gemaakt te worden voorafgaande aan de werkzaamheden. De kwetsbare kraamperiode van de jongen
Blad 30 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Overige grondgebonden zoogdieren (overige soorten) Amfibieën (alle soorten)
3.2
loopt van circa begin maart t/m half juni. De holen dienen buiten deze periode ongeschikt gemaakt te worden. Het ongeschikt maken gebeurt bij voorkeur in de schemer/nacht tussen 1 uur na zonsondergang en 1 uur voor zonsopkomst aangezien de vossen dan naar verwachting niet in het hol aanwezig zijn. Een richting opwerken en stapvoets rijden met machines
Natura 2000 In tabel 3.5 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde Natura 2000-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.4 van voorliggende natuurtoets. Tabel 3.5. Conclusies Natura 2000-gebieden.
Zijn er Natura 2000-gebieden aanwezig waarop effecten kunnen optreden? Treden er negatieve effecten op of zijn deze te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Wnb-vergunning of akkoord van de provincie noodzakelijk?
3.3
Natura 2000 Ja, de Uiterwaarden van de Lek op circa 10 km afstand. Ja, er kan sprake zijn van verzuring en vermesting door stikstofdepositie. Ja, er dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd Nader te bepalen aan de hand van uitkomsten van de stikstofdepositieberekeningen.
NNN In tabel 3.6 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde NNN-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.5 van voorliggende natuurtoets.
Blad 31 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Tabel 3.6 Conclusies NNN-gebieden.
Op welke afstand van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde NNN-gebied? Is er sprake van toetsing van externe werking in de betreffende provincie? Is er sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of is dit te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Afstemming met het bevoegd gezag aan de orde?
3.4
NNN NNN-gebied op circa 900 m van het plangebied. Nee Nee
Nee Nee
Overig provinciaal beleid Utrecht Conform het natuurbeheerplan van de provincie Utrecht is het plangebied niet gelegen binnen de begrenzing van de groene contour, water- en natuurparels en/of een weidevogelgebied. Daarnaast is het plangebied niet gelegen in agrarische percelen waarmee ook geen sprake is van Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (ANLb). Vervolgstappen zijn niet benodigd.
3.5
Beschermde houtopstanden Wnb Ten gevolge van de werkzaamheden worden bomen gerooid. Het oppervlak aan verloren houtopstand dient nader bepaald te worden. Voor deze bomen geldt vervolgens een meldingsplicht bij het bevoegd gezag (provincie Utrecht) en een herplant plicht. De eisen van de herbeplanting zijn opgenomen in artikel 6.20 en 6.21 van de omgevingsverordening van de provincie Utrecht. De benodigde herplant en locatie ervan dient afgestemd te worden met de provincie Utrecht. Tevens kan gemeentelijk beleid omtrent de kap van bomen en/of bosschages nog van toepassing zijn (zie ook bijlage 1).
Blad 32 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Literatuurlijst BIJ12, 2017a. Kennisdocument huismus (Passer domesticus). Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017b. Kennisdocument buizerd (Buteo buteo). Versie 1.0, juli 2017. BIJ12, 2017c. Kennisdocument rugstreeppad (Bufo calamita). Versie 1.0, juli 2017. Netwerk Groene Bureaus, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). Netwerk Groene Bureaus (NGB), 2021. Vleermuisprotocol 2021. Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Indicatieve lijst jaarrond beschermde vogelnesten. Geraadpleegd van: Lijst jaarrond beschermde nesten (rvo.nl) Overig NDFF Street Smart AERIUS-calculator, versie 2022. www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl
Blad 33 van 33
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Bijlage 1 Wettelijk kader
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Bijlage 1 Wettelijk kader In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader. Het betreft de Wet natuurbescherming (Wnb). Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen). Wnb - Algemeen De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Wnb beschermt: De Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn in het kader van het Europees natuurbeleid (gebiedsbescherming) De planten- en diersoorten (onderdeel soortbescherming) Bos en houtopstanden (onderdeel houtopstanden). Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij de provincies. Er zijn hierop wel uitzonderingen waarvoor het ministerie van LNV bevoegd gezag is. Dit betreft onder andere de aanleg en uitbreiding van hoofdwegen, landelijke spoorwegen, hoofdvaarwegen, primaire waterkeringen, militaire terreinen en oefengebieden, militaire luchthavens, Schiphol en overige burgerluchthavens, het landelijke gastransportnet, hoogspanningsverbindingen van tenminste 220 kV, activiteiten van buitenlandse mogendheden en activiteiten namens een lid van het Koninklijk Huis.
LNV is ook bevoegd gezag voor ruimtelijke ingrepen in de Exclusieve Economische Zone (EEZ) en voor Windenergie op zee (kavelbesluiten). Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. De Wnb richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Wnb - Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’(onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’) (artikel 3.10 e.v. Wnb).
Natuurtoets T.b.v. werkzaamheden op het Vitens productiebedrijf in Linschoten projectnummer 466020 8 december 2022 revisie 00 Vitens N.V.
Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1 e.v. 1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.