Bijlage 2e Quickscan Flora en Fauna.pdf
Tekst van het document
Quik scan natuur M. A. Reinaldaweg 73, Linschoten
Opdrachtgever: Uitgevoerd door:
Uitgevoerd op:
Datum: Onderwerp: Uw kenmerk:/ Ons Kenmerk:
ECONU
Klaas Wiersema/Focusopruimte Econu / Dhr. Bart Smeets bart.smeets@econu.eu 0646020125 www.econu.eu 18-12-2018
27-12-2018 Quick scan flora en fauna Batavia haven Lelystad FR 18-12-1
INHOUD
1
Inleiding
3
1.1 1.2
Aanleiding Plangebied
3 3
2
Wettelijk kader
6
2.1 2.2 2.3
Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden
6 8 10
3
Quick scan natuur
11
3.1 3.2 3.3 3.4
Onderzoeksmethode Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden
11 11 12 17
4
Conclusie en advies
18
4.1 4.2 4.3 4.4
Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden Vervolgstappen
18 18 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
Bijlage 1: Geraadpleegde literatuur
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Aan de M. A Reinaldaweg te Linschoten ligt momenteel een boerderij met daarachter een aantal schuren en bijgebouwen. In opdracht van dhr. J. Den Hartogh is de firma Zichtopruimte van plan om de bestaande schuren en bijgebouwen te slopen en te vervangen door een nieuw gebouw dat als schuur/woonruimte gaat dienen. Om dit te kunnen realiseren dient het huidige bestemmingsplan gewijzigd te worden. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.
1.2
Plangebied
1.2.1
Huidige situatie Het plangebied bevindt zich direct aan de N204 en betreft een vrijstaande boerderij met bijbehorende stallen en bijgebouwen. Het plangebied ligt tussen Linschoten en Montfoort is ten midden van een uitgestrekt weidelandschap. In de directe omgeving wordt ook het Schansbos aangetroffen op de restanten van de Linie van Linschoten. De afwatering van het terrein vindt plaats door middel van een greppel onder het weg talud en een sloot die tot aan de straat doorloopt. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.
Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (blauwe ster).Bron: Google Maps. Bewerking: Econu.
ECONU
Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Google maps. Bewerking: Econu.
Op 18 december 2018 is een veldbezoek uitgevoerd. Het volledige terrein is onderzocht, waarbij extra aandacht besteed werd aan de sloot, de diverse bijgebouwen en schuren en de bomen op het terrein. De locatie zelf bestaat uit een verzameling van schuren, overkappingen, bijgebouwen en een mestvaalt. De schuren zijn ruw gebouwd en vertonen diverse openingen, zowel aan de onderkant van deuren als onder de dakrand, diverse spleten tussen de gebouwen en open ruimtes onder de dakbedekking. De overkappingen zijn aan de voorzijde open en bieden plaats aan een grote diversiteit aan landbouwvoertuigen en materialen. De grote schuur biedt plaats aan een kennel en twee grotere ruimtes. Het dak bestaat op het hoge deel uit golfplaten terwijl boven de kennel een pannendak wordt aangetroffen. Aan de buitenzijde is de muur bedekt met metaalplaten met golfmotief, deze metaalplaten zijn aan boven en onderzijde open. De boeiboorden langs de dakrand zijn deels verrot, er zijn diverse openingen aangetroffen en de isolatie onder het pannendak is deels aangevreten. Het terrein is gedeeltelijk verhard en loopt uit in de weilanden aan de achterzijde. Op het terrein staan diverse hoge bomen waarin spechtgaten en losse stukken bast aangetroffen zijn.
ECONU 4
Plangebied ten tijde van het veldbezoek.
1.2.2
Toekomstige situatie In de toekomst zullen de schuur, overkappingen en de bijgebouwen afgebroken worden en waarschijnlijk vervangen worden door een nieuw gebouw met een bestemming als schuur/woonruimte. De exacte vorm van de toekomstige situatie is ten tijde van de quick scan nog niet duidelijk.
ECONU 5
2
Wettelijk kader De bescherming van natuur, zoals dat onderzocht wordt in voorliggende quick scan, is op te delen in gebiedsbescherming, soortenbescherming en de bescherming van houtopstanden. Bepaalde natuurgebieden worden beschermd door de Wet natuurbescherming en daarnaast is ook in provinciale verordeningen gebiedsbescherming vastgelegd, waaronder de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland. Ook de bescherming van plant- en diersoorten en de bescherming van houtopstanden is geregeld in de Wet natuurbescherming.
2.1
Gebiedsbescherming
2.1.1
Inleiding Op grond van artikel 2.1 van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten daarnaast op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. De bescherming van dit natuurnetwerk wordt geregeld bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Hieronder wordt een toelichting gegeven bij de verschillende vormen van gebiedsbescherming.
2.1.2
Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Voor alle Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze gebieden. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor deze gebieden zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt, dat de Wet natuurbescherming, buiten de zorgplicht, al voldoende instrumenten bevat om schadelijke handelingen in Natura 2000-gebieden te beperken. Deze zorgplicht is daarmee primair bedoeld om de eigen verantwoordelijkheid vast te leggen, die een ieder heeft voor een zorgvuldige omgang met de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.
2.1.2.1
Natura 2000-gebieden Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Conform artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming is het verboden om zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op deze instandhoudingsdoelstelling van een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Verder
ECONU 6
geldt dat een plan, dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, door een bestuursorgaan pas vastgesteld kan worden indien een passende beoordeling is gemaakt (artikel 2.7 lid 1). Voor een plan of een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling gemaakt te worden, van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. Blijkt uit de passende beoordeling dat er geen aantasting plaatsvindt van de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of kan voor de projecten door Gedeputeerde Staten een vergunning worden verleend. In bepaalde gevallen kan, ondanks dat uit de passende beoordeling blijkt dat aantasting van de natuurlijke kenmerken mogelijk is, een plan toch worden vastgesteld of kan een vergunning toch worden verleend. Er dient dan te worden voldaan aan de zogeheten ADC criteria. De ADC criteria houden in: i) dat er geen alternatieve oplossingen zijn, ii) dat er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang en iii) dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen.
2.1.2.2
2.1.3
Bijzondere nationale natuurgebieden In uitzonderlijke gevallen kan de Minister, op grond van artikel 2.11, bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. De Minister kan dit doen voor een gebied dat is of wordt aangemeld als Habitatrichtlijngebied, maar nog niet definitief is aangewezen. Ook kan het voor een gebied dat nog geen onderdeel is van het Natura 2000-netwerk, maar waar compenserende maatregelen worden getroffen voor de realisatie van een project met significante gevolgen. Tot slot kan een gebied worden aangewezen in het geval dat dat noodzakelijk is in het kader van de Vogel- of Habitatrichtlijn, om een gunstige staat van instandhouding te realiseren. Ter bescherming van de bijzondere nationale natuurgebieden kan de Minister verschillende maatregelen nemen, waaronder toegangsbeperkingen tot het gebied, het gebruik maken van zijn of haar aanschrijvingsbevoegdheid en het treffen van behoud- en herstelmaatregelen in het gebied. Natuurnetwerk Nederland Ter bescherming van vogelsoorten, van soorten van de Habitatrichtlijn en van rode lijstsoorten dienen provincies, op basis van artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming, zorg te dragen voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur, EHS). De bescherming van dit netwerk gebeurt bij provinciale verordening.
Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, zoals weidevogelgebieden of ganzenfoerageergebied. Voor Natuurnetwerk Nederland geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, dat ontwikkelingen niet mogen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. Daarnaast mogen de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden niet significant worden beperkt
ECONU 7
In de provincie Noord-Holland is naast Natuurnetwerk Nederland ook sprake van ganzenfoerageergebied en weidevogelleefgebied. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft. In ganzenfoerageergebieden mogen de ruimtelijke ingrepen geen negatieve effecten hebben op rustende en foeragerende ganzen. Bestemmingsplannen die betrekking hebben op weidevogelleefgebied mogen niet leiden tot verstoring van weidevogels. Ruimtelijke ingrepen zijn in bovengenoemde gebieden alleen toegestaan als ze de wezenlijke kenmerken en waarden niet aantasten. Onder bepaalde voorwaarden zijn ingrepen die deze waarden aantasten, wel toegestaan. Deze voorwaarden zijn beschreven in artikel 19 (voor NNN en natuurverbindingen) en artikel 25 (voor weidevogelleefgebied) van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). In alle gevallen geldt dat een aantasting, als deze wordt toegestaan, gecompenseerd moet worden, zodat de natuur er netto niet op achteruit gaat.
2.2
Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming.
2.2.1
Verboden en zorgplicht Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.13.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5-3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11). Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht.
2.2.1.1
Vogelrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om van nature in Nederland in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen, het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze soorten te beschadigen of te vernielen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden deze soorten opzettelijk te storen wanneer dit van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort. De verboden in de wet zorgen voor een goede bescherming van nesten van alle in het wild levende vogelsoorten tijdens het broedseizoen. Het vernielen van nesten is verboden en het verstoren van nesten is enkel toegestaan indien geen sprake is van een negatieve invloed op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoorten. Globaal loopt het broedseizoen van half maart tot half augustus, maar ook de nesten van broedende vogels buiten deze periode zijn beschermd. Daarnaast zijn van een aantal vogelsoorten de nesten jaarrond beschermd, dus ook als ze niet als
ECONU 8
broedlocatie worden gebruikt. Het betreft dan over het algemeen soorten die hun nest het gehele jaar als verblijfplaats gebruiken of soorten die niet in staat zijn om een eigen nest te bouwen. 2.2.1.2
Habitatrichtlijnsoorten Voor ruimtelijke ingrepen zijn de volgende verboden relevant: het is verboden om soorten van de Habitatrichtlijn en van de verdragen van Bonn en Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden, te vangen of te verstoren, om eieren opzettelijk te vernielen, om voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om planten van de Habitatrichtlijn en van het verdrag van Bern opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.
2.2.1.3
Andere soorten Naast de Vogelrichtlijnsoorten en de Habitatrichtlijnsoorten worden in de wet een aantal diersoorten en plantensoorten beschermd. Voor deze soorten zijn bij ruimtelijke ingrepen de volgende verboden relevant: het is verboden deze soorten opzettelijk te doden of te vangen, om de vaste voortplantings- of rustplaatsen te beschadigen en om de plantensoorten opzettelijk te ontwortelen of te vernielen.
2.2.2
Opzetvereiste Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert. Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.
2.2.3
Vrijstelling, gedragscodes en ontheffing Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de bovenstaande verboden. De provincie Utrecht heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, middelste groene kikker/bastaard kikker, aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en de woelrat. Daarnaast zijn de in paragraaf 2.2.1 beschreven verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Gedragscodes kunnen daarbij zowel gebruikt worden voor de omgang met de vogelrichtlijnsoorten, de habitatrichtlijnsoorten als de andere beschermde soorten. Wel geldt voor de vogelrichtlijnsoorten en de
ECONU 9
habitatrichtlijnsoorten de aanvullende eis dat de handelingen die men uitvoert een wettelijk belang dienen uit de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het gaat dan onder meer om handelingen in het belang van de volksgezondheid, openbare veiligheid of ter bescherming van flora en fauna. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden. Ook hierbij geldt voor vogelrichtlijnsoorten en habitatrichtlijnsoorten dat aan de handelingen die men verricht een wettelijk belang van de Vogelrichtlijn respectievelijk de Habitatrichtlijn ten grondslag dient te liggen.
2.3
Bescherming houtopstanden De bescherming van houtopstanden is geregeld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vierkante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen, op fruitbomen, op windschermen om boomgaarden, op naaldbomen bedoeld om te dienen als kerstbomen, op kweekgoed, op bepaalde beplantingen van wilgen of populieren, op bepaalde beplantingen bedoeld voor de productie van houtige biomassa en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet. De provincie kan regels stellen ten aanzien van de meldingsplicht en de plicht tot herbeplanting. Ook kan de provincie een ontheffing verlenen ten behoeve van herbeplanting op andere grond.
Verder kan de provincie ontheffing verlenen en kan de provincie bij verordening vrijstelling verlenen van zowel de meldingsplicht als de plicht tot herbeplanting.
ECONU 10
3
Quick scan natuur
3.1
Onderzoeksmethode De quick scan natuur is gebaseerd op een biotoopinschatting door een ecoloog van Econu. Bij het opstellen van de quick scan natuur is gebruikgemaakt van de meest recente verspreidingsgegevens van soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Voor aanvullende visualisering van deze gegevens wordt gebruik gemaakt van relevante literatuur. Bijlage 1 vermeldt de geraadpleegde bronnen. Op 18 december 2018 heeft een ecoloog van Econu het plangebied en de directe omgeving verkend. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie. Het eenmalige veldbezoek geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname.
3.2
Gebiedsbescherming
3.2.1
Wet natuurbescherming Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Er liggen verschillende Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Dit zijn ‘Reeuwijkse plassen’ op 10km, ‘Uiterwaarden Lek’ op 10km en de ‘Nieuwkoopse plassen op 12km afstand. Met de beoogde ontwikkeling is een tijdelijke, lichte toename in stikstofuitstoot in het plangebied te verwachten. Stikstof kan, wanneer dit neerslaat op hiervoor gevoelige gebieden, een negatief effect op de natuurwaarden van dergelijke gebieden hebben. Doordat het hier een relatief geringe, lokale toename van de stikstofuitstoot betreft, is een verhoogde stikstofdepositie in deze gebieden echter niet te verwachten. Ook andere negatieve effecten zijn door de tussengelegen verstoringen uit de kern van Linschoten en andere grotere steden in de omgeving en de N204 uit te sluiten. Het is daarom niet te verwachten dat de beoogde ontwikkeling een negatief effect op kernkwaliteiten of instandhoudingsdoelstellingen van in de omgeving liggende Natura 2000-gebieden zal hebben. Een voortoets Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
ECONU 11
Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: Natura 2000 Network Viewer. Bewerking: Econu.
3.2.2
Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland, weidevogelleefgebied, of ganzenfoerageergebied. Het dichtstbijzijnde gedeelte van het natuurnetwerk bevindt zich op bijna 10km afstand. Er worden geen extra verstoringen of hinder in het natuurgebied verwacht door de beperkte schaal, tijdelijkheid van de ingreep en de huidige activiteiten. Aangezien het plangebied niet in de NNN ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. Ook externe verstoringen op deze gebieden zijn door de kleinschaligheid van de ingreep niet te verwachten. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN hebben. De bescherming van het NNN staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
3.3
Soortenbescherming
3.3.1
Vaatplanten Volgens de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna komen in de omgeving van het plangebied geen beschermde planten voor.
ECONU 12
In het plangebied zijn verschillende bomen en struiken zoals wilg, hulst, hazelaar, taxus, vuurdoorn, braam en kastanje waargenomen. In en rond het grasland in het midden van het plangebied staan kruiden als paardenbloem, springbalsemien en Jacobs kruiskruid. De oever van de sloot is aangeplant en wordt bij het schonen van de sloot gebruikt om het slip uit de sloot te dumpen. Het plangebied bevat geen geschikt habitat voor beschermde vaatplanten, deze zijn in het plangebied niet te verwachten. 3.3.2
Grondgebonden zoogdieren Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF komen de bosmuis, ree, huisspitsmuis, egel, haas, veldmuis, rosse woelmuis, muskusrat, konijn, bruine rat, mol, vos hermelijn, bunzing en wezel in de omgeving van het plangebied voor. Deze soorten zijn niet strikt beschermd in de Wet natuurbescherming, voor de hermelijn, wezel en bunzing gelden in de provincie Utrecht algemene ontheffingen. Hoewel deze soorten niet strikt beschermd worden, dient bij werkzaamheden wel rekening gehouden te worden met de zorgplicht.
3.3.3
Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen in de directe omgeving van het plangebied laatvliegers, watervleermuizen, ruige en gewone dwergvleermuizen, franjestaarten en grootoorvleermuizen voor. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn strikt beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als bijvoorbeeld rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten. Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot en in schoorstenen. In het plangebied staan diverse gebouwen waar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen aanwezig kunnen zijn.
Gezien de bouw van de schuur en bijgebouwen is een grootschalig winterverblijf niet te verwachten. Er is derhalve een aanvullend onderzoek noodzakelijk naar de aanwezigheid van zomer- en paarverblijven van gebouwbewonende vleermuizen. Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een minimale diameter van 30 centimeter te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Vanaf deze diameter
ECONU 13
maken spechten ook holen in bomen, waarvan vleermuizen gebruik kunnen maken. Ook moeten de bomen dermate oud zijn, dat holtes door rotting ontstaan. In het plangebied zijn verschillende bomen aanwezig die voldoen aan de genoemde criteria. Deze zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op geschikte holtes en loszittend schors. Er zijn boomholtes en verschillende stukken losse schors aangetroffen, die als schuilplaats voor vleermuizen kunnen dienen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn in het plangebied mogelijk te verwachten, maar gezien de afstand tot de schuur en bijgebouwen zijn geen schadelijke invloeden op deze verblijfplaatsen te verwachten. Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats.
Dergelijk essentieel foerageergebied is strikt beschermd. Het plangebied vormt een foerageergebied voor de genoemde vleermuissoorten. Aangezien er waarschijnlijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn, kan er sprake zijn van een essentieel foerageergebied. Tevens kan de kwaliteit van het foerageergebied verminderen door nieuwbouw, het is dan ook verstandig om een vleermuisonderzoek naar het foerageergedrag zo spoedig mogelijk te starten zodat tijdig mitigerende maatregelen getroffen kunnen worden. Essentiële vliegroutes Op de route van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben. Daarom zijn dergelijke vliegroutes strikt beschermd. Van lijnvormige doorlopende elementen is in het plangebied enerzijds sprake langs de sloot en de bomen die hier groeien, deze zullen in de toekomst blijven bestaan.
De mogelijke essentiële vliegroutes bevinden zich aan de randen van het plangebied, in het kader van deze fase is er dan geen noodzaak voor verder onderzoek, echter aangezien er toch al aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd zal worden, zal ook de aanwezigheid van vliegroutes in het plangebied vastgesteld worden.
ECONU 14
3.3.4
Vogels Vogelsoorten met niet jaarrond beschermde nesten Het is mogelijk dat in de bomen en struiken in het plangebied vogels met niet jaarrond beschermde nesten tot broeden komen. Om te voorkomen dat bij de werkzaamheden eventueel aanwezige nesten van broedende vogels worden beschadigd, adviseren wij deze werkzaamheden buiten de broedperiode te starten. Als vogels op zoek gaan naar een geschikte broedlocatie en merken dat het plangebied en de directe omgeving te verstorend zijn, zullen ze een andere locatie zoeken. Daarnaast kan ook in de broedperiode gestart worden met de werkzaamheden. Dan dient aantoonbaar te worden vastgesteld door een expert op het gebied van vogels dat met de ruimtelijke ontwikkeling geen nesten vernield worden en dat er geen verstoring optreedt die van wezenlijke invloed is op de gunstige staat van instandhouding van een vogelsoort. De broedperiode van vogels loopt globaal van half maart tot half augustus, maar de nesten van vogels die buiten deze periode broeden zijn ook beschermd. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF komen naast diverse weidevogels, de buizerd, huiszwaluw, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, ooievaar, ransuil, sperwer en wespendief in de omgeving van het plangebied voor. De nesten van deze vogelsoorten zijn jaarrond beschermd.
Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor betreffende soorten. Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (ronde) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen. In het plangebied zijn tijdens de quick scan huismussen waar genomen, er staan gebouwen met kieren, gaten en spleten en de schuur heeft (deels) een pannendak. Het is dus hoogst waarschijnlijk dat er nestplaatsen van huismussen aanwezig zijn. Nader onderzoek naar de soort om de gebruiksfuncties van de soort in het plangebied nader inzichtelijk te maken om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen is noodzakelijk. Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen.
Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschatten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn. In het plangebied zijn geen broedende gierzwaluwen te verwachten omdat de daken niet hoog en schuin genoeg zijn. De locatie kan wel als foerageergebied dienen.
ECONU 15
Nader onderzoek om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen is niet noodzakelijk. Andere soorten met jaarrond beschermde nesten, maken hun nesten op hoge gebouwen (slechtvalk), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, havik en sperwer), in oude nesten van kraaien, buizerds en eksters in boomgroepen (wespendief) in oude nesten van kraaien en roofvogels in naaldbomen (ransuil), of op speciale nestpalen (ooievaar). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig en in het plangebied zijn geen nesten aangetroffen. Nesten van deze jaarrond beschermde vogelsoorten zijn daarom niet in het plangebied te verwachten. 3.3.5
Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen in de buurt van het plangebied geen beschermde reptielensoorten voor.
3.3.6
Amfibieën Volgens de verspreidingsgegevens van de NDFF komen in de omgeving van het plangebied de gewone pad, rugstreeppad, groene kikker, heikikker, meerkikker, bruine kikker en de kleine watersalamander voor. Beschermde amfibieën komen voornamelijk voor in poelen en vijvers, in heide- en veengebied en in uiterwaarden. De aanwezigheid van heikikkers is gezien de aanwezige biotoop zeer onwaarschijnlijk. De sloot aan de rand van het huidige plangebied blijft tijdens de werkzaamheden bestaan aangezien deze een belangrijk onderdeel van de afwatering van de locatie is. De plaatsing van het scherm zorgt er voor dat er geen amfibieën op de bouwlocatie kunnen komen. Voor de huidige fase is nader onderzoek naar amfibieën niet noodzakelijk, wel worden maatregelen genomen om te verhinderen dat mogelijk aanwezige amfibieën op de bouwplaats komen.
3.3.7
Vissen Aan de rand van het plangebied zijn permanent watervoerende elementen aanwezig. In de NDFF worden algemene soorten genoemd als aanwezige vissoorten, deze zijn echter niet beschermd. Gezien de landbouwbestemming van de omgeving, de hoge nutriënten gehaltes in het water en het ontbreken van directe verbinding met andere wateren, is het onwaarschijnlijk dat beschermde vissoorten in de sloot naast het plangebied voorkomen. De aanwezigheid van strikt beschermde vissen in het plangebied is daarmee uitgesloten.
3.3.8
Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitat. Deze soorten komen in stabiele habitattypen voor zoals heiden en venen. In het betreffende plangebied is geen sprake van een dergelijke stabiele leefomgeving en de juiste leefomstandigheden voor dergelijke soorten. Beschermde insecten en andere ongewervelden zijn daarom niet te verwachten in het plangebied.
ECONU 16
3.4
Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming van toepassing is. Binnen het directe plangebied worden geen bomen en struiken geveld. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
ECONU 17
4
Conclusie en advies In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied.
4.1
Gebiedsbescherming Uit voorliggend onderzoek blijkt dat er verschillende Natura 2000-gebieden in de buurt van het plangebied liggen. Met de geplande ruimtelijke ontwikkeling is een toename in stikstofuitstoot in het plangebied te verwachten. Door de beperkte, tijdelijke toename in de uitstoot, de afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden en verstoringen tussen het plangebied en omliggende Natura 2000-gebieden is echter niet te verwachten dat de beoogde ontwikkelingen in het plangebied een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen of kernkwaliteiten van deze gebieden zullen hebben. Nader onderzoek in de vorm van een voortoets Wet natuurbescherming wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Uit voorliggend onderzoek blijkt dat het plangebied niet in het Natuurnetwerk Nederland ligt. De voorgenomen ingreep zal geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN hebben. De bescherming van het NNN staat de uitvoering van het plan niet in de weg.
4.2
Soortenbescherming Door het uitgevoerde veldbezoek in het plangebied is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen van beschermde diersoorten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Wat betreft de grond bewonende zoogdieren worden geen verblijfplaatsen verwacht van soorten die strikt beschermd worden. Volgens de verspreidingsgegevens van de Nationale Databank Flora en Fauna komen in de sloot naast het plangebied de soorten meerkikker, rugstreeppad en de kleine watersalamander voor. Alleen voor de rugstreeppad geldt geen algemene ontheffing in de provincie Utrecht, maar door het tijdig plaatsen van een paddenscherm en de aanwezigheid van voldoende alternatieve leefruimte, zal deze soort niet geschaad worden door de geplande werkzaamheden. Gezien de staat van de schuren, overkappingen en bijgebouwen is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouw bewonende vleermuizen niet uit te sluiten, dit dient nader onderzocht te worden. Tevens bestaat de mogelijkheid dat in de bomen rond het plangebied verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen aanwezig zijn. Aangezien deze bomen vooralsnog blijven staan worden hier geen nadelige invloeden verwacht. Daarnaast wordt de locatie door diverse vleermuizen als foerageergebied gebruikt (laatvliegers, watervleermuizen, ruige en gewone dwergvleermuizen, franjestaart en grootoorvleermuizen).
De sloot en hoge bomen aan de zijkant van het
ECONU 18
plangebied kunnen als migratieroute voor vleermuizen dienen, dit zal tijdens het vleermuisonderzoek nader onderzocht worden. De aanwezigheid van (gier)zwaluwen wordt uitgesloten op basis van de kenmerken van de te slopen gebouwen. Er zijn geen (sporen van) nesten aangetroffen ondanks de intensieve speurtocht hiernaar tijdens het veldbezoek. De huismus is wel aanwezig en er dient een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de aanwezigheid van nesten van deze soort binnen het plangebied. Andere jaarrond beschermde vogelnesten zijn niet aangetroffen op de locatie.
4.2.1
Onderzoekseisen en -periodes Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen. Vleermuizen Het nader onderzoek naar verblijfplaatsen, foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2017 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur). Het vleermuisprotocol stelt vast dat vier veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Twee daarvan dienen plaats te vinden in de periode van 15 april tot en met 15 juli met een tussenperiode van circa 30 dagen. De andere twee veldbezoeken dienen tussen 15 augustus en 15 oktober plaats te vinden met een tussenperiode van circa 20 dagen. Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of batlogger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermuizen worden opgevangen en vertaald in voor mensen hoorbare geluiden. Door het uitvoeren van vier veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of vleermuizen wel of niet aanwezig zijn in het plangebied.
Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van vleermuizen, essentieel foerageergebied of vliegroutes aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing Wet natuurbescherming aangevraagd te worden voor volgende fases. Huismussen Het nader onderzoek naar de huismus dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in de soortenstandaard van de huismus (RVO, 2014). Het onderzoek dient plaats te vinden door middel van twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of door middel van vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni. De inventarisaties dienen onder goede weersomstandigheden plaats te vinden, op geluidsluwe momenten, rond één à twee uur na zonsopkomst en met een tussenperiode van 10 dagen. Mocht uit dit onderzoek blijken dat verblijfplaatsen van huismussen aanwezig zijn, dan dient mogelijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.
ECONU 19
4.2.2
Broedperiode Van alle van nature in Nederland in het wild levende vogels mag het nest tijdens het broeden (van start van nestbouw tot en met het uitvliegen van de jongen) niet worden beschadigd of vernield. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Uit voorliggend onderzoek blijkt dat in en direct rond het plangebied vogels kunnen gaan broeden. Wij adviseren daarom om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten. Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.
4.2.3
Zorgplicht Iedereen neemt voldoende zorg in acht voor alle natuur en in het wild levende dieren, planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mogelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden.
4.3
Bescherming houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.
4.4
Vervolgstappen − − − −
Plaatsen paddenscherm tussen de sloot en het plangebied Uitvoeren nader onderzoek vleermuizen en huismus Houd rekening met broedende vogels Houd rekening met de zorgplicht
ECONU 20
Bijlage 1: Geraadpleegde literatuur Lenders, A., Marijnissen, C., Felix, R. 1993. Waarnemen en herkennen van Amfibieën en Reptielen in het veld, stichting RAVON, Nijmegen. Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur, Zoogdiervereniging. 2017. Vleermuisprotocol 2017. Ministerie EZLI. 2012. Memorie van toelichting bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk. Ministerie EZ. 2015. Memorie van antwoord bij Wet natuurbescherming. Kamerstuk Eerste Kamer der Staten-Generaal. Van der Meijden, R. 2005. Heukels’ Flora van Nederland, Wolters Noordhoff, Groningen/Houten. Van Diepenbeek, A. 1999. Veldgids Diersporen, KNNV Uitgeverij, Utrecht. Van Uchelen, E. 2006. Praktisch natuurbeheer: amfibieën en reptielen, KNNV Uitgeverij, Utrecht. www.noord-holland.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl www.stowa.nl www.synbiosys.alterra.nl www.telmee.nl www.vogelbescherming.nl www.zoogdiervereniging.nl www.aerius.nl