Bijlage 2 Ruimtelijke onderbouwing d.d. 16 april 2025
Tekst van het document
Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart.
23
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: Atlas Leefomgeving).
Risicovolle inrichtingen Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Buisleidingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de omgeving van het plangebied op ca. 475 m afstand buisleidingen liggen. Het betreft een aardgastransportleiding en een reguliere buisleiding van Gasunie. Het groepsrisico PR10-6 is eveneens op de kaart weergegeven. Gelet op de grote afstand zijn veiligheidsrisico’s uit te sluiten. Transport gevaarlijke stoffen Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat het plangebied niet in de nabijheid van transportroutes voor gevaarlijke stoffen is gelegen. Bestrijdbaarheid Bij een brand, ramp of zwaar ongeval is het van belang dat hulpdiensten voldoende snel kunnen optreden. Voor een adequate hulpverlening van de brandweer zijn bereikbaarheid en voldoende bluswatervoorziening van essentieel belang. De bereikbaarheid en bluswatervoorziening dient uitgevoerd te worden conform de eisen die hiervoor gelden. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.7.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
24
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.7.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan 2022-2027 ‘Stroomopwaarts’ Voor de planperiode 2022-2027 is het Waterbeheerplan (WBP) van HDSR van toepassing. Het waterbeheerprogramma is een koersdocument, waarbij 'stroomopwaarts' centraal staat, oftewel voorbereiden op de toekomst en pro-actieve samenwerking vanaf het begin van het proces. Het hoogheemraadschap heeft de ambitie om bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen water een meer sturende rol te geven voor een toekomstbestendige leefomgeving. Hierbij wordt extra ingezet op de volgende thema's: • Zuiver afvalwater, energieneutraal en circulair; • Robuust en gezond watersysteem in een klimaatbestendig gebied; • Waterveilige leefomgeving; • Waterbewust leven en genieten van water. 4.7.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium.
In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen.
25
Planspecifiek Watercompensatie Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden stelt een ondergrens aan de compensatieplicht. In het stedelijk gebied bedraagt deze grens een toename in verharding van meer dan 500 m², terwijl in het landelijk gebied een oppervlakte van 5.000 m² geldt. Daarbij dient in het stedelijk gebied 15% van de toename gecompenseerd te worden door middel van oppervlaktewater, terwijl dit in het landelijk gebied neerkomt op 10%. Het plangebied bevindt zich in het landelijk gebied. Omdat met de beoogde ontwikkeling slechts één nieuw gebouw wordt gerealiseerd en 240 m² toename aan bebouwing is voorzien, is watercompensatie niet aan de orde. Overzicht nieuwe verharding (indicatief): • 240 m² bebouwing; • ca. 350 m² verharding parkeerplaatsen en erfverharding; • ca. 170 m² halfverharding parkeerplaatsen; • ca. 125 m² halfverharding karrenspoor. Waterkeringen De legger van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden laat zien dat de planlocatie is gelegen nabij de beschermingszone van een regionale waterkering. Een uitsnede van de legger is weergegeven op navolgende afbeelding. Binnen deze zone mag alleen met toestemming van het hoogheemraadschap en een watervergunning worden gebouwd. Echter bevindt het beoogde gebouw met recreatiewoningen zich niet in de beschermingszone van de waterkering.
Mocht er in de toekomst binnen deze zone worden gebouwd dan dient er een vergunning te worden aangevraagd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de legger.
Uitsnede legger regionale waterkeringen, beoogde ontwikkeling rood omcirkeld (bron: HDSR).
Waterafvoer Hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar de naastgelegen sloten. Afvalwater kan worden afgevoerd naar vuilwaterriool. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.
26
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming zijn de tabellen 1, 2 en 3 vervallen waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er ca. 200 soorten niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Soortenbescherming Met het beoogde initiatief wordt een nieuwe functie gerealiseerd op het agrarische bedrijfsperceel aan de Knollemanshoek 9. De planlocatie is momenteel bebouwd met agrarische bedrijfsgebouwen en bestaat verder grotendeels uit grasland. Er wordt geen bedrijfsbebouwing gesaneerd. Het deel van het terrein waar het nieuwe gebouw is beoogd, is nu in gebruik als grasland en wordt omgeven door een sleufsilo en erfverharding. Het grasland wordt intensief gebruikt. Er zijn dan ook geen werkzaamheden voorzien die mogelijk nadelige gevolgen hebben voor beschermde soorten en/of beschermde gebieden. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura-2000 gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Natura 2000-gebied 'Uiterwaarden Lek', dat zich op een afstand van ca. 8 km afstand naar het zuiden bevindt, is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. Op ca. 11,7 km naar het noordoosten zijn de 'Oostelijke Vechtplassen' gelegen, op ca. 13,5 km naar het westen 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein' en op ca. 14,5 km naar het noordwesten de 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck'. Op basis van de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstanden tot Natura 2000-gebieden worden geen effecten verwacht op deze Natura 2000-gebieden.
Stikstofdepositie In het kader van de Wet natuurbescherming moet uitgesloten worden dat significante negatieve effecten kunnen optreden in Natura 2000-gebieden. Zo dient aangetoond te worden dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000gebieden. De beoogde ontwikkeling vindt plaats op minimaal ca. 8 km afstand van Natura 2000-gebied ‘Uiterwaarden Lek’. Gezien de aard van de ontwikkeling en de afstand tot Natura 2000-gebieden wordt een stikstofberekening niet noodzakelijk geacht. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Monumentenwet 1988 is hierin opgegaan. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over gaan, blijven op grond van het overgangsrecht van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de Omgevingswet en de Erfgoedwet naast elkaar van kracht.
27
Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Verder is in artikel 5.11 het volgende opgenomen over archeologische monumenten: ‘Degene die bij het opsporen van archeologische monumenten, zonder het verrichten van een opgraving, waarnemingen doet, waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat die waarnemingen van belang zijn voor de archeologische monumentenzorg, meldt die waarnemingen zo spoedig mogelijk bij Onze Minister’. Voor het grondgebied van de gemeente Montfoort is de beleidsnota archeologie van toepassing (Vestigiarapport V673, Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie, 23 september 2010). Op 14 maart 2011 is deze beleidsnota door de gemeenteraad vastgesteld. Met de beleidsnota heeft de gemeente Montfoort invulling gegeven aan waar en wanneer archeologisch onderzoek verplicht is. Op de archeologische beleidskaart is te zien waar archeologische waarden in de bodem zitten of verwacht kunnen worden.
Planspecifiek In het geldende bestemmingsplan ‘1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012’ heeft het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. De hiervoor aangewezen gronden zijn hierdoor tevens bestemd voor bescherming en instandhouding van archeologische waarden. De vrijstellingsgrenzen zijn een oppervlakte van 200 m² en een diepte van 50 cm -mv. Omdat op voorhand niet duidelijk was of deze grenzen worden overschreden, is er een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd (Bureau voor Archeologie, 30 januari 2024, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2). In het onderzoek van Bureau voor Archeologie wordt verwezen naar een archeologisch onderzoek uit 2016 (Nijdam, L.C. 2016. ‘Montfoort tussen Knollemanshoek en Achtenhoven-West (Gemeente Montfoort). Een bureauonderzoek’. 1437. ArGeoBoor. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)). Het met het onderzoek uit 2016 onderzochte gebied ligt op de stroomgordel van de Hollandsche IJssel. De loop van deze rivier is na 800 na Christus niet meer veranderd. Archeologische resten zijn waarschijnlijk geërodeerd door de Hollandsche IJssel of zijn afgegraven bij kleiwinning voor de baksteenindustrie uit ca. 1.960 na Christus. De aanwezigheid van diepe grondsporen kan niet worden uitgesloten maar de kans dat nog behoudenswaardige resten in het gebied aanwezig zijn wordt als klein ingeschat.
Op basis van de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek van Bureau voor Archeologie zijn in het plangebied archeologische indicatoren gevonden die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een vindplaats. Bureau voor Archeologie adviseert bodemingrepen dieper dan 40 cm mv (60 cm boven NAP) te vermijden om de top van het potentiële archeologische niveau te ontzien. Zoals volgt uit paragraaf 2.2 en figuur 7 (zie navolgende afbeelding) van het archeologisch onderzoek van Bureau van Archeologie, vinden voor de bouw van de recreatiewoningen graafwerkzaamheden over een oppervlakte van ongeveer 240 m² plaats. In het plangebied zal grond worden opgebracht. De onderzijde van de funderingen van de nieuwbouw zal op 64 cm boven NAP komen te liggen. Het maaiveld ter hoogte van de nieuwbouw ligt tussen 70 en 100 cm boven NAP. Dit betekent dat de verstoringsdiepte van de nieuwbouw tussen 6 en 36 cm ligt.
28
Doorsnede van de fundering (bron: Bureau voor Archeologie)
Zoals ook in paragraaf 2.2 van het archeologisch onderzoek vermeld is, reiken de werkzaamheden voor de aanleg van de parkeerplaats en het pad en het planten van de bomen en de hagen waarschijnlijk ondieper dan 50 cm -mv (de gemeentelijke vrijstellingsgrens). Thans kan deze verwachting nader gespecifieerd worden.
29
Voor de toegang tot de recreatiewoningen zal een karrenspoor worden aangelegd als inrit. Dit karrenspoor zal bestaan uit ca. 20 cm repak bovenop het bestaande maaiveld. Voor de aanleg van het voorterrein, de parkeerplaatsen en de terrassen, wordt het bestaande vilt/gras verwijderd. Hierbij wordt maximaal 10 cm af gegraven. Daarna zal een onderlaag repak worden aangebracht, met daarbovenop zand en klinkers en, bij de halfverharding, gebroken steen en grastegels. De totale dikte van deze verschillende lagen zal liggen tussen de 20 en 30 cm. Rondom deze (half)verharding zal het maaiveld ca. 20 tot 25 cm worden opgehoogd. Volgens het inrichtingsplan worden ook bomen geplant. Hiervoor zal in het bestaande maaiveld een gat gegraven worden van ca. 30 cm diep. Daarna zal rondom de kluit aangevuld worden met grond tot de hoogte van het nieuwe maaiveld. Aan de oostzijde en zuidzijde van de locatie worden hagen geplant. De haagplanten zullen in de nieuw aan te brengen grond geplant worden. Gelet op het voorgaande reiken de bodemingrepen niet dieper dan 40 cm -mv en daarmee niet dieper dan de diepte die vanuit de resultaten van het archeologisch onderzoek vrijgegeven wordt. Conclusie Op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek kunnen bodemingrepen dieper dan 40 cm -mv (60 cm boven NAP) vrijgegeven worden.
Uit het voorgaande volgt dat de bodemingrepen die uitgevoerd worden niet dieper dan 40 cm -Mv (60 cm boven NAP) reiken. Daarmee wordt geconcludeerd dat het aspect archeologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het voorliggende initiatief betreft de realisatie één 1 gebouw met 5 recreatiewoningen aan de zuidzijde van het agrarisch bedrijf aan de Knollemanshoek 9. De navolgende tabel geeft de toename aan verkeersgeneratie weer, gebaseerd op de CROW-normering.
Hierbij wordt uitgegaan van de categorie 'bungalowpark (huisjescomplex)'. Conform het gemeentelijk parkeerbeleid wordt aangesloten op de categorieën 'buitengebied' en 'weinig stedelijk'. Functie CROW bungalowpark (huisjescomplex) Totaal
Aantal eenheden 5 5
Kencijfer (verkeersgeneratie) 2,7
Totaal 13,5 13,5
In de toekomstige situatie is de totale extra verkeersgeneratie (ten opzichte van de bestaande situatie) ca. 14 verkeersbewegingen per etmaal. In de bestaande situatie is er sprake van een agrarisch bedrijf dat een bepaalde verkeersgeneratie aan zwaar vrachtverkeer en tractoren met zich meebrengt. Dit agrarisch verkeer kan echter toegang vinden via de westelijk gelegen inrit. De oostelijk gelegen inrit wordt reeds gebruikt voor de bestaande koffiebar, aan de noordzijde van het perceel. Aansluitend aan deze oostelijke inrit worden de recreatiewoningen bereikbaar gemaakt middels een nieuw aan te leggen karrenspoor.
30
Daardoor zal het agrarische verkeer en het recreatieverkeer elkaar niet kruisen. Daarnaast is het te verwachten dat de Knollemanshoek over voldoende capaciteit beschikt om de toekomstige verkeersgeneratie te verwerken. Zodoende kan er gesteld worden dat de toename van verkeer niet dusdanig is dat dit tot belemmeringen leidt. Gezien het voorgaande vormt het aspect verkeer geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen.
Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen Montfoort' (vastgesteld op 29 oktober 2018). Hierin wordt verwezen naar de gemiddelde parkeernormen van het CROW. Planspecifiek Ter plaatse van de planlocatie geldt het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen Montfoort'. Met dit plan is geregeld dat voldaan moet worden aan de parkeernormen, zoals die zijn vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Montfoort 2015' of diens opvolger. Tegenwoordig is de Nota Parkeernormen Montfoort 2020 van toepassing. Het uitgangspunt in de parkeernota is de parkeerbehoefte (auto- en fietsverkeervoorzieningen) op eigen terrein op te lossen. Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van één nieuw gebouw met 5 recreatiewoningen. De navolgende tabel geeft de parkeerbehoefte weer in de toekomstige situatie, gebaseerd op het parkeerbeleid van de gemeente De Montfoort. Hierbij wordt uitgegaan van de categorie 'bungalowpark (huisjescomplex)'. Conform het gemeentelijk parkeerbeleid wordt aangesloten op de categorie ‘buiten bebouwde kom’. Functie CROW parkeernormen
Aantal eenheden
Kencijfer (parkeereis)
Totaal
bungalowpark (huisjescomplex)
5
2,1
10,5
Totaal
5
10,5
De parkeerbehoefte voor de voorgenomen ontwikkeling betreft in totaal 11 parkeerplaatsen. Het planvoornemen is om een parkeerkoffer met 14 parkeerplaatsen te realiseren op eigen terrein aan de noordzijde direct naast de recreatiewoningen. Daarvan betreffen 12 plekken reguliere parkeerplaatsen en 2 plekken worden voorzien van laadpalen ten behoeve van elektrische voertuigen. Tevens draagt de parkeerkoffer bij aan de nodige privacy door de afscheiding met het bestaande agrarische bedrijf. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de toekomstige situatie van het plangebied ter plaatse van de parkeersituatie.
31
Uitsnede parkeersituatie (bron: Verstoep bouwadvies architectuur)
Voorts worden voor het parkeren van fietsen een aantal plekken ingeruimd zowel aan de binnen- als buitenzijde van het beoogde gebouw. Ook bij de fietsparkeerplaatsen geldt dat een aantal zal worden voorzien van laadpunten (ten behoeve van elektrische fietsen). Conclusie Met het plaatsen van 14 parkeerplaatsen wordt ruimschoots in de parkeerbehoefte voorzien. Geconcludeerd wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11 Duurzaamheid Fit for 55 De Europese Klimaatwet bevat een verplichting om de netto-uitstoot van broeikasgassen in 2030 ten opzichte van 1990 met ten minste 55% te verminderen. De EU-lidstaten werken aan nieuwe wetgeving om dit doel te bereiken en in 2050 klimaatneutraal te zijn. Het pakket ‘Fit for 55’ is een reeks voorstellen om de EU-wetgeving in overeenstemming te brengen met de klimaatdoelen. ‘Fit for 55’ verwijst naar de doelstelling van de EU om in 2030 de netto-uitstoot van broeikasgassen met ten minste 55% te hebben verminderd. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. De Wet Voortgang Energietransitie (Wet VET) schrijft voor dat nieuwbouw per 1 juli 2018 gasloos uitgevoerd dient te worden.
32
Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 wordt de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vervangen de EPC. MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) De MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw en is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Het gaat hierbij om nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m². Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik. De gebruikte impact van de gebruikte materialen wordt in kaart gebracht aan de hand van productiewijze van de gebruikte bouwmaterialen, het transport, de levensduur van de materialen en de manier van afdanken. Vervolgens worden alle materialen bij elkaar opgeteld. Het resultaat van een dergelijke analyse wordt uitgedrukt in de zogenaamde ‘schaduwkosten’ van het materiaal. Hoe lager de schaduwkosten, hoe duurzamer het gekozen materiaaltype.
Per 1 januari 2021 geldt een maximale schaduwprijs van € 0,80 / m² bvo. De minister wil per 1 juli 2025 de maximum waarde verder aanscherpen. Uiteindelijk wordt de maximum schaduwprijs naar nul afgebouwd. Provinciaal energiebeleid Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie provincie Utrecht. Bijbehorende kaders zijn vastgelegd in de (Interim) Omgevingsverordening provincie Utrecht. De toelichting op een ruimtelijk plan dient een beschrijving te bevatten op welke wijze rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen. GPR Gebouw Een meetinstrument voor duurzame ontwikkeling en het benutten van het besparingspotentieel is GPR Gebouw. GPR Gebouw is een manier om duurzaam bouwen te concretiseren en doet dit door een rapportcijfer te geven op vijf thema’s: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Hierbij geldt, hoe hoger het cijfer, hoe duurzamer het gebouw. Door de GPR Gebouw in te vullen wordt meer nagedacht over duurzaamheid tijdens het ontwerpen en (ver)bouwen van gebouwen. GPR Gebouw kan ook gebruikt worden om bestaande woningen en gebouwen te verduurzamen. Na invoering van gegevens in GPR Gebouw betreffende de woningen worden prestaties zichtbaar op de thema’s Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde.
GPR Stedenbouw Ten behoeve van de inrichting van de openbare ruimte is er GPR Stedenbouw. Dit komt nader aanbod bij het Inrichtingsplan. Planspecifiek Het beoogde gebouw wordt voorzien van een energielabel A+++. Hier wordt invulling aan gegeven middels de uitvoering van een lucht/water-warmtepomp voor verwarming/koeling en tapwater. Daarbij wordt er ingezet op duurzame energie middels de uitvoering van een zonneboilersysteem gecombineerd met PVpanelen. Het ventilatiesysteem is beoogd in een WTW-systeem en de gebouwschil wordt uitgevoerd in waarden die aansluiten bij het genoemde energielabel (A+++) en uit te voeren installatiecomponenten. De gemeente Montfoort is ondertekenaar van het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw en streeft het niveau ‘brons’ na. In het onderhavige geval is geen sprake van woningbouw (reguliere woningen), maar van een recreatieve functie (recreatiewoningen). Daarmee is het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw niet van toepassing. Desondanks wordt er voldaan de BENG-eisen voor woningbouw, die strenger zijn dan bij een logiesfunctie. Met de toepassing van de genoemde duurzaamheidsmaatregelen kan er geconcludeerd worden dat het initiatief aansluit bij de ambities ten aanzien van duurzaamheid.
33
5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Onder andere naar aanleiding van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2°en 3° van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan, dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning. In principe dient bij deze vergunningverlening tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. De vaststelling van zo’n plan kan achterwege blijven indien:
• • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, Wro niet noodzakelijk is; en het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, Wro niet noodzakelijk is.
Planspecifiek De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. Hiermee zijn de kosten anderszins verzekerd en is het ruimtelijke plan financieel uitvoerbaar.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 van de Wabo stelt artikel 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het ontwerpbesluit conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd wordt. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen in beroep gaan. De Wabo voegt hier aan toe dat het ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit op grond van de Wabo of het Besluit omgevingsrecht in bepaalde specifieke gevallen aan specifiek personen of instanties wordt gestuurd. Participatie In het kader van participatie met omwonenden is met de direct aanwonende buren mondeling overleg gevoerd en waar nodig toelichting gegeven over de plannen. De opdrachtgever heeft omringende buren een bezoek gebracht en waar nodig een tweede keer. Dit betreft de buren aan beide zijden van het plangebied (Knollemanshoek 3, Achtersloot 123 en Achtersloot 121) en tegenover het plangebied, gelegen aan de overkant van de Knollemanshoek (Knollemanshoek 8 en 8a).
Uit de participatie kwam enkel van de bewoners van Knollemanshoek 8 en 8a de opmerking dat deze bewoners graag vrij uitzicht aan de voorzijde (zuidzijde) van hun woning wilden behouden. Zij willen dan ook geen bomen aan de oostzijde van het erf. Er worden enkel solitaire bomen toegepast, waarmee tegemoet wordt gekomen aan deze wens.
34