1059325 Bijlage 1 Toelichting en regels met bijlagen.pdf
Tekst van het document
E
REPARATIE 1 HERZIENING BESTEMMINGSPLAN BUITENGEBIED 2012 Montfoort 13-12-2021
1/2
DATUM KENMERK
13-12-2021 NL.IMRO.0355.Rep1eherzBG-VG01
PROJECT PROJECTLEIDER
Reparatie 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012 drs. M.P. Kegler
OPDRACHTGEVER Gemeente Montfoort PROJECTNUMMER 20201883 AUTEUR STATUS
2/2
Maurits van der Berg, MSc. Vastgesteld
3
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Plangebied
7
1.3
Aanpak en procedure
9
1.4
Vervolg
10
1.5
Leeswijzer
10
Hoofdstuk 2
Inhoudelijke beschrijving en wijzigingen reparatieplan
13
2.1
Uitspraak Afdeling en reparatie
13
2.2
Ondergeschikte aanpassingen
21
Hoofdstuk 3
Uitvoerbaarheid
25
3.1
Economische uitvoerbaarheid
25
3.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
25
Bijlagen toelichting Bijlage 1
Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State
Bijlage 2
Fragment reparatie plandelen
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
4
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
TOELICHTING
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
7
Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
De aanleiding voor dit bestemmingsplan is de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over de beroepen tegen het bestemmingsplan “1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012” van de gemeente Montfoort. De gemeenteraad van Montfoort stelde op 26 oktober 2015 het bestemmingsplan “1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012” vast. Naar aanleiding van tegen dit besluit ingediende beroepschriften, deed de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: 'de Afdeling') op 24 mei 2017, onder kenmerk 201600220/1/R2, ECLI:NL:RVS:2017:1353, uitspraak. Voor het overgrote deel van de ingediende beroepen oordeelde de Afdeling dat, (1) ofwel de beroepen niet ontvankelijk zijn, (2) ofwel dat het bestemmingsplan voldoet en de beroepen ongegrond zijn. Op een aantal punten zijn de beroepen van appellanten gegrond verklaard. Op die onderdelen is het bestemmingsplan “1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012” aldus deels vernietigd. De Afdeling draagt de raad van de gemeente Montfoort op om, met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen, een nieuw besluit te nemen over de vaststelling van het bestemmingsplan. Er is door de Afdeling geen termijn genoemd waarbinnen de reparatie een feit moet zijn. Het nieuwe raadsbesluit dient vervolgens op de gebruikelijke wijze te worden bekendgemaakt, en is vatbaar voor beroep bij de Afdeling.
Deze toelichting beschrijft de punten die zijn vernietigd. Vervolgens wordt de oplossingsrichting aangegeven. Daarna wordt expliciet vermeld wat dit betekent voor de juridische onderdelen van het bestemmingsplan: de regels en de verbeelding. De achtergronden die voor deze reparatie zijn gebruikt, zijn terug te vinden in de bijlage bij de toelichting. De conclusies zijn terug te vinden in de tekst zelf.
1.2
Plangebied
Het plangebied is gelijk aan het gebied zoals dat is opgenomen in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012". Het plangebied omvat circa 3.526 hectare en beslaat het gehele grondgebied van de gemeente Montfoort, met uitzondering van de kernen Montfoort en Linschoten. In figuur 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
8
Figuur 1.1
Ligging geldend plangebied.
De volgende postzegelbestemmingsplannen zijn buiten de begrenzing gelaten. Deze zijn na de 1e herziening vastgesteld en daar geldt de regeling zoals opgenomen in deze plannen. In figuur 1.2 is de begrenzing van deze reparatie weergegeven minus de daarna vastgestelde postzegelbestemmingsplannen. Het gaat om de volgende bestemmingsplannen: Willeskop ten noorden van 64 en 68 (NL.IMRO.0335.BPWilleskop6468‐VG02) Waardsedijk3, 3a en 3b (NL.IMRO.0335.BPWaardsedijk3ab‐vg01) Steenfabriek IJsseloord (NL.IMRO.0335.201703IJsseloord‐VG01) Heeswijk 159 (NL.IMRO.0335.BPHeeswijk159‐vg01) Heeswijk 120 (NL.IMRO.0335.201601Heeswijk120‐vg01) Benedenkerkweg 1b, Montfoort (NL.IMRO.0335.BPbenedenkerkweg1b‐va01) Liefhoven (NL.IMRO.0335.BpLiefhoven‐VG01) Nieuwe Zandweg 28 (NL.IMRO.0335.201704NwZandweg28‐VG01) Blokland 8 (NL.IMRO.0335.OVGBlokland8‐VG01) Energietuin Mastwijkerdijk Montfoort (NL.IMRO.0335.BpEtuinMwd‐VG01) Willeskop 77 en 77c (NL.IMRO.0335.BPWilleskop77en77c‐VG01)
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
9
Figuur 1.2 ‐ Ligging plangebied minus de postzegelbestemmingsplannen
1.3
Aanpak en procedure
De uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2017 is beschikbaar gesteld op www.ruimtelijkeplannen.nl. Met onderhavig bestemmingsplan wordt, met inachtneming van deze uitspraak, de 1e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 inhoudelijk gerepareerd. Daarnaast wordt de verdere bestuurlijke besluitvorming door de gemeenteraad en het vervolg van de wettelijke procedure aangegeven. Dit bestemmingsplan corrigeert ook een aantal ondergeschikte omissies op de planverbeelding. De achterliggende oorzaak van deze omissies is een teken technische: bij het tekenen van de verbeelding voor het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" zijn op een aantal locaties de grenzen van de gemeente niet goed overgenomen waardoor zogenaamde witte vlekken zijn ontstaan. Dit zijn in de meeste gevallen grotere of kleinere stroken agrarische onbebouwde gronden die ‐ zoals gezegd ‐ zijn gelegen langs de gemeentegrenzen. Ter plaatse van een witte vlek geldt geen bestemmingsregeling. Aangezien dit een onwenselijke situatie is, wordt dat met dit bestemmingsplan hersteld. Daarnaast staan er nog enkele strijdigheden met het provinciaal beleid in het bestemmingsplan. Deze zijn gecorrigeerd. De toelichting levert de ruimtelijke‐ en juridische onderbouwing voor het nieuwe besluit dat door de gemeenteraad wordt genomen.
De voorgestelde wijzigingen en reparaties zijn, voor zover van toepassing en noodzakelijk, doorgevoerd in de regels en op de verbeelding. In de regels zijn aanvullingen in geel aangeduid. In groen met doorhaling zijn de (gedeelten van) regels aangegeven die naar aanleiding van de uitspraak worden verwijderd. In magenta met doorhaling zijn de gecorrigeerde (verwijderde) strijdige regels met het provinciaal beleid aangegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
10
De regels van de "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012" zijn de basis voor dit reparatieplan. In de 1e herziening zijn de toevoegingen en de te verwijderen delen destijds respectievelijk in geel en groen in de regels gearceerd. Het plan is op die manier ook beschikbaar gesteld op ruimtelijkeplannen.nl. Voor de leesbaarheid van de thans aan de orde zijnde reparatie, zijn allereerst de wijzigingen in de regels van de "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012", zoals die in de arceringen tot uitdrukking kwamen, integraal verwerkt. Op die manier ontstaat er "een schone lei" om in verder te werken. Voor de duidelijkheid en om het verband tussen de regels aan te geven zijn alle regels opgenomen in dit reparatieplan. Let wel: de niet groen of geel gemarkeerde regels staan niet ter discussie. De reparatie, én de bestuurlijke besluitvorming, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling heeft alleen betrekking op de groen en geel gearceerde onderdelen. Alleen voor deze delen is eventueel beroep mogelijk bij de Raad van State. Met het opnemen van een volledige regelset wordt vooruitgelopen op het beschikbaar stellen van de geconsolideerde versie van het gerepareerde bestemmingsplan op www.ruimtelijkeplannen.nl. Een geconsolideerde versie van het bestemmingsplan komt de leesbaarheid van het plan ten goede.
NB: onderdelen van de regels die in de 1e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 al waren vervallen, zijn in blauw en met 'vervallen' aangegeven. Ook deze onderdelen van het plan staan niet ter discussie.
1.4
Vervolg
De aanpak, waarop hierboven al werd ingegaan, is ‐ samenvattend ‐ te onderscheiden in 4 werkstappen: 1. Beschikbaar stellen van de gerechtelijke uitspraak van 24 mei 2017 op www.ruimtelijkeplannen.nl (dit heeft plaatsgevonden); 2. het opstellen van een reparatie bestemmingsplan in verband met de uitspraak van de Afdeling, mede als onderbouwing van het nieuwe besluit van de gemeenteraad (onderhavig bestemmingsplan) en herstel van de geconstateerde teken technische omissies en omissies uit het provinciaal beleid; 3. het repareren van de locatie Willeskop 85b; 4. het maken van een zogenoemd geconsolideerd bestemmingsplan, waarin het bestemmingsplan Buitengebied 2012 (het moederplan), de 1e herziening daarvan, de uitspraak van de Raad van State en het onderhavige reparatieplan zijn verwerkt. Consolidering is een technische handeling die met het oog op de leesbaarheid en raadpleegbaarheid wordt uitgevoerd. Er is geen procedure voor vereist en er bestaat geen mogelijkheid om hierop te reageren of zienswijzen in te dienen. Het geconsolideerde plan wordt bekend gemaakt op www.ruimtelijkeplannen.nl (consolidatie en beschikbaarstelling vindt plaats ná vaststelling van het reparatieplan door de gemeenteraad).
Door de wijzigingen van het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012' nu al te verwerken en te gebruiken als basis voor de reparatie, wordt vooruitgelopen op de derde stap.
1.5
Leeswijzer
Dit reparatie bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, de regels en een verbeelding. In hoofdstuk 2 zijn de wijzigingen waarop deze reparatie betrekking heeft gemotiveerd weergegeven. Het betreft zowel wijzigingen in de regels als op de verbeelding. De wijzigingen zijn als volgt weergegeven.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
11
Regels De onderdelen van de regels die deel uit maken van deze reparatie zijn in de planregels gearceerd. Hierbij zijn zaken die verwijderd worden ten opzichte van het plan "Buitengebied 2012" en de "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012" groen gearceerd en voorzien van een doorhaling ('regel') in het geval deze verwijdering voortvloeit uit de uitspraken van de Raad van State. In het geval de verwijdering betrekking heeft op strijdigheid met het provinciaal beleid is deze doorhaling magenta gekleurd. Toevoegingen ten opzichte van de regels van het plan "Buitengebied 2012" en de 1e herziening daarvan worden geel gearceerd ('regel'). De niet gearceerde regels zijn ter informatie opgenomen zodat een goed beeld ontstaat van de nieuwe regels en hoe deze ingepast zijn in de (bestaande) regels van het plan "Buitengebied 2012" en de 1e herziening daarvan. Van belang is dat de niet gearceerde regels niet opnieuw ter discussie gesteld kunnen worden omdat deze enkele een informatieve rol in deze herziening vervullen. Verbeelding Wanneer de verbeelding naar aanleiding van deze reparatie een wijziging ondergaat, is dit door middel van het opnemen van het betreffende fragment in hoofdstuk 2 en in de bijlagen bij de toelichting opgenomen. De wijziging van de verbeelding maakt onderdeel uit van het door de gemeenteraad te nemen besluit. Hiertegen staat beroep open.
Alleen de percelen waar naar aanleiding van deze reparatie een aanpassing plaats vindt, zijn op de verbeelding opgenomen. Voor de overzichtelijkheid is niet alleen de wijziging op de verbeelding opgenomen, maar zijn ook de geldende bestemmingen en/of aanduidingen opgenomen. Voor de duidelijkheid: alleen tegen de wijzigingen op de verbeelding staat beroep open. In het kader van de geconsolideerde versie (werkstap 4 genoemd in 1.4) worden de wijzigingen opgenomen in de verbeelding die ontstaat na samenvoeging van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 (het moederplan), de 1e herziening daarvan, de uitspraak van de Raad van State en de reparatie van genoemde teken technische omissies. Hoofdstuk 3 gaat over de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening verplicht bij ruimtelijke plannen in te gaan op het aspect van de uitvoerbaarheid van die plannen.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
12
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
13
Hoofdstuk 2 reparatieplan
Inhoudelijke
beschrijving
en
wijzigingen
Dit hoofdstuk beschrijft in paragraaf 2.1 de punten waarop de Afdeling de 1e herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012 heeft vernietigd, tot welke overwegingen en keuzes dit vervolgens heeft geleid en hoe dit doorwerkt in de regels en op de verbeelding. In figuur 2.1 in paragraaf 2.1 is dit alles samengevat. Voor de uitspraak van de Afdeling: zie Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State. In 2.1 is bij de verschillende kopjes tussen haakjes aangegeven waar in de Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State het betreffende onderdeel kan worden gevonden.
2.1
Uitspraak Afdeling en reparatie
In tabel 2.1 zijn de uitspraak van de Afdeling, de overwegingen en de aanpassing samengevat. Aangegeven is of de regels en/of de verbeelding is aangepast. Onder de tabel volgt de nadere inhoudelijke motivering. Tabel 2.1: Samenvatting aanpassingen Vernietiging van het Overweging besluit -
Aanpassing
Regels: aanpassing artikel 1.1, begripsomschrijving plan. Regels: dit plan kent, evenals de onderliggende plannen, overgangsregels. Deze zijn in artikel 46 opgenomen. Regels: aanpassing artikel 47, slotartikel. 1. Tijdelijke woonruimte In strijd met de provinciale Regels: intrekking artikelen 3.4.11 en voor bedrijfsopvolger. verordening. Provinciale 4.4.11. beleidswijziging op dit punt niet Verbeelding ondergaat geen wijziging. te verwachten. 2. Kuilopslag. Tijdens de zitting bij de Afdeling Regels: aanpassen artikel 3.5.1 onder a gaf de gemeente aan de nuance en artikel 4.5.4 onder a. Aanpassing in het bestemmingsplan tussen artikel 3.5.4 onder b en c en artikel 4.5.3 kuilopslag en de aanleg van onder d en e. Artikel 3.6.6 en artikel kuilvoerplaten te willen opheffen. 4.6.7 worden aangepast. Ook de artikelen 5.4 onder c, ,5.5.2, 6.4 onder c en 6.5.1 betreffende de overige agrarische bestemmingen ondergaan een aanpassing. Verbeelding ondergaat geen wijziging.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
14
3. Achthoven‐0ost 56‐58: Paardenbakken voor deze locatie Regels: aanpassen artikel 21.1 onder d. mogelijkheid realisering niet toestaan. Verbeelding aanpassen: de aanpassing paardenbak. betreft het uitsluiten van een paardenbak met bijbehorende voorzieningen op de betreffende locatie. 4. Lindeboomsweg 10: Regels ondergaan geen wijziging. aanpassing bouwvlak. Verbeelding aanpassen voor wat betreft bestemmingen, aanduiding 'manege' en bouwvlak. Op basis van recente 5. Willeskop 85b: Er is een nader onderzoek Geen. uitsterfregeling gebruik uitgevoerd. Dit toont aan, dat het waarnemingen wordt eerst gekeken of buitenterrein Zeildoek BV. voor de exploitatie van het bedrijf de eerdere bevindingen overeind blijven. noodzakelijk is te kunnen Vervolgens wordt besloten of dit in beschikken over de gronden nabij onderdeel een volgende de bedrijfsgebouwen. Vanwege herziening/reparatie wordt aangepast. de strijdigheid tussen eerdere en Dat zal naar verwachting in de eerste recente waarnemingen rijst de helft van 2022 zijn. vraag of de eerdere bevindingen van Seinpost nog overeind blijven. Er kan op dit moment geen eenduidig antwoord worden gegeven op de vraag in hoeverre het buitenterrein (nog) nodig is voor de bedrijfsactiviteiten. 6. Willeskop 77/77c Is een apart bestemmingsplan ‐ verwerkt.
De aanpassing van de regels in artikel 1.1 en artikel 46 en 47 vloeien niet voort uit de uitspraak van de Afdeling. Deze aanpassingen zijn nodig in verband met de correcte naamgeving en digitale codering van dit bestemmingsplan. Ook dient volgens vaste jurisprudentie overgangsrecht in dit plan te worden opgenomen. 1. Tijdelijke woonruimte voor bedrijfsopvolger (onderdeel 7 uitspraak). In het geldende bestemmingsplan is in artikel 3.4.11 een regeling opgenomen om te voorzien in tijdelijke woonruimte als dit nodig is voor bedrijfsopvolging bij agrarische bedrijven. Op deze wijze kunnen de voormalig agrariër en de nieuwe agrariër beiden op het perceel wonen. Insteek hierbij was dat er niet voorzien mag worden in een permanente woning. De Afdeling oordeelde, dat de regeling leidt tot nieuwe bedrijfswoningen en dat de provinciale verordening hiervoor geen mogelijkheden biedt. De argumenten van de gemeente, dat het tijdelijke voorzieningen betreft van geringe omvang en dat er geen sprake is van reguliere tweede bedrijfswoningen, heeft de Afdeling niet gevolgd. Het besluit is dan ook vernietigd betreffende artikel 3.4.11 voor 5 locaties in de invloedssfeer van het perceel van de indiener van het beroep. De uitspraak laat aan duidelijkheid niet te wensen over. De regel is in strijd met de provinciale verordening vanwege het feit dat de regeling leidt tot nieuwe bedrijfswoningen.
Er zijn geen indicaties, dat het provinciale beleid op dit punt op korte termijn een wijziging ondergaat, zodat handhaving van de betreffende regeling niet opportuun is. Reparatie van het bestemmingsplan zit hem daarom in het geheel intrekken van de betreffende mogelijkheid tot het afwijken van de bouwregels. Dit geldt voor diverse agrarische artikelen in het gehele plangebied van het bestemmingsplan.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
15
Wijziging in de regels: In de eerste plaats wordt het bestreden artikel 3.4.11 ingetrokken. Een soortgelijke afwijkingsmogelijkheid van de bouwregels wordt gevonden bij de bestemming "Agrarisch - Rivierzone", te weten artikel 4.4.11 Ook dit artikel wordt als gevolg van de uitspraak ingetrokken. Wijziging op de verbeelding: Het is niet nodig naar aanleiding van de uitspraak de verbeelding aan te passen. 2. Kuilopslag (onderdeel 9.1 tot en met 9.3 en 24.2 uitspraak) In het geldende bestemmingsplan is een directe mogelijkheid opgenomen voor kuilopslag buiten het bouwvlak. Uit artikel 3.5.1 onder a van de regels volgt namelijk, dat ook op de buiten het bouwvlak gelegen gronden, zonder daarvoor gebruik te maken van kuilplaten, kuilopslag is toegestaan. Tijdens de zitting bij de Afdeling is vast komen te staan, dat deze mogelijkheid ten onrechte in het bestemmingsplan is opgenomen en dat dit niet in overeenstemming is met datgene wat de raad met de regeling heeft willen beogen. De raad heeft steeds voor ogen gehad om kuilopslag buiten het bouwvlak, zowel met als zonder gebruikmaking van kuilplaten, in beginsel niet toe te staan. De nu nog in het bestemmingsplan aanwezige nuance tussen het gebruik als kuilopslag en de aanleg van kuilvoerplaten ten behoeve van opslag dient derhalve te worden verlaten. Daarvoor is het nodig een aantal regels te wijzigen en gelijk te schakelen.
Wijziging in de regels: De nuancering in het bestemmingsplan tussen een gebruik voor kuilopslag met en zonder gebruik van kuilvoerplaten wordt in het plan opgeheven: beide vormen van opslag zijn buiten een bouwvlak niet toegestaan. De mogelijkheid voor de tijdelijk opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst op de gronden met de aanduiding 'fruitteelt' blijft buiten het bouwvlak mogelijk. Concreet betekent dit, dat artikel 3.5.1 onder a wordt aangepast in die zin dat kuilopslag niet meer wordt uitgezonderd van de bepaling dat opslag van goederen uitsluitend binnen bouwvlakken is toegestaan. De bepaling over de tijdelijke opslag van fruitkisten tijdens de fruitoogst is door de Afdeling niet vernietigd en kan dus blijven bestaan. Een soortgelijke bepaling komt ook voor in artikel 4 bij de bestemming "Agrarisch - Rivierzone". Op een gelijke wijze als bij artikel 3 wordt het artikel 4.5.4 onder a aangepast. In artikel 3.5.4 onder b. en c en artikel 4.5.3 onder d en e wordt de zinsnede 'en opslag van kuilvoer' toegevoegd om aan te geven dat ook de opslag van kuilvoer zonder gebruikmaking van platen slechts binnen een bouwvlak of binnen een specifiek aangeduid gebied is toegestaan. De bepalingen onder 3.6.6 en 4.6.7 worden ook gewijzigd in verband met het gelijkschakelen van het beleid ten aanzien van kuilvoerplaten en opslag zonder gebruikmaking van een plaat.
Ook de dienovereenkomstige artikelen 5.4 onder c., 5.5.2 behorende bij de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap en natuur" en de artikelen 6.4 onder c. en 6.5.1 worden aangepast. Wijziging op de verbeelding: Het is niet nodig naar aanleiding van de uitspraak de verbeelding aan te passen.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
16
3. Achthoven‐Oost 56 en 58, mogelijkheid realisering paardenbak (onderdeel 16.6 uitspraak)
Figuur 2.1
Fragment bestemmingsplan 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012.
De gemeenteraad heeft bij vaststelling (na amendering) besloten om voor de betreffende gronden de bestemming 'Tuin' op te nemen. De Afdeling heeft geconcludeerd dat hierbij onvoldoende onderzoek is gedaan naar de invloed van een paardenbak op het woon‐ en leefklimaat van naastgelegen perceel. Realisatie van een dergelijke paardenbak is mogelijk in de bestemming 'Tuin' (artikel 21). Nu deze bestemming toegekend is aan de percelen had ook beoordeeld moeten worden of de hierbij behorende gebruiksmogelijkheden, zoals een paardenbak, niet leiden tot nadelige effecten op het woon‐ en leefklimaat van de omliggende percelen. Dat via artikel 21.4 er een aantal voorwaarden zijn gesteld ten aanzien van het gebruik van een dergelijke paardenbak, zoals een minimale afstand van 30 meter en eisen omtrent lichtmasten, doet hier volgens de Afdeling niet aan af. De regeling is dan ook vernietigd voor zover het onderhavige locatie betreft. Het is correct, dat genoemd artikel in de bestemmingsomschrijving de aanleg van een paardenbak insluit. Na afweging van alle in aanmerking komende belangen en gelet op de gegeven situatie is besloten om de gronden aan de Achthoven‐Oost 56‐58 uit te zonderen van de mogelijkheid om paardenbakken te realiseren.
Bij de zitting van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de eigenaar verklaard dat hij aan een paardenbak op zijn gronden geen behoefte heeft en van deze mogelijkheid ook geen gebruik wenst te maken. Wijziging in de regels: Paardenbakken voor de locatie Achthoven‐Oost 56‐58 niet toestaan. In artikel 21.1 onder d. wordt daarom verwezen naar een aanduiding 'specifieke vorm van recreatie ‐ paardenbak uitgesloten' . Wijziging op de verbeelding: Op de verbeelding wordt op de betreffende locatie bij de bestemming "Tuin" de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie ‐ paardenbak uitgesloten' geplaatst.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
17
Figuur 2.2
Fragment wijziging onderhavig plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
18
4. Bouwvlak Lindeboomsweg 10 (onderdeel 36.2 uitspraak)
Figuur 2.3.
Fragment bestemmingsplan 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012.
De gemeenteraad heeft bij vaststelling (na amendering) besloten het bouwvlak op het perceel Lindeboomsweg 10 zodanig aan te passen, dat alle bestaande bebouwing en de bestaande voorzieningen binnen het bouwvlak komen te liggen. Voorwaarde hierbij was, dat de totale oppervlakte gelijk is aan de totale oppervlakte van het bestaande bouwvlak. De op basis hiervan uitgevoerde aanpassing van het bouwvlak is ter zitting onvoldoende gebleken. De bestaande rijbakken en mestopslag zijn niet volledig binnen het bouwvlak opgenomen. Het besluit is dan ook vernietigd voor zover niet is voorzien in een bouwvlak betreffende de mestopslag en de bestaande rijbakken. Voorgesteld wordt de enkelbestemming Sport, het bouwvlak en de aanduiding manege aan te passen aan de huidige situatie en de omvang van de vlakken. Wijziging in de regels: Het is niet nodig naar aanleiding van de uitspraak de regels aan te passen. Wijziging op de verbeelding: De verbeelding wordt als volgt aangepast: het bestemmingsvlak behorende bij de bestemming "Sport" en bijgevolg het bestemmingsvlak behorende bij de bestemming "Agrarisch‐Rivierzone", het bouwvlak bij de bestemming "Sport" inclusief de aanduiding manege worden aangepast aan de huidige situatie.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
19
Figuur 2.4
Fragment wijziging onderhavig plan.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
20
5. Willeskop 85b: uitsterfregeling ook voor gebruik buitenterrein Zeildoek BV 40.9 uitspraak)
Figuur 2.5
(onderdeel 40.8 en
Fragment bestemmingsplan 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012.
Het aan de Willeskop 85b gevestigde bedrijf Zeil‐Doek BV heeft destijds beroep aangetekend tegen het bestemmingsplan omdat de aanduiding alleen is toegekend voor het bedrijfsgebouw en niet voor het buitenterrein. Het bedrijf claimde ook het buitenterrein nodig te hebben voor zijn bedrijfsmatige activiteiten. De Afdeling achtte het onderzoek naar de noodzaak voor het gebruik van het buitenterrein onvoldoende. Volgens de Afdeling moet de gemeente nagaan of er op het buitenterrein activiteiten moeten worden toegestaan die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de bedrijfsvoering. Het planonderdeel is dan ook vernietigd voor zover niet is voorzien in een uitsterfregeling voor het buitenterrein van het perceel Willeskop 85b. Naar aanleiding van de uitspraak is er advies ingewonnen bij Seinpost Adviesbureau over het gebruik van het buitenterrein. Seinpost concludeerde in 2018 dat Zeil‐Doek BV voor haar bedrijfsvoering gedurende het hele jaar het buitenterrein nodig heeft voor de bedrijfsactiviteiten. Zeil‐Doek moet gebruik maken van het buitenterrein voor het doormeten en testen van grootschalige tenten en tentconstructies en zeildoeken, voor reparatie aan diverse (agrarische) machines en voertuigen met zeilen en voor tijdelijke opslag. Die bedrijfsactiviteiten passen niet binnen de daartoe bestemde bebouwing.
De bedrijfshal heeft maar een beperkte hoogte en een beperkte breedte van de bedrijfsvloer. Daardoor zijn alle projecten die 'breder dan vijf meter en hoger dan twee meter' te groot voor de huidige bestemde bebouwing van Zeil‐Doek. Het tweede terrein van Zeil‐Doek aan de Aardvletterweg is volgens de eerdere bevindingen van Seinpost niet geschikt voor de buitenactiviteiten omdat deze activiteiten dan de toegang tot het magazijn en kantoor aldaar blokkeren.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
21
Het onderhavige reparatieplan is door capaciteitsproblemen bij de ODRU lang blijven liggen. Sinds eind 2020 voert de gemeente de ruimtelijke ordeningstaken weer zelf uit. De voorbereiding van het reparatieplan is opnieuw opgepakt, waarbij werd geconstateerd dat het advies van Seinpost inmiddels te oud was om nog als basis te kunnen dienen voor besluitvorming. Daarom heeft Seinpost in 2021 opnieuw bezoek gebracht aan de locatie. In oktober 2021 heeft ook een gemeentelijk toezichthouder het terrein bezocht. Tijdens beide bezoeken zijn geen bedrijfsmatige activiteiten waargenomen. Dit zou te maken kunnen hebben met de maatregelen rondom het corona‐virus, die ervoor zorgen dat bepaalde typen opdrachtgevers tijdelijk wegvallen voor de zeilmakerij. Te denken valt aan marktkramen (non‐food) en tent‐ en textielmateriaal dat gebruikt wordt in de evenementenbranche. Vanwege de strijdigheid tussen eerdere en recente waarnemingen rijst de vraag of de eerdere bevindingen van Seinpost nog overeind blijven. De gemeente kan op dit moment geen eenduidig antwoord geven op de vraag in hoeverre het buitenterrein (nog) nodig is voor de bedrijfsactiviteiten. Zonder aanvullend onderzoek bestaat het risico dat de Afdeling bestuursrechtspraak een nieuw besluit wederom vernietigt vanwege onvoldoende motivering.
Alvorens een definitief besluit te nemen gaat de gemeente daarom in de komende maanden de situatie bij Willeskop 85b nauwlettend monitoren. De gemeente stelt de betrokken partijen in de tussentijd in de gelegenheid bewijzen aan te voeren. Op basis van bovenstaande wordt de locatie Willeskop 85b buiten dit reparatieplan gehouden. Dat wil zeggen er wordt nu nog niet gerepareerd op deze locatie. De locatie blijft in het plan In de eerste helft van 2022 neemt de gemeente deze locatie mee in een volgende herziening/reparatie. Om ongewenste ontwikkelingen op de locatie te voorkomen wordt een voorbereidingsbesluit genomen. Bouwplannen en het aanleggen van bouwwerken of andere werkzaamheden die passen in het huidige bestemmingsplan, maar niet in het nieuwe bestemmingsplan, kunnen op die manier worden aangehouden, zolang de voorbereidingsbescherming van kracht is. Het voorbereidingsbesluit is één jaar van kracht. Op het moment dat er binnen deze termijn een ontwerpbestemmingsplan ter inzage wordt gelegd, vervangt dit het voorbereidingsbesluit en voorziet het hiermee in eenzelfde bescherming tot het moment dat de wettelijke proceduretermijn voor vaststelling verloopt. 6. Willeskop 77/77c Willeskop 77/77c is geregeld in een apart bestemmingsplan.
2.2
Ondergeschikte aanpassingen
Naar aanleiding van een opmerking vanuit de provincie over een omgevingsvergunning bleek dat er een aantal strijdigheden in de regels zitten met betrekking tot het provinciaal beleid. Deze strijdigheden zijn aangepast of uit de regels verwijderd. Allen betreffen geen beleidsmatige herzieningen.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
22
Tabel 2.2: Samenvatting aanpassingen strijdig met provinciaal beleid Strijdigheid Aanpassing Regels: in artikelen 3.2.1 en 4.2.1 ontbrak een Deze regeling is nu toegevoegd in de artikelen provinciale beleidsregel waarin dierenstallen 3.2.1 en 4.2.1. worden gelimiteerd tot maximaal één bouwlaag. Regels; artikelen 3.6.4, sub e en 4.6.5, sub e bieden Sub e van de artikelen 3.6.4 en 4.6.5 worden ruimte aan het gebruik van gronden buiten het daarom verwijderd. bouwvlak voor nevenactiviteiten. Dit is in strijd met de Interim Omgevingsverordening van de provincie (specifiek: artikel 8.1 instructieregel voor Agrarische Bedrijven). Regels; de artikelen 3.4.5 en 4.4.5 bevatten een De artikelen 3.4.5 en 4.4.5 zijn verwijderd uit de mogelijkheid tot woningsplitsing indien sprake is regeling. Er wijzigt niets aan de aanduiding van een agrarische bedrijfswoning met de 'cultuurhistorische panden'. Deze blijft behouden. aanduiding 'cultuurhistorische waarden'. De Interim Omgevingsverordening van de provincie geeft aan dat er per agrarisch bouwperceel maximaal één bedrijfswoning mag zijn. De mogelijkheid om een cultuurhistorisch pand rendabel te houden door het als twee afzonderlijke woningen te splitsen, komt niet voort uit het provinciale beleid.
Witte vlekken Gedurende deze reparatie bleek, dat een aantal relatief ondergeschikte gebieden in het plangebied van het bestemmingsplan voor het buitengebied niet is voorzien van een passende bestemming. Dit heeft te maken met omissies destijds bij het tekenen van de planverbeelding langs de randen van de gemeentegrens. Het gaat om relatief beperkte strookjes grond en snippers. De gebieden behoren in de meeste gevallen tot agrarische, onbebouwde grond langs de gemeentegrenzen. Doordat geen bestemming is aangegeven zijn het nu witte vlekken. Dit is een ongewenste situatie. Met deze reparatie worden de witte vlekken alsnog voorzien van een bestemmingslegging. In figuur 2.6 en 2.7 zijn enkele voorbeelden weergegeven van de invulling van de witte vlekken.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
23
Figuur 2.6 ‐ invulling witte vlekken (westkant gemeentegrens, nabij landgoed Linschoten)
Figuur 2.7 ‐ invulling witte vlekken, noordkant gemeentegrens nabij de A12 en Cattenbroekerdijk
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
24
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
25
Hoofdstuk 3
3.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De inhoud van dit reparatieplan noodzaakt niet tot onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid of het opstellen van een exploitatieplan in de zin van de Wet ruimtelijke ordening. Het plan bevat geen nieuwe ontwikkelingen of planologische mogelijkheden die in grote mate afwijken van het ter plaatse geldende bestemmingsplan of de feitelijke en gewenste situatie.
3.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Door de Afdeling is de gemeenteraad uitgenodigd een nieuw besluit te nemen over de vaststelling van het bestemmingsplan “1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012” . Dit bestemmingsplan dient ter onderbouwing van de reparatie. Het nieuwe besluit van de gemeenteraad wordt bekendgemaakt en ter visie gelegd voor een periode van zes weken. Gedurende de periode van ter visielegging staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
26
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
Bijlage 1 Uitspraak Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State
Rho adviseurs voor leefruimte
033500.20171295
Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State
pagina 1 van 41
Uitspraak 201600220/1/R2 Datum van uitspraak: woensdag 24 mei 2017 Tegen:
de raad van de gemeente Montfoort
Proceduresoort:
Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied:
Ruimtelijke-ordeningskamer - Bestemmingsplannen Utrecht
ECLI:
ECLI:NL:RVS:2017:1353
201600220/1/R2. Datum uitspraak: 24 mei 2017 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend te Montfoort, 2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Montfoort, 3. de erven van [appellant sub 3], hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3], wonend te Montfoort, 4. [appellant sub 4], wonend te Montfoort, 5. [appellant sub 5], wonend te Montfoort, 6. [appellant sub 6A] en anderen, allen wonend te Montfoort, 7. [appellant sub 7], wonend te Montfoort, 8. Zeil-Doek B.V., [appellante sub 8A] en [appellante sub 8B] (hierna tezamen en in enkelvoud: Zeil-Doek B.V.), alle gevestigd te Montfoort, en de raad van de gemeente Montfoort, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 26 oktober 2015 heeft de raad het bestemmingsplan "1e Herziening Buitengebied 2012" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellant sub 6A] en anderen, [appellant sub 7] en Zeil-Doek B.V. beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...
24-5-2017
Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State
pagina 2 van 41
[appellant sub 4], [appellant sub 5], Zeil-Doek B.V. en [belanghebbende A] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2017, waar appellanten in persoon zijn verschenen en/of zich hebben doen vertegenwoordigen. De raad heeft zich doen vertegenwoordigen. Voorts is een aantal belanghebbenden als partij gehoord. Overwegingen Het plan 1. Het plan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012", vastgesteld door de raad op 11 maart 2013. Bij uitspraak van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3390, heeft de Afdeling een aantal plandelen van dit bestemmingsplan vernietigd en de raad opgedragen om binnen 36 weken met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. Met het plan beoogt de raad te voorzien in een reparatie van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" naar aanleiding van genoemde uitspraak van de Afdeling. Verder heeft de raad met het plan uitvoering gegeven aan de bij besluit van 10 december 2013 door het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan de raad gegeven proactieve aanwijzing om het bestemmingsplan voor het buitengebied in overeenstemming te brengen met de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht 2013 (hierna: provinciale verordening).
Ook heeft de raad met het plan een aantal in het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" gebleken onjuistheden hersteld en voor een aantal kleinschalige ontwikkelingen in het plangebied in het daarvoor benodigde planologische kader voorzien. Verder is het plan conserverend van aard. Het toetsingskader 2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep van [appellant sub 1] 3. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen de planregeling voor de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3]. Aan genoemde percelen is de bestemming "Agrarisch", de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - rustende boer" en een bouwvlak toegekend.
Verder is het beroep van [appellant sub 1] gericht tegen een aantal planregels die voor deze gronden gelden, maar daarnaast ook gelden voor alle in het plangebied aangewezen gronden met de bestemming "Agrarisch", de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" en de gronden met de functieaanduiding "fruitteelt". Omvang van het beroep 4. [appellant sub 1] betoogt in zijn algemeenheid dat de raad met de vaststelling van het plan meer heeft gedaan dan hij uit een oogpunt van zorgvuldigheid bij een partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied 2012" mocht doen. Verder betoogt hij dat de raad na de terinzagelegging van het ontwerpplan ten onrechte wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan heeft aangebracht en bestrijdt hij de juistheid van een aantal ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigde planregels. Uit artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, volgt dat een belanghebbende bij een besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb tegen het plan beroep kan instellen.
Dit betekent dat [appellant sub 1] beroep kan instellen tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover deze betrekking hebben op gronden die wat betreft de ligging ten opzichte van het perceel van [appellant sub 1] op zodanige afstand hiervan zijn gelegen dat, mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...
24-5-2017
Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State
pagina 3 van 41
ontwikkelingen die binnen dit gedeelte van het plangebied mogelijk worden gemaakt, kan worden aangenomen dat hij bij deze onderdelen van het plan een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft. Voor zover [appellant sub 1] in zijn beroep de juistheid van planregels bestrijdt die betrekking hebben op de in het plangebied gelegen gronden waaraan de bestemming "Agrarisch" en de aanduiding "fruitteelt" zijn toegekend, zal de Afdeling de bespreking hiervan beperken tot de gronden die wat de ruimtelijke uitstraling hiervan betreft binnen de invloedsfeer van zijn perceel zijn gelegen. [appellant sub 1] heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat zijn beroepsgronden tegen de planregels zo moeten worden begrepen. 4.1. Voor zover [appellant sub 1] in zijn beroep de juistheid van artikel 4, leden 4.4.11, 4.5.4, onder a, en 4.6.7, aanhef en onder a tot en met c, van de planregels bestrijdt, overweegt de Afdeling dat deze betrekking hebben op de in het plangebied gelegen gronden waaraan de bestemming "Agrarisch - Rivierzone" is toegekend. Uit de verbeelding blijkt dat gronden met deze bestemming op een grotere afstand dan 700 m van het perceel van [appellant sub 1] zijn gelegen.
Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen op de gronden met deze bestemming die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om ten aanzien van deze plandelen een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 1] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang van hem rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende. De conclusie is dat [appellant sub 1] geen belanghebbende is bij de genoemde planregels en dat hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. 4.1.1. Het beroep van [appellant sub 1], voor zover dit is gericht tegen artikel 4, leden 4.4.11, 4.5.4, onder a, en 4.6.7, aanhef en onder a tot en met c, van de planregels, is niet-ontvankelijk. Procedurele beroepsgronden 4.2.
[appellant sub 1] voert in zijn algemeenheid aan dat het plan ten onrechte in meer wijzigingen van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2012" voorziet dan uit de in de genoemde uitspraak van de Afdeling van 17 september 2014 en in de genoemde proactieve aanwijzing gegeven opdrachten voortvloeit en dat het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Hij betoogt in dit verband verder dat de raad na de terinzagelegging van het ontwerpplan ten onrechte wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan heeft aangebracht, door bij de vaststelling van het plan alsnog artikel 3, lid 3.4.11 met betrekking tot het realiseren van tijdelijke woonruimte ten behoeve van een bedrijfsopvolger, lid 3.5.1, onder a, met betrekking tot de opslag van goederen, en lid 3.6.6, aanhef en onder a tot en met c, met betrekking tot het realiseren van kuilplaten, in de planregels op te nemen. Hij wijst in dit verband op de omstandigheid dat hierdoor slechts in beperkte mate een planologische procedure is gevolgd, waarbij niet is voorzien in een mogelijkheid tot inspraak, en dat het besluit tot vaststelling van het plan hierdoor niet tijdig is genomen. 4.3.
Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de raad in het plan meer heeft geregeld dan uit de in de genoemde uitspraak en de proactieve aanwijzing gegeven opdrachten voortvloeit, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan bestemmingen moet aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. In hetgeen [appellant sub 1] betoogt ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de bevoegdheid van de raad bij het vaststellen van het voorliggende plan beperkt zou zijn tot de bedoelde gegeven opdrachten. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat de bedoelde wijzigingen ten onrechte eerst na het ontwerpplan in het plan zijn opgenomen, overweegt de Afdeling dat de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen ten opzichte van het ontwerp kan aanbrengen. Slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zo groot zijn dat een wezenlijk ander plan is vastgesteld, dient de wettelijke procedure opnieuw te
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...
24-5-2017
Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State
pagina 4 van 41
worden doorlopen. Vast staat dat de raad door na de terinzagelegging van het ontwerpplan artikel 3, lid 3.4.11, lid 3.5.1, onder a, en lid 3.6.6, aanhef en onder a tot en met c, van de planregels op te nemen, het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen ten opzichte van het ontwerpplan. De door [appellant sub 1] genoemde afwijkingen van het ontwerp zijn naar het oordeel van de Afdeling naar aard en omvang niet zo groot dat geoordeeld moet worden dat een wezenlijk ander plan voorligt. Gelet op de aard en de reikwijdte van deze wijzigingen van de planregels, heeft de raad hiervoor de wettelijke procedure niet opnieuw hoeven te doorlopen. Het betoog faalt. 4.4. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat voorafgaand aan het vaststellen van het plan met betrekking tot de wijzigingen van de planregels niet is voorzien in een mogelijkheid tot inspraak overweegt de Afdeling dat dit betoog feitelijke grondslag mist. Gebleken is dat het voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het plan met de Nota van zienswijzen is besproken in de vergadering van het forum Ruimte op 12 oktober 2015, waar [appellant sub 4] mede namens [appellant sub 1] aanwezig was en ook heeft ingesproken. 4.5.
Voor zover [appellant sub 1] aanvoert dat het besluit tot vaststelling van het plan niet tijdig is genomen en dat de in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gestelde termijn is overschreden, overweegt de Afdeling dat uit deze wettelijke bepaling noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van deze termijn niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Het door [appellant sub 1] op dit punt aangevoerde geeft dan ook geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt. Inhoudelijke beroepsgronden 5. [appellant sub 1] betoogt dat voor de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] is voorzien in verschillende nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden. Hij vreest hiervan negatieve gevolgen te zullen ondervinden. Hij wijst in dit verband op de mogelijkheid om op grond van artikel 3, lid 3.2.4, onder b, sub 2, en onder c, sub 2, van de planregels naast de op de percelen [locatie 1], [locatie 2] aanwezige bedrijfswoning voor het agrarische bedrijf ook een woonverblijf voor een rustende boer en op grond van lid 3.4.11 van de planregels een tijdelijke zelfstandige woonruimte voor een bedrijfsopvolger te mogen oprichten en op de mogelijkheid om op grond van lid 3.6.6 van de planregels kuilplaten buiten het bouwvlak te mogen realiseren.
De mogelijkheden om een tijdelijke zelfstandige woonruimte voor een bedrijfsopvolger te mogen oprichten en kuilplaten buiten het bouwvlak te mogen realiseren gelden ten onrechte ook voor andere in de nabijheid van zijn perceel gelegen gronden met de bestemming "Agrarisch". Verder wijst hij op de mogelijkheid om op aan zijn perceel grenzende percelen waaraan tevens de functieaanduiding "fruitteelt" is toegekend, op grond van lid 3.5.1, onder a, van de planregels, kuilopslag buiten het bouwvlak en tijdens de fruitoogst tijdelijke opslag van fruitkisten te mogen realiseren. De aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - rustende boer" 6. [appellant sub 1] betoogt dat de vereiste noodzaak ontbreekt om op de percelen [locatie 1], [locatie 2] te voorzien in de mogelijkheid van een tweede wooneenheid en dat dit in strijd is met het uitgangspunt van het provinciaal en gemeentelijk beleid om maximaal één bedrijfswoning per agrarisch bouwvlak toe te staan. Hij verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9189, ten aanzien van zijn beroep tegen het bestemmingsplan "[locatie 4]", vastgesteld door de raad op 25 januari 2010, in welk bestemmingsplan op genoemde percelen eveneens in een regeling voor een dergelijke tweede wooneenheid was voorzien. Deze planregeling is door de Afdeling vernietigd.
Verder kan voor de aanwezigheid en het gebruik van de aanwezige wooneenheid geen beroep worden gedaan op hiervoor bestaande rechten, omdat willens en wetens is afgeweken van de hiervoor op 24 juni 2010 verleende omgevingsvergunning voor bouwen en het college van burgemeester en wethouders handhavend is opgetreden om de feitelijk aanwezige strijdige situatie te beëindigen.
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...
24-5-2017
Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State
pagina 5 van 41
6.1.1. Volgens de raad is bij besluit van 24 juni 2010 op grond van het op dat moment van kracht zijnde bestemmingsplan "[locatie 4]" een omgevingsvergunning voor bouwen verleend voor een tweede wooneenheid binnen hetzelfde gebouw als waarin zich de bestaande bedrijfswoning bevindt, met een omvang van 275 m3. Deze wooneenheid is inmiddels gebouwd en in gebruik genomen. Omdat het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 2012" ten onrechte niet in een passende regeling hiervoor voorzag en het, gelet op de belangen van de huidige gebruiker, onwenselijk is deze feitelijk bestaande situatie wat het gebruik betreft onder het overgangsrecht te laten voortbestaan, heeft de raad in het plan voorzien in een uitsterfregeling. 6.1.2.
Artikel 3, lid 3.2.4, onder a, van de planregels, luidt als volgt: "binnen een bouwvlak is ten hoogste 1 agrarische bedrijfswoning toegestaan […]." Lid 3.2.4, onder b, aanhef en sub 2, luidt als volgt: "in afwijking van het bepaalde in dit lid onder a zijn ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - rustende boer’ tevens een kleine agrarische bedrijfswoning toegestaan ten behoeve van de rustende, voorheen aan het bedrijf verbonden, ondernemer." Lid 3.2.4, onder c, luidt als volgt: "de inhoud van een agrarische bedrijfswoning bedraagt ten hoogste 650 m3, waarbij de inhoud van ondergrondse bouwwerken niet wordt meegeteld, met dien verstande dat: 1. indien ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit bestemmingsplan de inhoud van een woning meer bedraagt dan 650 m3, de afwijkende inhoudsmaat wordt gezien als maximaal toelaatbaar; b.
in afwijking van het hiervoor bepaalde de inhoud van een agrarische bedrijfswoning met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - rustende boer’ ten hoogste 250 m3 mag bedragen." Lid 3.5.3 luidt als volgt: "De woning met de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - rustende boer’ mag uitsluitend worden gebruikt door de voorheen aan het bedrijf verbonden ondernemer en zijn of haar huishouden (rustende boer)." Lid 3.7.6 luidt als volgt: "Burgemeester en wethouders zijn - met toepassing van artikel 3.6 Wro - bevoegd de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - rustende boer’ te verwijderen, indien deze tweede wooneenheid zijn functie ten behoeve van de 'rustende ondernemer' heeft verloren en de noodzaak daartoe is komen te vervallen." 6.1.3. Artikel 4.13, lid 4, van de provinciale verordening luidt als volgt: "Een ruimtelijk plan kan bestemmingen en regels bevatten die voorzien in een maximale oppervlaktemaat van 1,5 hectare bouwperceel ten behoeve van bestaande agrarische bedrijven. Hierbij is per bouwperceel een bedrijfswoning toegestaan en is binnen de agrarische bouwpercelen verbreding van de agrarische activiteiten mogelijk […]." 6.1.4.
Niet in geschil is dat voor de op de percelen [locatie 1], [locatie 2] aanwezige bedrijfswoning een omgevingsvergunning voor bouwen is verleend voor een wooneenheid, met een omvang van 275 m3, binnen hetzelfde gebouw als waarin zich de bestaande bedrijfswoning bevindt. Bij de verlening van deze omgevingsvergunning is gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de toegestane omvang van het bouwwerk met 10 procent te vergroten. Ten tijde van het vaststellen van het plan was deze omgevingsvergunning in rechte onaantastbaar. In beginsel dient legaal bestaande bebouwing en bestaand gebruik als zodanig in het bestemmingsplan te worden bestemd. De omstandigheid dat het bestemmingsplan "[locatie 4]", op welke grondslag deze omgevingsvergunning is verleend, bij de genoemde uitspraak van de Afdeling van 29 december 2010, wat betreft deze op de percelen toegestane tweede wooneenheid, is vernietigd, maakt niet dat dit recht om het vergunde bouwwerk te bouwen en te gebruiken niet langer bestaat. De raad heeft dienaangaande betoogd dat de gevestigde rechten en belangen met zich brengen dat de bestaande situatie, voor zover die in overeenstemming is met de verleende omgevingsvergunning, alsnog als zodanig wordt bestemd. Hierbij neemt de raad in aanmerking dat het niet aannemelijk is dat het bouwwerk en/of het gebruik binnen de planperiode wordt verwijderd en/of wordt beëindigd.
In dit verband acht de raad het onwenselijk dat het bestaande gebruik opnieuw onder het overgangsrecht wordt gebracht, door dit niet als zodanig te bestemmen.
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...
24-5-2017
Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State
pagina 6 van 41
Ter zitting heeft [appellant sub 2A] onweersproken gesteld dat in september 2010 is gestart met de bouw van de bedrijfsopstallen op het perceel [locatie 3] en dat op dat moment ook de heipalen ten behoeve van de fundering van de bedrijfswoning met beide wooneenheden zijn aangebracht. Vanaf maart 2011 zijn de bouwwerkzaamheden ten behoeve van de bedrijfswoning voortgezet en afgerond en is de bedrijfswoning met beide wooneenheden direct aansluitend voor bewoning in gebruik genomen. [appellant sub 2A] heeft de gebouwde wooneenheid, met het huisnummer [locatie 2], die is bedoeld ten behoeve van de "rustende ondernemer", betrokken. De [dochter] van [appellant sub 2A] is volgens [appellant sub 2A] de bedrijfsopvolger, maakt blijkens het overgelegde uittreksel uit het Handelsregister Kamer van Koophandel als vennoot deel uit van [bedrijf A] en is woonachtig in de wooneenheid met het huisnummer [locatie 1]. [appellant sub 1] heeft de juistheid van deze feiten niet gemotiveerd betwist. De enkele stelling van [appellant sub 1] dat het toegestane gebruik van de tweede wooneenheid niet binnen een jaar na het verlenen van de omgevingsvergunning is aangevangen en dat deze mogelijkheid daarom zou zijn vervallen, kan, wat hiervan ook zij, niet tot de conclusie leiden dat de raad deze vergunde situatie niet langer in het plan als zodanig heeft kunnen bestemmen.
Aangezien de verleende omgevingsvergunning ziet op een tijdelijke situatie die na bedrijfsopvolging uitsluitend is bedoeld voor de rustende, voorheen aan het bedrijf verbonden, ondernemer, welke situatie eindigt indien de betreffende tweede wooneenheid zijn functie ten behoeve van de "rustende ondernemer" heeft verloren en de noodzaak daartoe is komen te vervallen, heeft de raad aanleiding gezien voor deze tijdelijke situatie in het plan een uitsterfregeling op te nemen. In artikel 3, lid 3.2.4, lid 3.5.3 en lid 3.7.6, van de planregels zijn zodanige beperkingen en regels opgenomen dat daaruit volgt dat deze situatie als tijdelijk geldt. De Afdeling acht deze handelwijze van de raad onder de genoemde omstandigheden niet onredelijk en er bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat dit niet in overeenstemming zou zijn met het uitgangspunt dat binnen een bouwvlak ten hoogste één agrarische bedrijfswoning is toegestaan. In lid 3.2.4 van de planregels is in overeenstemming met het bepaalde in artikel 4.3 van de provinciale verordening de maximale omvang van de bestaande bedrijfswoning, met de daarin aanwezige wooneenheden, vastgelegd.
Wat het aantal op dit bouwperceel aanwezige wooneenheden betreft, neemt de Afdeling in aanmerking dat in de provinciale verordening niets is bepaald met betrekking tot situaties waarin, zoals in dit geval, ten tijde van de vaststelling van de verordening op een bestaand agrarisch bouwperceel reeds meer wooneenheden legaal aanwezig zijn. Onder de genoemde omstandigheden heeft de raad de aan de percelen [locatie 1], [locatie 2] toegekende aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - rustende boer" en de in dit verband in het plan opgenomen planregeling in zoverre in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening mogen achten. Het betoog faalt. 6.1.5. Voor zover [appellant sub 1] verwijst naar de gebleken afwijking van de verleende omgevingsvergunning en het strijdige gebruik van de tweede wooneenheid en het handhavend optreden door het college van burgemeester en wethouders om de feitelijk aanwezige strijdige situatie te beëindigen, is gebleken dat het een inpandige afwijking van de vergunde maatvoering van de toegestane wooneenheden betreft. Deze kwestie van het bouwen in afwijking van de verleende omgevingsvergunning en de vraag of de tweede wooneenheid daadwerkelijk wordt gebruikt ten behoeve van bewoning door de voorheen aan het bedrijf verbonden ondernemer en zijn of haar huishouden, zijn aspecten van handhaving.
Deze hebben geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven. Tijdelijke woonruimte voor bedrijfsopvolger 7. [appellant sub 1] betoogt dat het plan ten onrechte in de mogelijkheid voorziet om op grond van artikel 3, lid 3.4.11, van de planregels met een te verlenen omgevingsvergunning op gronden met de bestemming "Agrarisch", waaronder de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], een tijdelijke zelfstandige woonruimte ten behoeve van een bedrijfsopvolger te realiseren. Het op deze wijze in het plan toestaan van een extra bedrijfswoning op agrarische percelen is volgens hem in strijd met de provinciale verordening. Verder is de noodzaak hiervoor niet aangetoond, gelet op het feit dat er moderne communicatiemiddelen beschikbaar zijn die een dergelijke woonruimte onnodig maken en voldoende woningen beschikbaar zijn in de nabijgelegen
https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=91256&q=...
24-5-2017
Uitspraak 201600220/1/R2 | Raad van State
pagina 7 van 41
woonkernen. Daarom is volgens [appellant sub 1] in zoverre niet voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Verder betoogt [appellant sub 1] dat niet duidelijk is wat in de bedoelde planregel onder de begrippen "bedrijfsopvolger" en "een agrarische deskundige" moet worden verstaan. 7.1.1. Artikel 3, lid 3.4.11, van de planregels luidt als volgt: "Het bevoegd gezag kan omgevingsvergunning verlenen ter afwijking van het toegestane aantal en de inhoud van woningen, ten behoeve van het realiseren van een tijdelijke zelfstandige woonruimte in een agrarische bedrijfswoning of andere woning, niet zijnde een recreatiewoning, of in een bijgebouw, met dien verstande dat: a. medewerking wordt uitsluitend verleend voor tijdelijke woonruimte ten behoeve van een bedrijfsopvolger; b. medewerking wordt uitsluitend verleend voor een periode van maximaal 5 jaar; c. medewerking wordt uitsluitend verleend indien de tijdelijke woonruimte noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering; d. de inhoud van de bedoelde woonruimte niet meer dan 250 m³ mag bedragen; […]; g. het bouwen op een zodanige wijze dient te geschieden dat de extra zelfstandige woonruimte bij beëindiging van de tijdelijke huisvesting en bij intrekking van de afwijking ongedaan kan worden gemaakt; h.
alvorens te beslissen op een verzoek om afwijking, wint het bevoegd gezag advies in bij de agrarische deskundige omtrent de vraag of de tijdelijke huisvesting noodzakelijk is voor een doelmatige bedrijfsvoering." 7.1.2. Ter zitting is vastgesteld dat de percelen [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], [locatie 5]en [locatie 6], waaraan in het plan de bestemming "Agrarisch" en een bouwvlak zijn toegekend, in de invloedsfeer van het perceel van [appellant sub 1] zijn gelegen. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen op de gronden met deze bestemming die binnen het plangebied mogelijk worden gemaakt, heeft [appellant sub 1] ten aanzien van deze plandelen een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. De planregeling voorziet ten aanzien van deze percelen in de mogelijkheid om op grond van artikel 3, lid 3.4.11, van de planregels met een te verlenen omgevingsvergunning te voorzien in een tijdelijke zelfstandige woonruimte ten behoeve van een bedrijfsopvolger. Gelet hierop zal de Afdeling in het licht van de beroepsgronden van [appellant sub 1] beoordelen of deze planregeling zich voor de genoemde percelen verdraagt met het uitgangspunt in de provinciale verordening dat per bouwperceel een bedrijfswoning is toegestaan. 7.1.3.
De afwijkingsregel van artikel 3, lid 3.4.11, van de planregels maakt het mogelijk om bij bedrijfsopvolging binnen het aan de genoemde percelen toegekende bouwvlak naast de reeds aanwezige bedrijfswoning tevens een tijdelijke zelfstandige woonruimte te realiseren in een binnen dat bouwvlak aanwezige agrarische bedrijfswoning, of andere woning, niet zijnde een recreatiewoning, of in een bijgebouw ten behoeve van de bedrijfsopvolger. Naar het oordeel van de Afdeling leidt de toepassing van deze afwijkingsregel tot een uitbreiding van het aantal bedrijfswoningen, hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 4.13, lid 4, van de provinciale verordening dat per bouwperceel één bedrijfswoning is toegestaan. De provinciale verordening kent geen uitzondering op deze hoofdregel, ook niet wanneer het om een tijdelijke woonruimte in een bestaande bedrijfswoning of bijgebouw gaat. Het betoog van de raad dat de voorwaarden in de afwijkingsregeling waaronder van deze mogelijkheid gebruik mag worden gemaakt, waarborgen dat geen sprake is van een tweede reguliere bedrijfswoning, maar van een tijdelijke voorziening van beperkte omvang en dat hierdoor het aantal permanente woningen in het buitengebied niet zal toenemen, kan niet tot een ander oordeel leiden. Het betoog slaagt. 7.1.4.