09 BP Bijlage VI Natuurtoets flora en fauna_Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten_ECOquickscan_13 juli 2018 (meegekopieerd).pdf
Tekst van het document
natuurtoets flora en fauna
Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
13 juli 2018 lid Netwerk Groene Bureaus
projectnummer: 17025
natuurtoets flora en fauna
Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
Opdrachtgever
LBP|SIGHT
Contactpersoon
de heer ing. P.A.J.H. Kindt de heer J.C. Wiegman MSc
Projectnummer
17025
Datum
13 juli 2018
Auteur
A. Nieuwenhuis MSc
Goedgekeurd door
ing. H.H.J. van der Burgt
Wijze van citeren
Nieuwenhuis, A., Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten. ECOquickscan, ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap, Loo, 2018.
Het Netwerk Groene Bureaus is de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het Netwerk werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en behartigt de belangen van groene adviesbureaus.
ECOquickscan ecologisch adviesbureau voor natuur en landschap ’t Grieth 10 | 6924BJ Loo (Gld) T (0316) 849390 | M (06) 12 97 16 80 | haico@ecoquickscan.nl | www.ecoquickscan.nl
INHOUDSOPGAVE
1.
INLEIDING
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Gebiedsbeschrijving en beoogde ingrepen
2
2.
WETTELIJK KADER
3
2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1 Wet natuurbescherming – hoofdstuk 2 2.1.2 Natuurnetwerk Nederland
3 3 3
2.2
Soortbescherming
3
3.
TOETSING
4
3.1 Onderzoeksmethodiek 3.1.1 Vleermuizen 3.1.2 Uilen 3.1.3 Huismus
4 4 5 5
3.2
5
Beschermde gebieden
3.3 Voorkomen van beschermde soorten 3.3.1 Vaatplanten 3.3.2 Grondgebonden zoogdieren 3.3.3 Vleermuizen 3.3.4 Vogels 3.3.5 Amfibieën 3.3.6 Reptielen 3.3.7 Vissen 3.3.8 Insecten (vlinders, libellen, kevers) en overige soortengroepen
5 5 6 6 9 11 11 12 12
4.
CONCLUSIE
13
4.1
Gebiedsbescherming
13
4.2
Soortenbescherming
13
4.3
Consequenties
14
4.4
Aanbevelingen
15
Bijlagen Bijlage 1
Literatuurlijst
Bijlage 2
Wet natuurbescherming
Bijlage 3
Gebiedsfuncties voor vleermuizen
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
1.
INLEIDING
1.1 Aanleiding In Linschoten (gemeente Montfoort, provincie Utrecht) is aan de Nieuwe Zandweg 20 een bestemmingswijziging beoogd van agrarisch naar twee woonbestemmingen. De monumentale hoeve zal behouden blijven, maar alle bijgebouwen zullen worden gesloopt. Hiervoor is een wijziging van het bestemmingsplan nodig. Aan ecologisch adviesbureau ECOquickscan is gevraagd de natuurtoets flora en fauna voor de beoogde ontwikkelingen uit te voeren.
Globale ligging (rood omlijnd) en indrukken van Veldzicht; boven het woonhuis en het erf met bijgebouwen, onder het zicht vanuit het weiland. (Bron luchtfoto: Google, Aerodata International Surveys, Digital Globe)
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
1
Voor de ruimtelijke ingreep mag plaatsvinden moet er eerst een onderzoek plaatsvinden in het kader van de natuurwetgeving. Er zal bij deze activiteit rekening gehouden moeten worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Voorliggend onderzoek is een toets waarin op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een veldverkenning uitspraken worden gedaan over de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied. Het plangebied is beoordeeld op geschiktheid voor beschermde planten en diersoorten en de te verwachten effecten op deze soorten. Aanvullend op het literatuuronderzoek en de veldverkenning is binnen het plangebied onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen en uilen (visuele inspectie). Dit resulteert in conclusies en aanbevelingen. Deze natuurtoets is uitgevoerd op basis van de momenteel geldende uitwerking en interpretatie van beleid en wetgeving.
1.2 Gebiedsbeschrijving en beoogde ingrepen Het plangebied aan de Nieuwe Zandweg 20 ligt aan de zuidrand van de bebouwde kom van Linschoten. Het plangebied ligt aan de N204. Ten noorden ligt de kern van Linschoten en ten zuiden, over de N204, ligt het buitengebied. De locatie is zowel aan de noord- als westzijde ingesloten door bebouwing en wordt aan de oostzijde begrensd door de Nieuwe Zandweg en aan de zuidzijde door de N204. Langs de beide wegen staan bomenrijen. Het plangebied zelf betreft een agrarisch bedrijf met aanliggende weilanden. Er staan een woonhuis en meerdere bijgebouwen, evenals wat bomen en struiken. Binnen het plangebied is de sloop van de bijgebouwen en de realisatie van een woning beoogd. Het huidige woonhuis (hoeve ‘Veldzicht’) blijft behouden. De werkzaamheden betreffen alleen de omliggende bebouwing. De locatie blijft verder ongewijzigd behouden, dit betekend dat het groen en de watergangen (inclusief een meter uit de oever) niet aangetast wordt.
In geel de grenzen van het plangebied.
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
2
2.
WETTELIJK KADER Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. In bijlage 2 is een uitgebreidere toelichting opgenomen bij de soort- en gebiedsbescherming zoals opgenomen in de Wet natuurbescherming.
2.1 Gebiedsbescherming 2.1.1
Wet natuurbescherming – hoofdstuk 2
Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 2.1.2
Natuurnetwerk Nederland
Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen. Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag.
2.2 Soortbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogelen habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied.
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
3
3.
TOETSING
3.1 Onderzoeksmethodiek Voor de ruimtelijke ingreep mag plaatsvinden moet er eerst een onderzoek plaatsvinden in het kader van de natuurwetgeving (zie hoofdstuk 2). Er zal bij deze activiteit rekening gehouden moeten worden met de beschermde natuurwaarden in en om het plangebied. Op basis van een gebiedsanalyse (ruimtelijk ecologisch), beschikbare soortgegevens en een veldverkenning, worden uitspraken gedaan over de mogelijke aanwezigheid van beschermde planten en dieren in het plangebied. Vervolgens zijn voor alle (mogelijke) aanwezige beschermde soorten de effecten en eventuele gevolgen voor de beoogde ingreep beschreven. Bij het opstellen van de natuurtoets flora en fauna is gebruik gemaakt van bestaande atlasgegevens uit de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen, 2016), de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (Limpens et al., 1997) en op websites gepubliceerde verspreidingsgegevens van bijvoorbeeld Particuliere Gegevensbeherende Organisaties (RAVON, Zoogdiervereniging, etc.). Deze bronnen vermelden betrouwbare soortgegevens op basis van uurhokken (5 bij 5 kilometer), dit betekent dat het zeer globale gegevens betreft. Op 6 juli 2017 heeft er een veldverkenning plaatsgevonden.
Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en de geschiktheid van het plangebied en haar omgeving voor de verschillende soortengroepen te beoordelen (zie paragraaf 3.3). Het veldbezoek heeft nadrukkelijk niet de status van een volledige veldinventarisatie; het eenmalige veldbezoek geeft slechts een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname. Daarnaast is onderzoek uitgevoerd naar vleermuizen, uilen en huismus (zie onderstaande onderzoeksmethodiek; paragraaf 3.1.1, 3.1.2 en 3.1.3). 3.1.1
Vleermuizen
Het onderzoek is uitgevoerd conform het protocol voor het inventariseren van vleermuizen (afgekort “vleermuizenprotocol”) dat is opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging VZZ, in overleg met de Dienst Landelijk Gebied en de Gegevensautoriteit Natuur. In het vleermuizenprotocol worden verschillende onderzoeksperioden onderscheiden naar de verschillende functies (zie bijlage 3) dat een gebied kan hebben voor vleermuizen. Binnen het plangebied is onderzoek uitgevoerd naar kraam- en paarverblijfplaatsen. Het onderzoek naar kraam- en paarverblijfplaatsen geeft ook inzicht in andere mogelijk belangrijke functies van het plangebied voor vleermuizen. Het onderzoek naar vleermuizen vindt plaats met behulp van een batdetector (een apparaat dat ultrasone vleermuisgeluiden omzet in voor het menselijk oor hoorbare geluiden). Met meerdere personen (uitgerust met een Petterson D240x) is op 9 juni, 14 juli, 19 augustus en 16 september 2017 onderzoek gedaan naar kraam- en paarverblijfplaatsen. Het onderzoek heeft zowel rond zonsopgang (ochtendonderzoek) als rond zonsondergang (avondonderzoek) plaatsgevonden. ’s Ochtends wordt voornamelijk gekeken naar zwermgedrag nabij de verblijfplaats. In de avond wordt gekeken naar uitvliegers en tijdens het paarseizoen wordt geluisterd naar roepende mannetjes vanuit of in de nabijheid van de verblijfplaats.
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
4
Weersomstandigheden Onderzoek naar vleermuizen is sterk gebonden aan weersomstandigheden, als het bijvoorbeeld hard waait of de temperatuur te laag is verlaten vleermuizen hun verblijfplaats niet. Hieronder staan de weersomstandigheden ten tijde van het onderzoek. Datum
Soort
Temperatuur
Windkracht
Onderzoeksomstandigheden
onderzoek 9 juni 2017
avond
15 °C
3 Bft
optimaal
14 juli 2017
ochtend
12 °C
1 Bft
optimaal
19 aug. 2017
avond
13 °C
3 Bft
optimaal
16 sept. 2017
avond
9 °C
1 Bft
optimaal
Weersomstandigheden ten tijde van het onderzoek naar vleermuizen.
3.1.2 Uilen Het onderzoek is gelijktijdig uitgevoerd met de veldverkenning. Het onderzoek bestond uit een visuele inspectie van alle gebouwen. Hierbij wordt met name gelet op sporen van uilen, van uitwerpselen tot resten van nesten. Alle gebouwen waren goed toegankelijk en konden volledig geïnspecteerd worden. 3.1.3 Huismus Het nader onderzoek naar de huismus is uitgevoerd conform de richtlijnen voor onderzoek zoals beschreven in de ‘Soortenstandaard Huismus’ van het ministerie van EZ /RVO (voorheen Dienst Regelingen). Op 18 april en 7 mei 2018 is gekeken naar in- en uitvliegende vogels, territorium- en nestindicerend gedrag, sporen (poepjes, nesten, etc.) en de aanwezigheid van jonge vogels in het gebied.
3.2 Beschermde gebieden Het plangebied te Linschoten ligt in de bebouwde kom (dorpsrand) in een agrarische omgeving. Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland) liggen op grote afstand van het plangebied. Gezien de grote afstand en de beperkte omvang van de ingrepen zijn negatieve effecten op beschermde gebieden uit te sluiten. Gebiedsbescherming is niet aan de orde.
3.3 Voorkomen van beschermde soorten In het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 moet worden getoetst of er ter plaatse van de activiteit sprake is of kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren. De beoogde activiteit kan biotoopverlies of verstoring (indirect biotoopverlies) tot gevolg hebben. 3.3.1
Vaatplanten
Aangezien het plangebied grotendeels is bebouwd en verhard, is de plantengroei beperkt tot spleten en kieren in de verharding (gebroken puin, betonplaten en asfalt). Hierin bevinden zich
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
5
geen geschikte, bijzondere, groeiplaatsen voor beschermde vaatplanten. Ook zijn op de muren geen (beschermde) muurplanten aangetroffen. Aangeplante of gezaaide exemplaren van beschermde soorten (in bijvoorbeeld tuinen) zijn niet beschermd in de Wet natuurbescherming, omdat het geen natuurlijke groeiplaats betreft. 3.3.2
Grondgebonden zoogdieren
Volgens verspreidingsgegevens uit de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen, 2016) en zoogdiervereniging.nl komen in de omgeving van het plangebied soorten voor als egel (Erinaceus europeus), vos (Vulpes vulpes), hermelijn (Mustela erminea), bunzing (Mustela putorius), wezel (Mustela nivalis), woelrat (Arvicola terrestris), veldmuis (Microtus arvalis), bosmuis (Apodemus sylvaticus), haas (Lepus europeus) en konijn (Oryctolagus cuniculus); waarvoor de provincie Utrecht een vrijstelling kent. Tevens komt in de ruime omgeving de nationaal beschermde waterspitsmuis (Neomys fodiens) voor. Omdat binnen het plangebied enkele onverharde delen aanwezig zijn en de locatie nabij het buitengebied is gelegen, zijn vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten als egel en (spits)muizen niet uit te sluiten. Voor deze soorten kent de provincie Utrecht een algemene vrijstelling voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen. De waterspitsmuis wordt vanwege de verharding in het plangebied niet verwacht. Het is wel mogelijk dat deze buiten het plangebied rond de watergangen voorkomt, maar de watergangen liggen buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Andere nationaal of internationaal beschermde soorten worden op basis van beschikbare verspreidingsgegevens en de aanwezige biotopen (grotendeels verhard terrein) niet verwacht. 3.3.3
Vleermuizen
Vooronderzoek Volgens de verspreidingsgegevens uit de Atlas van Nederlandse Zoogdieren (Broekhuizen, 2016) komen in de omgeving van het plangebied gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), baardvleermuis (Myotis mystacinus) of brandt's vleermuis (Myotis brandtii), franjestaart (Myotis nattereri), gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus), laatvlieger (Eptesicus serotinus), meervleermuis (Myotis dasycneme), rosse vleermuis (Nyctalus noctula) en watervleermuis (Myotis daubentonii) voor. Vleermuizen zijn aan de hand van hun voorkeur voor verblijfplaats globaal onder te verdelen in twee groepen, gebouw- en boombewonende soorten. Ook zijn er soorten die beiden gebruiken als verblijfplaats. Daarnaast maken verschillende vleermuizen onderscheid tussen zomer- en winterverblijven. De gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn het gehele jaar overwegend gebouwbewonende soorten, terwijl de rosse vleermuis alleen in boomholtes verblijft. Ruige dwergvleermuis, baardvleermuis, franjestraat, gewone grootoorvleermuis, meervleermuis en watervleermuis maken zowel gebruik van gebouwen als van bomen (met uitzondering van de meervleermuis) in de zomermaanden.
In de winter zitten deze soorten (met uitzondering van de ruige dwergvleermuis) graag in ondergrondse ruimten zoals: mergelgroeven, bunkers, forten, vestingwerken, oude steenfabrieken, ijskelders en (kasteel)kelders.
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
6
Foerageergebied en vliegroutes Binnen het plangebied en de directe omgeving is voor de meeste van de genoemde soorten vleermuizen geschikt foerageergebied aanwezig. Daarnaast kunnen de groenstructuren rondom, grenzend aan, het plangebied (langs openbare wegen) een functie hebben als vliegroute voor diverse soorten vleermuizen; dergelijke vliegroutes vormen verbindingen tussen verblijfplaatsen en foerageergebied. Aantasting van vliegroutes kan leiden tot indirecte aantasting van verblijfplaatsen. Aangezien groenstructuren als gevolg van de werkzaamheden niet worden aangetast (werkzaamheden hebben alleen betrekking op de gebouwen en de verharding) zijn er geen effecten te verwachten op vaste vliegroutes van vleermuizen. Verblijfplaatsen In het plangebied staat voornamelijk struweel en enkele kleine bomen. De bomen in en rondom het plangebied worden niet aangetast. Er zullen dan ook geen effecten zijn op verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Een aantal van de gebouwen in het plangebied zijn gezien de constructie (houten gevel), open zolders en mogelijke ruimte onder de pannen of de rieten kap geschikt voor gebouwbewonende vleermuizen. Gebouwbewonende vleermuizen maken namelijk gebruik van spleten in gevels, spouwmuren, ruimtes achter daklijsten, etc. Met name de gewone dwergvleermuis heeft slechts een smalle spleet nodig om zich toegang tot het gebouw te verschaffen.
De sloop van de gebouwen kan een negatief effect hebben op vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Gezien de type gebouwen, gebruik (opslag) en onverwarmde situatie (geen verblijfsruimtes en/of grote aantallen dieren om de ruimtes te verwarmen) is het voorkomen van (massa)winterverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis niet waarschijnlijk in deze bebouwing. Nader onderzoek naar vleermuizen Het nader onderzoek naar vleermuizen bestaat uit twee delen. Op de eerste twee onderzoeksmomenten is het voorkomen van kraamverblijfplaatsen onderzocht. Dit onderzoek heeft ook inzicht gegeven in het voorkomen van zomerverblijven, vliegroutes en het foerageergedrag van vleermuizen. De twee onderzoeksmomenten in augustus en september hebben inzicht gegeven in het voorkomen van paarverblijfplaatsen. Op de afbeelding op de volgende pagina zijn de waarnemingen van alle vier de onderzoeksmomenten bijeen gebracht. De kaart geeft op het gebied van het foerageergedrag vooral weer welke elementen (regelmatig) gebruikt worden. Het aantal vleermuizen dat gebruik maakt van het gebied is hieronder tekstueel uitgelegd. Foerageergedrag Tijdens het onderzoek zijn twee vleermuissoorten waargenomen, namelijk gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) en gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus). De gewone grootoorvleermuis is op 9 juni en 14 juli 2017 waargenomen.
Er is op beide data slechts één exemplaar waargenomen in het plangebied. De gewone dwergvleermuis is tijdens alle onderzoeksrondes waargenomen. Op 9 juni 2017 waren er zeker tien dieren tegelijkertijd aanwezig
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
7
nabij het plangebied. In totaal foerageren in en aansluitend aan het plangebied van enkele tot meer dan tien exemplaren (zie kraamverblijfplaats).
Waarneming van vleermuizen binnen en in de directe omgeving van het plangebied.
Vaste vliegroutes Binnen en direct aansluitend aan het plangebied is een vliegroute waargenomen. De Nieuwe Zandweg vormt een doorgaande route van het dorp naar het buitengebied. De essen langs de oprit in het plangebied fungeren als aantakking op deze algemene vliegroute voor het kraamverblijf van de gewone dwergvleermuis in de huidige woning (zie hieronder).
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
8
Zomer- en kraamverblijfplaatsen In het plangebied is een zomerverblijf aangetroffen van de gewone grootoorvleermuis. Deze vloog in de westelijke schuur in (zie afbeelding). De verblijfplaats wordt waarschijnlijk door één grootoorvleermuis gebruikt. Ook is er direct aansluitend aan het plangebied, in de hoeve, een kraamverblijf van de gewone dwergvleermuis aangetroffen (zie de afbeelding hiernaast). Het betreft waarschijnlijk een kraamkolonie van circa 20 exemplaren. De invliegopening is aan de voorzijde van de te behouden hoeve ‘Veldzicht’ gesitueerd, achter de boeirand. Locatie van de kraamlocatie.
Paarverblijfplaatsen Tijdens het onderzoek zijn in of in de omgeving van het plangebied geen paarverblijven vastgesteld. Winterverblijfplaatsen Op basis van de eigenschappen van de gebouwen in het plangebied zijn winterverblijfplaatsen uit te sluiten. Tijdens het onderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die anders suggereren. 3.3.4
Vogels
Vooronderzoek Tijdens het veldbezoek zijn vogels waargenomen zoals huismus (Passer domesticus), witte kwikstaart (Motacilla alba), huiszwaluw (Delichon urbica), boerenzwaluw (Hirundo rustica) en meerkoet (Fulica atra). Alle vogelsoorten zijn beschermd tijdens het broedseizoen. De Wet natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval aanwezig is (actieve broedplaatsen). Er zijn tijdens de veldverkenning twee nesten van de huiszwaluw waargenomen in de hooimeid en een à twee nesten van de boerenzwaluw in de grootste stal (een nest waargenomen, maar een tweede nest is mogelijk op basis van het aantal waargenomen dieren). De broedperiode van de huiszwaluw is van half april tot eind september en van de boerenzwaluw van begin april tot eind september, afhankelijk van de omstandigheden (3e legsels zijn zeldzaam). Tijdens het onderzoek naar de huismus is tegen de zuidelijke kopgevel van de te behouden hoeve ‘Veldzicht’ nog een nest van de huiszwaluw waargenomen. Daarnaast zitten in de hoeve nesten van spreeuwen (Sturnus vulgaris) en kauw (Corvus monedula). Jaarrond beschermde vogels De provincie Utrecht heeft het beleid van RVO, opgesteld onder de Flora- en faunawet, ten aanzien van jaarrond beschermde soorten overgenomen.
Dat betekent dat van een aantal vogelsoorten de nesten en nestlocaties (verblijfplaatsen) het gehele jaar door beschermd zijn. Deze jaarrond beschermde vogelsoorten zijn onderverdeeld in vier categorieën: 1.
Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil (Athene noctua));
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
9
2.
Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek (Corvus frugilegus), gierzwaluw (Apus apus) en huismus (Passer domesticus));
3.
Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea), ooievaar (Ciconia ciconia), kerkuil (Tyto alba), oehoe (Bubo bubo) en slechtvalk (Falco peregrinus));
4.
Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk (Falco subbuteo), buizerd (Buteo buteo), havik (Accipiter gentilis), sperwer (Accipiter nisus), wespendief (Pernis apivorus), zwarte wouw (Milvus migrans) en ransuil (Asio otus)).
Aangezien binnen het plangebied geen bomen aanwezig zijn, zijn nesten van bovengenoemde boombewonende soorten uit te sluiten. Indien buiten het broedseizoen gestart wordt met de werkzaamheden zijn effecten op eventueel, op naastliggende percelen, broedende jaarrond beschermde vogels niet te verwachten. De bebouwing in het plangebied is marginaal geschikt voor gebouwbewonende soorten. De schuren hebben vele grote en kleine ingangen waar huismussen en uilen gebruik van kunnen maken. Huismussen maken namelijk ook nesten in de ruimte tussen constructiebalken en het dak en uilen broeden ook op toegankelijk zolders. De huismus en uilen zijn jaarrond beschermde soorten. Negatieve effecten op de huismus en uilen zijn, bij de sloop van de gebouwen, dan ook niet uit te sluiten. De bebouwing is veelal voorzien van daken van golfplaat of dakpannen zonder dakbeschot. Een schuur heeft wel een dakbeschot, maar dit dakbeschot is, net als de rest van de schuur, in een zeer slechte staat. Het is niet waarschijnlijk dat de gierzwaluw hier aanwezig is, maar er is uit zorgvuldigheid een veldcheck gepland op 9 juni 2017 (voorafgaand en tijdens het onderzoek naar vleermuizen) om dit te bevestigen.
Gierzwaluw Het plangebied is gelegen buiten het dorp (in het buitengebied bevinden zich zelden nestlocaties van de gierzwaluw) en de bebouwing is nauwelijks geschikt voor de gierzwaluw (geen of slecht dakbeschot). Uit zorgvuldigheid is op 9 juni 2017 specifiek ook gekeken naar de activiteit van de gierzwaluw in de omgeving. Er zijn geen gierzwaluwen in of in de omgeving van het plangebied waargenomen op deze of een van de andere onderzoeksrondes. De aanwezigheid van gierzwaluw in het plangebied kan uitgesloten worden. Huismus In het plangebied is tijdens de veldverkenning de huismus waargenomen. Tijdens het nader onderzoek in 2018 zijn binnen het plangebied geen nestlocaties (vaste rust- en verblijfplaats) van huismus waargenomen. De moestuin aan de voorzijde werd op 18 april 2018 wel bezocht door huismussen om de foerageren en het nemen van een stofbad. In de woonwijk ten noorden van het plangebied zijn wel indicaties waarnomen van nestlocaties van de huismus. In deze wijk, met name in de rijtjeswoningen, zit een grote groep huismussen.
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
10
Uilen De bebouwing in het plangebied is geschikt voor uilen. Alle gebouwen zijn tijdens de veldverkenning geinspecteerd op (sporen van) uilen. Er zijn geen (sporen van) uilen waargenomen. De aanwezigheid van uilen in het plangebied kan uitgesloten worden. Niet jaarrond beschermde vogels Naast de voorstaande vier categorieën is er nog een vijfde categorie (beschermde) vogels. Deze vogels beschikken over voldoende flexibiliteit om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Deze vogels (en hun broedplaatsen) zijn in principe buiten het broedseizoen niet beschermd. Alleen als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen zijn deze soorten wel jaarrond beschermd. Binnen het plangebied is de aanwezigheid van broedplaatsen van vogels uit de vijfde categorie niet uit te sluiten. Aangezien in de omgeving voldoende alternatieve broedplaatsen aanwezig zijn voor deze categorie vogels zijn er geen omstandigheden aanwezig om deze vogels jaarrond te beschermen. Negatieve effecten op vogels uit de vijfde categorie worden dan ook niet verwacht indien rekening gehouden wordt met het broedseizoen (actieve broedplaatsen). 3.3.5 Amfibieën RAVON verzamelt verspreidingsgegevens van reptielen, amfibieën en vissen (www.ravon.nl).
Volgens RAVON komen in de omgeving van het plangebied soorten voor als bruine kikker (Rana temporaria), gewone pad (Bufo bufo), bastaardkikker (Pelophylax klepton esculentus), meerkikker (Pelophylax ridibundus) en kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris); waarvoor de provincie Utrecht een vrijstelling kent. Tevens komen in de omgeving de volgende internationaal beschermde soorten als heikikker (Rana arvalis) en rugstreeppad (Bufo calamita). Binnen het plangebied zijn geen watervoerende elementen aanwezig en het plangebied is bijna geheel bebouwd en verhard. Hierdoor is het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van meer strikt beschermde amfibieënsoorten uit te sluiten. Algemene soorten, zoals bruine kikker en gewone pad, die na de metamorfose op het land naar voedsel gaan zoeken, zijn, gezien de binnen het plangebied gelegen biotopen, niet uit te sluiten. Deze soorten kunnen grote afstanden afleggen. Het is mogelijk dat algemene soorten in de winterperiode binnen het plangebied aanwezig zijn, omdat de dieren op het land overwinteren (soms ook in gebouwen of onder objecten). Voor deze soorten geldt binnen de provincie Utrecht een algemene vrijstelling voor het verstoren en/of aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen.
Indien alsnog werkzaamheden plaatsvinden buiten het bebouwde en verharde oppervlak en/of als gevolg van de werkzaamheden geschikt habitat ontstaat (rugstreeppad) dan zijn negatieve effecten op de voorstaande internationaal beschermde soorten niet op voorhand uit te sluiten. 3.3.6 Reptielen De meeste reptielensoorten houden zich met name op in geleidelijke overgangssituaties tussen natuurlijke biotopen in bos-, heide- en veengebieden (bijv. heide en/of heischrale graslanden in combinatie met bossen en/of kleine landschapselementen). Op basis van de binnen het plangebied aanwezige biotopen (verhard erf en bebouwing in een agrarische omgeving) is het voorkomen van
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
11
reptielen niet waarschijnlijk. De aan watergebonde ringslang wordt op basis van verspreidingsgegevens niet verwacht. 3.3.7 Vissen Binnen het plangebied zijn geen permanent watervoerende elementen aanwezig, waardoor de aanwezigheid van vissen kan worden uitgesloten. 3.3.8 Insecten (vlinders, libellen, kevers) en overige soortengroepen Slechts een beperkt aantal van de zeer soortenrijke groep van de insecten is beschermd. De habitateisen van beschermde soorten (zowel nationaal als internationale beschermd) binnen deze groep zijn vaak zeer locatiespecifiek en gebonden aan zeer bijzondere biotopen. Dergelijke biotopen komen niet in het plangebied (gebouwen en de verharding direct aansluitend op de gebouwen) voor. Overige strikt beschermde soorten als mollusken en weekdieren zijn ook niet te verwachten gezien de biotopen.
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
12
4.
CONCLUSIE In Linschoten (gemeente Montfoort, provincie Utrecht) is aan de Nieuwe Zandweg 20 een bestemmingswijziging beoogd van agrarisch naar twee woonbestemmingen. De monumentale hoeve zal behouden blijven, maar alle bijgebouwen zullen worden gesloopt.
4.1 Gebiedsbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland dient er getoetst te worden of de beoogde ontwikkelingen een negatieve invloed hebben op beschermde gebieden. Het plangebied te Linschoten ligt niet in of nabij het NNN of een gebied dat is aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming is op deze locatie niet aan de orde.
4.2 Soortenbescherming In het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 moet worden getoetst of ter plaatse van de ruimtelijke ingrepen sprake is of kan zijn van negatieve effecten op beschermde planten en dieren. De beoogde ontwikkelingen kunnen biotoopverlies of verstoring (indirect biotoopverlies) tot gevolg hebben. De meeste van de mogelijk in het plangebied voorkomende soorten zoals bruine kikker, gewone pad, egel en, algemeen voorkomende, (spits)muizen zijn beschermd, maar vallen onder een algemene vrijstelling van de provincie Utrecht. Voor deze soorten geldt dat aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen op basis van een vrijstelling mogelijk is, zonder dat er sprake is van procedurele consequenties. Wel blijft de zorgplicht (zie bijlage 2) onverminderd van toepassing. Een aantal van de mogelijk voorkomende soorten zijn meer strikt beschermde soorten, soorten waarvoor bij aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van individuele diersoorten zijn de huismus, uilen (steen- en kerkuil) en soorten uit de soortgroep vleermuizen niet uit te sluiten binnen het plangebied. Vleermuizen Tijdens dit onderzoek is een zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis aangetroffen.
Uilen In de gebouwen binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen of sporen van uilen (steen- en kerkuil) aangetroffen. Huismus In de gebouwen binnen het plangebied zijn geen nestlocaties (vaste rust- en verblijfplaatsen) van de huismus aangetroffen.
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
13
4.3 Consequenties Vleermuizen In het plangebied is een vaste rust- en verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis vastgesteld. Deze vaste rust- en verblijfplaats is jaarrond beschermd. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen zijn, bij de sloop van gebouwen, niet uit te sluiten. In het kader van de Wet natuurbescherming dient voor de gewone grootoorvleermuis een ontheffing ex. artikel 3.8 aangevraagd te worden bij de Gedeputeerde Staten van de provincie. In het kader van de ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming zal een activiteitenplan opgesteld moeten worden. In het activiteitenplan zal onder andere ingegaan moeten worden op mitigerende maatregelen en een onderbouwing van het wettelijk belang van de aanvraag. Mitigerende maatregelen hebben betrekking op de werkzaamheden (werkwijze), tijdelijke effecten en definitieve maatregelen om het plangebied opnieuw geschikt te maken voor soorten. Zorgplicht & broedseizoen Verder is er een tweetal algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 altijd van toepassing: •
in het broedseizoen van vogels mogen, zonder controle voorafgaand door een ecoloog, de vegetatie, bosjes en opstallen in het plangebied niet worden verwijderd. De start van werkzaamheden tijdens deze periode zouden kunnen leiden tot verstoring, beschadiging of vernieling van nesten, rustplaatsen en eieren. Alle vogels zijn beschermd. Storing van nesten is onder artikel 3.1 (Vogelrichtlijn) toegestaan mits niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Voor vogels die ook staan vermeld onder artikel 3.5 (Habitatrichtlijn, inclusief Verdragen van Bern en Bonn) is verstoren niet toegestaan.
•
op basis van de zorgplicht volgens artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Dit houdt in dat bij het uitvoeren van werkzaamheden altijd rekening moet worden gehouden met aanwezige planten en dieren. Zo dienen maatregelen te worden getroffen om bijvoorbeeld verstoring tot een minimum te beperken. Dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: •
het beperken van verlichting tijdens de avonduren in voorjaar, zomer en herfst ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren;
•
het lijnvormige element langs de oprit moet behouden blijven. Indien deze bomen gerooid gaan worden zal er een ontheffing aangevraagd moeten worden voor de mogelijke aantasting van het kraamverblijf van de gewone dwergvleermuis in het huidige woonhuis;
•
het slopen (en rooien) starten buiten het voortplantingsseizoen en het winter(slaap)seizoen.
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
14
4.4 Aanbevelingen Naast de consequenties die voortkomen uit de Wet natuurbescherming zijn er ook een aantal vrijblijvende aanbevelingen te doen ten aanzien van de inrichting van het plangebied, zoals: •
voor vleermuizen zouden open stootvoegen aangebracht kunnen worden in muren, of vleermuiskasten kunnen worden geplaatst in de spouw of tegen de muur op >2,5 meter hoogte in nieuw te bouwen woningen;
•
als er een zolder of vliering wordt aangelegd, zou deze niet helemaal geïsoleerd kunnen worden. Hierdoor wordt de zolder mogelijk een geschikt verblijf voor vleermuizen;
•
ook kan worden gedacht aan het geschikt maken van de bebouwing voor huismus en gierzwaluw door het aanbrengen van speciale neststenen in de muur (minimaal 3 meter hoog) of onder de dakrand;
•
het planten van bomen en struwelen voor vogels en vleermuizen verdient aanbeveling. Het beste zijn, ecologisch gezien, inheemse (autochtone) bes- en bloemdragende struiken en planten;
•
het creëren van een geleidelijke overgang van de sloot naar het plangebied. Hierbij dient vegetatieontwikkeling in deze overgang gestimuleerd te worden. Dit kan positieve effecten hebben op het voorkomen van vissen en amfibieën;
•
het aanleggen van een poel met natuurlijke oeverbeplanting, geïsoleerd van permanent watervoerende watergangen. Dit kan positieve effecten hebben op het voorkomen van amfibieën.
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
15
BIJLAGE 1 Literatuurlijst Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. - Natuur in Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden, 2016. Ministerie van LNV, Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep, 2009.
Websites: www.ravon.nl www.zoogdiervereniging.nl www.vleermuis.net www.vleermuizenindestad.nl www.utrecht.nl www.rijksoverheid.nl
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
BIJLAGE 2 Wet natuurbescherming Wet natuurbescherming – gebiedsbescherming Voor gebiedsbescherming is hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming bepalend. Indien gebiedsbescherming aan de orde is, zijn er verschillende stappen in onderzoek te onderscheiden; Voortoets en afhankelijk van de conclusie in de Voortoets een Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling. Bij een Voortoets komen de volgende onderdelen aan bod: •
beschrijving van de bestaande en nieuwe situatie. In het geval van een wijziging van bedrijfsactiviteiten het in beeld brengen van de bestaande situatie en gewijzigde bedrijfsactiviteiten;
•
welke milieueffecten deze (bedrijfs)activiteiten hebben op de omgeving;
•
welke van de soorten en habitats waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden, schade ondervinden;
•
welke (bedrijfsmatige) activiteiten kunnen leiden tot effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied.
Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling: Indien uit de Voortoets blijkt dat een ruimtelijke ingreep geen negatief effect heeft op het Natura 2000-gebied dan is het onderzoek gereed. Indien uit de Voortoets blijkt dat de ruimtelijke ingreep een negatief effect heeft op het Natura 2000-gebied, maar zeker niet significant negatief dan moet een Verstorings- en Verslechteringstoets worden opgesteld. Indien uit de Voortoets blijkt dat de ruimtelijke ingreep een negatief effect heeft en mogelijk ook een significant negatief effect dan moet een Passende Beoordeling worden opgesteld. Een Verstorings- en Verslechteringstoets of een Passende Beoordeling is de basis voor de aanvraag van een vergunning. Wet natuurbescherming – soortenbescherming Voor soortbescherming is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten (Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, verdragen van Bern en Bonn) en nationaal beschermde soorten. Er zijn verbodsbepalingen opgenomen, bepalingen voor algemene vrijstelling en projectspecifieke ontheffingen en de belangen die aangetoond dienen te worden om een ontheffing te verkrijgen.
Verbodsbepalingen Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden, te vangen of opzettelijk te storen (tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort). Ook is het verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van deze vogels te vernielen of te beschadigen, nesten van vogels weg te nemen of eieren te rapen en deze eieren onder zich te hebben. Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5) Het is verboden in het wild levende dieren (waaronder diverse vogelsoorten) van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen, opzettelijk te verstoren, eieren van dieren opzettelijk te vernielen of te rapen of voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren te beschadigen of te vernielen. Ook is het verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Beschermingsregime andere soorten (artikel 3.10) Het is verboden in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming, onderdeel A, opzettelijk te doden of te vangen, of vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Ook is het verboden vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage van de Wet natuurbescherming, onderdeel B, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Zorgplicht Naast de bovenstaand beschreven verboden kent de Wet natuurbescherming ook een zorgplicht. In artikel 1.11 is opgenomen dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor Natura 2000gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorg houdt in elk geval in dat schadelijke handelingen achterwege blijven, dan wel noodzakelijke maatregelen getroffen worden om die schadelijke gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan gemaakt worden. Procedurele consequenties Voor ruimtelijke ingrepen is het van belang te toetsen of er allereerst sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen. Voor Vogelrichtlijnsoorten is het bijvoorbeeld van belang te beoordelen of een verstoring van wezenlijke invloed is. Voor de nationaal beschermde soorten zijn er per provincie lijsten opgesteld met soorten waarvoor een algemene vrijstelling geldt. Over het algemeen zijn dit de meer algemeen voorkomende soorten zoals het konijn of de vos.
Als een ruimtelijke ingreep rechtstreeks kan leiden tot verstoring of vernietiging van bepaalde beschermde soorten of hun leefgebied, kan het project in strijd zijn met de Wet natuurbescherming, hoofdstuk 3. Voor aantastingen van verblijfplaatsen en belangrijke (onderdelen) van leefgebieden van beschermde soorten, is ontheffing ex. artikel 3.3, 3.8 en/of 3.10 van de Wet natuurbescherming nodig van Gedeputeerde Staten. Het uitvoeren van een ruimtelijke ingreep, indien er sprake is van een overtreding van één van de bovenstaand beschreven verbodsbepalingen, kan door middel van een goedgekeurde gedragscode of een verkregen ontheffing. Een gedragscode geldt voor zowel de internationaal beschermde soorten als de nationaal beschermde soorten.
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
In een gedragscode worden gedragslijnen aangegeven die men volgt om het schaden van beschermde soorten zo veel mogelijk te voorkomen. Ontheffing is, als wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode, voor deze soorten alleen nog nodig als werkzaamheden afwijkend van de gedragscode worden uitgevoerd. Voor een ontheffing zijn procedurele consequenties afhankelijk van de soorten die door de ingreep worden beïnvloed. Er zijn drie soorten verbodsbepalingen en gekoppeld aan deze bepalingen zijn er ook drie verschillende beschermingsregimes: •
Soorten van de Vogelrichtlijn;
•
Soorten van de Habitatrichtlijn, verdrag van Bern en/of Bonn;
•
Nationaal beschermde soorten.
Voor het verkrijgen van een ontheffing moet als eerste een belang worden aangetoond op grond waarvan een ontheffing kan worden verkregen voor het overtreden van de verbodsbepalingen. Voor Vogelrichtlijnsoorten moet een belang worden aangetoond zoals opgenomen in de Vogelrichtlijn. Voor ruimtelijke ingrepen zijn dat: •
volksgezondheid of openbare veiligheid;
•
veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
•
ter bescherming van flora of fauna.
Voor Habitatrichtlijnsoorten en soorten van Bern en Bonn: •
bescherming van de wilde flora of fauna, of instandhouding van de natuurlijke habitats;
•
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
•
volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten.
Voor nationaal beschermde soorten: •
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied.
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten
BIJLAGE 3 Gebiedsfuncties voor vleermuizen Verblijfplaatsen Alle typen verblijfplaatsen zijn beschermd. •
Zomerverblijfplaats: Een verblijfplaats die gebruikt wordt door vleermuizen die niet in winterslaap zijn waarvan niet aangetoond is dat het een kraamverblijfplaats dan wel een paarverblijfplaats is.
•
Kraamverblijfplaats: Een verblijfplaats van een kraamgroep met vrouwtjes met jongen.
•
Paarverblijfplaats: Een verblijfplaats of de omgeving daarvan, waar meerdere vleermuizen overdag verblijven en paren. Afhankelijk van de soort. Te herkennen aan zwermgedrag of baltsroepen.
•
Winterverblijfplaats: Een verblijfplaats waar in de winter een of meerdere vleermuizen in winterslaap (hybernation) gaan.
Overige elementen Indien aantasting van de onderstaande elementen het functioneren van een verblijfplaats aantast is bescherming aan de orde. •
Vliegroute: Een vaste route van een vleermuis of een groep van vleermuizen vanaf een verblijfplaats naar een foerageergebied en visa versa.
•
Migratieroute: Een vaste route van zomerverblijfplaats naar winterverblijfplaats en visa versa.
•
Foerageergebied: Een gebied waar een vleermuis of een groep van vleermuizen foerageert.
Natuurtoets flora en fauna Nieuwe Zandweg 20 te Linschoten