02 BPHeeswijk78-VG01_toelichting (gew).pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan
Heeswijk 78, Montfoort Gemeente Montfoort
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0335.BPHeeswijk78-VG01
Datum:
2022-12-02
Contactpersoon Buro SRO:
Dhr. R. van der Made | Dhr. R. van den Heuvel
Kenmerk Buro SRO:
SR210497
Opdrachtgever:
Verstoep bouwadvies architectuur
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10 2.3 Beeldkwaliteit ................................................................................................................................................... 12
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 14 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 14 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 18
4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 20 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 20 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 21 4.3 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 22 4.4 Geluid ................................................................................................................................................................ 25 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 26 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 27 4.7 Waterhuishouding.............................................................................................................................................
29 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 32 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 33 4.10 Cultuurhistorie ................................................................................................................................................ 34 4.11 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 35 4.12 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 36
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 38 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 38 5.2 Plansystematiek ................................................................................................................................................ 38 5.3 Toelichting afzonderlijke bestemmingen .......................................................................................................... 39
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 40 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 41 7.1 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................... 41 7.2 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 41
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens de gronden aan Heeswijk 78 in Montfoort te herontwikkelen ten behoeve van woningen. In het verleden was aan Heeswijk 78 een bedrijf gevestigd en de voormalige bedrijfsbebouwing en (bedrijfs)woning staan nog in het plangebied. Op de gronden is één vrijstaande woning en zijn twee schuren gesitueerd. Daarnaast bevinden zich nog twee kleinere bijgebouwen op het terrein. Het voorgenomen plan betreft de sloop van de bestaande bedrijfsbebouwing op de gronden aan Heeswijk 78 en de realisatie van twee nieuwe vrijstaande woningen met bijgebouwen. Het initiatief past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan '1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012', vastgesteld op 26 oktober 2015. Op dit moment geldt ter plaatse van Heeswijk 78 de bestemming 'Bedrijf'. Binnen het geldende bestemmingsplan mag maximaal één bedrijfswoning aanwezig zijn, er is momenteel geen mogelijkheid aanwezig om aanvullende woningen te realiseren. Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken zal een partiële herziening van het bestemmingsplan (postzegelbestemmingsplan) opgesteld moeten worden. Onderhavig plan voorziet hierin. Voor de beoogde ontwikkeling is bij de gemeente Montfoort een principeverzoek ingediend.
Op 1 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders aangeven een positieve grondhouding te hebben ten opzichte van het plan. Wel stellen zij als voorwaarde dat het landschappelijk inpassingsplan als voorwaardelijke verplichting opgenomen dient te worden in het bestemmingsplan.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan Heeswijk 78, ten oosten van de kern Montfoort, en maakt onderdeel uit van de buurt Heeswijk. Het plangebied ligt aan de N228 en nabij de Hollandsche IJssel. Het plangebied wordt omsloten door de N228 aan de noordzijde, en grasland aan de oost-, zuid- en westzijde van de planlocatie. Verder naar het noorden bevindt zich bedrijvigheid met daarachter de Hollandsche IJssel. Verder naar het oosten en westen van het plangebied bevinden zich woningen aan de N228. Het plangebied betreft de kadastrale percelen bekend onder gemeente Montfoort, sectie C, perceelnummers 366 en gedeeltelijk 998. Het plangebied is afgebakend als het gebied met de bestemming 'Bedrijf'. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 4.700 m². De volgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
5
Globale ligging plangebied (rode cirkel, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' (vastgesteld op 11 maart 2013) en '1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012' (vastgesteld op 26 oktober 2015). Voorts geldt het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen Montfoort', vastgesteld op 29 oktober 2018. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
6
Uitsnede geldend bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' (plangebied aangegeven met rode omkadering)
Het plangebied kent, volgens het vigerende bestemmingsplan '1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012', één enkelbestemming. Het gaat hier om de enkelbestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 2’. De hiervoor aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven behorende tot de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals, groen, water, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen en ontsluitingswegen, windmolens en nevenfuncties zoals in tabel 7.1 in het bestemmingsplan genoemd. Het bouwvlak mag voor maximaal 70% bebouwd worden, dat komt neer op ca. 2.660 m². Daarnaast geldt in het noordelijk deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' en in het zuidelijk deel de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. De hiervoor aangewezen gronden zijn tevens bestemd voor bescherming en instandhouding van archeologische waarden. Op basis van het geldende bestemmingsplan is de realisatie van de woningen niet toegestaan. Hiermee is het plan strijdig met het geldende bestemmingsplan. Middels de voorliggende partiële herziening van het bestemmingsplan wordt de voorgenomen ontwikkeling planologisch mogelijk gemaakt.
1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 volgt allereerst een planbeschrijving van de huidige situatie met vervolgens een beschrijving van de voorziene ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het initiatief getoetst aan het geldende ruimtelijk beleid op verschillende schaalniveaus. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst op inpasbaarheid en uitvoerbaarheid aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten. De juridische toelichting wordt gegeven in hoofdstuk 5. De economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid worden in respectievelijk hoofdstuk 6 en 7 belicht.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Montfoort maakt deel uit van het Groene Hart en is cultuurhistorisch waardevol. Kenmerkend is het contrast tussen de open polders, die volgens het vaste copesysteem ontgonnen zijn, en de besloten lintbebouwingen langs de weteringen en de waterlopen. De planlocatie grenst aan de noordkant aan de Provincialeweg (N228) en de Hollandsche IJssel. De Provincialeweg betreft een doorgaande weg waaraan overwegend lintbebouwing is gelegen. De Provincialeweg geldt als één van de belangrijkste ontsluitingswegen van Montfoort. De locatie is bereikbaar per openbaar vervoer. Bushaltes zijn aanwezig langs de Provincialeweg. Aan de noordzijde van de planlocatie bevinden zich langs deze weg bedrijven afgewisseld met woningen. Aan de zuidzijde zijn dit overwegend vrijstaande woningen en agrarische bedrijven. Aan de west- en oostkant van de planlocatie zijn grasland en enkele woningen gelegen. Op het perceel aan Heeswijk 78 bevinden zich de bedrijfsgebouwen en bedrijfswoning van een voormalige kaashandel. Het perceel werd intensief bedrijfsmatig gebruikt, met de bijbehorende verkeersgeneratie en overige milieueffecten. Het bedrijf is inmiddels verhuisd naar een andere locatie. De bebouwing betreft in de huidige situatie de bedrijfswoning, twee grote schuren en twee kleine bijgebouwen. Meer specifiek zijn dit een schuur van ca.
600,5 m², een kleinere schuur van 253,2 m² en twee kleinere gebouwen van 29,4 m² en 1,9 m². Deze te amoveren bebouwing is tevens weergegeven op onderstaande afbeeldingen. De bebouwing bestaat uit één bouwlaag met een kap. Daarnaast is er zeer veel verharding aanwezig. De ontsluiting vindt plaats aan de noordzijde, op de Provincialeweg (N228). De navolgende afbeeldingen tonen een impressie van de huidige situatie vanaf de Provincialeweg (N228) en een situatietekening van de huidige situatie.
Impressie huidige situatie bestaande woning en plangebied (bron: Google Streetview)
8
Impressie huidige situatie bedrijfsbebouwing en plangebied (bron: Google Streetview)
Situatietekening huidige situatie (bron: Verstoep bouwadvies architectuur)
9
Situatietekening huidige situatie met te amoveren bebouwing (bron: Verstoep bouwadvies architectuur)
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens om twee nieuwe woningen te realiseren met in totaal drie nieuwe bijgebouwen. Om dit mogelijk te maken zal de bestaande bedrijfsbebouwing aan Heeswijk 78 gesloopt worden. De bestaande woning blijft behouden en wordt omgezet naar een burgerwoning. Zoals in de vorige paragraaf beschreven is er in de huidige situatie aanzienlijke bedrijfsbebouwing en verharding aanwezig. Deze vier gebouwen met een oppervlakte van in totaal ca. 900 m² zullen volledig gesaneerd worden. In de plaats hiervan worden slechts twee nieuwe woningen met bijgebouwen gerealiseerd met een aanzienlijk kleinere oppervlakte dan de voormalige bedrijfsbebouwing. Daarnaast zal ook de verharding aanzienlijk afnemen als gevolg van de ontwikkeling. Eventuele cultuurhistorische waarden zullen niet verdwijnen. Als gevolg van het verdwijnen van de bedrijfsfunctie zal het aantal verkeersbewegingen aanzienlijk verminderd worden. Daarnaast vervallen andere milieueffecten van het bedrijf zoals de generatie van geluid en mogelijke overlast daarvan. Voortzetting van de bedrijfsbestemming zou betekenen dat een toekomstige eigenaar waarschijnlijk de volledige ontwikkelingsmogelijkheden binnen het bestemmingsplan benut. Het omzetten naar een woonperceel voor twee extra woningen is daarmee een verbetering voor het woon- en leefklimaat in de omgeving.
Hiermee is sprake van een aanzienlijke kwaliteitsverbetering ten opzichte van de bestaande situatie. In de beeldkwaliteitsparagraaf toelichting paragraaf 2.3 komt deze kwaliteitsverbetering nader aan de orde. De beoogde woningen zijn vrijstaande woningen welke ontsloten worden via de bestaande inrit. Het bestaande plangebied wordt opgedeeld in drie kleinere kavels. Aan de oostzijde wordt schuin achter de bestaande woning een woning met aansluitend bijgebouw gerealiseerd. Ten westen daarvan wordt een nieuw bijgebouw voor de bestaande woning gebouwd. Achter deze woning wordt de tweede nieuwe woning gebouwd met ten westen daarvan een bijgebouw. Tevens wordt er bij de herinrichting van het ensemble rekening gehouden met de hiërarchie in de architectuur.
10
Onderstaande tekening toont een overzicht van de situatie in de toekomstige situatie.
Situatietekening beoogde situatie (bron: Verstoep bouwadvies architectuur)
Verkeer en parkeren De ontsluiting van het plangebied vindt plaats op de N228. Het parkeren vindt binnen de grenzen van het plangebied plaats. Voldaan zal worden aan de parkeernormen van de gemeente Montfoort. In de toelichting paragraaf 4.12.2 wordt nader ingegaan op de parkeerbehoefte.
Impressie beoogde situatie (bron: Verstoep bouwadvies architectuur)
11
2.3 Beeldkwaliteit Situering en oriëntatie De bestaande woning blijft als hoofdvolume herkenbaar en vormt het voorste volume aan het lint. Alle andere bouwvolumes staan daarom achter de achtergevelrooilijn van dit hoofdvolume. Woning 1 ligt daarbij op een afstand van het lint die vergelijkbaar is met de afstand van de huidige bedrijfsbebouwing tot het lint. Alle overige volumes komen daar weer achter te staan. Op deze wijze blijft de bouwmassa aan het lint beperkt en verbetert het bebouwingsbeeld. Daarnaast volgen alle nieuwe bouwvolumes de landschappelijke richting van de cope-verkaveling. De volumes staan daarom evenwijdig aan de zijdelingse perceelgrenzen, met de korte zijde en de nok naar het lint gericht. De twee nieuwe woningen liggen daarbij ongeveer in elkaars verlengde en de twee losse bijgebouwen liggen aan de overzijde van het pad en eveneens in elkaars verlengde. Dit benadrukt de landschapsrichting en zorgt voor een doorzicht tussen de gebouwen naar het landschap. Bovendien zorgt het ervoor dat de vier volumes zich in samenhang en gegroepeerd aan het toegangspad tonen, maar tegelijkertijd daarachter een duidelijk van het pad afgezonderde privétuin krijgen. De twee nieuwe woningen krijgen een oriëntatie op het toegangspad. Woning 1 heeft daarnaast een sterke oriëntatie op de boomgaard en het lint aan de voorzijde.
Aan deze ruimten krijgen de gevels vensters met daarachter een representatief woonprogramma. Bouwmassa, vormgeving en samenhang bebouwingsensemble De bestaande woning is het hoofdvolume, dit komt naast de situering ook in vormgeving tot uiting. De hoofdwoning heeft een robuuste, warme en steense vormgeving. Verder naar achteren in het ensemble ontstaat er geleidelijk een luchtigere vormgeving. Woning 1 is passend bij het lint nog steeds robuust, maar wel lichter dan het hoofdvolume. De bebouwing achter in het ensemble, zowel woning 2 als de twee vrijstaande bijgebouwen, zijn nog luchtiger met strakke, eenvoudige volumes en bijpassende materialen. Het ensemble verloopt op deze manier van robuust aan het lint naar luchtiger aan het landschap. Woning 1 krijgt een traditioneel volume van één bouwlaag met zadeldak. De woning krijgt een robuuste, steense uitstraling en toont zich daarmee passend aan het lint. De kopgevel bevat meerdere staande vensters zodat de woning sterk op het lint is gericht, maar het steense beeld intact blijft. De woning krijgt een passende detaillering. Het bijgebouw is ondergeschikt maar passend bij de hoofdwoning. Bij dit bijgebouw worden bij voorkeur deels dezelfde materialen toegepast als bij de woning, maar deels ook dezelfde materialen als van woning 2 en de losse bijgebouwen aan de overzijde van het pad.
Zo ontstaat er een passende overgang en samenhang in het ensemble. Woning 2 is in samenhang met de twee losse bijgebouwen vormgegeven als schuurvolume. Naast een eenvoudige opbouw van de bouwmassa van één laag met zadeldak komt dit ook in materialisering en detaillering tot uiting. De woning bevat aan het pad en aan de zichtbare kopgevel meerdere vensters wat bijdraagt aan de luchtigere vormgeving aan deze zijde van het ensemble. Aan de niet zichtbare privé zijden is er ruimte voor meer transparantie en grotere glazen gevelvlakken. Inrichting buitenruimte Meerdere landschapselementen waarborgen de kwaliteit en een zorgvuldige inpassing van het ensemble in het cope-landschap. Dit komt ook naar voren in de landschappelijke inpassing, bijgevoegd als bijlagen bij de regels bijlage 2. Zo bevat het plan een hoogstamboomgaard waaraan woning 1 en de bestaande woning staan en waarop deze ook sterk georiënteerd zijn. De boomgaard krijgt een invulling met een regelmatige raster van streekeigen fruitbomen zoals peer, appel, kers op een ondergrond van gras. De rij platanen blijft behouden en wordt doorgezet naar achteren. Deze bomenrij benadrukt zo de landschapsrichting maar vormt ook een aantrekkelijk groenelement centraal in het toegangspad. Ook de groep beuken aan de voorzijde van de woning blijft behouden.
De rest van deze voorruimte krijgt een invulling als open tuin of gazon en onderscheidt zich van de meer besloten boomgaard daarnaast. De afschermende erfbeplanting aan de westzijde blijft behouden. Deze gebiedseigen bomenrij wordt doorgezet met dezelfde soorten of als rij knotwilgen en schermt kavel 2 af. De erfgrens aan de oostzijde
12
mag meer open zijn zodat de twee woningen zich kunnen richten op het landschap. Eventuele erfafscheidingen hier bestaan uit een landschappelijke haag of een transparante bomenrij die zich ter hoogte van de woningen mag openen. De overgang van de kavels naar het pad vindt plaats met hagen. Deze zijn laag aan de ‘lintzijde’ van het ensemble en hoog aan de achterzijde waar ze de achtertuinen afschermen. De hagen worden om de parkeerplaatsen aan dit pad heen doorgezet. Het pad zelf bestaat uit één of twee verhardingen; grind, gebakken klinkers of een combinatie daarvan. Het pad vertoont een eenduidig beeld tot aan de achterste bebouwing. Parkeerplaatsen krijgen dezelfde materialisering als het pad of zijn in grasstenen uitgevoerd. Conclusie Met het planvoornemen en de hierboven beschreven beeldkwaliteitskenmerken ontstaat een ensemble dat passend is bij het lint en het achterliggende landschap. Dit zorgt voor een duidelijke, kwalitatieve verbetering ten opzichte van de huidige situatie waar bedrijfsbebouwing zonder afschermende erfbeplanting het beeld aan het lint en het landschap bepaalt.
13
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang is de NOVI verder niet specifiek van belang. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk, zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit, het realiseren van woningen en het behouden en het versterken van cultureel erfgoed.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven:
14
2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigingsof het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen, afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Het voorliggende plan maakt de realisatie van in totaal twee woningen mogelijk, waarmee het project niet aangemerkt wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet nader getoetst hoeft te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers.
15
Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in de op kaart 14 aangegeven kernrandzone van Montfoort. Voor de kernrandzone vraagt de provincie specifiek beleid gericht op het behoud en versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Hier zijn mits de ruimtelijke kwaliteit verbeterd wordt ook stedelijke functies toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling verbeterd de ruimtelijke kwaliteit door de bedrijfsbebouwing te slopen en te vervangen met nieuwe woningen en groen.
De locatie ligt in het landschap Groene Hart, er wordt aangesloten bij de kernkwaliteiten van het landschap. De zichtlijnen blijven behouden en de hoeveelheid bebouwing neemt af. Daarnaast wordt er met het voorliggende plan rekening gehouden met klimaatadaptatie en duurzaamheid. De nieuwe woningen zullen aardgasloos uitgevoerd worden en worden voorzien van duurzame materialen, goede isolatie en duurzame installaties. Met het plan wordt een deel van de verharding verwijderd en het gebied beschikt over voldoende mogelijkheid om regenwater af te voeren naar het oppervlaktewater. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie provincie Utrecht.
3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s.
De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar
16
hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek In artikel 9.7 in de Interim Omgevingsverordening wordt het volgende gesteld: a.
b.
Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Landelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten die toestaan dat: 1. percelen voor specifieke stedelijke functies bestemmingen een andere stedelijke functie krijgen, niet zijnde permanente bewoning van een recreatiewoning, kantoor of detailhandel, onder de voorwaarde dat de functiewijziging naar aard en omvang, op basis van een integrale afweging, niet leidt tot vergroting van de locatie en tot een toename van de invloed op de omgeving, dat bestaande cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden en dat omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd; 2. stedelijke functies worden uitgebreid met maximaal 20% van de bebouwingsmogelijkheden onder het vigerende planologisch regime. Van deze maximale uitbreiding kan afgeweken worden mits er sprake is van een economische noodzaak. Ook het bestemmingsvlak kan worden uitgebreid indien er sprake is van een economische noodzaak. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing, waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.
De locatie is gelegen in het landelijk gebied en heeft op dit moment een bedrijfsbestemming. De functie wordt gewijzigd naar wonen en deze functiewijziging leidt niet tot vergroting van de oppervlakte die voor stedelijke functies wordt gebruikt. Er wordt een aanzienlijke hoeveelheid bestaande bebouwing gesloopt (ca. 900 m²) en minder bebouwing terug gebouwd (2 woningen met bijgebouwen). Tevens neemt de invloed op de omgeving af door het vervangen van de bedrijfsbestemming met een woonbestemming. Het verdwijnen van de bedrijfsfunctie betekent dat er minder verkeersbewegingen plaatsvinden en er daardoor minder overlast is. Daarnaast zorgt het verdwijnen van de bedrijfsfunctie voor minder overlast van milieueffecten die door het bedrijf veroorzaakt werden zoals geluid. Voortzetting van de bedrijfsbestemming betekent dat een toekomstige eigenaar waarschijnlijk de volledige ontwikkelingsmogelijkheden binnen het bestemmingsplan benut. Het omzetten naar een woonperceel voor twee extra woningen is een verbetering voor het woon- en leefklimaat in de omgeving. De cultuurhistorische en landschappelijke waarden worden behouden en versterkt, zoals zichtbaar in het landschappelijk inpassingsplan. De woningen worden goed ingepast in de omgeving en de bestaande (streekeigen) bomenrijen blijven behouden.
Daarnaast wordt nieuw groen gerealiseerd, zo wordt bijvoorbeeld een hoogstam boomgaard aangeplant in het noordoosten en wordt de streekeigen bomenrij richting het zuiden uitgebreid. Er wordt aangesloten bij de kernkwaliteiten en ambities uit de Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen van de provincie Utrecht voor het Groene Hart. De openheid wordt verbeterd doordat de bebouwingsoppervlakte aanzienlijk verminderd wordt. Het (veen)weidekarakter inclusief strokenverkaveling blijft behouden, er wordt gebouwd in de lengterichting op een bestaand perceel. Daarnaast wordt een nieuw boerderijensemble gevormd en wordt gebruik gemaakt van streekeigen beplanting geplaatst. Het contrast tussen het ensemble en de open omgeving wordt behouden. Er vindt hiermee een aanzienlijke kwaliteitsverbetering plaats. De omliggende agrarische bedrijven worden niet in hun bedrijfsvoering belemmerd (zie ook toelichting paragraaf 4.3). Daarmee wordt aan de voorwaarden uit de Interim Omgevingsverordening voor afwijking van verstedelijkingsverbod in het landelijk gebied voldaan.
17
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Montfoort Op 13 december 2021 heeft de raad van de gemeente Montfoort de Omgevingsvisie ‘Vitale kernen in een waardevol landschap’ vastgesteld. In deze Omgevingsvisie heeft de gemeente Montfoort haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vastgelegd. Allereerst worden in de omgevingsvisie de identiteit en de kernkwaliteiten van de gemeente onderscheiden. Deze zijn als volgt samen te vatten:
• • • • • •
Rust en ruimte koesteren Waardevol blauw en groen Trots op historisch karakter Levendig en zorgzaam Bourgondisch, sociaal en religieus Creatief en innovatief
De gemeente positioneert zichzelf als "Een toekomstbestendige gemeente met vitale kernen in een waardevol landschap". Dit doet zij middels de beschrijving van 10 strategische keuzes met bijbehorende ambities en doelstellingen. 1.
De leefomgeving moet passen bij onze identiteit, waarbij we onze landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten beschermen en verbeteren. 2. We kiezen voor een vitale, leefbare en inclusieve gemeente 3. We bieden ruimte aan woningbouw 4. We bieden ruimte aan de lokale maakindustrie 5. Voor mobiliteit volgen we het adagium: "Lokaal vertragen, regionaal versnellen" 6. We bieden (zeer beperkt) ruimte aan energiebronnen in het buitengebied en op bedrijventerreinen. 7. We bouwen recreatieve en toeristische mogelijkheden uit 8. We gebruiken klimaatadaptatie om de gemeente groener, gezonder en veiliger te maken 9. We werken mee aan een toekomstbestendige landbouw met ruimte voor natuur 10. We sturen ook vanuit de fysieke leefomgeving op een gezonde en veilige samenleving De keuzes die gemaakt moeten worden zijn thematisch en gebiedsgericht uitgewerkt in de omgevingsvisie. De thema's worden aan de hand van vier onderdelen behandeld: Wat zijn onze doelen? Wat is onze rolopvatting daarbij? Wat willen we niet? En waar willen we dat dan? Vervolgens wordt de koers voor acht deelgebieden, ieder met een eigen karakter, kwaliteiten en ontwikkelrichtingen beschreven. Planspecifiek Het planvoornemen betreft een woningbouwontwikkeling in lintbebouwing. De planlocatie ligt binnen de Hollandsche IJsselzone.
Dit vormt een gebied waar wonen, werken, recreatie, groen en water centraal staan, als de aantrekkelijke groenblauwe ader door het open landschap. Onderhavige locatie aan de N228 wordt niet specifiek benoemd. Voorts wordt woningbouw in het kader van ruimte-voor-ruimte aangemoedigd binnen de Hollandsche IJsselzone. Ten zuiden van de Hollandsche IJssel wordt ruimte gezien voor functieverandering en intensivering van lintbebouwing. Als aandachtpunt wordt klimaatadaptatie genoemd. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling neemt de verharding af en wordt het plangebied vergroend. Daarmee wordt rekening gehouden met klimaatadaptatie. Daarmee wordt aangesloten bij de gebiedsprioriteiten vanuit de Omgevingsvisie Montfoort. Doordat met het voorgenomen plan enigszins verouderde (bedrijfs)bebouwing wordt gesloopt en hiervoor in de plaats nieuwe woningen worden gerealiseerd is er sprake van een kwaliteitsimpuls voor het gebied. Bovendien komt er met de realisatie van de woningen doorstroming op de woningmarkt tot stand. Hierdoor kunnen er elders woningen voor starters beschikbaar komen.
18
Daarmee wordt voldaan Omgevingsvisie van Montfoort.
3.3.2 Woonvisie gemeente Montfoort 2019 - 2030 Op 8 juli 2019 heeft de gemeenteraad de 'Woonvisie gemeente Montfoort 2019-2030' vastgesteld. De visie geeft inhoud en richting aan de ontwikkelingen op de woningmarkt. De bevolkingssamenstelling verandert, de economie verandert en de woningmarkt verandert mee. Keuzes die in 2019 gemaakt worden, werken door in de komende decennia. De visie is dan ook geen gedetailleerde opsomming van activiteiten in de komende jaren. De woonvisie wordt gezien als een 'kompas' waarmee aangegeven wordt hoe tegen de opgaven in het woonbeleid aangekeken wordt. Er wordt richting gegeven en een bestendige lijn wordt uitgezet voor de toekomst. Daarbij inspelend op nieuwe ontwikkelingen en kansen die zich voordoen. De gemeente zet zich in voor de vitaliteit van wonen en leven in Montfoort en Linschoten. Een passend woonaanbod vormt een onderdeel hiervan, binnen de integrale ruimtelijke ontwikkeling van de kernen Met de woonvisie wil de gemeente toekomstgericht inspelen op de woonwensen en woonmogelijkheden voor de inwoners van Montfoort en Linschoten, en tevens haar bijdrage leveren aan het verminderen van de druk op de regionale woningmarkt. Dit laatste draagt ook bij aan een evenwichtige ontwikkeling van Montfoort en Linschoten.
Differentiatie van woningen is daarbij nodig, om een toekomstbestendige woningvoorraad te hebben waar doorstroming in plaats kan vinden. Op basis van dit vertrekpunt en afweging van de drie gepresenteerde scenario’s kiest de gemeente Montfoort voor een toekomstscenario dat ruimte biedt aan ontwikkelingen passend bij de lokale vraag, met een kleine plus voor nieuwkomers in de gemeente Montfoort. Deze ambitie wordt uit aan de hand van vijf pijlers uitgewerkt: 1. 2. 3. 4. 5.
voorzichtige groei van de kernen: tot 2030, 250 woningen toevoegen, waarvan 130 voor de lokale behoefte; de twee kernen verschillen in woonmilieus en leefstijlen (nieuwe woonstijlen sluiten aan bij de leefstijlen in de kernen); voorkomen dat kwetsbare groepen op de woningmarkt verdrongen worden (o.a. 30% van nieuwbouwprogramma bestaat uit sociale woningbouw); de kernen zijn duurzaam en gezond (o.a. de woningvoorraad is in 2050 energieneutraal); ruimte voor eigen initiatief en innovatie (gemeente faciliteert particulieren initiatieven binnen afwegingskader; nieuwbouw moet zorgen voor een kwalitatieve toevoeging aan de kernen).
De woonvisie heeft ertoe geleid dat de gemeenteraad een stap verder wil gaan en wil onderzoeken of er, bovenop de 250 woningen, nog een extra 180 woningen gerealiseerd kunnen worden. Planspecifiek De woningen worden gerealiseerd nabij de kern Montfoort. Met de realisatie van de vrijstaande woningen wordt een bijdrage geleverd aan de behoefte aan woningen voor gezinnen met kinderen. De woningen kunnen tevens doorstroming op gang brengen. De woningen zullen voldoen aan de geldende duurzaamheidsnormen en daarmee aansluiten bij de vierde pijler. De gemeente Montfoort stimuleert eigen initiatief en innovatie. Men zet in op initiatieven die passen bij de schaal van de gemeente en ziet kansen voor sociale en fysieke innovaties. De woningen die de initiatiefnemer voor ogen heeft zorgen voor een kwalitatieve toevoeging. Geconcludeerd wordt dat het plan in lijn is met de ambities van de Woonvisie 2025.
19
4 Uitvoerbaarheid 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.-plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2.000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling betreft namelijk de realisatie van twee nieuwe woningen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;
20
b.
belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 4. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Dit besluit wordt opgenomen als bijlage bij de aanvraag omgevingsvergunning. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan. Op basis van deze plantoelichting welke gezien kan worden als aanmeldingsnotitie kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
4.2 Bodem In het kader van een bestemmingsplan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Middels dit onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het deelgebied bij elkaar passen. Planspecifiek Om aan te tonen wat de kwaliteit van de bodem en het grondwater is, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Lawijn advies & management, 26 januari 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: Algemene bodemkwaliteit
•
In de kleiige laag in de bovengrond ter plaatse van het oostelijk gedeelte van de locatie (weiland) is een licht verhoogd nikkelgehalte gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogd achtergrondgehalte. Zintuiglijk is bijmenging van sporen puin en grind waargenomen.
•
In de geroerde zandige laag in de bovengrond onder de klinkerverharding op het noordelijk gedeelte van de locatie zijn lichte verontreinigingen met minerale olie, PCB en PAK geconstateerd. Zintuiglijk is matige tot sterke bijmenging van puinresten waargenomen. In de kleiige laag in de bovengrond op het zuidwestelijk gedeelte van de locatie zijn, zowel zintuiglijk als analytisch, geen verontreinigingen geconstateerd.
• • •
In de ondergrond van de locatie is een licht verhoogd nikkelgehalte gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogd achtergrondgehalte. Zintuiglijk zijn geen afwijkingen waargenomen in de ondergrond. Bij het onderzoek op asbest is in de geroerde zandige bovenlaag onder de klinkerverharding op het noordelijk gedeelte van de locatie en in de puinfunderinglaag onder de betonvloer op het zuidelijk gedeelte van de locatie, zowel visueel als analytisch, geen verontreiniging geconstateerd.
Terreindeel (voormalige) olietanks
•
In de bodemlaag onder de terreinverharding bij de mogelijke voormalige tanklocaties en de bestaande bovengrondse dieselolietank is, zowel zintuiglijk als analytisch, geen verontreiniging met minerale olie geconstateerd.
21
•
In het grondwater uit de peilbuis bij de bovengrondse dieselolietank is een licht verhoogde concentratie barium gemeten, welke vermoedelijk kan worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde. Voor minerale olie en vluchtige aromaten is geen verontreiniging aangetoond in het grondwater.
Op basis van de verkregen onderzoeksresultaten bestaat, conform de richtlijnen van de Wet bodembescherming, geen aanleiding tot nader onderzoek. De verkregen resultaten geven geen milieutechnische bezwaren ten aanzien van de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie.
4.3 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals bijvoorbeeld: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in de realisatie van twee nieuwe woningen op een voormalig bedrijfsperceel en het omzetten van de bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning. Deze nieuwe woningen en de bestaande woning worden in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. De VNG-publicatie stelt dat een gebied gezien kan worden als 'gemengd gebied' indien er sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Het plangebied is gelegen aan de N228. De directe omgeving van het plangebied bestaat uit woningen en (agrarische) bedrijvigheid. Derhalve is sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Om die reden kan de richtafstand, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap worden verminderd. In onderhavig plan gaat het om de ontwikkeling van uitsluitend een woonfunctie en worden er geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt.
22
Aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. In de navolgende tabel en figuur is hiervan een overzicht weergegeven.
Nr.
1
1a
Activiteit bedrijven t/m milieucategorie 3.1 specifieke vorm van bedrijf - produktiebedrijf voor autoonderhoudsartikelen *
2
bedrijven t/m milieucategorie 3.1
3
bedrijf t/m categorie 3.1
3a
3b
specifieke vorm van bedrijf - recyclingbedrijf voor autobanden ** specifieke vorm van bedrijf - dakpannenfabriek
SBI-2008
Locatie
Milieucategorie (maximaal toegestaan)
Richtafstand gemengd gebied
Minimale afstand tot de woningen
-
Heeswijk 101
3.1
30 m
100 m
-
Heeswijk 101a
4.2
200 m
100 m
3.1
30 m
45 m
3.1
30 m
25 m
Heeswijk 109A Heeswijk 121-155 383202B
Heeswijk 135, Montfoort
4.2
200 m
25 m
233
Heeswijk 141-155
4.1
100 m
220 m
Heeswijk 4.1 50 m *** 55 m 76A * Op grond van het bestemmingsplan 'Reparatie 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012' zijn bedrijven tot en met categorie 3.1 toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - productiebedrijf voor autoonderhoudsartikelen' tevens een productiebedrijf voor recyclingbedrijf voor autobanden behorend tot categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. ** Op grond van het bestemmingsplan 'Reparatie 1e herziening bestemmingsplan Buitengebied 2012' zijn bedrijven tot en met categorie 3.1 toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - recyclingbedrijf voor autobanden' tevens een recyclingbedrijf voor autobanden behorend tot categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. *** Voor intensieve veehouderijen geldt een richtafstand van 200 m voor geur. Omdat het aspect geur via de gemeentelijke verordening geregeld is, is hier uitgegaan van de maatgevende richtafstand voor geluid. 4
intensieve veehouderij
23
Uit het bovenstaande volgt dat het plangebied, met uitzondering van de locatie waar het bestemmingsplan een recyclingbedrijf voor autobanden toestaat, op voldoende afstand is gelegen van bedrijven en andere milieubelastende activiteiten. Op het recyclingbedrijf voor autobanden zal hieronder verder ingegaan worden. Het plangebied valt ook gedeeltelijk binnen de richtafstand van bedrijven t/m milieucategorie 3.1, te weten de (voormalige) bedrijven aan Heeswijk 121-155 en Heeswijk 76a. Voor deze laatste twee bedrijven geldt dat een deel van de kavel binnen de richtafstand ligt, maar de woningen liggen daarbuiten. In geval van een voorgenomen ontwikkeling binnen de richtafstanden uit de VNG-brochure is een verdere onderbouwing nodig voor de bestemmingsplanwijziging. In deze onderbouwing wordt gekeken naar bestaande beperkingen en naar feitelijke activiteiten die rondom het plangebied plaats vinden. Indien de nieuwe woningen geen verdere beperking van de reële invulling van de planologische mogelijkheden en de feitelijke bedrijfsactiviteiten veroorzaken, kan de voorgenomen ontwikkeling als ruimtelijk inpasbaar gezien worden. Productiebedrijf voor auto-onderhoudsartikelen Ter plaatse van Heeswijk 101a is in het geldende bestemmingsplan de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - productiebedrijf voor auto-onderhoudsartikelen' opgenomen.
Hier is volgens het bestemmingsplan een productiebedrijf voor recyclingbedrijf voor autobanden behorend tot milieucategorie 4.2 toegestaan. Voor deze milieucategorie geldt een minimale richtafstand van 200 m in gemengd gebied. Het plangebied ligt op 100 m afstand van dit bedrijf, waardoor niet aan de richtafstand voldaan wordt. Omdat de ontwikkeling zich binnen de richtafstanden bevindt kan ook worden gekeken naar de huidige activiteiten. Milieucategorie 4.2 komt niet overeen met het daadwerkelijk ter plaatse gevestigde bedrijf en de bijbehorende werkzaamheden. Op deze locatie is in de huidige situatie Autex Chemie gevestigd (milieucategorie 3.2 - overige metaalbewerkende industrie) en Auto Montfoort (milieucategorie 2 - handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven). Uitgaande van milieucategorie 3.2 en een richtafstand van 50 m in gemengd gebied wordt aan deze richtafstand voldaan. Direct naast dit bedrijf bevindt zich een woonbestemming (Heeswijk 103), waardoor de bedrijfsbestemming reeds beperkt is in de maximale planologische mogelijkheden. De woningen Heeswijk 74, 76, 105 en 107 liggen eveneens tussen het plangebied en de betreffende bedrijfsbestemming, en daarmee op kortere afstand dan het plangebied. Dit betekent dat het bedrijf reeds rekening moet houden met deze woningen in haar bedrijfsvoering.
Het toevoegen van een op grotere afstand gelegen nieuwe woning vormt daarom geen extra beperking van de betreffende bedrijfsbestemming. Intensieve veehouderij Heeswijk 76A Op ruim 45 m vanaf de planlocatie bevindt zich een bestemming waarbinnen een intensieve veehouderij is toegestaan. Voor geluid geldt hierbij een richtafstand van 50 m (gemengd gebied). Voor geur geldt in dit geval (buiten de bebouwde kom) een vaste afstand van 50 m. Het plangebied bevindt zich gedeeltelijk binnen deze afstanden. Het bouwvlak waarbinnen de woningen gerealiseerd kunnen worden bevindt zicht echter daarbuiten (55 m). Er wordt hier aan de afstand van 50 m voldaan. Direct naast de agrarische bestemming, en zo op kortere afstand dan de te realiseren woningen, bevindt zich een woning (Heeswijk 76). Deze woning is dan ook maatgevend voor de uitbreiding van de activiteiten van de veehouderij. Het toevoegen van extra woningen als gevolg van het onderhavige bestemmingsplan vormt dan ook geen extra beperking voor uitbreidingen op het perceel Heeswijk 76A. Met betrekking tot de achtergrond geurbelasting moet worden gekeken of er binnen 1 km grote intensieve veehouderijen aanwezig zijn. Binnen een afstand van 1 tot 2 km is ter plaatse van Blokland 23 (op ca. 1,15 km afstand) een intensieve veehouderij toegestaan.
Omdat er slechts één intensieve veehouderij binnen een afstand van 2 km toegestaan is, is het niet zinvol de gezamenlijke geurbelasting, de zogenaamde achtergrondbelasting, van meer dan één intensieve veehouderij te bepalen. Gezien het feit dat slechts één intensieve veehouderij binnen een afstand van 1 km is toegestaan en hier in de feitelijke situatie geen agrarische bedrijfsactiviteiten worden uitgeoefend, zijn er geen belemmeringen vanuit het aspect geur. In het kader van het aspect geur wordt voldaan aan de afstandsnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij.
24
Bandenrecyclingbedrijf Aan Heeswijk 135 is een recyclingbedrijf voor autobanden (SBI-code 383202 B) gevestigd. Hier is volgens het bestemmingsplan een recyclingbedrijf voor autobanden behorend tot milieucategorie 4.2 toegestaan. Voor deze milieucategorie geldt voor het aspect geur een richtafstand van 200 m in gemengd gebied. De twee nieuwe woningen liggen op 50 m afstand van dit bedrijf, waardoor voor geur niet aan de richtafstand voldaan wordt. Het bedrijf is echter op basis van de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit getoetst op onder meer het aspect geur. Op basis hiervan is vast te stellen dat in de bestaande woningen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd is voor het onder andere aspect geur. Aangezien de nieuwe woningen zich op grotere afstand tot dit bedrijf bevinden, is ook in deze woningen een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd voor het aspect geur. Voor het aspect geluid geldt in gemengd gebied een richtafstand van 50 m. Voor de twee nieuwe woningen wordt (net) aan deze richtafstand voldaan. Er wordt tevens voldaan aan de richtafstand van 30 m in gemengd gebied voor de aspecten stof en gevaar. Rondom het recyclingbedrijf voor autobanden liggen woningen op kortere afstand dan de nieuwe woningen. Dit zijn de bestaande bedrijfswoning Heeswijk 78 en de woningen ten noorden (Heeswijk 113) en ten oosten van het plangebied (Heeswijk 80-92).