01 BPNieuwe Zandweg 20_toelichting (meegekopieerd).pdf
Tekst van het document
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
29
4.3.1 Beoordeling In de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’ zijn een aantal activiteiten opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit. Hieronder vallen woningbouwlocaties die, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 500 nieuwe woningen bevat. Onderhavig plan heeft betrekking op een functieverbreding binnen de bestaande bebouwing en toename in oppervlak van bijgebouwen. Hiermee blijft het plan ruim onder de grens voor niet in betekenende mate. Heersende luchtkwaliteit In het kader van een goede ruimtelijke ordening is aanvullend inzicht gegeven in de heersende luchtkwaliteit op de beoogde planlocatie. Uit de monitorkaarten van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) blijkt dat, voor de maatgevende stoffen (fijn stof, zeer fijn stof en stikstofdioxide), bij de meest nabijgelegen rekenpunten aan de M.A. Reinaldaweg (zie figuur 4.1) de volgende waarden van toepassing zijn: - De hoogst optredende jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide (NO2) is 20,1 g/m3. Hiermee wordt ruim voldaan aan de geldende grenswaarde van 40 g/m3. - De hoogst optredende jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) is 18,6 g/m3. Hiermee wordt ruim voldaan aan de geldende grenswaarde van 40 g/m3. - Het hoogst optredende aantal overschrijdingen van de etmaalnorm voor fijn stof (PM10) is 7.
Hiermee wordt ruim voldaan aan de geldende grenswaarde van 35. - De hoogst optredende jaargemiddelde concentratie zeer fijn stof (PM2,5) is 11,3 g/m3. Hiermee wordt ruim voldaan aan de geldende grenswaarde van 25 g/m3. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft, op basis van gezondheidskundige overwegingen, advieswaarden geformuleerd die lager zijn dan de huidige grenswaarden (20 μg/m3 voor PM10 en 10 μg/m3 voor PM2,5). De verwachting is dat deze waarden in de komende jaren (toetsmoment 2030) gehaald gaan worden. Daarom is er ook in de toekomst sprake van een goed woon- en leefklimaat.
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
30
Figuur 4.1 Locatie NSL Rekenpunten aan de N204 in Linschoten (bron: NSL monitoringstool) 4.3.2 Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.4
Geluid
Geluid beïnvloedt vaak de kwaliteit van de leef- en woonomgeving. De belangrijkste geluidbronnen die in het kader van de ruimtelijke ordening van belang zijn, zijn wegverkeer, railverkeer en bedrijven. De mate van acceptatie en hinder is onder meer afhankelijk van de functie van het geluidbelaste object – hiervoor kent de wet 'geluidgevoelige bestemmingen' zoals wonen, zorg en onderwijs. De regels en normen van de Wet geluidhinder zijn in de volgende gevallen van toepassing bij het vaststellen van een ruimtelijk plan: − bestemmen van gronden voor nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen een zone; − bestemmen van gronden voor aanleg van nieuwe gezoneerde (spoor) wegen (niet zijnde rijkswegen of hoofdspoorwegen vallend onder de Wet milieubeheer); − reconstructie van gezoneerde wegen (niet zijnde rijkswegen); − bestemmen van gronden voor gezoneerde industrieterreinen; − wijzigen van de grenzen van gezoneerde industrieterreinen of bijbehorende zones.
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
31
De Wet geluidhinder kent voorkeursgrenswaarden waarbinnen een geluidgevoelige bestemming altijd kan worden gerealiseerd. Onder voorwaarden kan er een ontheffing van de voorkeursgrenswaarde worden verleend ('hogere waarde') tot aan een zekere maximale ontheffingswaarde. Bij een geluidbelasting boven de maximale ontheffingswaarde zijn geluidgevoelige bestemmingen niet toegestaan. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt indien er gebruik wordt gemaakt van 'dove gevels'. De grenswaarden zijn voor wegverkeer 4853 dB voor rijkswegen en 48-63 dB voor lokale wegen, voor spoorweglawaai 55-68 dB en voor gezoneerde industrieterreinen 50-55 dB(A). Bij een geluidbelasting tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale ontheffingswaarde dient akoestisch onderzoek uitsluitsel te geven over de te verwachten geluidbelasting en de doeltreffendheid van maatregelen om een overschrijding van grenswaarden te voorkomen. 4.4.1 Beoordeling In het kader van de ontwikkeling is door LBP|SIGHT een akoestisch onderzoek uitgevoerd (kenmerk R085524an.17BE2WH.fwi, bijlage II). In het onderzoek is getoetst aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijke geluidbeleid. Uit het onderzoek blijkt het volgende: ▪ N204 (80 km/u): de geluidbelasting vanwege het wegverkeer op de N204 is maximaal 60 dB op de eerste verdieping op de zuidoostgevel van de nieuw te realiseren woning in schuurvorm.
Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB met maximaal 12 dB overschreden. De hoogste geluidbelasting op de gevels van de monumentale hoeve bedraagt ten hoogste 58 dB inclusief wettelijke aftrek. Hiermee wordt de voorkeursgrenswaarde van 48d B met maximaal 10 dB overschreden. ▪ Laan van Rapijnen (50 km/u weg): de geluidbelasting is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor gezoneerde woningen. Er zijn geen belemmeringen vanuit de Wet geluidhinder voor de nieuwe woningen. ▪ De Nieuwe Zandweg (30 km/u weg): de geluidbelasting is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor gezoneerde woningen. Hiermee is sprake van een goede ruimtelijke ordening. ▪ Vanwege de N204 moet een hogere waarde van 60 dB voor de nieuwe woning in schuurvorm en van 58 dB, als deze functie ook wordt omgezet naar “wonen”, voor de monumentale hoeve worden aangevraagd. Hier zijn voorwaarden aan verbonden. ▪ Er wordt voldaan aan de gemeentelijke indelingseisen. De nieuwe woning in schuurvorm en de monumentale hoeve voldoen aan de norm voor een geluidluwe buitenruimte (gelegen aan de noordwest- én noordoostgevel een geluidluwe gevel. Bij de indeling van de woning moet wel rekening worden gehouden met de beleidsregel dat minimaal 30% van het vloeroppervlak van alle verblijfsgebieden tezamen aan de geluidluwe gevel dienen te worden gesitueerd.
▪ Het advies is om de geluidwering van de gevels van de woningen af te stemmen op de gecumuleerde geluidbelasting vanwege alle bronnen. Op deze manier worden de bewoners optimaal beschermd tegen de geluidbelasting in de omgeving en wordt een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. In het kader van het bestemmingsplan worden te zijner tijd hogere waarden aangevraagd. De procedure hiervoor wordt opgestart met de bestemmingsplanprocedure. 4.4.2 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
32
4.5
Bedrijven en milieuzonering
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Die afstand moet ook weer niet onnodig groot zijn, omwille van een efficiënt ruimtegebruik. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ editie 2009 is een hulpmiddel voor milieuzonering in de ruimtelijke planvorming. Met milieuzonering kan ervoor worden gezorgd dat nieuwe bedrijven op een verantwoorde afstand van gevoelige bestemmingen worden gesitueerd. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De publicatie hanteert een tweetal verschillende omgevingstypen voor de richtafstanden: het omgevingstype ‘gemengd gebied’ en het omgevingstype ‘rustige woonwijk/rustig buitengebied’. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een rustige woonwijk en in rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies voor.
De richtafstanden gelden voor een gemiddeld nieuw bedrijf en gaan uit van een rustig woongebied. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden, zonder dat dit ten koste gaat van het leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd als sprake is van omgevingstype ‘gemengd gebied’. In de navolgende tabel zijn de richtafstanden weergegeven.
Tabel 4.1 Overzicht richtafstanden VNG-publicatie 4.5.1 Beoordeling In het bestemmingsplan ‘Kern Linschoten’ is een woonfunctie om het plangebied reeds mogelijk. Onderhavig plan maakt één nieuwe woning mogelijk. Gezien de ligging van de planlocatie wordt niet verwacht dat het aspect milieuzonering een belemmering vormt voor het plan. Onderstaand wordt ter verduidelijking beschreven welke bedrijfsfuncties er in de omgeving gevestigd zijn. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door overwegend een woonfunctie, op enkele plekken een maatschappelijke of gemengde functie, en in mindere mate een agrarische en
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
33
bedrijfsfunctie. Overheersend in het beeld van de omgeving is de M.A. Reinaldaweg (N204); een provinciale weg die een belangrijke verbinding vormt tussen de A12 in het noorden naar de Montfoort, de N228 en de N210. Deze weg wordt intensief gebruikt en kan gezien worden als onderdeel van een belangrijke hoofdinfrastructuur. Gezien de ligging van het onderhavige plangebied naast de N204 kan de omgeving gekarakteriseerd worden als ‘gemengd gebied’. Richtafstanden mogen daarom, waar nodig, met één afstandstap verlaagd worden. Direct ten noorden van de planlocatie ligt een maatschappelijke bestemming. Binnen deze bestemming zijn bibliotheken, openbare dienstverlening, gezondheidszorg, kinderopvang, onderwijs, peuterspeelzalen, sociale en welzijnsvoorzieningen en verenigingsleven mogelijk. Op dit moment is de Protestantse Gemeente Linschoten er gevestigd. Volgens de VNG-publicatie vallen deze functies doorgaans onder milieucategorie 2. Er geldt hier een richtafstand van 10 meter voor. De te realiseren woningen liggen op ruim 35 meter afstand. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Circa 117 meter ten noordwesten van de planlocatie ligt de bestemming ‘Gemengd – 1’. Binnen deze bestemming zijn bedrijfsactiviteiten mogelijk tot en met milieucategorie 2 (met een bijbehorend richtafstand van 10 meter). Ook hier wordt voldaan aan de richtafstand.
Verder zijn binnen de woonbestemmingen die in de omgeving van de planlocatie liggen onder andere aanhuis-gebonden beroepen toegestaan die behoren tot milieucategorie 1. Deze zorgen niet voor belemmeringen voor het plan. Op circa 200 meter ten zuidwesten van de planlocatie ligt een bedrijfsbestemming. De bedrijfslocatie ligt in het bestemmingsplan, namelijk ‘Buitengebied 2012’ (vastgesteld op 11 maart 2013). Binnen deze bestemming zijn bedrijven tot en met categorie 2 toegestaan. Op de locatie is Autobedrijf M. van Eijk gevestigd. Er wordt voldaan aan de richtafstand. Op ca. 70 meter ten oosten van het plangebied (Nieuwe Zandweg 23) is een agrarisch bedrijf gevestigd. Het betreft hier een veehouderij met SBI-codering 0141, 0142 (het fokken en houden van rundvee). Deze bedrijfsactiviteit valt onder milieucategorie 3.2, met een bijbehorende richtafstand van 100 meter. Het maatgevende hinderaspect is geur. Omdat er sprake is van ‘gemengd’ gebied kan de richtafstand voor dit bedrijf met één afstandstap verlaagd worden, naar 50 m. Er wordt dus voldaan aan de richtafstand. Voor stof, geluid en gevaar is de richtafstand maximaal 30 m, deze hoeven daarom ook niet verder getoetst te worden. Ter plaatse van de woningen is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
4.5.2 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.6
Externe veiligheid
Het algemene rijksbeleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving van: − Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); − Het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen); − Het transport van aardgas en brandstoffen door buisleidingen;
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
34
−
Het gebruik van luchthavens en overige risicobronnen zoals bijvoorbeeld windturbines hoogspanningslijnen en zendmasten.
Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi), voor zover de risico's door een inrichting worden veroorzaakt. Voor ondergrondse buisleidingen gelden het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb). Voor het transport van gevaarlijke stoffen gelden sinds 1 april 2015 het Besluit externe veiligheid transportroutes en de Regeling Basisnet. De Basisnetten Weg, Water en Spoor geven de verhouding aan tussen ruimtelijke ordening en de risico's van het vervoer van gevaarlijke stoffen over rijkswegen, hoofdvaarwegen en spoorwegen. De normering voor risico’s als gevolg van het transport, het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen en windturbines is gebaseerd op enkele begrippen. − Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich altijd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Voor het plaatsgebonden risico geldt voor kwetsbare objecten een grenswaarde van 10 -6 per jaar (kans op één dode per jaar, mag één op de miljoen zijn). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. − Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar dat in één keer een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval.
Hoe meer mensen nabij de bron verblijven, hoe groter het groepsrisico. Het groepsrisico wordt vergeleken met de oriëntatiewaarde: met de kans op een ongeval met 10 dodelijke slachtoffers van 10 -5 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 dodelijke slachtoffers van 10 -7 per jaar, en met de kans op 1000 of meer dodelijke slachtoffers van 10-9 per jaar. Het bevoegd gezag zal bij een nieuwe ontwikkeling moeten bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar risico. Vervolgens moet het bevoegd gezag over de hoogte van het groepsrisico verantwoording moeten afleggen. Bij de verantwoording van het groepsrisico door het bevoegd gezag wordt er nader gekeken naar de gevolgen van de diverse scenario’s die zich kunnen voltrekken. Zo kan er gekeken worden naar de mogelijkheden voor het terugbrengen van de risico’s en optredende effecten, de zelfredzaamheid van personen en de mogelijkheden voor bestrijding en hulpverlening. Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Besluit Externe Veiligheid Transportroutes van toepassing (Bevt). Wanneer het ruimtelijk plan binnen 200 meter van een transportroute gelegen is dient ook aandacht te worden geschonken aan de volgende aspecten: − Dichtheid van personen en de verwachte veranderingen. − Hoogte van het groepsrisico.
− Maatregelen ter beperking van het groepsrisico (waaronder stedenbouwkundige opzet, bouwkundige voorzieningen en voorzieningen met betrekking tot de inrichting van de openbare ruimte). − Mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan. Er is echter sprake van een uitzondering wanneer: − Het groepsrisico, niet hoger is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
35
−
Het groepsrisico, niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. In dat geval hoeft alleen te worden gekeken naar de eerst genoemde aspecten van bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.
4.6.1 Beoordeling Om na te gaan welke risicobronnen in de omgeving aanwezig zijn, is de Risicokaart geraadpleegd. Onderstaand figuur laat een uitsnede zien met daarop de risicobronnen in de omgeving.
Figuur 4.2 Uitsnede Risicokaart met globale aanduiding planlocatie (rood omcirkeld) Transport gevaarlijke stoffen Voor het transport van gevaarlijke stoffen is het Basisnet relevant. De N204 is niet opgenomen in het Basisnet, maar incidenteel vindt er wel transport van gevaarlijke stoffen plaats. In dit geval betreft het de transportroutedeel Benschop – Montfoort. De beoogde woningen liggen op ca. 38 meter van deze weg. Het plangebied ligt daarmee binnen het invloedsgebied van deze weg. Over
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
36
de route mag overigens uitsluitend bestemmingsverkeer rijden. De route loopt over de N204 tot en met het bedrijventerrein IJsselveld. Aangezien de route uitsluitend door bestemmingsverkeer gebruikt mag worden zijn de plaatsgebonden en groepsrisico's niet relevant. Dit blijkt ook uit de gegevens van de Risicokaart. De berekende PR 10-5 en PR 10-6 contouren bedragen 0 meter bedragen en liggen daarmee niet buiten het wegdek. Wat betreft groepsrisico is relevant dat het plan niet voorziet in een relevante toename van het aantal personen dat verblijft binnen het invloedsgebied. De populatiedichtheid rond de weg is groot vanwege de woonkern van Linschoten, en dit bestemmingsplan voorziet in een toename van slechts één woning. De populatiedichtheid verandert dus nauwelijks ten opzichte van de bestaande situatie. Het groepsrisico neemt daarom niet toe met meer dan 10%. Conform artikel 8, lid 1 van het Bevt kan een verantwoording van het groepsrisico dan achterwege worden gelaten. Voor noodzakelijk transport ten behoeve van laden en/of lossen van gevaarlijke stoffen buiten de vastgestelde routes is een ontheffing nodig. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden om een veiligere leefomgeving te realiseren.
Er kan langs het plangebied wel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden van de niet-routeplichtige stoffen (zoals benzine) en routeplichtige stoffen met ontheffing (zoals propaan), maar de frequentie daarvan is dermate laag dat daardoor geen risico's ontstaan die ruimtelijk relevant zijn. Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Bij het bestrijden van een incident zijn de bereikbaarheid, de bluswatervoorziening en de opkomsttijd van de brandweer belangrijk. Bij een calamiteit zullen de hulpverleningsdiensten zich voornamelijk richten op het redden van mensen, het ontruimen en afschermen van de omgeving met behulp van waterschermen en het blussen van branden. Om dit mogelijk te maken moet het plangebied en de omgeving goed bereikbaar zijn en zijn voorzien van voldoende blusmiddelen en opstelplaatsen. Er wordt van uitgegaan dat dit voor het plangebied het geval is, gezien de directe ontsluiting vanaf de Nieuwe zandweg en de open ruimte rondom de woningen. In het westelijk deel van het plangebied (ter plaatse van de agrarische gronden) is daarnaast voldoende oppervlaktewater aanwezig dat gebruikt kan worden voor het blussen van branden. Zelfredzaamheid is het vermogen om jezelf en/of anderen in veiligheid te brengen bij de dreiging van, óf het bestaan van, een gevaarlijke situatie. Zelfredzaamheid is een factor om rekening mee te houden bij de weging van het groepsrisico.
Er is echter geen normstelling vastgelegd. Bij het bepalen van de zelfredzaamheid spelen de volgende afwegingscriteria een rol: - fysieke gesteldheid van de bewoners (kunnen ze zichzelf in veiligheid brengen); - zelfstandigheid bewoners (kunnen de bewoners zelfstandig het gevaar inschatten en zich zelfstandig in veiligheid brengen); - alarmeringsmogelijkheden (kunnen de bewoners tijdig gealarmeerd worden); - vluchtmogelijkheden in gebouwen of omgeving (heeft het gebouw waarin de personen zich bevinden voldoende vluchtmogelijkheden en zijn er voldoende mogelijkheden om het gebied te ontvluchten); en - mogelijkheden tot gevaarinschatting van scenario (kondigt het ongeval zich tijdig aan en is dreiging herkenbaar). Voor onderhavig plan mag worden uitgegaan dat de aanwezige personen voldoende zelfredzaam zijn. De doelgroep van de woningen bestaat uit personen die in goede fysieke gesteldheid en zelfstandig zijn. Vanuit het woongebouw kan ontvluchting van het gebouw af plaatsvinden (richting
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
37
het noorden en westen). Het is van belang dat de omwonenden tijdig over de risico’s wordt gealarmeerd tijdens een calamiteit. Risicovolle inrichtingen In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen risicovolle inrichtingen. Er zijn daarom geen belemmeringen vanuit persoons- of groepsrisico. Dit bestemmingsplan voorziet ook niet in een nieuwe risicovolle inrichting. Buisleidingen In en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen. Dit aspect heeft geen gevolgen voor de beoogde ontwikkeling. 4.6.2 Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7
Bodem
In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is het van belang om de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in kaart te brengen. Duidelijk moet zijn of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. 4.7.1 Beoordeling In het kader van de ontwikkeling is door MILON bv een verkennend bodem- en asbestonderzoek en een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. In het verkennend bodem- en asbestonderzoek (kenmerk 20201719, bijlage III) is inzicht verkregen in de bodemopbouw en actuele milieuhygiënische kwaliteit van de grond en het grondwater. Ook is onderzocht of de verdenking van de bodem met asbest terecht is. Het onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Ter plaatse van één boring is sprake van een ernstige bodemverontreiniging met zink. De omvang van de verontreiniging is niet bepaald. Daarnaast is één locatie verdacht op het voorkomen van verontreiniging met asbest op basis van de waargenomen bodemvreemde bijmengingen.
Nader onderzoek naar de omvang van de zinkverontreiniging en asbestonderzoek is noodzakelijk. Ter plaatse van de overige deellocaties zijn ten hoogste licht verhoogde gehaltes en concentraties aangetoond. Vervolgonderzoek daarvoor wordt niet zinvol geacht. In een proefgat ter hoogte van de zuidelijke oprit is een asbestconcentratie ruim boven de norm van nader onderzoek aangetroffen. De locatie is daarmee verdacht op het voorkomen van een verontreiniging met asbest. Een nader onderzoek asbest is noodzakelijk. In het aanvullende onderzoek (kenmerk 20203459, bijlage IV) is het volgende onderzocht:
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
38
-
verkrijgen van inzicht in de milieuhygiënisch kwaliteit van de bodem en het grondwater ter plaatse van een in juli 2020 niet onderzochte gedempte sloot; onderzoeken van het grondwater ter plaatse van de voormalige dieseltank op de aanwezigheid van aromaten (BTEXN); verifiëren of de onder de verharding aanwezige puinfundering zich alleen onder de verharding bevindt en niet aanwezig is naast de verharding.
Uit het onderzoek blijkt dat ter plaatse van de gedempte sloot ten hoogste licht verhoogde gehaltes in de grond zijn aangetoond. In het grondwater is een matig verhoogd gehalte barium aangetroffen. Vervolgonderzoek wordt niet zinvol geacht. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat geen belemmeringen aanwezig zijn voor het huidige en toekomstige gebruik van de locatie en de voorgenomen herontwikkeling. Ter plaatse van de dieseltank is geen BETXN in het grondwater aangetroffen en wordt de conclusie uit juli 2020 gehandhaafd. Verder kan geconcludeerd worden dat de puinfundering zich beperkt tot onder de verharding. 4.7.2 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de bodemkwaliteit voldoende wordt geacht voor de onderstaande ontwikkeling. Het aspect bodem vormt geen belemmeringen voor dit plan.
4.8
Waterhuishouding
Besluit ruimtelijke ordening Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie uiteengezet (de watertoets). De watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterhuishoudkundige doelstellingen worden daarbij expliciet en op een evenwichtige wijze in beschouwing genomen binnen deze plannen/besluiten. De waterhuishouding wordt hierbij op een integrale wijze benaderd. Zowel het oppervlaktewater als het grondwater moeten dus (in samenhang) in beschouwing worden genomen. Daarbij gaat het naast de kwantiteit ook om de kwaliteit. De integrale benadering van de waterhuishouding betekent ook dat de waterhuishouding moet worden benaderd in samenhang met andere beleidsvelden. De watertoets is een instrument om deze integrale benadering vorm te geven en om het watersysteem gezamenlijk op orde te krijgen. Deze toets heeft in het kader van onderhavige ontwikkeling plaatsgevonden. 4.8.1 Beoordeling Waterkering De planlocatie is gelegen in het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden (HDSR). De noorden westzijde van het perceel ligt nabij een regionale waterkeringzone.
Om de functionaliteit van de waterkering te beschermen zijn in de Keur van het Hoogheemraadschap geboden en verboden opgenomen. Activiteiten en ingrepen in of nabij de beschermingszone van de waterkering en die een negatieve invloed hebben op de waterkering zijn verboden. Het plangebied ligt nabij deze beschermingszone, maar de voorgenomen ontwikkelingen vinden niet plaats binnen de beschermingszone. Daarom zijn de waterkeringen geen belemmering voor de ontwikkeling op de planlocatie. Zie onderstaande figuur.
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
39
Figuur 4.4 Ligging planlocatie ten opzichte van regionale waterkering Oppervlaktewater In de omgeving van het plangebied liggen diverse watergangen. Zie figuur 4.5. Ten zuiden van het plangebied ligt een primaire watergang. Deze watergang is in figuur 4.5 in het blauw weergegeven. Primaire watergangen worden door het waterschap onderhouden. De tertiaire watergangen zijn in het groen weergegeven. Het onderhoud hiervan ligt bij de aangrenzende eigenaar. Het gaat hier met name om sloten met een diepte van 0,6 m. Het zijn geen onderhoudswateren. Er vindt met het plan geen vervuiling van het oppervlaktewater plaats. Er worden geen wijzigingen aangebracht in de watergangen of voornoemde kunstwerken. De geplande ontwikkeling levert geen nadelige effecten op voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving. In het erfadvies van MooiSticht (februari 2019, bijlage V) is aangegeven dat het landschap een impuls kan krijgen door het versterken van de oude ontginningsstructuur. Hierbij wordt geadviseerd om gedempte sloten te ontdempen. Deze ingrepen zijn toegestaan op basis van het bestemmingsplan, maar zijn wel vergunningsplichtig bij het HDSR. Als er voor gekozen wordt om
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
40
het advies m.b.t. het ontdempen van de watergangen wordt gevolgd, dan worden hiervoor te zijner tijd bij het HDSR de benodigde toestemmingen aangevraagd. Verder vinden er in dit bestemmingsplan geen significante uitbreidingen in de grond plaats. De nieuwe woning wordt gerealiseerd in de grond waar nu nog de schuur staat. De bestaande hoeve blijft aanwezig. Het bouwvlak wijzigt niet ten opzichte van het bestaande bouwvlak. Het grondwater wordt derhalve niet beïnvloed. Het plangebied is verder niet gelegen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.
Figuur 4.5 Ligging planlocatie ten opzichte van oppervlaktewater Oppervlakteverharding en waterberging De planlocatie is in de huidige situatie reeds verhard. Onderhavig plan beoogt uitsluitend om bestaande bebouwing af te breken en een klein deel weer opnieuw te bouwen in de vorm van een woning. Er vindt geen extra oppervlakteverharding plaats. Er hoeft geen water gecompenseerd te worden. Waterkwaliteit Om de waterkwaliteit te kunnen borgen adviseren wij u om geen uitlogende materialen, zoals lood, koper en zink te gebruiken voor de dakgoot en/of regenpijpen. Als dit wel gebeurt is het advies een coating te gebruiken zodat er geen uitspoeling plaats zal vinden. Verder is het advies van het
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
41
waterschap om bij nieuwbouw of herbouw om hemelwater direct te lozen op oppervlaktewater en dus niet aan te sluiten op de riolering. Kansen voor verbetering van het watersysteem Op dit moment is het watersysteem binnen het plangebied versnipperd. Het waterschap ziet als kans om doodlopende watergangen met elkaar te verbinden. Het verbinden van watergangen verbetert de ecologie en waterkwaliteit. Een van de mogelijkheden is het dempen van geïsoleerde watergangen en verbinden en verbreden van bestaande watergangen. Als de initiatiefnemer hier invulling aan wil geven gaat het waterschap hierover graag in overleg. Deze waterparagraaf is voorgelegd aan het HDSR. De aangeleverde adviezen van het HDSR m.b.t. de waterkwaliteit en kansen voor verbetering van het watersysteem zijn toegevoegd aan de waterparagraaf. 4.8.2 Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect water geen beperkingen oplevert ten aanzien van de geplande ontwikkeling op de planlocatie.
4.9
Flora en fauna
Bescherming in het kader van de natuurwet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 2) en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming is geregeld in hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Op grond van deze wet is het verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitatten en de habitatten van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Een andere vorm van gebiedsbescherming komt voort uit aanwijzing van een gebied als Natuurnetwerk Nederland (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat andere activiteiten niet mogen leiden tot frustratie van de natuurdoelen.
Anders dan bij gebieds- en soortenbescherming is de status als Natuurnetwerk Nederland niet verankerd in de Wet natuurbescherming, maar dient het belang in de planologische afweging een rol te spelen. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Soortenbescherming Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming bepalend. Soortenbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Er wordt onderscheid gemaakt tussen internationaal beschermde soorten en nationaal beschermde soorten. Van de nationaal beschermde soorten kan de beschermde status per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
42
vrijstelling te verlenen aan (algemeen voorkomende) soorten. Het beschermingsregime is verschillend voor zowel de internationaal beschermde soorten (vogel- en habitatrichtlijn soorten) als de nationaal beschermde soorten. Tevens kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht, zowel voor soorten als hun (beschermde) leefgebied. 4.9.1 Beoordeling In het kader van dit bestemmingsplan en de natuurwetgeving is door ECOquickscan een natuurtoets uitgevoerd (kenmerk 17025, bijlage VI). Er is getoetst of de ontwikkeling geen negatieve invloed heeft op beschermde gebieden of beschermde planten en dieren. Uit het onderzoek blijkt het volgende: - Het plangebied te Linschoten ligt niet in of nabij het NNN of een gebied dat is aangewezen als speciale beschermingszone als bedoeld in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming is op deze locatie niet aan de orde. - De meeste van de mogelijk in het plangebied voorkomende soorten zoals bruine kikker, gewone pad, egel en, algemeen voorkomende, (spits)muizen zijn beschermd, maar vallen onder een algemene vrijstelling van de provincie Utrecht. Voor deze soorten geldt dat aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen op basis van een vrijstelling mogelijk is, zonder dat er sprake is van procedurele consequenties. Wel blijft de zorgplicht (zie bijlage 2 bij de natuurtoets) onverminderd van toepassing.
- Een aantal van de mogelijk voorkomende soorten zijn meer strikt beschermde soorten, soorten waarvoor bij aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen een ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming - hoofdstuk 3 geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van individuele diersoorten zijn de huismus, uilen (steen- en kerkuil) en soorten uit de soortgroep vleermuizen niet uit te sluiten binnen het plangebied. - Vleermuizen: Tijdens dit onderzoek is een zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis aangetroffen. - Uilen: In de gebouwen binnen het plangebied zijn geen verblijfplaatsen of sporen van uilen (steen- en kerkuil) aangetroffen. - Huismus: In de gebouwen binnen het plangebied zijn geen nestlocaties (vaste rust- en verblijfplaatsen) van de huismus aangetroffen. Vleermuizen In het plangebied is een vaste rust- en verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis vastgesteld. Deze vaste rust- en verblijfplaats is jaarrond beschermd. Negatieve effecten op vaste rust- en verblijfplaatsen zijn, bij de sloop van gebouwen, niet uit te sluiten. In het kader van de Wet natuurbescherming dient voor de gewone grootoorvleermuis een ontheffing ex. artikel 3.8 aangevraagd te worden bij de Gedeputeerde Staten van de provincie.
In het kader van de ontheffingsaanvraag Wet natuurbescherming moet een activiteitenplan opgesteld worden. In het activiteitenplan zal onder andere ingegaan moeten worden op mitigerende maatregelen en een onderbouwing van het wettelijk belang van de aanvraag. Mitigerende maatregelen hebben betrekking op de werkzaamheden (werkwijze), tijdelijke effecten en definitieve maatregelen om het plangebied opnieuw geschikt te maken voor soorten. De ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming moet verkregen worden
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
43
De ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming wordt aangevraagd voorafgaand aan de sloop van de schuur, zodra de plannen voor de nieuwbouw uitgewerkt zijn. Stikstofdepositie Zoals gezegd ligt het plangebied niet in of nabij een Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied ligt op ca. 10,5 km. Gezien de grote afstand naar Natura-2000 gebieden en de relatief kleine omvang van de ontwikkeling in dit bestemmingsplan is de stikstofdepositie als gevolg van het plan op de Natura-2000 gebieden zeer waarschijnlijk minder dan 0,00 mol/jaar. Relevant in deze motivering is dat uitsluitend de wijziging van het gebruik beschouwd wordt. Per saldo hebben de twee woningen zeer waarschijnlijk minder stikstofdepositie tot gevolg dan de bestaande agrarische functie (inclusief de bedrijfswoning). De verkeersbewegingen tijdens de sloop-, bouw- en gebruiksfase dragen sowieso niet bij aan een eventueel effect. De stikstofdepositie als gevolg van de verkeersbewegingen wordt namelijk tot maximaal 5 km vanaf de depositiebron meegerekend. Omdat het plangebied op ca. 10,5 km afstand ligt worden de verkeersbewegingen dus niet meegerekend. Negatieve effecten op het gebied van stikstofdepositie worden daarom niet verwacht.
4.9.2 Conclusie Er wordt ontheffing aangevraagd bij de Gedeputeerde Staten voor de gewone grootoorvleermuis voorafgaand aan de sloop van de schuur en de nieuwbouw van de nieuwe woning. Bij de sloop moet tevens rekening gehouden worden bij het verstoren van beschermde diersoorten. Verder zijn er geen belemmeringen op het gebied van ecologie.
4.10
Archeologie en cultuurhistorie
Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt.
De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: - Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; - De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet.
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
44
Vanuit de Erfgoedwet is bijvoorbeeld de meldplicht voor archeologische toevalsvondsten van toepassing. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet iemand die een vondst doet waarvan hij weet, of kan weten, dat het een archeologische vondst betreft verplicht deze vondst te melden bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed of de gemeente Montfoort. 4.10.1 Beoordeling Archeologie De gemeente Montfoort heeft een archeologische beleidskaart waarop aangegeven is in welke gebieden en gevallen archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Op 14 maart 2011 is de Beleidsnota Archeologie vastgesteld. De beleidsnota is een samenwerking tussen de gemeenten Montfoort, Lopik, Oudewater en Woerden. In de Beleidsnota Archeologie wordt omschreven op welke manier de gemeente Montfoort archeologische waarden in de bodem wil beschermen. Het doel van de beleidsnota is het in kaart brengen van waar in de gemeente de kans op het aantreffen van archeologie groot is en waar klein. Daarnaast wordt aangegeven wanneer archeologisch onderzoek verplicht gesteld wordt en wanneer men hiervan vrijgesteld is. Het grondgebied van Montfoort is verdeeld in verschillende verwachtingsgebieden, namelijk gebieden met hoge verwachting, middelhoge verwachting, lage verwachting en geen verwachting.
Behalve de genoemde verwachtingsgebieden worden op de beleidskaart ook nog archeologische monumenten en archeologisch waardevolle terreinen onderscheiden. Zie ook figuur 4.6 voor de verschillende archeologische verwachtingsgebieden, monumenten en waardevolle terreinen. Op de archeologische beleidskaart is het plangebied aangemerkt als een locatie met een hoge archeologische verwachting. Bij locaties met een hoge archeologische verwachting horen onder meer cultuurhistorische elementen en terreinen met een hoge verwachting van waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd en landschappelijke eenheden met een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische waarden uit de prehistorie tot en met de Nieuwe Tijd. Als bijbehorende maatregel is opgenomen dat nieuwe ontwikkelingen onderzoeksplichtig zijn als het plangebied groter is dan 200 m2 en een diepte hebben van meer dan 50 cm. In dit bestemmingsplan is deze maatregel overgenomen door het opnemen van de dubbelbestemming ‘waarde – archeologie’. Conform deze planregel moet er een vergunning aangevraagd worden bij het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte groter dan 200 m² of die dieper dan 50 cm onder maaiveld gebouwd worden. Bij het aanvragen van de omgevingsvergunning moet aan de hand van nader archeologisch onderzoek aangetoond worden dat op de betreffende locatie geen archeologische waarden aanwezig zijn.
De vergunning kan vervolgens verleend worden indien: - de archeologische waarde van de betreffende locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld; - eventueel aanwezige archeologische waarden door de activiteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden die er op gericht zijn om de archeologische resten in de bodem te behouden, opgravingen te doen of de bouwactiviteiten door een archeologische deskundige te laten begeleiden. Indien de bodemingrepen de voorgenoemde grenswaarden overschreden worden moet er dus een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd, te beginnen met een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek. Doel van het bureauonderzoek is om de archeologische verwachting voor het plangebied te specificeren. Doel van het verkennende booronderzoek is om de
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
45
bodemopbouw in het plangebied in kaart te brengen, te bepalen in hoeverre de bodem intact is, en vast te stellen of archeologisch kansrijke bodemlagen aanwezig zijn. Op basis van de resultaten van het bureau- en booronderzoek kan een besluit genomen worden over eventuele vervolgstappen. Het onderzoek moet worden uitgevoerd door een gecertificeerd archeologisch bedrijf.
Figuur 4.6 Uitsnede Waarden- en verwachtingenkaart Cultuurhistorie Boerderij Veldzicht is aangemerkt als Rijksmonument. Het gaat om monument nummer 25977. Het monumentale pand blijft in het voorgenomen plan behouden. Er vinden geen ingrepen aan het pand plaats. In het erfadvies van MooiSticht (zie ook bijlage V) is uiteengezet hoe het erf en de landschapsstructuur het beste ingericht kunnen worden om de landschappelijk inpassing en ruimtelijke kwaliteit te versterken. Het ervenconsulentschap van de provincie Utrecht heeft aangegeven positief te staan tegenover de herbestemming van het Rijksmonument, wanneer deze gekoppeld zijn aan
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
46
kwaliteitsverbeteringen voor het erf, landschapsstructuur en beplanting. Het ervenconsulentschap stipt hier het volgende bij aan: ‘’Het boerenerf en de bijbehorende huiskavel is aan alle kanten omringd door later toegevoegde woningen en een bovenlokale verbindingsweg. Daardoor is het boerenerf afgesneden geraakt van het oorspronkelijke landschap. Maar ook - juist daardoor - heeft dit boerenerf het in zich om een mooi beeldmerk te worden van het voormalige agrarische gebruik van dit landschap, dicht bij het dorp Linschoten. De herontwikkeling met aandacht voor het zichtbaar maken van de landschap- en cultuurhistorie kan hierdoor extra publieke betekenis krijgen. Ten behoeve van een goede landschappelijk inpassing en versterking van de ruimtelijke kwaliteit dient aan de in het advies geformuleerde voorwaarden worden voldaan’’. De adviezen uit het Erfadvies van MooiSticht zijn als volgt opgenomen in dit plan. 1. Ten behoeve van het versterken van de oorspronkelijke ontginningsstructuur wordt het erf aan de zuidzijde versmald tot op de oorspronkelijke kavel. De grond die onttrokken wordt aan het bestaande erf wordt agrarisch bestemd, overeenkomstig de omliggende gronden. Daarnaast wordt de gedempte sloot aan de zuidzijde van het erf weer grotendeels ontdempt.
Hiermee krijgt het perceel weer het langgerekte karakter vanaf de Nieuwe Zandweg terug, en vermindert de aanwezigheid van de M.A. Reinaldaweg. 2. Deze wijziging zorgt voor aanzienlijke een versmalling van het erf. De ruimte voor parkeren op het eigen erf en ontsluiting via het bestaande pad vanaf de Nieuwe Zandweg neemt hierdoor af. Om op het erf voldoende ruimte te behouden is het plan om de beoogde nieuwe ontsluiting via de M.A. Reinaldaweg te laten lopen. Dit ontsluitingspad wordt dan uitgevoerd op een manier dat ook aan het advies van Mooisticht voldaan, namelijk een informele agrarisch karakteristieke verharding. Gedacht zou kunnen worden aan groenverharding, waardoor het ontsluitingspad dan ook zo min mogelijk zichtbaar is. Dit komt tevens de oude ontginningsstructuur ten goede. 3. Om de karakteristieke bebouwing niet overheerst te laten worden door een overmaat aan bijgebouwen wordt voor het bouwen bijgebouwen een beperking opgenomen voor maximaal 25 m2 per woning. Voor de nieuwe schuurwoning betekent het dat er een schuurtje aan de westzijde van de woning gerealiseerd kan worden. Aan deze zijde van de woning blijft dan ook ruimte bestaan voor parkeergelegenheid voor de schuurwoning. Gezien de nieuwe oriëntatie van de woning en het aannemen van de oude ontginningsstructuur wordt het achtererf.
Deze grond is grotendeels aan het zicht onttrokken, vooral vanuit de zichtlijnen vanuit het oosten. 4. In de regels van het plan wordt opgenomen dat het niet toegestaan is om schuttingen of andere erfafscheidingen te plaatsen. De rest van de adviezen van MooiSticht worden vastgelegd in de erfpachtovereenkomsten. Het gaat hier bijvoorbeeld om het gebruik van de inheemse beplanting en streekeigen bomen, de plaatsing ervan, de plaatsing van de fruitstamboomgaard, maaibeheer, natuurvriendelijke oevers, het gebruik van informele verharding, het behoud van het agrarisch karakter van kavels aan weerszijden, nieuwbouw die geïnspireerd is op de bestaande schuur, de opzet van de woningplattegrond en het gebruik van passend materiaal. 4.10.2 Conclusie Er is een archeologisch onderzoek noodzakelijk is als de bodemingrepen in het plangebied groter zijn dan 200 m2 en dieper dan 50 cm beneden maaiveld plaatsvinden. Verder zijn er geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
47
4.11
Duurzaamheid
Duurzaam bouwen is gericht op het beperken van de negatieve milieuaspecten in alle fasen van het bouwproces en het vergroten van de ecologische kwaliteiten van het leefgebied. Concreet betekent dit het terugdringen van verspilling van grondstoffen, het verlengen van de levensduur, een flexibeler gebruik van gebouwen en het bevorderen van hergebruik van bouwmaterialen. Bij duurzaam bouwen wordt o.a. aandacht besteed aan waterhuishoudingsaspecten (bijvoorbeeld afkoppeling hemelwaterafvoer), stedenbouwkundige structuur (bijvoorbeeld oriëntatie van gebouwen op de zon) en bouwkundige maatregelen (isolatie, zonnecollectoren, materiaalgebruik). De Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV, zie ook paragraaf 3.2.2) schrijft voor dat ruimtelijke planning binnen het stedelijk gebied een beschrijving bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen (art. 4.1, lid 3 van de PRV). De gemeente concretiseert duurzaam bouwen door een ambitie te formuleren voor het programma 'GPR gebouw'. GPR gebouw is een praktisch programma waarmee duurzaam bouwen in een rapportcijfer op vijf thema's wordt uitgewerkt: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde.
De ambitie is om per thema (milieu, energie, toekomstwaarde, gebruikskwaliteit en gezondheid) een GPR-score van minimaal 7 te realiseren 4.11.1 Beoordeling De nieuwbouwwoning in dit bestemmingsplan is nog niet concreet uitgewerkt. Daarom is het niet mogelijk om in deze fase van het planproces aan te geven welke energiebesparende maatregelen er getroffen worden en welke duurzaamheidscore gerealiseerd wordt. Momenteel wordt gestreefd naar een EPC van 0,2 en wordt overwogen om de woning te voorzien van een warmtepomp en zonnepanelen. Bij het verder vorm geven van het pand worden in ieder geval de richtlijnen van het programma 'GPR gebouw' gebruikt. De nieuwbouw voldoet aan de wettelijke vereisten van het Bouwbesluit en wordt gasloos. Verder kunnen er verscheidene duurzaamheidsmaatregelen gemaakt worden, waarbij gedacht kan worden aan: - EPC ambitie: minimaal 10% lager dan de geldende eis, o.a. door inzet van de navolgende maatregelen, o.a.: - energiewinning middels PV- zonnepanelen op het dak; - lage temperatuur verwarming; - hoge isolatiewaarden van daken, vloeren en uitwendige scheidingsconstructies; - Energielabel woning: A (na de bouw zal er een definitief energielabel worden opgemaakt en zal deze worden geregistreerd) Bij de uitwerking van het bouwplan wordt bekeken welke maatregelen genomen kunnen worden wordt het voorgelegd aan het bevoegd gezag.
4.11.2 Conclusie Het aspect duurzaamheid wordt verder uitgewerkt bij de uitwerking van het bouwvlak. Verder vormt het geen belemmeringen voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
48
4.12
Kabels en leidingen
Er zijn geen planologisch relevante leidingen aanwezig waarmee in het plangebied rekening moet worden gehouden.
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
49
5
Juridische planopzet
5.1
Planopzet
5.1.1 Algemeen Doel van dit bestemmingsplan is het opstellen van een adequate en actuele juridischplanologische regeling voor de woonbestemming. Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. In dit hoofdstuk wordt aangegeven op welke wijze de voorkomende functies in het bestemmingsplan worden geregeld. In de planopzet is aansluiting gezocht bij de uitgave Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen, kortweg SVBP. 5.1.2 De verbeelding De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden op de planlocatie. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken, functieaanduidingen en bouwvlakken opgenomen. 5.1.3 De planregels De planregels geven inhoud aan de op de verbeelding gegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen al dan niet mogen worden gebruikt en wat en hoe er gebouwd mag worden. Bij de opzet van de planregels is het aantal regels zo beperkt mogelijk gehouden. Alleen datgene is geregeld, wat werkelijk noodzakelijk is.
Toch kan het in een concrete situatie voorkomen dat een afwijking van de planregels gewenst is. Daarom zijn er in het bestemmingsplan afwijkingsmogelijkheden opgenomen. De bevoegdheid om middels een omgevingsvergunning een afwijking van bepaalde regels te verlenen, is gebaseerd op artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). De uitvoering berust bij burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheid maakt kleine afwijkingen mogelijk binnen de aan de grond toegekende bestemming. De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De bij dit plan behorende planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken, te weten: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
50
In hoofdstuk 1 worden de in de planregels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze gemeten moet worden. In hoofdstuk 2 zijn specifieke regels opgenomen voor de op de verbeelding gegeven bestemmingen. De artikelen bestaan uit een bestemmingsomschrijving en bouwregels, en zo nodig uit afwijkingsregels en specifieke gebruiksregels. De bestemmingsomschrijving is bepalend voor het gebruik van de grond. De hoofdstukken 3 en 4 bevatten regels die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen.
5.2
Artikelsgewijze toelichting
5.2.1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In het eerste artikel zijn omschrijvingen opgenomen van de belangrijkste begrippen die in de planregels voorkomen. Door het opnemen van begrippen wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de in het plan voorgeschreven maten dienen te worden gemeten of berekend. Door het opnemen van aanwijzingen voor het meten wordt de interpretatievrijheid ten aanzien van de planregels verkleind, waardoor de rechtszekerheid wordt vergroot. 5.2.2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen Dit artikel geeft aan welke functies uitgevoerd mogen worden ter plaatse van de woonbestemming. Logischerwijs is wonen in een woning toegestaan, maar er is bijvoorbeeld ook geregeld dat er aanhuis-verbonden beroepen zijn toegestaan en dat op het erf geparkeerd mag worden, dat er ontsluitingswegen mogen liggen en dat er tuinen en erven aanwezig mogen zijn. In het bouwvlak is aangegeven waar de woningen zich moeten bevinden. Artikel 4 Agrarisch De gronden met de agrarische bestemming mogen in beginsel worden gebruikt ten behoeve van veehouderijbedrijven. Omdat op deze gronden verder geen andere agrarische activiteiten worden uitgevoerd wordt deze bestemming beperkt tot het minimale. Naast de agrarische functie worden de landschappelijke waarden behouden.
Artikel 5 Water Gronden met de bestemming water mogen uitsluitend gebruikt worden voor de waterhuishouding. Artikel 6 Waarde – Archeologie Op basis van het archeologische beleid is aan het plangebied een dubbelbestemming toegekend. Met deze dubbelbestemming wordt geregeld dat er uitsluitend werken en werkzaamheden uitgevoerd mogen worden, nadat is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. 5.2.3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
51
In dit plan zijn sommige bouwregels gerelateerd aan de oppervlakte van gronden, bijvoorbeeld aan de oppervlakte van een bouwperceel. Indien dezelfde gronden meerdere keren in aanmerking worden genomen bij het verlenen van (verschillende) omgevingsvergunningen, zouden de bebouwingsmogelijkheden daardoor onbedoeld verruimd kunnen worden. De anti-dubbeltelregel voorkomt dit. Artikel 8 Algemene bouwregels Dit artikel geeft regels ten aanzien van overschrijding van bouwhoogten van onder meer ondergeschikte bouwdelen en ten aanzien van bestaande maatvoering. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Voor ondergeschikte afwijkingen van het bestemmingsplan is een algemene bevoegdheid tot afwijken opgenomen. De onderhavige regeling voorziet in verband met de gewenste duidelijkheid, in een objectieve begrenzing van het toepassingsbereik van de afwijking. Artikel 10 Algemene wijzigingsregels In deze regeling is opgenomen dat Burgemeester en wethouders van de gemeente het plan kunnen wijzigen ten behoeve van overschrijding van bestemmingsgrenzen als dat nodig is van uit een technisch betere realisering van bouwwerken. 5.2.4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Het overgangsrecht ten aanzien van bouwen is neergelegd in artikel 21 lid 1 Wro.
Enkele bouwmogelijkheden in afwijking van de regels blijven bestaan voor gebouwen die afwijken van het plan en die zijn of worden gebouwd bij of krachtens de Woningwet. Bestaande afwijkingen mogen niet worden vergroot. Uitbreiding is slechts mogelijk met een omgevingsvergunning om af te wijken van het bevoegd gezag. Lid 2 betreft de overgangsregels met betrekking tot het gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtsmacht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het gebruik is slechts toegestaan indien de afwijzing hierdoor niet wordt vergroot. Artikel 12 Slotregel Het laatste artikel van de planregels betreft de slotregel van het onderliggende bestemmingsplan.
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
52
6
Handhaving en uitvoerbaarheid
6.1
Economische uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening schrijven voor dat inzicht dient te bestaan in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. De ontwikkeling van het onderhavige plan wordt gerealiseerd vanuit een private exploitatie. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor de uitvoering en draagt het risico van de planontwikkeling. Ook neemt initiatiefnemer het beheer, de exploitatie en het onderhoud van de woningen voor zijn rekening. Voor de gemeente zijn aan de realisatie geen kosten en financiële risico’s verbonden, behoudens de kosten voor het begeleiden en in procedure brengen van dit bestemmingsplan en planontwikkelingskosten voor de exploitatieovereenkomst. De kosten voor de begeleiding en het doorlopen van de procedure van het bestemmingsplan vallen onder de legesverordening. De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan en de daarbij behorende onderzoeken zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
53
7
Procedure
7.1
Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
Artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat bij de voorbereiding van een bestemmingsplan burgemeester en wethouders waar nodig overleg plegen met besturen van andere gemeenten, met de provincie, de inspecteur voor de ruimtelijke ordening en met eventuele andere diensten van Rijk en provincie die belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Van plan tot plan dient te worden beoordeeld met wie dit overleg dient plaats te vinden. In het kader van onderhavig plan is vooroverleg gevoerd met de gebruikelijke overlegpartners.
7.2
Participatie
Op 7 mei 2019 heeft er ten behoeve van dit bestemmingsplan een informatiebijeenkomst plaatsgevonden. De bijeenkomst vond plaats in de Hoeve Parkzicht, tevens gelegen op Landgoed Linschoten en duurder van 19.00 tot 21.00. Op 9 april 2019 is een uitnodigingsbrief verstuurd naar de omwonenden van de Hoeve Veldzicht. Tijdens de bijeenkomst zijn de plannen voor de herbestemming toegelicht en is er een 3D-maquette getoond waarop het ensemble op het erf inzichtelijk was gemaakt. Bij de bijeenkomst waren adviseurs aanwezig van betrokken partijen, zoals de gemeente, de ODRU en de ervenconsulent. In totaal is de bijeenkomst bezocht door circa 50 personen. De plannen zijn goed ontvangen door de omwonenden. Er waren met name positieve geluiden over de herontwikkeling van de vervallen agrarische schuren, die voor veel mensen een doorn in het oog zijn op deze prominente locatie bij de entree van Linschoten. De algemene reactie was dat de nieuwe woning voor een aanzienlijke verbetering van het aanzicht van Veldzicht gaat zorgen. Verder waren de aanwezigen positief verrast dat dit bestemmingsplan niet voorziet in de bouw van meerdere woningen, zoals oorspronkelijk in het Masterplan Linschoterwaard gepresenteerd was. Bij de aanwezigen kon dit bestemmingsplan daarom rekeningen op veel steun, waarbij enkelen zich al ter plekke wilden aanmelden om de nieuwe woning te kopen.
7.3
Zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen vanaf 25 mei 2022 tot en met 6 juli 2022. In deze periode zijn er geen zienswijzen naar voren gebracht. Richting het vast te stellen bestemmingsplan zijn er enkel nog enkele kleine tekstuele ambtshalve wijzigingen doorgevoerd, zoals een actualisatie van het gemeentelijk beleid en de geplande inwerkingtreding van de Omgevingswet. Verder zijn er geen wijzigingen aangebracht.
R085524an.17CBBGZ.jwi | versie 05_001 | 2022
54
7.4
Vaststellingsfase
Het besluit van de gemeenteraad tot vaststelling van het bestemmingsplan wordt binnen twee weken bekend gemaakt. Burgemeester en wethouders plaatsen de kennisgeving van dit besluit tevens in de Staatscourant en voorts geschiedt deze langs elektronische weg. Gelijktijdig moet de kennisgeving langs elektronische weg aan de diensten en bestuursorganen worden verzonden en moet het besluit met de hierbij behorende stukken langs elektronische weg beschikbaar worden gesteld. Hierna gaat het vastgestelde bestemmingsplan voor een periode van zes weken ter inzage. Een belanghebbende aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij of zij niet tijdig zijn of haar zienswijze bij de gemeenteraad naar voren heeft gebracht, kan gedurende deze termijn van zes weken beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Na de periode van terinzagelegging treedt het bestemmingsplan in werking, behalve wanneer tevens om een schorsing van inwerkingtreding wordt gevraagd (voorlopige voorziening). Als het bestemmingsplan in werking is getreden, kunnen er op basis daarvan omgevingsvergunningen worden verleend en kan tot planrealisatie worden overgegaan.