Bjlage Notitie uitgangspunten IHP Molenlanden
Tekst van het document
Notitie Uitgangspunten Integraal Huisvestingsplan primair onderwijs Molenlanden
1
Inhoudsopgave 1.
INLEIDING ...............................................................................................................................3
2.
HUIDIGE SITUATIE ...................................................................................................................4 2.1 SPREIDING SCHOOLGEBOUWEN BINNEN DE GEMEENTE ......................................................................4 2.2 BOUWJAREN ..............................................................................................................................4 2.3 OMVANG SCHOLEN EN AANTAL LEERLINGEN ....................................................................................5 2.3.1 Opheffingsnorm.................................................................................................................5 2.3.2 Leerlingenprognose ...........................................................................................................6
3.
UITGANGSPUNTEN BIJ HET OPSTELLEN VAN HET IHP...............................................................7 3.1 CRITERIA NIEUWBOUW ................................................................................................................7 3.2 RENOVATIE................................................................................................................................8 3.3 STIMULEREN VORMING KINDCENTRA EN MULTIFUNCTIONELE GEBOUWEN ............................................8 3.4 VERDUURZAMING .......................................................................................................................9 3.5 FRISSE SCHOLEN EN BINNENKLIMAAT .............................................................................................9 3.5.1 Actualiteit rondom ventilatie van scholen .......................................................................10 3.6 QUICKSCAN GEBOUWEN MET BOUWJAAR TUSSEN 1990 EN 2015 ....................................................10 3.7 FINANCIËLE ASPECTEN ...............................................................................................................10 3.7.1 Verduurzaming en Frisse Scholen Klasse B ......................................................................10 3.7.2 Stichtingskosten nieuwbouw ...........................................................................................10 3.7.2
Fasering ...........................................................................................................................11
4.
ROL GEMEENTERAAD EN VERVOLGPROCES ...........................................................................12 4.1 ROL GEMEENTERAAD.................................................................................................................12 4.2 VERVOLGPROCES ......................................................................................................................12
2
1.
Inleiding
Dagelijks bezoeken bijna 4.200 kinderen één van de 28 basisscholen die zijn gevestigd in 17 kernen binnen de gemeente Molenlanden. Deze scholen vallen onder in totaal 11 schoolbesturen. De instandhouding van de schoolgebouwen is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de schoolbesturen en de gemeente. In het kort komt het erop neer dat de schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor beheer, onderhoud en exploitatie van de gebouwen. Daarvoor ontvangen zij rechtstreeks van het ministerie van OCW bekostiging. De gemeente is verantwoordelijk voor de bekostiging van (vervangende) nieuwbouw. Daarvoor ontvangt de gemeente middelen via het gemeentefonds. Schoolbesturen kunnen jaarlijks een aanvraag voor (vervangende) nieuwbouw indienen bij de gemeente. Het college geeft een inhoudelijk oordeel over deze aanvragen en de gemeenteraad bepaalt het budget dat jaarlijks aan onderwijshuisvesting wordt uitgegeven. De gemeente Molenlanden gaat samen met de schoolbesturen en overige betrokken maatschappelijke partners zoals kinderopvangorganisaties een Integraal Huisvestingsplan voor het onderwijs opstellen. Daarmee geven deze partijen ten eerste aan op planmatige wijze regie te willen voeren over toekomstige investeringen in onderwijshuisvesting en ten tweede samenhang aan te willen brengen in die investeringen.
Zoals het er nu uitziet is de gemeente pas in 2023 wettelijk verplicht in overleg met de schoolbesturen een IHP op te stellen. In die zin lopen we dus vooruit op deze wettelijke verplichting. In deze notitie waarin de uitgangspunten bij het opstellen van het IHP zijn opgenomen, wordt eerst de huidige situatie beschreven. Daarna worden de uitgangspunten beschreven en toegelicht. In het uiteindelijke IHP zal een uitvoeringsprogramma worden opgenomen waarin antwoord wordt gegeven op de vraag “wat gaan we wanneer doen met welk schoolgebouw en welke investering is daarvoor nodig?”.
3
2.
Huidige situatie
2.1 Spreiding schoolgebouwen binnen de gemeente De 28 basisscholen zijn gevestigd in 17 kernen. In slechts 2 kernen zijn méér dan 2 scholen gehuisvest (Nieuw-Lekkerland en Groot-Ammers). Dat wil zeggen dat er in het overgrote deel van de kernen één (9 kernen) of twee scholen (6 kernen) zijn gehuisvest. Daarbij valt op dat ruim de helft van het aantal leerlingen onderwijs volgt aan een school van stichting O2A5 (openbaar onderwijs) of een school van stichting Karakter (protestants-christelijk onderwijs). De overige 9 schoolbesturen zijn op één na alle zogenaamde éénpitters (een schoolbestuur dat één school bestuurt). Deze schoolbesturen zijn protestants-christelijk of reformatorisch van signatuur.
Figuur 1: Spreiding scholen binnen de gemeente
2.2 Bouwjaren Iets meer dan één op de drie scholen in Molenlanden is gebouwd in deze eeuw (10 scholen). Er zijn twee gebouwen uit 1990 en de overige 16 schoolgebouwen zijn minimaal 35 jaar oud. In de grafiek hieronder is de verdeling per bouwperiode weergegeven. Bouwperiode basisscholen gemeente Molenlanden 6
Aantal scholen
5
4
3
2
1
0 tot 1959
1960 1964
1965 1969
1970 1974
1975 1979
1980 1984
1985 1989
1990 1994
1995 1999
Bouwperiode
4
2000 2004
2005 2009
2010 2014
2015 2019
Figuur 2: Bouwperiode basisscholen gemeente Molenlanden
2.3 Omvang scholen en aantal leerlingen Een basisschool in Molenlanden telt gemiddeld bijna 150 leerlingen. Het valt echter op dat een relatief groot deel van de scholen minder dan 100 leerlingen heeft (39%). In de grafiek hieronder is de verdeling van schoolomvang weergegeven. Schoolgrootte basisscholen gemeente Molenlanden 12
10
Aantal scholen
8
6
4
2
0 tot 100
100 125
125 150
150 175
175 200
200 225
225 250
250 275
275 300
300 325
Aantal leerlingen
Figuur 3: Schoolgrootte basisscholen gemeente Molenlanden
Een kanttekening hierbij betreft het aantal leerlingen van de School met den Bijbel in Bleskensgraaf. Deze school telt formeel ruim 400 leerlingen. De school heeft echter feitelijk een afdeling voor Speciaal Basisonderwijs (SBO) geïntegreerd waardoor dat hoge aantal leerlingen wat vertekend is. Het aantal leerlingen in het reguliere basisonderwijs van de school is ruim 300. 2.3.1 Opheffingsnorm Voor elke gemeente in Nederland bepaalt het ministerie van OCW een opheffingsnorm. Indien een school drie schooljaren achtereen minder leerlingen telt dan de opheffingsnorm, wordt de school in beginsel opgeheven. Er zijn uitzonderingen op die regel; zo kan een schoolbestuur een school onder de opheffingsnorm in stand houden als de gemiddelde schoolgrootte van alle scholen binnen dat bestuur (of binnen twee of meer samenwerkende besturen) hoger is dan de opheffingsnorm voor een bepaalde gemeente. Voor een aantal scholen maken de besturen O2A5 en Stichting Karakter gebruik van deze uitzonderingen. Voor de gemeente Molenlanden heeft het ministerie van OCW de gemeente in twee gebieden gesplitst: 1. Kern Nieuw-Lekkerland (opheffingsnorm 142 leerlingen) 2. Overige delen (opheffingsnorm 59 leerlingen) 5
Op basis van de opheffingsnormen bevinden zich in Nieuw-Lekkerland géén scholen onder de opheffingsnorm. In de overige delen zijn drie scholen met minder dan 59 leerlingen. Deze scholen worden op basis van de systematiek van de gemiddelde schoolgrootte in stand gehouden. 2.3.2 Leerlingenprognose In januari 2019 heeft Pronexus een leerlingenprognose opgesteld. Wat opvalt is dat er geen sprake is van noemenswaardige krimp van het aantal leerlingen in de gemeente. Ook niet als het verloop van het aantal leerlingen wordt uitgesplitst in de voormalige gemeenten Giessenlanden en Molenwaard. In onderstaande grafiek is het verwachte verloop van het aantal leerlingen weergegeven: PROGNOSE AANTAL LEERLINGEN BASISONDERWIJS 2020 - 2039 4500
4000
3500
3000
2500
2000
1500
1000
500
0 2020
2021
2022
2023
2024
2025
2026
2027
2028
Mol enwaard
2029
2030
Giessenl anden
2031
2032 TOTAAL
Figuur 4: Prognose aantal leerlingen basisonderwijs 2020 – 2039 (Pronexus, 2019)
6
2033
2034
2035
2036
2037
2038
2039
3.
Uitgangspunten bij het opstellen van het IHP
Zoals bekend heeft de gemeente een zogenaamde zorgplicht om te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het onderwijs. Deze zorgplicht is uitgewerkt in onder meer de Wet op het Primair Onderwijs en de gemeentelijke verordening onderwijshuisvesting. Toch heeft de gemeente bij verschillende aspecten van het vervullen van de zorgplicht een bepaalde mate van beleidsvrijheid. De uitgangspunten die we willen hanteren bij deze aspecten staan beschreven in dit hoofdstuk. Het gaat daarbij nadrukkelijk om uitgangspunten, niet om harde in beton gegoten criteria. Uiteraard wordt er bij het opstellen van het IHP rekening gehouden met de specifieke lokale context waarin een school en/of een dorpskern zich in bevindt. Dat neemt niet weg dat het goed is om juist voorafgaand aan het opstellen van het IHP de uitgangspunten te benoemen en vast te stellen. 3.1 Criteria nieuwbouw Wanneer is een gebouw aan vervanging toe?? Het antwoord op deze vraag staat in de eigen verordening onderwijshuisvesting: De noodzaak van vervangende bouw is aanwezig als: a. b. c.
op grond van een overeenkomstig NEN 2767 opgestelde bouwkundige rapportage wordt vastgesteld dat het schoolgebouw volgens de conditiemeting voldoet aan conditie 5; dit het gevolg is van een herschikkingsoperatie; dit het gevolg is van ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening
Vervangende bouw in de categorieën b en c worden doorgaans op initiatief van of in overleg met de gemeente geïnitieerd. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het verhuizen van een school naar een andere plek omdat het voedingsgebied van de school is veranderd. De meeste discussie gaat vaak over categorie a. In de praktijk zal zich vrijwel geen enkel schoolgebouw in conditie 5 bevinden. De bouwkundige staat van een school in conditie 5 zal dusdanig slecht zijn dat het de vraag is of het verantwoord is (op het gebied van veiligheid) om onderwijs te geven in een dergelijk gebouw. De vraag is wat dan wél een deugdelijk criterium is voor de vervanging van een schoolgebouw. In de praktijk betekent een gebouwleeftijd van 40 jaren doorgaans een omslagpunt voor wat betreft het perspectief van het gebouw. De onderhoudskosten lopen op, het gebouw is vaak gedateerd (zowel van binnen als van buiten) en de kans is groot dat het gebouw in onderwijskundige zin niet voldoet aan het hedendaagse onderwijs. Een dergelijk gebouw zou ingrijpend moeten worden gerenoveerd (zie ook volgende uitgangspunt) of worden vervangen door een nieuw gebouw. Daarom wordt bij het opstellen van het IHP het volgende uitgangspunt gehanteerd: UITGANGSPUNT: “Schoolgebouwen die de leeftijd van 40 jaar hebben bereikt of deze zullen bereiken gedurende de looptijd van het IHP komen voor vervanging in aanmerking.
Dat gebeurt in de vorm van sloop / nieuwbouw, al dan niet op dezelfde locatie, of door een renovatie die leidt tot een levensduurverlenging van minimaal 25 jaar.”
7
3.2 Renovatie Renovatie is een grijs gebied in de onderwijswetgeving. Enerzijds gaat renovatie verder dan regulier en planmatig onderhoud en anderzijds kan het niet onder nieuwbouw worden geschaard. Op dit moment is een wetswijziging in voorbereiding waarmee renovatie als voorziening in de huisvesting wordt verankerd in de wet. Het kan voor een gemeente ook efficiënt zijn om te investeren in renovatie van schoolgebouwen; de kosten van een renovatie zijn (veel) lager dan de kosten voor vervangende bouw en tegelijkertijd kan de levensduur van het gebouw aanzienlijk worden verlengd (met minimaal 25 jaar, afhankelijk van de mate waarin wordt gerenoveerd). Of het investeren in renovatie doelmatig en efficiënt is, hangt ook samen met de bezetting van een gebouw. Indien een school relatief veel normatieve leegstand heeft (feitelijke capaciteit van het gebouw minus de ruimtebehoefte volgens de verordening) dan kan een renovatie duur uitpakken. Er worden immers relatief veel ‘leegstaande vierkante meters’ gerenoveerd. In dat geval zou nieuwbouw vanuit financieel oogpunt een meer doelmatige oplossing zijn, tenzij de capaciteit van het te renoveren gebouw wordt gereduceerd (lees: sloop van een deel van het gebouw).
Bij het opstellen van het IHP wordt het volgende uitgangspunt gehanteerd: UITGANGSPUNT: “Renovatie die leidt tot een levensduurverlenging van minimaal 25 jaar kan een volwaardig alternatief zijn voor vervangende bouw en wordt daarmee als voorziening in de huisvesting beschouwd. Bij de afweging voor renovatie of nieuwbouw wordt expliciet gekeken naar de mogelijkheden de capaciteit van een te renoveren schoolgebouw te reduceren in het geval er sprake is van leegstand.”
3.3 Stimuleren vorming Kindcentra en multifunctionele gebouwen In Nederland worden vrijwel geen scholen meer gerealiseerd waarin géén onderdak wordt geboden aan kindvoorzieningen zoals peuteropvang en/of buitenschoolse opvang. De gemeente Molenlanden en haar voorgangers hebben de afgelopen jaren laten zien deze beleidslijn eveneens te kiezen. Daarnaast is een bredere multifunctionaliteit van gebouwen het uitgangspunt bij nieuwbouwprojecten die samen met of op initiatief van de gemeente worden ontwikkeld. Daarom is de samenvoeging van functies het uitgangspunt bij de voorgestelde projecten in het op te stellen IHP. Dat geldt zowel voor maatschappelijke functies als een dorpskamer, bibliotheek en kindvoorzieningen als voor de scholen zelf. Dit sluit ook naadloos aan op de uitgangspunten zoals verwoord in de Uitgangspuntennotitie Vastgoed- en Accommodatiebeleid. Concreet luidt het uitgangspunt als volgt: UITGANGSPUNT: “Bij alle projecten die voortvloeien uit het IHP is de samenvoeging van maatschappelijke en/of onderwijsfuncties het uitgangspunt in de initiatieffase en bij het opstellen van het Programma van Eisen.”
Hierbij wordt uitdrukkelijk gesteld dat dit een uitgangspunt betreft. In de Molenlandse praktijk ligt het om uiteenlopende redenen niet altijd voor de hand om uit te gaan van de samenvoeging van maatschappelijke en/of onderwijsfuncties. Samenvoeging van functies zou geen doel op zich moeten zijn, maar een middel om een meerwaarde te creëren die in de bestaande situatie wordt gemist. 8
3.4 Verduurzaming In de Programmabegroting 2021 heeft de gemeente gesteld waar mogelijk te willen investeren in het energieneutraal maken van het eigen vastgoed als onderdeel van de route naar 2030. Daarmee wordt gedoeld op de energietransitie. Alhoewel schoolgebouwen strikt genomen niet behoren tot het ‘eigen’ vastgoed kan de verduurzaming van schoolgebouwen kan hier natuurlijk wel aan bijdragen. In 2015 is het Bouwbesluit aanzienlijk aangescherpt voor wat betreft de energieprestatie van een (school)gebouw. Dat wil zeggen dat gebouwen die in 2015 of later zijn gerealiseerd veel duurzamer zijn dan gebouwen van vóór 2015. Bij renovatie en nieuwbouw wordt er uiteraard ook verduurzaamd. Daarom wordt bij verduurzaming het volgende uitgangspunt gehanteerd bij het opstellen van het IHP: UITGANGSPUNT: “Bij renovatie wordt gestreefd naar het realiseren van een energieneutraal (ENG) gebouw. Vanwege de specifieke omstandigheden waarin een bestaand gebouw verkeert, is het mogelijk dat die niet altijd haalbaar is. In dat geval is een bijna energieneutraal gebouw (BENG) het uitgangspunt. Bij nieuwbouw maakt ENG standaard onderdeel uit van het Programma van Eisen. Vanwege de aanscherpingen in het bouwbesluit op het onderdeel energieprestatie worden schoolgebouwen die in 2015 of later zijn gerealiseerd niet verder verduurzaamd.
Schoolgebouwen die vóór 2015 zijn gerealiseerd, maar in beginsel niet in aanmerking komen voor renovatie of nieuwbouw worden gedurende de looptijd van het IHP getransformeerd naar minimaal BENG.”
3.5 Frisse Scholen en binnenklimaat Eind 2017 is het landelijke ‘Eindrapport Monitor onderwijshuisvesting’ verschenen. Daarin valt onder meer te lezen dat het binnenklimaat in veel scholen in Nederland ondermaats is. Met name de aspecten luchtkwaliteit en operationele temperatuur in zomer en winter worden daarbij vaak genoemd. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft daarom een zogenaamde Programma van Eisen Frisse Scholen opgesteld. Daarin zijn criteria opgenomen voor onder meer de luchtkwaliteit en operationele temperatuur in schoolgebouwen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een zogenaamde Frisse School Klasse A (zeer goed), B (goed) en C (minimum-niveau). Landelijk geldt Klasse B als dé referentienorm voor Frisse Scholen. Bij nieuwbouw is het overigens al sinds 2015 verplicht om een Frisse School Klasse B te realiseren voor wat betreft de aspecten luchtkwaliteit en operationele temperatuur. Bij het opstellen van het IHP wordt het volgende uitgangspunt gehanteerd voor wat betreft Frisse Scholen en binnenklimaat:
9
UITGANGSPUNT: “Bij renovatie maakt ‘Frisse School Klasse B’ op de thema’s luchtkwaliteit en operationele temperatuur standaard deel uit van het Programma van Eisen. Vanwege de aanscherpingen in het bouwbesluit op de onderdelen luchtkwaliteit en operationele temperatuur worden schoolgebouwen die in 2015 of later zijn gerealiseerd niet verder opgewaardeerd. Schoolgebouwen die vóór 2015 zijn gerealiseerd, maar in beginsel niet in aanmerking komen voor renovatie of nieuwbouw worden gedurende de looptijd van het IHP opgewaardeerd naar Frisse School Klasse B voor wat betreft de thema’s luchtkwaliteit en operationele temperatuur.”
3.5.1 Actualiteit rondom ventilatie van scholen Naar aanleiding van het eindrapport van het Landelijk Coördinatieteam Ventilatie op Scholen stelt de Rijksoverheid in totaal € 360 miljoen ter beschikking. Hiervan komt € 100 miljoen op korte termijn beschikbaar. Dit bedrag geldt als 30% cofinanciering om gemeenten en schoolbesturen te ondersteunen bij investeringen in het verbeteren van het binnenklimaat in schoolgebouwen. De subsidieregeling is begin december gepubliceerd. Vanaf 4 januari 2021 kunnen er aanvragen worden ingediend. 3.6 Quickscan gebouwen met bouwjaar tussen 1990 en 2015 Zoals gesteld in de paragrafen 3.4 en 3.5 worden schoolgebouwen die vóór 2015 zijn gerealiseerd, maar in beginsel niet in aanmerking komen voor renovatie of vervanging gedurende de looptijd van het IHP getransformeerd naar minimaal BENG en opgewaardeerd naar Frisse School Klasse B. Voor bijvoorbeeld een school uit 2014 is het aannemelijk dat de bouwkundige en installatietechnische ingrepen uitsluitend zijn gericht op de genoemde transformatie naar minimaal BENG en op de opwaardering naar Frisse School Klasse B. Een school uit dit bouwjaar zal namelijk logischerwijs pas op zeer lange termijn voor renovatie in aanmerking komen. Voor oudere scholen is dat niet altijd aannemelijk.
Voorkomen moet worden dat gebouwen enkele jaren ná de transformatie en opwaardering alsnog gerenoveerd zouden moeten worden. Daarom wordt voor de schoolgebouwen die tussen 1990 en 2015 zijn gebouwd in 2021 een quickscan uitgevoerd die moet uitwijzen of het uitsluitend transformeren naar minimaal BENG en opwaarderen naar Frisse School Klasse B een doelmatige besteding is of dat de werkzaamheden onderdeel zouden moeten uitmaken van een levensduurverlengende renovatie. 3.7
Financiële aspecten
3.7.1 Verduurzaming en Frisse Scholen Klasse B De quickscans die reeds zijn benoemd in de vorige paragraaf zullen moeten uitwijzen welke investering er is benodigd voor het verduurzamen en opwaarderen van het gebouw naar Frisse School Klasse B. Wel zijn er richtbedragen beschikbaar. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland heeft berekend dat voor het aardgasvrij maken van een gemiddelde basisschool met een bouwjaar tot 2015 (1.300 m2 bvo) een investering van € 600,- per m2 bvo nodig is. Uit de praktijk blijkt dat er met het opwaarderen van een bestaand schoolgebouw naar Frisse School Klasse B zo’n € 250,- is gemoeid. 3.7.2 Stichtingskosten nieuwbouw De verordening onderwijshuisvesting bevat normbedragen aan de hand waarvan de stichtingskosten van een nieuw schoolgebouw worden vergoed. Met het normbedrag wordt het schoolbestuur geacht alle kosten (architect, adviseurs, leges, aannemer) te betalen, met 10
uitzondering van de grond waarop de school wordt gebouwd. Die levert de gemeente conform de bepalingen in de wet om niet bouwrijp op aan het schoolbestuur. Het normbedrag komt voor een nieuwe basisschool van 1.400 m2 bvo uit op € 2.060,- per m2 bvo. Dat bedrag is in de huidige markt ruim 30% te laag om een nieuwe school te bouwen die voldoet aan het vigerende bouwbesluit. Een bedrag van € 2.700,- per m2 bvo is in de huidige markt realistisch als het gaat om de stichtingskosten van een nieuw schoolgebouw met een omvang van 1.400 m2 bvo. Het bedrag van € 2.700,- per m2 bvo geeft een richting aan. In de praktijk is de realisatie van een relatief klein gebouw naar verhouding namelijk duurder dan de realisatie van een groter gebouw. De genoemde € 2.700,- per m2 bvo wordt dus niet als taakstellend budget gehanteerd. In het IHP worden de stichtingskosten voor nieuwbouw gebaseerd op het voor de school te realiseren aantal vierkante meters bvo. Op basis van de eveneens in beeld te brengen kosten van renovatie van het bestaande (te vervangen) schoolgebouw, wordt een afweging tussen nieuwbouw en renovatie gemaakt. Een nieuw schoolgebouw wordt in beginsel voor minimaal 40 jaar gebouwd. Bij renovatie wordt uitgegaan van een levensduurverlenging van 25 jaar. Dit sluit ook aan bij de voorlopige inhoud van het wetsvoorstel dat strekt tot het verankeren van renovatie in de wet.
Om te voorkomen dat een renovatie relatief duur uitpakt, wordt het volgende uitgangspunt gehanteerd: UITGANGSPUNT: “Bij nieuwbouw wordt gerekend met een bedrag van € 2.700,- per m2 bvo aan stichtingskosten voor een schoolgebouw met een omvang van 1.400 m2 bvo. Indien de renovatiekosten van een specifiek schoolgebouw worden begroot op een bedrag dat hoger is dan 25/40 deel van de stichtingskosten voor nieuwbouw, wordt het schoolgebouw niet gerenoveerd maar vervangen door een nieuw gebouw.”
3.7.2 Fasering Op basis van de eerdergenoemde uitgangspunten worden de opgave waarvoor we staan en de investeringen die daarmee zijn gemoeid inzichtelijk gemaakt. Uiteraard hebben we ook te maken met de financiële mogelijkheden van de gemeente. De lengte van de periode waarin de investeringen worden gedaan bepaalt in hoge mate de omvang van de jaarlijkse kapitaallasten die daaraan zijn verbonden. UITGANGSPUNT: “De looptijd van het IHP is 12 jaar. Voor die periode is gekozen om twee redenen. Ten eerste om schoolbesturen binnen een redelijke termijn perspectief te bieden op omvangrijke ingrepen waar nodig en ten tweede om de jaarlijkse kapitaallasten voor de gemeente enigszins te spreiden. Voor wat betreft de fasering wordt er dus uitgegaan van drie tijdvakken van vier jaar zodat er sprake is van investeringen op korte, middellange en langere termijn.”
11
4.
Rol gemeenteraad en vervolgproces
4.1 Rol gemeenteraad De rol van de gemeenteraad bij het vaststellen en uitvoeren van beleid over onderwijshuisvesting is vastgelegd in de onderwijswetgeving. Een belangrijke taak van de raad is het vaststellen van een verordening onderwijshuisvesting. Dat heeft de raad medio 2019 gedaan. Daarin staan de spelregels benoemd voor schoolbesturen en de gemeente als het gaat om normen en criteria voor onderwijshuisvestingsvoorzieningen. De raad stelt de verordening en het jaarlijks budget voor onderwijshuisvesting vast en het college voert de verordening uit, samen met de schoolbesturen. Dat is in hoofdlijnen de enige verplichting die college en raad hebben als het gaat om onderwijshuisvesting, waarbij de wettelijke bepalingen uiteraard moeten worden gerespecteerd. De gemeenteraad hóeft geen IHP vast te stellen. De gemeenteraad hóeft geen middelen uit te trekken voor het renoveren van schoolgebouwen, het verbeteren van het binnenklimaat of het verduurzamen van schoolgebouwen. De gemeenteraad hoeft zelfs geen schoolgebouwen te vervangen omdat de economische levensduur is verstreken, in tegenstelling tot de plicht om gebouwen te vervangen indien de technische levensduur is verstreken. In essentie gaat het er dus om wat we met elkaar willen als het gaat om de wijze waarop onze scholen zijn gehuisvest en wat we daarvoor over hebben.
Met het vaststellen van de uitgangspunten in deze notitie spreekt de gemeenteraad zich uit over het ambitieniveau op het gebied van onderwijshuisvesting. De uitgangspunten zijn zodanig opgesteld dat alle schoolgebouwen in onze gemeente uiteindelijk op een niveau zijn dat voldoet aan de reële verwachtingen die kinderen, ouders, personeel en schoolbestuurders mogen hebben van een schoolgebouw. 4.2 Vervolgproces Op basis van de besluitvorming van de gemeenteraad over de uitgangspunten vindt eind januari / begin februari 2021 een breed overleg met de schoolbesturen en andere betrokken maatschappelijke partners plaats over het concept-IHP. De uitkomsten van dat overleg worden verwerkt in een definitief IHP. Naar verwachting kan de gemeenteraad vervolgens in maart 2021 een besluit nemen over het definitieve IHP.
12