Bijlage Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Plaatsing E.A.Z.-Windturbine Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van Heiweg 3 te Oud-Alblas
E.A.Z. Wind 8 juli 2021
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Plaatsing E.A.Z.-Windturbine E.A.Z. Wind
Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van Heiweg 3 te Oud-Alblas Definitief 8 juli 2021 115826/21-010.806
115826 J.A. Zoete MSc drs. M.J. Schilt
mw. L.A.C. de Niet mw. J.B. Oegema MSc mw. J.B. Oegema MSc b/a J.A. Zoete MSc
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. | Deventer Catharijnesingel 33 Postbus 24087 3502 MB Utrecht +31 (0)30 765 19 00 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Ligging plangebied
5
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
6
1.4
Planologische procedure
8
1.5
Leeswijzer
8
2
PLANBESCHRIJVING
9
2.1
Huidige situatie
9
2.2
Toekomstige situatie
9
3
BELEIDSKADER
12
3.1
Algemeen
12
3.2
Rijksbeleid
12
3.2.1 3.2.2 3.2.3
12 12 13
3.3
3.4
Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Structuurvisie Windenergie op land
Provinciaal beleid
13
3.3.1 3.3.2 3.3.3
13 15 16
Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland Omgevingsverordening Zuid-Holland Omgevingsprogramma Zuid-Holland - Koers 2020
Gemeentelijk beleid
17
3.4.1
17
Structuurvisie Graafstroom
4
OMGEVINGSEFFECTEN EN MILIEUEFFECTEN
18
4.1
Landschappelijke inpasbaarheid
18
4.2
Milieueffectrapportage
19
4.3
Verkeer en parkeren
19
4.4
Geluid
19
4.5
Luchtkwaliteit
20
4.6
Natuur
20
4.7
Waterhuishouding
23
4.8
Bodem
23
4.9
Cultuurhistorie en archeologie
25
4.10
Externe veiligheid
25
4.11
Bedrijven en milieuzonering
26
4.12
Kabels en leidingen
26
5
UITVOERBAARHEID
27
5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
27
5.1.1 5.1.2
Vooroverleg Zienswijzen
27 27
Economische uitvoerbaarheid
27
Laatste pagina
27
5.2
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
Plaatsingsadviesformulier EAZ turbine
2
II
Akoestisch onderzoek
11
III
Stikstofdepositieberekeningen
5
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
Het bedrijf A. Tuytel Holding B.V., gelegen aan Heiweg 3 te Oud-Alblas, realiseert 1 windturbine op het eigen terrein van het bedrijf. De plaatsing van de windturbine is strijdig met de bepalingen in de vigerende bestemmingsplannen ‘Buitengebied Graafstroom’ en ‘Buitengebied Graafstroom 3 e herziening’, beiden van de gemeente Molenlanden. De ontwikkeling kan planologisch mogelijk gemaakt worden middels een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan. Voorliggend rapport dient ter onderbouwing dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening (artikel 2.1 lid c Wabo jo. artikel 2.12 lid 1 onder a en onder 3 Wabo). Afbeelding 1.1 toont een bovenaanzicht van het bedrijf A. Tuytel Holding B.V. en de locatie van de te realiseren windturbine
Afbeelding 1.1 Het bedrijf A.Tuytel Holding B.V., gelegen aan Heiweg 3 te Oud-Alblas gelegen aan de Heiweg 3 te Oud-Alblas, met het voornemen één E.A.Z.-windturbine te realiseren
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen in de gemeente Molenlanden, provincie Zuid-Holland. Afbeelding 1.2 toont de globale ligging van het plangebied. Het plangebied is op afbeelding 1.2 aangegeven met een rode contour.
5 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
Afbeelding 1.2 Globale ligging plangebied
1.3
Vigerende bestemmingsplannen
De huidige situatie betreft een loonbedrijf. Ter plaatse van de beoogde locatie van de windturbine gelden de volgende bestemmingsplannen en het volgende voorbereidingsbesluit van de gemeente Molenlanden: - Buitengebied Graafstroom; - Buitengebied Graafstroom 3e herziening; - Parapluherziening Buitengebied Graafstroom; - Parapluherziening Parkeren; - Huisvesting Arbeidsmigranten (voorbereidingsbesluit). In de bestemmingsplannen ‘Parapluherziening Parkeren’1 en ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’2 en het voorbereidingsbesluit ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’3 staan geen relevante (bouw)regels of bepalingen voor de beoogde ontwikkeling. Om die reden is er niet aan deze bestemmingsplannen en dit voorbereidingsbesluit getoetst. Ter plaatse van de beoogde locatie van de windturbine gelden de volgende bestemmingen van het Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’4 en ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’5: - enkelbestemming bedrijf (artikel 4); - dubbelbestemming waarde - archeologie 4 (artikel 30); - functieaanduiding specifieke vorm van bedrijf - loonbedrijf; - gebiedsaanduiding milieuzone - eendenkooi; - gebiedsaanduiding milieuzone - stiltegebied. Afbeelding 1.3 toont een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3 e herziening’. Op de afbeelding is de beoogde locatie van de windturbine aangegeven met een gele contour.
1
IMRO code: NL.IMRO.1978.BPparkerenMLLN-VG01.
2
IMRO code: NL.IMRO.1927.BPparapluGRM-VG01.
3
IMRO code: NL.IMRO.1978.VBarbeidsmigranten-VG01.
4
IMRO code: NL.IMRO.0693.BPBG-VG01.
5
IMRO code: NL.IMRO.1927.BPBGGRM3H-VG01.
6 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
Afbeelding 1.3 Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3 e herziening’ ter plaatse van het plangebied
Toetsing aan bestemmingsplan Artikel 4 Bedrijf De voor "Bedrijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. agrarisch verwante bedrijven alsmede agrarisch hulp- of nevenbedrijven, conform de Staat van agrarisch verwante bedrijven en agrarische hulp- of nevenbedrijven als opgenomen in 4.1.2 onder c. Daarnaast is naast het bestaande agrarisch verwante bedrijf of agrarisch hulp- of nevenbedrijf ook een andere vorm van een agrarisch verwant bedrijf respectievelijk agrarisch hulpof nevenbedrijf toegestaan; b. niet-agrarische bedrijven, conform de Staat van niet-agrarische bedrijven als opgenomen in 4.1.2 onder d; c. niet-agrarische bedrijven uit de milieucategorieën 1 en 2 van de in Bijlage 1 Staat van Bedrijfsactiviteiten alsmede bedrijven die daarmee naar aard en invloed op het milieu en woonen leefklimaat vergelijkbaar zijn; d. een lpg-vulpunt, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "vulpunt lpg" e. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf – molen", het behoud, beheer en herstel van de bestaande molen als werktuig en beeldbepalend element; f. waterhuishoudkundige doeleinden; g. behoud, beheer en herstel van de cultuurhistorische waarden van de bebouwing ter plaatse van de aanduiding "cultuurhistorische waarden"; een en ander met bijbehorende voorzieningen en overeenkomstig de in 4.1.2 opgenomen nadere detaillering van de bestemming.
Op grond van artikel 4 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ en ‘Buitengebied Graafstroom’ mogen windturbines niet worden gebouwd binnen de bestemming Bedrijf. Op grond van artikel 4.2.5 mag de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde niet meer dan 6 m bedragen. Het bestemmingsplan biedt geen mogelijkheden voor binnenplanse afwijking of voor wijziging om de windturbine te realiseren
7 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
Artikel 30 Waarde - archeologie 4 De voor 'Waarde - Archeologie 4' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. De inhoud van deze dubbelbestemming gaat vóór ten opzichte van de hieronder liggende enkelbestemmingen. Op grond van artikel 30.2 lid a van bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ mag er op de voor deze gronden ten behoeve van de in artikel 30.1 geldende bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gebouwd. De gronden zijn op grond van artikel 30.1 mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische gronden. Op grond van artikel 30.2 lid b mag er ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de bepalingen uit artikel 30.2 lid b onder 1 en 2. Uit deze bepalingen blijkt dat de aanvrager van de omgevingsvergunning een rapport overgelegd dient te hebben waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie zijn vastgesteld naar het oordeel van het bestuursorgaan. Daarnaast mogen de archeologische waarde niet worden geschaafd door bouwactiviteiten. Uit artikel 30.2 lid b onder 4 blijkt dat er niet voldaan dient te worden aan de gestelde bepalingen van artikel 30.2 lid b onder 1 en 2 mits het bouwwerk minder dan 250 m2 is.
Aangezien het bouwwerk minder dan 250 m2 is hoeft het planvoornemen niet te voldoen aan de bepalingen uit artikel 30.2 lid b onder 1 en 2. Het planvoornemen is in lijn met de bepalingen van artikel 30 Waarde archeologie 4. Conclusie Het realiseren van een windturbine past niet binnen de hiervoor genoemde bestemming Bedrijf (artikel 4 planregels bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ en ‘Buitengebied Graafstroom’. Bovendien is het planvoornemen strijdig met de bouwregels van artikel 4.2.5 van het bestemmingsplan. De geplande windturbine is hoger dan de toegestane bouwhoogte voor overige bouwwerken, geen gebouw zijnde van 6 m. De ashoogte van de windturbine is namelijk 15 m. Het planvoornemen niet strijdig met de bestemming Waarde - archeologie 4. De ingreep is namelijk kleiner dan 250 m2.
1.4
Planologische procedure
Voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de vigerende planologische kaders van de bestemmingsplannen ‘Buitengebied Graafstroom’ en ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’. De ontwikkeling kan planologisch mogelijk gemaakt worden middels een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan. Voorliggend rapport dient ter onderbouwing dat het voornemen in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening (artikel 2.1 lid c Wabo jo. artikel 2.12 lid 1 onder a en onder 3 Wabo).
1.5
Leeswijzer
Hoofdstuk 1 beschreef de aanleiding van het planvoornemen. Hoofdstuk 2 behelst de planbeschrijving. Hoofdstuk 3 is een beschrijving van de geldende relevante wet- en regelgeving. Hoofdstuk 4 gaat dieper in op de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 is het laatste hoofdstuk en betreft de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
8 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
2 PLANBESCHRIJVING 2.1
Huidige situatie
De huidige situatie betreft een loonbedrijf. De omgeving van het loonbedrijf wordt gekarakteriseerd als landelijke omgeving. Aan de oostzijde van het plangebied is een boerderij gevestigd. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt de Heiweg. Ten oosten van de beoogde locatie van de windturbine bevindt zich de N481. Afbeelding 2.1 toont de lokale ligging van het plangebied (aangegeven met de rode contour). De beoogde locatie van de windturbine is aangegeven met de blauwe stip.
Afbeelding 2.1 Lokale ligging van het plangebied
2.2
Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie wordt 1 windturbine geplaatst, welke wordt geleverd door E.A.Z. Wind. De windturbine betreft type EAZ13.2. Dit is een type met as-hoogte van 15 m, een tiphoogte van 21,6 m, een rotordiameter van 13,2 m en een nominaal vermogen van 15 kW. Gezien vanaf het maaiveld gaan de molens circa 0,80 m diepte de grond in. In tabel 2.1 zijn de specificaties van de EAZ13.2 windturbine opgenomen. Op afbeelding 2.2 zijn technische tekeningen weergeven.
9 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
Tabel 2.1 De specificaties van een EAZ 13.2 windturbine
Onderdeel
Specificatie
Certificering
IEC 61400-2:2013 Small wind turbines.
Rotor
-
13.2m diameter, 137m2 aan windvang. Rotor geoptimaliseerd voor meest voorkomende 3 - 7 m/s windsnelheden.
Vermogen
-
Nominaal vermogen: 15 kW. Nominale windsnelheid: 7.8 m/s. Nominaal toerental: 80 rpm. Cut in/Cut out: 2.5 m/s 20 m/s.
Opbrengst
25.000 kWh - 50.000 kWh, afhankelijk van de locatie.
Geluidsniveau op 60m
39 dB.
Generator
Direct drive, dual-rotor, air core, synchronous generator.
Netaansluiting
-
3 fasen. 3 x 25A.
Monitoring
-
3g LTE connectiviteit. Vlootbeheersysteem met mobiele app voor de klant voor inzicht in opwek en verbruik. Meting van: bewegingen en toerentallen van toren en turbine, vermogen, belasting en temperatuur van generator, temperatuur van elektrakast en uitlezen omvormergegevens. Stroomkwaliteit van zon en wind met voltage en capaciteit meting om vermogensregeling aan te sturen.
-
Mast
-
Fundering
10 | 27
-
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
Dikwandige buismast volgens het soft-soft werkingsprincipe. Hoogte afhankelijk van regelgeving, obstakels in omgeving en landschappelijke inpassing. Heipalen
Afbeelding 2.2 Technische tekening van EAZ13.2 windturbine (bron: EAZ Wind)
11 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
3 BELEIDSKADER 3.1
Algemeen
Dit hoofdstuk geeft een beeld van nationaal, regionaal en lokaal ruimtelijk beleid dat voor de voorgenomen ontwikkeling relevant is. Allereerst wordt het Rijksbeleid beschreven, gevolgd door het provinciaal beleid en het gemeentelijk beleid.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
In juni 2019 is het NOVI vastgesteld. Met de NOVI geeft de Rijksoverheid een langetermijnvisie op de ruimtelijke inrichting en de kwaliteit van de leefomgeving in Nederland. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Het uitgangspunt in de aanpak van de Omgevingswet is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Burgers worden beter betrokken en overheden trekken samen op. Zo moet er gekomen worden tot betere geïntegreerde keuzes. De NOVI geldt hiermee als kader voor andere planinstrumenten. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is groot. Om hiermee om te gaan beschrijft de NOVI nationale belangen waarop de Rijksoverheid wil sturen en richting aan wil geven. Deze komen samen in vier prioriteiten: klimaatadaptatie en energietransitie, duurzaam economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Conclusie Het NOVI op land legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Het planvoornemen is in lijn met het beleid, zoals opgenomen in het NOVI onder energietransitie en duurzaam economisch groeipotentieel.
3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) regelt de juridische implementatie van de kaderstellende uitspraken uit de SVIR ten aanzien van de 13 daarin genoemde nationale belangen in ruimtelijke plannen. Het gaat om de volgende belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en Waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Met de komst van de NOVI komt de SVIR te vervallen en gaat de SVIR bijna geheel op in de NOVI. Het Barro blijft ook onder de NOVI van kracht.
12 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de NOVI is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen wordt ingezet. Conclusie Het Barro legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Het planvoornemen is in lijn met het beleid zoals opgenomen in het Barro.
3.2.3
Structuurvisie Windenergie op land
De Structuurvisie Windenergie op land is een uitwerking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In deze uitwerking presenteert het kabinet een ruimtelijk plan voor de doorgroei van windenergie op het grondgebied van Nederland (land en grote wateren, uitgezonderd de Noordzee). Doelstelling voor dit plan is om zodanige voorwaarden te scheppen dat in 2020 een opwekkingsvermogen van tenminste 6.000 megawatt (MW) aan windturbines operationeel is. In zoverre de doelstelling niet tijdig wordt gerealiseerd, zal het restant van de opgave verdubbeld worden en meelopen in de Regionale Energie Strategieën. Deze verdubbeling zal gerealiseerd worden in de periode 2021-2023. Met de komst van de NOVI komt de SVIR te vervallen en gaat de SVIR bijna geheel op in de NOVI. De Structuurvisie Windenergie op land blijft ook onder de NOVI van kracht. Conclusie De Structuurvisie Windenergie op land legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. Het planvoornemen is in lijn met het beleid zoals opgenomen in de Structuurvisie Windenergie op land.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland
Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale Staten van provincie Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Op 1 augustus 2020 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland vastgesteld1. In de Omgevingsvisie heeft de provincie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: - Naar een klimaatbestendige delta; - Naar een levendige meerkernige metropool; - Naar een nieuwe economie: the next level; - Energievernieuwing; - Best bereikbare provincie; - Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. Provincie Zuid-Holland streeft naar een optimale wisselwerking tussen een goede leefomgevingskwaliteit en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet: 1
Op 6 oktober 2020 zijn wijziging van de Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland vastgesteld door middel van een ontwerpomgevingsvisie Zuid-Holland - Koers 2020. Uit de ontwerp-omgevingsvisie Zuid-Holland - Koers 2020 volgen geen wijzigingen die van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling is derhalve getoetst aan de Omgevingsvisie provincie Zuid-Holland.
13 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
-
Het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven; Het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit.
Windenergie De provincie biedt ruimtelijk mogelijkheden voor windenergie. Windenergie is naast overige vormen van duurzame energie noodzakelijk voor het bereiken van de provinciale doelstelling: in 2020 minimaal 9 % van de energieconsumptie in Zuid-Holland duurzaam opwekken. De provincie heeft in de omgevingsverordening verschillende locaties voor windenergie juridisch vastgelegd. Naast moderne grote windturbines is er in de provincie Zuid-Holland ook ruimte voor kleinere windturbines. Turbines met een ashoogte tot 15 m mogen binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied worden geplaatst en turbines tot 45 m binnen bestaand stads- en dorpsgebied of binnen het glastuinbouwgebied, voor zover dat past bij de lokale situatie. De windturbine die met dit planvoornomen gerealiseerd wordt, heeft een ashoogte van 15 m. Het planvoornemen is hiermee in lijn met de omgevingsvisie Zuid-Holland. Ruimtelijke kwaliteit In de omgevingsvisie is een kwaliteitskaart opgenomen. Deze kaart bevat de belangrijkste kenmerken (richtpunten) van een gebied, waar rekening mee gehouden dient te worden bij ruimtelijke plannen. De kwaliteitskaart is een middel om vroegtijdig in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. De richtpunten beschrijven hoe de provincie de kwaliteit van een gebied bij nieuwe ontwikkelingen wil behouden of versterken.
Initiatiefnemers van nieuwe ontwikkelingen dienen rekening te houden met richtpunten. Om de verschillende waarden en kenmerken van gebieden te benoemen en tot hun recht te laten komen, heeft de provincie Zuid-Holland gekozen voor een ordening van de Kwaliteitskaart in vier lagen: 1 laag van de ondergrond; 2 laag van de cultuur- en natuurlandschappen; 3 laag van de stedelijke occupatie; 4 laag van de beleving. Laag van de ondergrond De projectlocatie is op de kwaliteitskaart ‘Laag van de ondergrond’ aangemerkt als ‘rivierdeltacomplex rivierklei en veen’. Het richtpunt voor ontwikkelingen in een ‘rivierdeltacomplex - rivierklei en veen’ luidt als volgt : ‘Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar.’ Het planvoornemen voldoet aan de richtlijn en doet geen inbreuk op de herkenbaarheid van het verschil tussen komgronden en oeverwallen. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen De projectlocatie is op de kwaliteitskaart ‘laag van de cultuur- en natuurlandschappen’ aangemerkt als ‘veen(weide)landschap’. Richtpunten voor ontwikkelingen in ‘veen(weide)landschappen’ zijn: - Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.
- Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen - Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden - Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders. - Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. De windturbine wordt achter de bestaande bebouwing gebouwd en wordt hiermee geplaatst binnen de bestaande structuren. Het planvoornemen doet geen inbreuk op kenmerkende landschapselementen zoals verkavelingspatronen, zichtbaarheid van water in de vorm van weteringen, sloten en boezems en beplanting. Laag van de stedelijke occupatie De projectlocatie is op de kwaliteitskaart ‘laag van de stedelijke occupatie aangemerkt als ‘bouwwerken voor energieopwekking. Het richtpunt voor ontwikkelingen die in de ‘laag van stedelijke occupatie’ zijn aangemerkt als ‘bouwwerken voor energieopwekking’ is: ‘Bij de plaatsing van nieuwe bouwwerken voor energieopwekking zal een beeldkwaliteitsparagraaf inzicht moeten geven in de effecten, invloed en
14 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
aanvaardbaarheid van deze bouwwerken op de (wijde) omgeving.’ In paragraaf 4.1 wordt gemotiveerd dat het planvoornemen landschappelijk inpasbaar is. Laag van de beleving De projectlocatie is op de kwaliteitskaart ‘Laag van de beleving’ aangemerkt als ‘stiltegebied. Het richtpunt voor ontwikkelingen in ‘stiltegebieden’ luidt: in de stiltegebieden is alleen ruimte voor ‘gebiedseigen’ geluid. De Omgevingsverordening Zuid-Holland geeft regels voor ruimtelijke plannen in stiltegebieden. Zo is het gebruik van toestellen die de ervaring van natuurlijke geluiden kan verstoren, niet toegestaan. Uit de toelichting van de Omgevingsverordening Zuid-Holland blijkt dat verschillende uitzonderingen gelden op het toestelverbod. Het gebruik van toestellen in verband met energievoorziening is één van de uitzonderingen. Conclusie Het planvoornemen draagt bij aan energievernieuwing en past binnen de regels die provincie Zuid-Holland heeft vastgelegd over windenergie. Ook draagt het planvoornemen bij aan behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het planvoornemen is hiermee in lijn met het provinciaal beleid.
3.3.2
Omgevingsverordening Zuid-Holland
Op 20 februari 2019 hebben Provinciale Staten van provincie Zuid-Holland de Omgevingsverordening vastgesteld. Op 1 augustus 2020 is de geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Zuid-Holland vastgesteld1. In deze geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn de wijzigingen ten gevolge van verschillende actualisaties vanaf 2019 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland verwerkt. Deze verordening verankert het beleid van de provincie Zuid-Holland juridisch. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen alsmede de inhoud van ruimtelijke onderbouwingen. Voor het planvoornemen zijn onderstaande artikelen relevant. Artikel 2.4 Aanwijzing stiltegebieden 1 Stiltegebieden zijn gebieden als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en zijn verbeeld op kaart 6 in bijlage II van de omgevingsverordening Zuid-Holland; 2 Gedeputeerde staten maken de begrenzing van stiltegebieden tevens op uniforme wijze kenbaar door een daartoe strekkende aanduiding ter plaatse. Uit de Toelichting van de Omgevingsverordening Zuid-Holland blijkt dat er verschillende uitzonderingen gelden op het toestelverbod. Het gebruik van toestellen in verband met energievoorziening is één van deze uitzonderingen.
Het planvoornemen is hiermee in lijn met artikel 2.4 van de omgevingsverordening Zuid Holland. Artikel 6.9 Ruimtelijke kwaliteit 1 Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door:
1 Op 6 oktober 2020 zijn wijziging van de Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland vastgesteld door middel van een
ontwerp-omgevingsverordening Zuid-Holland - Koers 2020. Uit de ontwerp-omgevingsvisie Zuid-Holland - Koers 2020 volgen geen wijzigingen die van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling is derhalve getoetst aan de Omgevingsverordening provincie Zuid-Holland.
15 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
1.
c.
zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1. een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en 2. het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.
Lid 2 tot en met lid 6 zijn in dit geval niet relevant. In paragraaf 3.3.1 is onderbouwd dat het planvoornemen past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en rekening houdt met de richtpunten van de kwaliteitskaart. In bijlage I van dit rapport is het plaatsingsadvies van Dorp, Stad en Land opgenomen. Het planvoornemen is hiermee in lijn met artikel 6.9 van de omgevingsverordening Zuid-Holland. Artikel 6.28 Windenergie 1 Een bestemmingsplan laat nieuwe windturbines alleen toe op gronden binnen de locaties voor windenergie, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 16 in bijlage II van de omgevingsverordening Zuid-Holland. 2 In het bestemmingsplan kan de begrenzing van de in het eerste lid bedoelde locaties in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden. 3 In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voor gronden buiten het bestaand stads- en dorpsgebied kleine windturbines met een ashoogte tot 15 m toelaten en kan een bestemmingsplan voor gronden binnen het bestaand stads- en dorpsgebied of voor gronden binnen het glastuinbouwgebied, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 11 in bijlage II van de omgevingsverordening Zuid-Holland, kleine en middelgrote windturbines met een ashoogte tot 45 m toelaten, voor zover dat passend is bij de lokale situatie.
4 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden buiten de locaties voor windenergie, bedoeld in het eerste lid, kan vervanging van bestaande grote windturbines door nieuwe windturbines mogelijk maken. De windturbine die met dit planvoornomen gerealiseerd wordt, heeft een ashoogte van 15 m. Het planvoornemen is hiermee in lijn met artikel 6.28 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Conclusie Het planvoornemen is in lijn met de regels zoals deze zijn vastgelegd in de Omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland.
3.3.3
Omgevingsprogramma Zuid-Holland - Koers 2020
Op 10 oktober 2020 is het ontwerp-omgevingsprogramma Zuid-Holland - Koers 2020 vastgesteld. Het ontwerp-omgevingsprogramma betreft de beleidsuitwerking van de provinciale omgevingsvisie. Eén van de beleidsdoelen die bij de ambitie ‘Schone energie voor iedereen’ hoort, betreft het beleidsdoel ‘schone en duurzame elektriciteitsvoorziening. De provincie zet zich in om de met gemeenten en het Rijk gemaakte afspraken voor windenergie op land te realiseren. De locaties waar de provincie plaatsing van windturbines toestaat, zijn opgenomen in de omgevingsverordening. Buiten de aangewezen locaties voor windturbines, biedt de provincie ruimte voor initiatieven vanuit de samenleving voor kleine en middelgrote windturbines. Buiten bestaand stads- en dorpsgebied is de as-hoogte voor deze windturbines begrensd op maximaal 15 meter.
16 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
Conclusie De voorgenomen ontwikkelingen van de plaatsing van één windmolen met een as-hoogte van 15 meter is in lijn met het Omgevingsprogramma Zuid-Holland Koers 2020.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Structuurvisie Graafstroom
Op 29 maart 2011 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie Graafstroom vastgesteld. De structuurvisie heeft betrekking op het gehele gebied van de voormalige gemeente Graafstroom. Inmiddels is de gemeente opgegaan in de gemeente Molenlanden. De visie van de gemeente is vooral gericht op behoud van het bestaande. Kenmerkend voor de gemeente is het karakteristieke landschap, de cultuurhistorisch waardevolle elementen, het relatief grote voorzieningenaanbod en de dynamiek in kernen en linten. In de structuurvisie staat genoemd dat de agrarische sector de belangrijkste drager is van het landschap. Het agrarisch open landschap kenmerkt zich door allerlei landschappelijke (zoals knotwilgen, dijken, sloten etc.) en cultuurhistorische elementen (zoals molen en monumentale boerderijen). Om de agrarische sector een toekomstperspectief te bieden worden voor het agrarisch gebied mogelijkheden geboden om activiteiten op agrarische bedrijven te laten ontwikkelen en te verbreden. Hierbij gelden twee voorwaarden: 1 verbreding mag niet ten koste gaan van de landschappelijke kwaliteit; 2 deze ontwikkelingen mogen niet leiden tot een substantiële toename van het aantal verkeersbewegingen en/of tot extra beperkingen van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven in de omgeving Het planvoornemen doet geen onevenredige inbreuk op de landschappelijke kwaliteit.
Tevens leidt het planvoornemen niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen of extra beperkingen van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven in de omgeving. Conclusie Het planvoornemen doet geen onevenredige inbreuk op de landschappelijke kwaliteit. Ook leidt het planvoornemen niet tot een toename van het aantal verkeersbewegingen of extra beperkingen van de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven in de omgeving. Het planvoornemen is hiermee in lijn met de structuurvisie Graafstroom.
17 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
4 OMGEVINGSEFFECTEN EN MILIEUEFFECTEN 4.1
Landschappelijke inpasbaarheid
De komende decennia zal het Nederlandse landschap in hoog tempo veranderen door de verdere uitbreiding van het aantal windturbines op land. Windturbines op land met een vermogen van 6-7 MW hebben door hun tiphoogte, soms wel tot 250 m hoogte, grote impact op het landschap1. Ze torenen ver boven andere bebouwing en bossen uit. Ook vanwege de omvang en kleur gaan de windturbines moeizaam op in de omgeving. De beleving van het landschap kan daardoor sterk veranderen. Dit ligt genuanceerder bij de inpassing van kleine (E.A.Z.-)turbines. De kleine windmolens van E.A.Z. Wind meten een masthoogte van 15 m, een maximale tiphoogte van 21,6 m en dragen bij aan de duurzame transitie op bedrijfsschaalniveau. De E.A.Z.-windmolen heeft een eenvoudig uiterlijk met een lichtgroene mast, die bestaat uit drie dikwandige buissecties met verschillende diameters van hoge sterkte staal. Meest opvallend aan de molen zijn de drie houten rotorbladen en de houten staart. Anders dan bij de grote windturbines past de molen goed bij de schaal van een boerenerf en de bebouwing, zoals stallen, schuren of silo’s. De beperkte hoogte draagt in algemene zin ook bij aan weinig zichthinder2. De aanwezige landschapsstructuur, zoals verkaveling en de grens tussen land en water, blijft leesbaar wanneer een kleine windturbine wordt geplaatst. De openheid van het gebied raakt minimaal beïnvloed.
Afbeelding 4.1 E.A.Z.-windturbine op achtererf van agrarische bouwkavel (bron: eigen bewerking)
Conclusie De realisatie van de windturbine tast landschappelijke waarden die in het grootschalige, open landschap van het buitengebied kenmerkend zijn, niet aan. Het aspect landschap vormt geen belemmering voor het planvoornemen. 1
Agentschap NL - ministerie van Economische Zaken - Handreiking waardering landschappelijke effecten van windenergie april 2013.
2
Dorp Stad en Land, adviseurs ruimtelijke kwaliteit, document locatie- en plaatsingsonderzoek E.A.Z. Twaalf-windmolens.
18 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
4.2
Milieueffectrapportage
Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is een algemene maatregel van bestuur (AMvB). Het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is essentieel om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit een m.e.r.-(beoordelings)procedure moet worden doorlopen. Dat de m.e.r.-plicht voor een belangrijk deel is geregeld in het Besluit m.e.r. volgt uit art. 7.2 Wm. Het Besluit m.e.r. bestaat uit een hoofddeel en vier bijlagen. De vier bijlagen staan aangeduid als de onderdelen A, B, C en D: - onderdeel A bevat de omschrijving van diverse begrippen die in het Besluit m.e.r. genoemd worden; - onderdeel B is reeds vervallen; - onderdeel C bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r. verplicht is; - onderdeel D bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is een aantal definities opgenomen van termen die worden gebruikt bij de omschrijving van activiteiten en gevallen in de kolommen 1 en 2 van de onderdelen C en D van het Besluit m.e.r. Onderdelen C en D bestaan elk uit vijf kolommen: - nummer van de categorie; - kolom 1: activiteiten; - kolom 2: gevallen; - kolom 3: plannen; - kolom 4: besluiten. Conclusie De voorgenomen activiteit staat niet in kolom 1: activiteiten van onderdeel C.
De voorgenomen activiteit staat ook niet in kolom 1: activiteiten van onderdeel D. Hieruit volgt dat het project niet m.e.r.(beoordelings)plichtig is.
4.3
Verkeer en parkeren
In de aanlegfase is sprake van werkzaamheden van twee dagen met beperkt materiaal. Het bestaande wegennet op en rondom het bedrijf functioneert voldoende voor deze verkeersafwikkeling. Door de komst van de windturbine is in de gebruiksfase geen sprake van verkeersaantrekkende werking. Conclusie Het onderdeel verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de totstandkoming van het plan.
4.4
Geluid
Op 28 mei 2021 is door Geluid Plus Adviseurs een akoestisch onderzoek uitgevoerd (projectnummer 2100229) ter plaatse van de meest nabij gelegen woning, zie bijlage II van dit rapport. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: - 1 windturbine; - ashoogte van de windturbine bedraagt 15 m; - afstand turbine tot woning bedraagt 267 m; - beoordelingshoogte ter plaatse van de gevel van de woning bedraag 5 m; - het in werking hebben van een windturbine valt onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Conform het Activiteitenbesluit (artikel 3.14a) mag de jaargemiddelde geluidbelasting vanwege 1 of meerdere windturbines ten hoogste 47 dB L den (gemiddelde over het etmaal) en 41 dB L night (tussen 23.00 en 07.00 uur) bedragen. De berekeningen zijn uitgevoerd conform het Reken- en meetvoorschrift windturbines, bijlage 4 van de Activiteitenregeling milieubeheer. Ter plaatse van de maatgevende woning bedraagt de jaargemiddelde
19 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
geluidbelasting 32 en 26 dB voor respectievelijk Lden en Lnight . Hiermee wordt voldaan aan de geluidnormering van L den ≤ 47 dB en L night ≤ 41 dB conform het Activiteitenbesluit. Conclusie De berekeningen laten zien dat ter plaatse van de meest nabij gelegen woning wordt voldaan aan de normen van het Activiteitenbesluit. Hiermee kan gesteld worden dat de te realiseren windturbine akoestisch inpasbaar is in haar omgeving.
4.5
Luchtkwaliteit
De windturbine is emissievrij. Daarnaast leidt de aanlegfase niet tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De windturbine leidt in de gebruiksfase niet tot negatieve effecten op de luchtkwaliteit. Het onderdeel luchtkwaliteit is hiermee in lijn met de voorwaarden van artikel 5.16, lid 1 Wet milieubeheer. Conclusie De komst van de windturbine voldoet dus aan de geldende grenswaarden voor luchtkwaliteit uit de Wet milieubeheer.
4.6
Natuur
De Wet natuurbescherming (Wnb) ziet toe op het behoud en de versterking van de biodiversiteit. De bescherming van natuur is geregeld via gebiedsbescherming en soortenbescherming. De Wnb vormt het geldend wettelijk kader. Toetsing aan de Wnb Het beschermen, ontwikkelen en beheren van natuurgebieden is niet altijd genoeg om de verscheidenheid aan planten- en diersoorten in stand te houden. Bovendien komen veel soorten ook buiten natuurgebieden voor. De Wnb vervangt sinds 1 januari 2017 drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Het doel van de Wet natuurbescherming (Wnb) is drieledig: 1 2 3
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur genoemd) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Soortenbescherming Artikelen 3.1 tot en met 3.11 van de Wnb regelen de bescherming van soorten. De bescherming is opgedeeld in vijf categorieën met soorten: 1 vogels met jaarrond beschermde nesten; 2 overige vogels; 3 soorten van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I); 4 overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn en waarvoor provinciaal geen vrijstelling geldt; 5 overige soorten die op nationaal niveau beschermd zijn, maar waarvoor provinciaal wel een vrijstelling geldt. Van belang is om na te gaan in hoeverre er sprake is of kan zijn van 1 of meerdere van de bovengenoemde ‘verboden activiteiten’.
20 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
Ashoogte van 40 m of meer Er is veel onderzoek verricht naar slachtoffers onder vleermuizen en vogels bij windparken met turbines met een ashoogte van 40 m of meer. Daaruit blijkt dat het aantal slachtoffers per windturbine laag is. Voor vleermuizen tussen de nul en drie per jaar en voor vogels tussen vijf en tien per jaar (Rydell et al. 2010 en Kleyheeg-Hartman et al. 2015). Dit is mede het gevolg van vermijdingsgedrag van vleermuizen en vogels. Voor middelgrote en grote windturbines en windparken worden verstoringsafstanden tussen 80 en 600 meters vastgesteld (Voslamber & Liefting 2011 en Zehtindjiev et al. 2017). Ashoogte van 30 m In Nederland is onderzoek gedaan naar turbines met een ashoogte van 30 m. Voor ganzen is geen verstoringsafstand vastgesteld (Winkelman 1989). Voor steltlopers is een maximale afstand van 100 m (Spaans et al. 1998). In de onderzoeken worden geen effecten gevonden voor kraaiachtigen, spreeuwen of kokmeeuwen en steltlopers. Ashoogte < 20 m Sweco (2019) heeft recent een beleidsevaluatie1 uitgevoerd naar de effecten van het plaatsen van kleine windturbines op vogels en vleermuizen binnen agrarische en niet-agrarische bouwpercelen in het buitengebied en in stedelijk gebied. Uit de beleidsevaluatie komt naar voren dat grotere vogels hebben een hoger risico op aanvaring met kleine windturbines dan kleinere vogels.
Daarnaast heeft Ecosensys een pilotstudie (monitoringsonderzoek)2 uitgevoerd naar de effecten van kleine windturbines binnen agrarische en niet-agrarische bouwpercelen in buitengebied. Uit het monitoringsonderzoek komt naar voren dat er verschillende vogelsoorten en vleermuissoorten in de buurt van kleine windturbines kunnen voorkomen. Bij het slachtofferonderzoek zijn echter vrijwel geen vogelslachtoffers gevonden. Uit observaties met warmtebeeldcamera’s zijn geen aanvaringen van vleermuizen met windturbines vastgesteld en er zijn ook geen slachtoffers gevonden tijdens het slachtofferonderzoek. Er zijn derhalve geen slachtoffers gevonden waarvan met zekerheid te stellen valt dat deze door windturbines zijn gedood. Hierdoor valt het verstoringsaspect van de windturbines met een ashoogte < 20 m te verwaarlozen. Nader onderzoek naar flora en fauna is hierdoor in deze situatie ook niet nodig. Daarnaast moet volgens de provinciale verordening bij grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen, mogelijke schade aan de waarde van het leefgebied voor weidevogels worden beoordeeld. In deze situatie is geen sprake van een grootschalige ruimtelijke ontwikkeling en er treden zeer waarschijnlijk geen verstorende effecten op, gezien de reeds bestaande verstoringszones rond bomen en gebouwen. Nader onderzoek naar flora en fauna is hierdoor in deze situatie ook niet nodig.
Bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden dient te allen tijde rekening te worden gehouden met het broedseizoen. Verstoring van broedgevallen (in gebruik zijnde nesten) van vogels dient te worden voorkomen. Verder bestaat er geen noodzaak voor een nadere analyse van natuurwaarden in het kader van het nationaal of provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. De activiteit is, op het punt van natuur, niet in strijd met de Wnb en de Omgevingsverordening. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden betreffen een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/43/EEG) en de gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wnb beschermd. Het NNN, voorheen ook wel Ecologische Hoofdstructuur genoemd, is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Afbeelding 4.2 geeft de ligging van NNN-gebieden in de omgeving van het projectgebied weer. De NNNgebieden zijn aangegeven met een grijze arcering en het projectgebied met een rode contour. Op afbeelding 4.2 is te zien dat geen NNN-gebieden aanwezig zijn in de directe omgeving van het 1
Sweco 2019. Evaluatie beleid kleine windturbines Provincie Groningen. Rapportnr. SWNL0242800.
2
Jonge Poerik, B. & S. van Houten-Munten 2020. Pilot project effecten kleine windturbines op vogels en vleermuizen. Provincie Groningen.
21 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
projectgebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op 450 m afstand van het projectgebied. Tevens kent het NNN-beleid van de provincie Zuid-Holland geen externe werking. Dit betekent dat het beleid niet geldt voor activiteiten rondom het NNN-gebied, die invloed kunnen hebben op het NNN-gebied. Vervolgstappen in het kader van NNN zijn niet nodig.
Afbeelding 4.2 Ligging NNN-gebieden in de omgeving projectgebied (bron: atlasleefomgeving.nl)
Afbeelding 4.3 toont de Natura 2000-gebieden in de omgeving van het projectgebied. Het projectgebied is op afbeelding 4.3 aangegeven met een rode contour en de Natura 2000-gebieden zijn aangegeven met een blauwe arcering. Op circa 1,1 km afstand van het projectgebied ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’. Gezien de aard van de geplande werkzaamheden en de afstand tot Natura 2000-gebieden, zullen directe effecten (bijvoorbeeld geluid, visuele verstoring en ruimtebeslag) zich niet voordoen.
Afbeelding 4.3 Ligging Natura 2000-gebieden in omgeving projectgebied (bron: atlasleefomgeving.nl)
22 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
Uit het stikstofdepositieonderzoek (bijlage III) blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in 1 of meer Natura 2000-gebieden ten opzichte van de feitelijke aanwezige planologische legale situatie. Tijdens het plaatsen van de windturbine (uitvoeringsfase) worden mobiele werktuigen ingezet die kunnen leiden tot stikstofdepositie. Met behulp van stikstofdepositieberekeningen (zie bijlage III van dit rapport) is de totale stikstofemissie als gevolg van het plaatsen van de windturbine berekend. Uit de stikstofdepositieberekeningen blijkt dat negatieve effecten op Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie zijn uitgesloten. De ontwikkeling heeft dus geen significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied. Conclusie Het aspect natuur vormt naar verwachting geen belemmering voor het planvoornemen.
4.7
Waterhuishouding
De digitale watertoets is doorlopen. Bij dit plan treedt alleen een functieverandering op en er is daarom geen waterschapsbelang. Overleg met het waterschap is niet nodig. Conclusie Het planvoornemen leidt niet tot een toename van het verhard oppervlak. Bovendien is er geen sprake van verandering in de waterberging, waterregulatie of waterafvoer. Het waterschapsbelang is niet in het geding.
4.8
Bodem
Bij het ruimtelijk planproces gaat het om de vraag of het huidige of toekomstige gebruik van de bodem afgestemd kan worden op de aanwezige bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de beoogde functie. Het bodemsaneringsbeleid is verder uitgewerkt in de Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit Uniforme Saneringen (BUS), de Circulaire Bodemsanering en het Besluit bodemkwaliteit. Voor het plaatsen van de windturbines wordt tot circa 0,80 m diepte grond verzet. De grond wordt niet verplaatst. De grond die wordt uitgegraven, wordt na plaatsen van de turbine weer teruggebracht. Voor tijdelijke uitname van grond stelt het Besluit bodemkwaliteit in artikel 36, derde lid, dat wanneer grond niet wordt bewerkt en op dezelfde plaats onder dezelfde condities opnieuw en in dezelfde toepassing wordt teruggebracht, dit toegestaan is zonder kwaliteitsbepaling (artikel 38 en 40), toetsing aan de functie (onder andere artikel 59) en melding (artikel 42). Overige bepalingen van het Besluit bodemkwaliteit, en andere wetgeving zoals de Wbb, Arbo-regelgeving, Wet ruimtelijke ordening en Waterwet blijven bij tijdelijke uitname onverminderd van kracht.
Denk hierbij aan: - functionaliteit (artikel 5 Bbk): dat wil zeggen dat sprake moet zijn van een nuttige toepassing, geen grotere hoeveelheid wordt toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing en dat de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar deze plaatsvindt, of onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt; - zorgplicht bodem (artikel 13 Wbb) en zorgplicht oppervlaktewater (artikel 7 Bbk). Het is bijvoorbeeld niet toegestaan om asbesthoudende grond terug te plaatsen indien er bij ontgraving asbest is geconstateerd; - bij tijdelijke uitname kunnen grond of baggerspecie worden getransporteerd. Als dit binnen de grenzen van een werk gebeurt (geen transport over de openbare weg) is het niet nodig dat hierbij schriftelijke bescheiden aanwezig zijn. Als het transport naar een tijdelijke opslag buiten de grenzen van het werk plaatsvindt, is de aanwezigheid van schriftelijke bescheiden wel noodzakelijk. Een oorspronkelijk toegepaste bouwstof, ontgraven grond of baggerspecie wordt veelal als een afvalstof gezien. In dat geval moet het transport zijn vergezeld van een begeleidingsbrief.
23 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
Om zekerheidshalve meer te weten te komen over de bodemkwaliteit is topotijdreis.nl geraadpleegd. Afbeelding 4.4 geeft een uitsnede weer van topotijdreis.nl. De locatie heeft in ieder geval vanaf 1989 één en dezelfde functie gehad. Ook is het bodemloket geraadpleegd alsmede de bodemkwaliteitskaart van Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en topotijdreis.nl. Afbeelding 4.5 geeft een uitsnede weer van het bodemloket. Volgens de bodemkwaliteitskaart en bijbehorend Omgevingsrapport van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid is het plangebied potentieel verontreinigd. In de nabijheid van het plangebied is een hbo-tank (ondergronds) aanwezig sinds 1979. Ook heeft er in het verleden demping met puin en/of bouw- en sloopafval plaatsgevonden1 van een watergang op circa 30 m afstand van de voorgenomen graaflocatie. Daarbij bevindt de projectlocatie zich nabij Dordrecht en is PFAS verdacht op basis van de luchtdepositie (met name voor PFOA/GenX) afkomstig van de Chemoursfabriek, te Dordrecht. Op recente satellietbeelden is te zien dat grondverzet heeft plaatsgevonden aan de achterzijde van het terrein (google.maps). Omdat het planvoornemen alleen leidt tot tijdelijke uitplaatsing van grond geldt er geen plicht tot het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek.
Afbeelding 4.4 Het plangebied (rood omcirkeld) heeft sinds 1989 dezelfde functie gekend (bron: topotijdreis.nl)
Afbeelding 4.5 Het plangebied (bron: bodemloket.nl)
1
Bron: Omgevingsrapport Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.
24 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
Conclusie Het onderdeel bodem is in lijn met de geldende wet- en regelgeving. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de totstandkoming van het plan.
4.9
Cultuurhistorie en archeologie
De plek waar de windturbine gerealiseerd zal worden, bevindt zich in een bestemming met archeologische waarden. Zie ook afbeelding 4.6, waarbij de beoogde locatie voor de windturbine is weergegeven met een gele stip. Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ van de gemeente Molenwaard geldt de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’ in het plangebied. Uit artikel 30.2 lid a van het bestemmingsplan volgt dat er bouwwerken, geen gebouw zijnde, gebouwd mogen worden ten behoeve van de geldende bestemming in artikel 30.1. Deze geldende bestemming is bescherming en veiligstelling van archeologische gronden. Uit artikel 30.2 lid b onder 1 en 2 volgen de bepalingen dat er gebouwd mag worden ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, mits er een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van de beoogde locatie zijn vastgesteld naar het oordeel van het bestuursorgaan. Daarnaast mogen de archeologische waarde mogen niet geschaafd worden door bouwactiviteiten. Uit artikel 30.2 lid b onder 4 volgt dat er niet voldaan hoeft te worden aan de bepalingen, over het archeologische rapport van artikel 30.2 lid b onder 1 en 2, om te bouwen ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemmingen, indien het bouwwerk minder is dan een oppervlakte van 250 m2.
Het bouwwerk van de windturbines is niet groter dan een oppervlakte van 250 m2. Er hoeft daarom geen archeologisch rapport te worden overlegd. Het planvoornemen is dus in lijn met de bepalingen die gelden op de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 4’. Er bevinden zich geen gemeentelijke, provinciale of rijksmonumenten in de nabijheid van het plangebied.
Afbeelding 4.6 De windturbine bevindt zich in een gebied met archeologische waarden (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Conclusie Het planvoornemen leidt niet tot aantasting van monumenten of archeologische waarden. Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.10
Externe veiligheid
Het doel van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is om mensen te beschermen die zich mogelijkerwijs in de nabijheid bevinden van (een bedrijf met) gevaarlijke stoffen. Bij een
25 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
omgevingsvergunning milieu of een ruimtelijk besluit rond zo'n bedrijf moet het bevoegd gezag rekening houden met veiligheidsafstanden ter bescherming van individuen (plaatsgebonden risico) en groepen personen (groepsrisico). In de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) zijn bepaling en toepassing van de veiligheidsnormen verder uitgewerkt. Voor zogenaamde 'categoriale inrichtingen' geeft de Revi tabellen met vaste veiligheidsafstanden. Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij of zij zich permanent en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt. Het groepsrisico is de kans per jaar dat in één keer een groep van een bepaalde grootte dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het transport, de opslag en productie van gevaarlijke stoffen brengen risico’s met zich mee door de mogelijkheid dat bij een ongeval gevaarlijke lading vrij kan komen. De discipline externe veiligheid houdt zich bezig met de hieraan verbonden risico’s voor mensen die zich in de nabijheid van gevaarlijke stoffen bevinden. Externe veiligheid maakt onderscheid tussen risicobronnen en risico-ontvangers. In dit geval wordt de windturbine gezien als risicobron. De windturbine als risicobron De windturbine wordt geplaatst op eigen terrein, niet in openbaar gebied.
Wieken zouden bijvoorbeeld van de windturbine kunnen vallen en hierdoor een risico kunnen vormen voor de omgeving. De windturbine wordt geplaatst in een weiland in een zone waar geen structurele aanwezigheid van personen is. Risico op ongevallen die door de windturbine veroorzaakt zouden kunnen worden is hierdoor verwaarloosbaar klein. Conclusie Het planvoornemen leidt niet tot een verandering van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico en is in lijn met de geldende regelgeving voor externe veiligheid, te weten het Bevi en het Revi. Ook wordt de plaatsing van een windturbine niet gekarakteriseerd als een (beperkt) kwetsbaar object, zodat nader onderzoek naar externe veiligheid niet nodig is.
4.11
Bedrijven en milieuzonering
Bedrijven kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden. Zonering, afstand houden, is een belangrijk middel om te voorkomen dat er hinder ontstaat. Ook zorgt dit ervoor dat de bestaande bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. Conclusie De windturbine is een onderdeel van de bedrijfsvoering van het loonbedrijf. Het meest dichtstbijzijnd gelegen andere agrarisch bedrijf ligt op circa 200 m afstand van het plangebied. Deze afstand is dermate groot dat bestaande rechten van ondernemers niet wordt geschaad.
4.12
Kabels en leidingen
Bij grondzetting door graven in de grond zal er een KLIC-melding (KLIC= Kabels en Leidingen Informatie Centrum) gedaan moeten worden of in de toekomst bij het Kadaster met de nieuwe grondroerdersregeling. Leidinggegevens kunnen worden opgevraagd via een oriënterende KLIC-melding of bij de leidingexploitant. Indien niet bekend is of er leidingen op een specifieke locatie aanwezig zijn, kan de gemeente contact opnemen met de VROM-Inspectie in de regio. Die heeft een voorlopig bestand met data over buisleidingen en zij kan indicatief nagaan of er buisleidingen door een betreffende gemeente lopen, wie de leidingexploitant is en welke stof er doorheen gaat.
26 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
5 UITVOERBAARHEID 5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.1.1
Vooroverleg
Het bevoegd gezag is op grond van artikel 6.18 Bor verplicht tijdens de voorbereiding van een omgevingsvergunning die wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wabo, overleg te plegen met de gebruikelijke overlegpartners in het kader van de ruimtelijke ordening, waaronder het waterschap en de provincie.
5.1.2
Zienswijzen
Op de vergunningsaanvraag is de uitgebreide voorbereidingsprocedure (artikel 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) van toepassing. De omgevingsvergunning planologisch afwijken wordt ingediend bij het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college). Het college publiceert de ontvangst van de aanvraag. De omgevingsvergunning kent een proceduretijd van zes maanden, waarna het college de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan kan vaststellen. De omgevingsvergunning ligt gedurende een periode van zes weken ter inzage. De vergunning wordt bekend gemaakt in de Staatscourant en de gebruikelijke lokale media. Gedurende de terinzagelegging kan een ieder een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren brengen bij de gemeente. De gemeente reageert op de zienswijzen in een reactienota.
5.2
Economische uitvoerbaarheid
Het bedrijf A. Tuytel Holding B.V., gelegen aan Heiweg 3 te Oud-Alblas , plaatst de windturbine voor eigen rekening en risico en heeft hiervoor een sluitende begroting opgesteld.
27 | 27
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Definitief
Bijlage(n)
I BIJLAGE: PLAATSINGSADVIESFORMULIER E.A.Z. TURBINE
Witteveen+Bos | 115826/21-010.806 | Bijlage I | Definitief
ADVISEURS RUIMTELIJKE KWALITEIT
Groothandelsgebouw Stationsplein 45 Postbus 29129 3001 GC Rotterdam T 010 - 280 94 45 E info@dorpstadenland.nl
datum ons kenmerk
: 6 november 2019 : MOL19-0151
“locatie- en plaatsingsonderzoek” op verzoek van EAZ Wind over ondervermeld plan: Betreft omschrijving adres initiatiefnemer datum advies geraadpleegde stukken
: Uitgebreide Wabo-procedure : Plaatsing van 1 kleine windmolen t.b.v. loonwerkbedrijf : Heiweg 3, 2969 LC, Oud-Alblas, gemeente Molenlanden : Tuytel Holding BV. : 6 november 2019 : - plattegrond Tuytel.pdf
Op basis van de door EAZ Wind geleverde documenten omtrent de voorgenomen plaatsing van een kleine windmolen op het bouwvlak van de bedrijfskavel van Tuytel Holding BV aan de Heiweg 3 te Oud-Alblas en een locatiebezoek, is een landschapsadvies geleverd ten aanzien van de positie, het visuele effect op het landschap en de ruimtelijke inpassing. Op grond van het bestemmingsplan van de gemeente Molenlanden is er op deze locatie een uitgebreide Wabo procedure nodig om eventuele plaatsing van een kleine windmolen van EAZ binnen het bouwvlak mogelijk te maken. Dit advies dient ter ruimtelijke onderbouwing bij die aanvraag. De kleine windmolens van EAZ Wind meten een masthoogte van 15 meter en een maximale tiphoogte van 21.6 meter en draagt bij aan de duurzame transitie op bedrijfsschaalniveau. De EAZ windmolen heeft een eenvoudig uiterlijk met een licht groene mast die bestaat uit drie dikwandige buissecties met verschillende diameters van hoge sterkte staal. Meest opvallend aan de molen zijn de 3 houten rotorbladen en de houten staart. Anders dan bij de grote windturbines past de molen goed bij de schaal van een boerenerf en de bebouwing, zoals stallen, schuren of silo’s. De beperkte hoogte draagt in algemene zin ook bij aan weinig zichthinder. Zelfs in een open landschap als dat van de Molenwaard.
Afb. Locatie Heiweg 3 in Oud-Alblas (rode markering links). En de voorgestelde locatie van de windmolen (rechts)
P1/4
De locatie Heiweg 3 is van oorsprong een agrarische huiskavel. Veel van de huidige inrichting en gebouwen passen ook nog in dat beeld. De kavel heeft echter een bedrijfsbestemming en is in gebruik voor een grond- en loonwerkbedrijf; Tuytel. Omdat de functie in het bestemmingsplan onder andere voorschriften vallen kan de toevoeging van een kleine windmolen niet zoals bij een agrarische bestemming worden gezien. Juridisch gezien is een uitgebreidere procedure nodig. Ruimtelijk bekeken is de situatie zeer vergelijkbaar met die van agrarische kavels waar de kleine windmolen geplaatst is (zoals bijvoorbeeld aan de Middenpolderweg in Streefkerk in dezelfde gemeente). Heiweg 3 ligt in een ruilverkavelingslandschap met grote maat, veel open ruimte en een heldere rechtlijnige infrastructuur. Landschappelijk meest waardevol is de historische loop van de wetering op de achterkant van de slagen vanaf de Heiweg gezien. Deze grillige lijn ligt hoger in het landschap en is van alle zijden beleefbaar. De beplanting, zoals die waar de eendenkooi in ligt, versterkt de landschappelijke betekenis van deze waterlijn. De afstand tot de achterzijde van het bouwblok van Heiweg 3 is 700 meter tot de wetering en 750 meter tot aan het centrale punt van de plas van de eendenkooi. Meest opvallend in de omgeving van de Heiweg 3 is het hoogspanningstracé dat pal voor de kavel langs loopt.