Bijlage 7 Archeologie
Tekst van het document
Rapport 5507
KERKWEG 6 TE SCHELLUINEN
I.S.J. Beckers
Kerkweg 6 te Schelluinen (gemeente Molenlanden) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek
I.S.J. Beckers
2
Colofon ADC Rapport 5507 Kerkweg 6 te Schelluinen (gemeente Molenlanden) Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek Auteur: I.S.J. Beckers In opdracht van: Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. © ADC ArcheoProjecten, Amersfoort, 31 januari 2022 Foto’s en tekeningen: ADC ArcheoProjecten, tenzij anders vermeld Status onderzoek: definitief Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. ADC ArcheoProjecten aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Autorisatie: B. Jansen
ISSN 1875-1067
ADC ArcheoProjecten Postbus 1513 3800 BM Amersfoort Tel. 033-299 81 81 E-mail info@archeologie.nl
3
Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding en administratieve gegevens 2 Bureauonderzoek 2.1 Doelstelling en vraagstelling 2.2 Methodiek 2.3 Resultaten 2.4 Gespecificeerde verwachting en conclusie 3 Inventariserend Veldonderzoek 3.1 Plan van Aanpak 3.2 Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) 3.3 Conclusies 4 Aanbeveling Literatuur Geraadpleegde websites Lijst van afbeeldingen en tabellen Bijlage 1 Boorgegevens
5 7 9 9 9 9 14 16 16 17 18 19 20 21 21 33
4
5
Samenvatting In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. heeft ADC ArcheoProjecten in juni 2021 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de locatie Kerkweg 6 te Schelluinen (gemeente Molenlanden). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bouw van vijf woningen. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de wijziging van het bestemmingsplan. Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde verwachting opgesteld. Hieruit bleek dat in de ondergrond van het westen van het plangebied een pakket van oever- op beddingafzettingen van de Spijkse stroomgordel verwacht wordt. De Spijkse stroomgordel was actief van ca. 700 v. Chr. tot ca. 200 n. Chr. Naar verwachting ligt de top van de beddingafzettingen op een diepte van 150 á 270 cm –mv. In de top van de oeverafzettingen kan een archeologisch niveau uit de Romeinse tijd aanwezig zijn. Een archeologische vindplaats op dit niveau zal zich manifesteren als een archeologische laag. Na de actieve fase werd de Spijkse stroomgordel bedekt door komafzettingen. Gedurende de Late Middeleeuwen werd het gebied van de Alblasserwaard ontgonnen en werd het dorp Schelluinen gesticht. Het plangebied ligt aan de oostelijke zijde van de historische dorpskern. In het westen van het plangebied heeft een boerenerf gelegen dat ten minste al uit het begin van de 19e eeuw dateert.
Een eventuele archeologische vindplaats uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd zal zich manifesteren als een vondstconcentratie van aardewerkfragmenten en resten bouwmateriaal in een opgebrachte, humeuze kleilaag. Teneinde deze verwachting te toetsen en aan te vullen in het door bodemingrepen bedreigde deel van het plangebied (het oostelijke deel van het plangebied) een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Hieruit bleek dat de ondergrond van het oosten van het plangebied uit verschillende kleipakketten bestaat, afgewisseld met een mineraalarme bosveenlaag. Dit zijn een pakket crevasse- of oeverafzettingen van een nog onbekend rivierensysteem, afgedekt door een pakket komafzettingen. In de top van de kleipakketten in een 25 tot 65 cm dikke bouwvoor ontwikkeld. Het pakket crevasse- of oeverafzettingen in de ondergrond is ongerijpt en kalkrijk. Omdat geen bodemvorming heeft plaatsgevonden, lijkt het pakket niet geschikt te zijn geweest voor bewoning. Dit pakket wordt daarom niet als potentieel archeologisch niveau beschouwd. In het oosten van het plangebied wordt dit pakket afgedekt door een pakket komklei met veen. In dit deel van het plangebied zijn ook geen humeuze ophogingslagen uit de Late Middeleeuwen en/of de Nieuwe tijd aangetroffen. Daarom worden in de bovengrond ook geen archeologische waarden verwacht.
In het westen van het plangebied kunnen nog archeologische waarden aanwezig zijn op de stroomgordelafzettingen van de Spijkse stroomgordel en ter plaatse van het historische erf van de Kerkweg 6. ADC ArcheoProjecten adviseert om het onderzoeksgebied van het booronderzoek (het oostelijke deel van het plangebied) vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Molenlanden, de heer R.A.R.M. van Oosterbos (e-mail: r.vanoosterbos@jouwgemeente.nl), en haar adviseur, de heer E.E.A. van der Kuijl (e-mail: info@hamaland-advies.nl). Het westen van het plangebied is niet onderzocht door middel van een booronderzoek omdat dit deel van het plangebied niet bedreigd wordt.
Als in de toekomst in dit deel van het plangebied diepe bodemingrepen plaats zullen vinden, adviseren wij om, als het gaat om bodemingrepen met een oppervlakte van groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm –mv, een inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend booronderzoek uit te voeren. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt. De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.
6
Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Periode
Afkorting
Tijd in jaren
Nieuwe tijd:
NT
1500 - heden
Middeleeuwen:
XME
450 – 1500 na Chr.
Late Middeleeuwen
LME
Vroege Middeleeuwen
VME
Romeinse tijd:
ROM
1050 - 1500 na Chr. 450 - 1050 na Chr. 12 voor Chr. – 450 na Chr.
Laat-Romeinse tijd
ROML
270 - 450 na Chr.
Midden-Romeinse tijd
ROMM
70 - 270 na Chr.
Vroeg-Romeinse tijd
ROMV
12 voor Chr. - 70 na Chr.
IJzertijd:
IJZ
Late IJzertijd
IJZL
250 - 12 voor Chr.
Midden-IJzertijd
IJZM
500 - 250 voor Chr.
Vroege IJzertijd
IJZV
Bronstijd:
BRONS
Late Bronstijd
BRONSL
800 – 12 voor Chr.
800 - 500 voor Chr. 2000 - 800 voor Chr. 1100 - 800 voor Chr.
Midden-Bronstijd
BRONSM
1800 - 1100 voor Chr.
Vroege Bronstijd
BRONSV
2000 - 1800 voor Chr.
Neolithicum (Jonge Steentijd):
NEO
Laat-Neolithicum
NEOL
5300 – 2000 voor Chr. 2850 - 2000 voor Chr.
Midden-Neolithicum
NEOM
4200 - 2850 voor Chr.
Vroeg-Neolithicum
NEOV
Mesolithicum (Midden-Steentijd):
MESO
5300 - 4200 voor Chr. 8800 – 4900 voor Chr.
Laat-Mesolithicum
MESOL
6450 - 4900 voor Chr.
Midden-Mesolithicum
MESOM
7100 - 6450 voor Chr.
Vroeg-Mesolithicum
MESOV
8800 - 7100 voor Chr.
Paleolithicum (Oude Steentijd):
PALEO
Laat-Paleolithicum
PALEOL
35.000 - 8800 voor Chr.
Midden-Paleolithicum
PALEOM
300.000 – 35.000 voor Chr.
Vroeg-Paleolithicum
PALEOV
tot 300.000 voor Chr.
Bron: Archeologisch Basis Register 1992
tot 8800 voor Chr.
7
1
Inleiding en administratieve gegevens In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. heeft ADC ArcheoProjecten in juni 2021 een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd op de locatie Kerkweg 6 te Schelluinen (gemeente Molenlanden, afb. 1 en 2). De aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bouw van vijf woningen. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de wijziging van het bestemmingsplan. Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden en is de Monumentenwet 1988 komen te vervallen. De bepalingen van een deel van de Monumentenwet zijn opgenomen in de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Op grond van de Erfgoedwet moeten archeologische (verwachtings)waarden gewaarborgd zijn in het bestemmingsplan. In het vigerende bestemmingsplan BP Giessen-Oudekerk, Hoogblokland en Schelluinen dat op 25 oktober 2012 door de gemeente Giessenlanden is vastgesteld, heeft het westelijke deel van het plangebied de dubbelstemming Waarde Archeologie 1. In het oostelijke deel van het plangebied geldt de dubbelbestemming Waarde Archeologie 4.
In de zone met de dubbelbestemming Waarde Archeologie 1 is archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm –mv. In de zone met de dubbelbestemming aarde Archeologie 4 is dit bij bodemingrepen groter dan 250 m2 en dieper dan 30 cm –mv.1 Omdat de archeologische vrijstellingsgrenzen worden overschreden dient de initiatiefnemer in het kader van de bestemmingsplanwijziging een rapport te overleggen waarin naar oordeel van de bevoegde overheid de archeologische waarde van het plangebied voldoende is vastgesteld. In het kader van dit proces heeft het in dit rapport beschreven onderzoek plaatsgevonden. In Nederland dient het vaststellen van de archeologische waarde van een plangebied te gebeuren conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1).2 Gemeenten kunnen hierop aanvullende uitvoeringskaders vaststellen. De gemeente Molenlanden heeft voor zover bekend geen aanvullende uitvoeringskaders vastgesteld voor het uitvoeren van archeologisch vooronderzoek, noch zijn deze voor dit project afzonderlijk opgesteld.3 Voor dit onderzoek zijn daarom enkel de protocollen van de vigerende KNA gevolgd.
1
http://www.ruimtelijkeplannen.nl/
2
SIKB 2018.
3
Telefonisch contact met de heer R.A.R.M. van Oosterbos (gemeente Molenlanden).
8
De volgende administratieve gegevens zijn van toepassing: opdrachtgever:
Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. Mevr. H. Hijmering Lekdijk 44 2967 GB Langerak tel.: 06-57772523 e-mail: hannah@vandenheuvelbv.eu
fasen AMZ-cyclus:
bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek
aanleiding:
bestemmingsplanwijziging, bouw van vijf woningen
locatie:
Kerkweg 6
plaats:
Schelluinen
gemeente:
Molenlanden
provincie:
Zuid-Holland
kadastrale gegevens:
gemeente Schelluinen sectie A nummers 451 en 452 (gedeeltelijk)
kaartblad:
38G (1:25.000)
oppervlakte plangebied:
Ca. 4350 m
coördinaten:
123.320 / 428.317
2
123.324 / 428.341 123.423 / 428.298 123.430 / 428.351 bevoegde overheid met contactgegevens:
Gemeente Molenlanden de heer R.A.R.M. van Oosterbos Postbus 5 2970 AA Bleskensgraaf tel: 088 – 751 50 00 e-mail: info@molenlanden.nl
deskundige namens de bevoegde overheid met
Hamaland Advies
contactgegevens:
de heer drs. E.E.A. van der Kuijl Ambachtsweg 9 7021 BT Zelhem tel.: 06 – 518 739 33 e-mail: info@hamaland-advies.nl
goedkeuring rapport door bevoegde overheid:
Ja (28-01-2022)
Archis-zaaknummer:
5087808100
ADC-projectcode:
4230404
auteur:
I.S.J. Beckers
projectmedewerkers:
niet van toepassing
autorisatie:
B. Jansen
periode van uitvoering:
juni 2021
beheer en plaats documentatie:
ADC ArcheoProjecten bv, Amersfoort
9
2
Bureauonderzoek 2.1
Doelstelling en vraagstelling
Het bureauonderzoek vormt de eerste stap in het vaststellen van de archeologische waarde van het gebied. Het doel van bureauonderzoek is het aan de hand van bestaande bronnen verwerven van informatie over bekende en/of verwachte archeologische waarden in het plangebied, om daarmee te komen tot een gespecificeerde, archeologische verwachting. Voor het bureauonderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is de specifieke archeologische verwachting? Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?
2.2
Methodiek
Het onderzoek is uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 Landbodems, protocol 4002 Bureauonderzoek. Tijdens het bureauonderzoek worden diverse bronnen geraadpleegd, wat leidt tot het opstellen van een gespecificeerde verwachting. De gespecificeerde verwachting kan worden beschouwd als de conclusie van het bureauonderzoek, omdat hierin wordt aangegeven of archeologische waarden in het plangebied worden verwacht. Als dit het geval is, zal zo mogelijk de aard, de omvang, de diepteligging en de datering van deze waarden worden beschreven. Indien mogelijk zal de omvang worden weergegeven op een kaart.
2.3
Resultaten
2.3.1 Afbakening plan- en onderzoeksgebied, beschrijving huidig gebruik en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik Het plangebied is gelegen in de dorpskern van Schelluinen in de gemeente Molenlanden. Het bestaat uit het erf van de Kerkweg 6 zonder de toegangsweg en het tuinperceel ten oosten daarvan. Aan de oost-, noordoost- en zuidzijde wordt het plangebied begrensd door een watergang. De noordwestelijke en westelijke grens van het plangebied wordt gevormd door de perceelsgrens met de percelen van de Kerkweg 10b, 18 en 20. Het westelijke deel van het plangebied bestaat uit een erf met een boerderij in het westen en een schuur in het oosten. De bebouwing is oost-west georiënteerd. Het oostelijke deel van het plangebied is in gebruik als tuin. Op basis van de opgevraagde gegevens met betrekking tot de milieuhygiënische situatie in het plangebied kan worden geconcludeerd dat milieuhygiënisch onderzoek nog moet worden uitgevoerd. In het kader van het onderzoek zijn gegevens met betrekking tot de aanwezigheid van ondergrondse kabels en leidingen opgevraagd bij het KLIC. Uit de ontvangen gegevens blijkt dat langs de westrand van de boerderij diverse kabels en leidingen aanwezig zijn.4 Van het plangebied zelf zijn onvoldoende archeologische en aardkundige gegevens beschikbaar om een uitspraak te kunnen doen over de archeologische verwachting.
Daarom zijn tevens gegevens betrokken uit de directe omgeving, waarmee het onderzoeksgebied kan worden gedefinieerd als het gebied binnen een straal van circa 300 m rondom het plangebied. De begrenzing van deze zone is gebaseerd op het gegeven dat hierbinnen sprake is van voldoende informatie om een uitspraak te doen over de archeologische verwachting die representatief is voor het plangebied. 4
https://service10.kadaster.nl/gds2/download/public/36632b66-f7a7-48c6-8354-debc9900175c
10
De boerderij en de schuur in het westen van het plangebied blijven behouden. In het oosten van het plangebied zullen vijf woningen gerealiseerd worden (afb. 3). Dit zijn een twee-onder-één kap woningen in het centrale deel en het zuidoostelijke deel van het plangebied en een vrijstaande woning in het noordoosten van het plangebied. De woningen zullen ontsloten worden door een brug naar de Jan Snouckstraat en een noord-zuid georiënteerde weg in het plangebied met daarnaast parkeerplaatsen. De nieuwe bebouwing zal gefundeerd worden op funderingsbalken op heipalen. Ter plaatse van de funderingsbalken zal tot ca. 80 cm –mv gegraven worden. De consequentie van de voorgenomen ontwikkeling kan zijn dat eventuele aanwezige waardevolle archeologische resten in de ondergrond worden aangetast. 2.3.2 Beschrijving van de aardwetenschappelijke waarden De volgende aardwetenschappelijke informatie is bekend van het plangebied: Bron
Informatie
Geologische kaart van Nederland 1:50.000
5
Afzettingen van Tiel6 (komafzettingen), op een afwisseling van Hollandveen7 met Afzettingen van Gorkum8 (kom- en oeverafzettingen) (kaartcode: F2k) Rivierkomvlakte (kaartcode 4M46)
Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 (landsdekkende, digitale versie)
9
oosten van het plangebied: kalkloze drechtvaaggronden,
Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (landsdekkende, digitale versie)
10
profielverloop 1 (kaartcode Rv01C) westen van het plangebied: kalkloze poldervaaggronden, ontwikkeld in zware klei, profielverloop 4 (kaartcode Rn44C)
Meandergordelkaart (afb. 4)
11
Het westen van het plangebied maakt deel uit van de Spijkse stroomgordel (actief ca. 700 v. Chr. tot 200 n. Chr (cal.), de hoogte van het beddingzand ligt tussen 1,7 m –NAP en 2,2 m + NAP)
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3)
12
Het westen van het plangebied is relatief hoog met een maaiveldniveau op 0,5 tot 0,7 m +NAP. Het oosten van het plangebied is relatief laag met een maaiveldniveau van 0,2 tot 0,5 m –NAP.
Het plangebied bevindt zich in het centrale Nederlandse rivierengebied en maakt deel uit van de Alblasserwaard. Na 9.700 v. Chr. begon het Holoceen, de relatief warme periode waarin we nu leven. Gedurende het Holoceen heeft in de Alblasserwaard voornamelijk riviersedimentatie en veenvorming plaatsgehad. De rivierafzettingen worden tot de Formatie van Echteld gerekend en de veenpakketten tot de Formatie van Nieuwkoop.13 Volgens de meandergordelkaart ligt het westen van het plangebied op de stroomgordel van de Spijkse stroomgordel (afb. 4). De Spijkse stroomgordel is actief geweest van ca. 700 v. Chr. tot 200 n. Chr. De top van het beddingzand van de Spijkse stroomgordel ligt tussen 1,7 onder het NAP en 2,2 m boven het NAP.14 De beddingafzettingen worden waarschijnlijk afgedekt door een pakket oeverafzettingen; sterk tot uiterst siltige en zandige klei.
5
Rijks Geologische Dienst 1966.
6
Verouderde terminologie, in de huidige terminologie (TNO 2021) Formatie van Echteld.
7
Idem, Formatie van Nieuwkoop, Hollandveen Laagpakket.
8
Idem, Formatie van Echteld.
9
Alterra 2008.
10
Alterra 2014.
11
Cohen et al. 2012.
12
ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer.
13
De Mulder et al. 2003.
14
Cohen et al. 2012.
11
In het model van het Dinoloket ligt de top van de Spijkse stroomgordel ter hoogte van het plangebied tussen 1,5 en 2 m onder het NAP.15 De NAP-waardes van het maaiveld kunnen achterhaald worden door een studie van het Actueel Hoogtebestand Nederland.16 Hieruit blijkt dat het oosten van het plangebied een relatief lage ligging heeft op ca. 0,2 á 0,5 m onder het NAP. De maaiveldhoogte loopt steil op ter hoogte van de boerderij naar ca. 0,5 tot 0,7 m boven het NAP. Waarschijnlijk bevindt zich in het westen van het plangebied de zandbaan van de Spijkse stroomgordel. De aanwezigheid van de zandbaan heeft gezorgd dat dit deel van de bebouwde kern van Schelluinen minder hard kon inklinken dan het omringende landschap, waar alleen klei en veen in de bovengrond aanwezig zijn. Een andere verklaring voor de verschillen in maaiveldhoogtes is dat het erf in het westen van het plangebied is opgehoogd. Waarschijnlijk heeft een combinatie geleid tot de verschillen in maaiveldhoogte. Op basis van het AHN zou de top van de Spijkse stroomgordel zich op ca.
150 tot 270 cm onder het maaiveld bevinden.17 Op de digitale geomorfologische kaart is het plangebied gekarteerd in een rivierkomvlakte.18 Volgens de Geologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, liggen aan de oppervlakte komafzettingen.19 Waarschijnlijk zijn daarom de stroomgordelafzettingen van de Spijkse stroomgordel afgedekt geraakt met jongere komafzettingen. Op de Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, is het oosten van het plangebied gekarteerd in een zone met kalkloze drechtvaaggronden en het westen van het plangebied in een zone met kalkloze poldervaaggronden, ontwikkeld in zware klei.20 Alle minerale gronden zonder podzolvorming, briklaag, of minerale eerdlaag worden tot de vaaggronden gerekend. Drechtvaaggronden komen voor op locaties bij rivieren waar sprake is van een bovenlaag van klei op veen. Het veen begint op ca. 80 cm –mv of ondieper. Poldervaaggronden bestaan uit kleigronden met een grotendeels gerijpte bovengrond en komen veelvuldig voor in het rivierengebied.21 De drechtvaaggronden liggen op de overgang van de stroomruggen naar de komgebieden. De poldervaaggronden zijn klassieke kom-bodems.
De humeuze bovengrond is in de beide bodemtypes 15 tot 25 cm dik.22 2.3.3 Beschrijving van bekende archeologische waarden Op de archeologische verwachtingskaart van de voormalige gemeente Giessenlanden ligt het oosten van het plangebied binnen een zone met een hoge archeologische verwachtingswaarde aan of nabij het oppervlak en het westen van het plangebied in een zone met een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde voor de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd (afb. 5). De zeer hoge archeologische verwachtingswaarde is gegeven aan historische dorpskernen en erven. In dit geval betreft het de historische dorpskern van Schelluinen en het erf van de Kerkweg 6. In deze zone is grote kans op de aanwezigheid van archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd vanwege langdurige bewoning en gebruik van het gebied. De hoge archeologische verwachtingswaarde is gebaseerd op de verwachte aanwezigheid van een relatief ondiep liggende stroomgordel, in dit geval de Spijkse stroomgordel.23 Op deze stroomgordel kunnen archeologische waarden uit de Romeinse tijd worden verwacht.
15
https://www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen.
16
www.ahn.nl
17
ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer.
18
Alterra 2009.
19
Rijks Geologische Dienst 1966.
20
Alterra 2014.
21
de Bakker & Schelling 1966.
22
Harbers 1981.
23
Boshoven et al. 2009.
12
In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van Zuid-Holland is een provinciedekkende indeling van de aanwezige bodemafzettingen opgenomen. Hierbij worden vier verschillende diepteklassen onderscheiden. Voor het plangebied geldt de volgende indeling: Diepteklasse
Archeologische
Type afzetting
verwachtingswaarde 0-3 m –mv
hoog
stroomgordels en geulafzettingen
3-5 m –mv
hoog
stroomgordels en geulafzettingen
dieper dan 5 m –mv
laag
komafzettingen met veen
ruim dieper dan 5 m –mv (basis Holoceen)
laag
komafzettingen met veen
De hoge archeologische verwachtingswaarde voor de diepteklasses 0 tot 3 m en 3 tot 5 m –mv is gegeven vanwege de verwachte aanwezigheid van de Spijkse stroomgordel in de ondergrond. Voor de diepteklasses dieper dan 5 m –mv geldt een lage archeologische verwachtingswaarde vanwege de verwachte aanwezigheid van komafzettingen, met onder andere veenlagen.24 In het onderzoeksgebied zijn meerdere archeologische onderzoeken uitgevoerd en zijn meerdere vondstlocaties bekend (afb. 6). Het plangebied ligt in het tracé van de Betuweroute. Voor de realisatie van de Betuweroute zijn in de jaren ’90 van de vorige eeuw veel archeologische onderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken spitsten zich toe op een aantal vindplaatsen, waar eerst verkennende boringen zijn gezet en een oppervlaktekartering is uitgevoerd. Bij Schelluinen waren echter geen vindplaatsen en dus is ter hoogte van de dorpskern voor zover bekend geen archeologisch onderzoek verricht.25 Direct ten noordoosten van het plangebied bevindt zich het projectgebied Schelluinen-Oost. Dit terrein is onderzocht door middel van een bureauonderzoek. Op basis van het bureauonderzoek werden in het noordwesten van het gebied archeologische waarden uit de Romeinse tijd verwacht op de Spijkse stroomgordel en archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd op de locatie van een verwachte huisterp.
Op basis van deze verwachting is op ca. 200 m ten noorden van het plangebied een inventariserend veldonderzoek door middel van een karterend booronderzoek uitgevoerd. Hierbij werden geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van archeologische waarden. Het projectgebied kon dus vrijgegeven worden voor de geplande woningbouw.26 Direct ten zuidwesten van het plangebied is de locatie Kerkweg 10. Voor dit terrein is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Op basis van het bureauonderzoek werd in het pakket met oeverafzettingen van de Spijkse stroomgordel een potentieel archeologisch niveau uit de Romeinse tijd verwacht. Er werd verwacht dat door jarenlange bewoning en gebruik van het gebied vanwege de ligging in de dorpskern van Schelluinen een opgebracht dek met archeologische resten vanaf de 13e eeuw gevormd was. Tijdens het booronderzoek is inderdaad een pakket oeverafzettingen aangetroffen, maar hierin is geen archeologisch niveau waargenomen. De oeverafzettingen werden afgedekt met een pakket met onder andere modern bouwpuin. Op basis van de boringen werden daarom geen archeologische waarden verwacht.
De locatie kon dus worden vrijgegeven voor de voorgenomen woningbouw.27 Voor de locatie Kerkweg 24, op 120 m ten noordwesten van het plangebied, is een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend booronderzoek opgesteld. Op deze locatie werd een pakket stroomgordelafzettingen van de Spijkse stroomgordel verwacht. In de top van de stroomgordelafzettingen konden archeologische waarden vanaf de Romeinse tijd aanwezig zijn. Uit het booronderzoek bleek dat inderdaad dit
24
https://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas
25
Archis-zaakidentificatienummers 2026330100, 2027270100 en 2035135100.
26
Archis-zaakidentificatienummers 2244756100 en 2258259100, Nillesen & Leuvering 2009.
27
Archis-zaakidentificatienummer 2681921100, van Rooij 2016.
13
gebied op de oeverwal van de Spijkse stroomgordel was gelegen. In de top van de oeverafzettingen is geen archeologisch niveau aangetroffen. Daarom worden op deze locatie geen archeologische waarden verwacht en kon de locatie vrijgegeven worden voor de voorgenomen ingreep.28 Op 160 m ten zuidwesten van het plangebied is de locatie van de commanderij van de Duitse Orde aangegeven in Archis. Op dit terrein zou een (woon)bult te zien zijn.29 Voor het nieuwe centrumplan van Schelluinen is een archeologisch bureauonderzoek opgesteld. Uit dit bureauonderzoek blijkt dat in het gebied veel archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd te verwachten zijn, onder andere bewoningsresten en resten van een kerkhof bij de Nederlands Hervormde Kerk. Daarom is een archeologische begeleiding geadviseerd. Tijdens de archeologische begeleiding zijn resten van de kerkmuur en het ten oosten van de kerkmuur gelegen kerkhof aangetroffen. Tijdens het veldwerk werden 15 skeletten gevonden. Het onderzoek naar de terp waar de kerk op rust leverde onder andere scherven Pingsdorf-aardewerk op. De terp moet dus zijn opgeworpen vanaf de Late Middeleeuwen.30 Voor de aanleg van wandelpaden op ca. 190 m ten noordoosten van het plangebied is een gecombineerd bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend booronderzoek uitgevoerd.
Op voorhand werden in dit gebied twee zones met een hoge archeologische verwachtingswaarde verwacht; de Spijkse stroomgordel met archeologische waarden uit de IJzertijd tot de Middeleeuwen en een voormalige huisplaats, waar archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd verwacht werden. Uit het booronderzoek bleek dat de afzettingen van de Spijkse stroomgordel direct naar boven overgingen in komafzettingen (en zich daarom geen vegetatiehorizont heeft ontwikkeld) en dat op de locatie van de verwachte huisplaats geen ophogingspakketten zijn gevonden. De locatie kon daarom worden vrijgegeven voor de aanleg van de wandelpaden.31 De locatie Commanderijstraat 9-11, op ca. 220 m ten noordwesten van het plangebied, is onderzocht door middel van een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. Op basis van het bureauonderzoek werd verwacht dat de locatie in het komgebied ten westen van de Spijkse stroomgordel heeft gelegen. De boringen hebben dit bevestigd. Vanwege de ligging in het komgebied werden geen archeologische resten verwacht en werd geadviseerd de locatie vrij te geven.32 Op basis van een kartering uit 1981 worden op ca. 280 m ten noorden van het plangebied twee huisterpen verwacht. Hier kunnen archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aanwezig zijn.33
28
Archis-zaakidentificatienummer 2463520100, van Rooij 2015.
29
Vondstlocatie 1042918
30
Archis-zaakidentificatienummers 4579996100 en 4676952100.
31
Archis-zaakidentificatienummer 2429330100, Leuvering 2014.
32
Archis-zaakidentificatienummer 4641619100, Hangens & de Kramer 2019.
33
Vondstlocaties 1064508 en 1064509.
14
2.3.4 Beschrijving van de historische situatie, mogelijke verstoringen en bouwhistorische waarden De historische situatie is op verschillende kaarten als volgt: Bron
Jaartal
Kadastrale minuut (afb. 7)34
1811-1832
Historische situatie boerderij in het westen van het plangebied, bouwland in het oosten van het plangebied
Topografische kaart
35
1847-1848
boerderij in het westen van het plangebied, bouwland in het oosten van het plangebied
Bonnekaart (afb. 8)
36
1874, 1881
boerderij in het westen van het plangebied, bouwland in het oosten van het plangebied
Bonnekaart (afb. 9)
1890, 1895
Bonnekaart (afb. 10)
1902, 1907, 1910, 1915 en 1925
bouwland, boerderij gesloopt boerderij in het westen van het plangebied, bouwland in het oosten van het plangebied
Topografische kaart
37
1936, 1946, 1959 en 1969
boerderij in het westen van het plangebied, tuin in het oosten van het plangebied
Topografische kaart (afb. 11)
1981 en 1989
boerderij en schuur in het westen van het plangebied
Het gebied van de Alblasserwaard is vanf de 10e eeuw vanaf de oevers van de Waal, Lek en Linge in cultuur gebracht. Het dorp Schelluinen is gesticht rond een commanderij van de Duitse Orde. Deze commanderij bevindt zich op 160 m ten zuidwesten van het plangebied.38 De plaats is genoemd naar de bijbelse plaats Askalon in Palestina. De oudste vermelding als Scalun dateert uit 1220.39 Op de kadastrale minuutkaart uit de periode tussen 1811 en 1832 is het plangebied ingedeeld in drie percelen (afb. 7). Ze waren volgens de bij de kaart horende Oorspronkelijke Aanwijzende Tafelen (OAT) alle in bezit van Eeltje de Bas, de weduwe van de landbouwer Jacobus de Groot. Het huis en erf stonden in het westen van het plangebied, ongeveer op de locatie van de huidige boerderij. Het omringende perceel was in gebruik als boomgaard. Het perceel in het oosten van het plangebied betrof een perceel bouwland. Op het kaartmateriaal uit de 19e en 20e eeuw veranderd de situatie nauwelijks. Op alle geraadpleegde kaarten behalve de Bonnekaarten van 1890 en 1895 is de boerderij afgebeeld en is het oostelijke perceel in gebruik als bouwland of tuin (afb. 8, 9 en 10). Op de topografische kaarten van 1981 en 1989 is de schuur gekarteerd (afb. 11). Volgens de gegevens van de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) dateert de boerderij uit 1954.40
2.4
Gespecificeerde verwachting en conclusie
De eerste, voor het bureauonderzoek opgestelde onderzoeksvraag “Zijn mogelijk archeologische waarden in het plangebied aanwezig, en zo ja, wat is de specifieke archeologische verwachting?” kan als volgt worden beantwoord: In de ondergrond van het westen van het plangebied wordt een pakket van oever- op beddingafzettingen van de Spijkse stroomgordel verwacht. De Spijkse stroomgordel was actief van ca. 700 v. Chr. tot ca. 200 n. Chr. Naar verwachting ligt de top van de beddingafzettingen op een diepte van 150 á 270 cm –mv. In de top van de oeverafzettingen kan een archeologisch niveau uit de Romeinse tijd aanwezig zijn. Een archeologische vindplaats op dit niveau zal zich manifesteren als
34
Kadaster 1832.
35
Wolters-Noordhoff Atlasprodukties 1990.
36
Bureau Militaire Verkenningen 1874-1925.
37
Topografische dienst Nederland 1936-1989.
38
Vondstlocatie 1042918.
39
Nillesen & Leuvering 2009.
40
https//bagviewer.kadaster.nl.
15
een archeologische laag; een humeuze, ontkalkte laag met daarin kleine aardewerkfragmenten en resten van houtskool en dierlijk botmateriaal. Na de actieve fase werd de Spijkse stroomgordel bedekt door komafzettingen. Gedurende de Late Middeleeuwen werd het gebied van de Alblasserwaard ontgonnen en werd het dorp Schelluinen gesticht. Het plangebied ligt aan de oostelijke zijde van de historische dorpskern. In het westen van het plangebied heeft een boerenerf gelegen dat ten minste al uit het begin van de 19e eeuw dateert. Een eventuele archeologische vindplaats uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd zal zich manifesteren als een vondstconcentratie van aardewerkfragmenten en resten bouwmateriaal in een opgebrachte, humeuze kleilaag. Door het jarenlange gebruik van het westen van het plangebied als boerenerf kan dit niveau verstoord zijn geraakt. Het westen van het plangebied heeft dus vanwege de aanwezigheid van de Spijkse stroomgordel en de ligging in de historische kern van Schelluinen een hoge archeologische verwachtingswaarde. Het oostelijke deel van het plangebied ligt vermoedelijk buiten de Spijkse stroomgordel en de historische kern van Schelluinen. Het is de vraag in hoeverre hier archeologische waarden te verwachten zijn.
De beantwoording van de tweede onderzoeksvraag “Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd?” is als volgt: In het westen van het plangebied is de grootste kans op een pakket oeverafzettingen van de Spijkse stroomgordel en op een archeologische vindplaats uit de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd. Hier zullen echter geen diepe bodemingrepen plaats gaan vinden. In het oosten van het plangebied is de kans op archeologische waarden kleiner maar kunnen archeologische waarden op de beide potentiële archeologische niveaus nog niet uitgesloten worden. Daarom is het noodzakelijk om in het gebied waar diepe bodemingrepen plaats zullen vinden een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uit te voeren (zie hoofdstuk 3).
16
3
Inventariserend Veldonderzoek 3.1
Plan van Aanpak
3.1.1 Inleiding Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar nodig aanvullen van de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting (par. 2.4). Het inventariserend veldonderzoek zal bestaan uit een verkennend booronderzoek. Het onderzoeksgebied van het booronderzoek betreft het oostelijke deel van het plangebied. De werkwijze is gericht op het in kaart brengen van de bodemopbouw en het vaststellen van (grootschalige) verstoringen, waarbij tevens rekening is gehouden met aard en diepte van de geplande ingrepen. Op 16 juni 2021 is een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld, waarin de werkwijze van het onderzoek is vastgelegd.
Het verkennend booronderzoek leidt tot beantwoording van de volgende onderzoeksvragen: Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? 3.1.2 Uitvoeringsplan veldwerkzaamheden Voor het beantwoorden van de in par. 3.1.1 genoemde onderzoeksvragen is de volgende onderzoeksmethode toegepast: aantal boringen:
vijf
boorgrid:
evenredig verspreid over het onderzoeksgebied.
diepte boringen:
alle boringen zijn gezet tot 2 m –mv, één boring is doorgezet tot 4 m -mv
boormethode:
Edelmanboor met diameter 7 cm / gutsboor met diameter 3 cm (handmatig)
bemonstering:
versnijden en/of verbrokkelen
De lithologische en bodemkundige kenmerken van de boringen zijn beschreven conform respectievelijk NEN 510441 en het Systeem voor de bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus42 en vastgelegd middels het invoerprogramma Deborah. De X- en Y-coördinaten zijn bepaald aan de hand van de lokale topografie en ingemeten met behulp van een meetlint. De hoogte van het maaiveld ter plaatse van de boringen is bepaald aan de hand van AHN-beelden.
41
Bosch 2005; Nederlands Normalisatie-Instituut 1989.
42
De Bakker 1989.
17
Hoewel een verkennend booronderzoek niet als primair doel het opsporen van archeologische vindplaatsen en indicatoren heeft, zullen eventuele archeologische vondsten wel worden verzameld en (indien mogelijk) worden gedetermineerd.
3.2
Resultaten Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O)
3.2.1 Veldinspectie Het onderzoeksgebied bestaat uit drie percelen, gescheiden door houtwallen. In het westelijke perceel is een zandpakket opgebracht. De twee oostelijke percelen waren tot voor kort onbegaanbaar door wildgroei, maar ten behoeve van het booronderzoek is het noordoostelijke perceel door het onkruid te maaien geheel toegankelijk gemaakt en het zuidoostelijke perceel gedeeltelijk (maar net voldoende voor het uitvoeren van het boorplan). 3.2.2 Lithologische beschrijving De locatie van de boringen is weergeven in afb. 12. De boorgegevens worden gepresenteerd in bijlage 1. De ondergrond van het plangebied bestaat uit een pakket sterk siltige klei met zandlaagjes. Dit pakket is kalkrijk en heeft een slappe consistentie. Dit gaat op 360 cm –mv geleidelijk naar boven toe over in matig siltige, grijze klei. Deze kleilaag is kalkloos en heeft een slappe consistentie. De top van het kleipakket ligt op 190 cm –mv bij de boorlocatie 4 en op 270 cm –mv in boring 3. De kleilaag gaat geleidelijk over in bruin, mineraalarm veen met houtresten. De top van de veenlaag bevindt zich op een variërende diepte van 90 tot 160 cm –mv en wordt afgedekt door een donkergrijze, matig humeuze, matig siltige klei. Deze gaat naar boven toe over in licht-bruingrijze, matig siltige klei met roestvlekken. De humeuze laag is matig slap en de laag met roestvlekken is matig stevig.
Beide lagen zijn kalkloos. In boring 2 gaat de matig siltige kleilaag naar boven toe geleidelijk over in sterk siltige klei, met dezelfde licht-bruingrijze kleur. De licht-bruingrijze kleilagen worden afgedekt door een 25 tot 65 cm dikke, sterk tot uiterst siltige, zwak tot matig humeuze kleilaag. In deze laag zijn baksteenfragmenten aangetroffen. In de boringen 1 en 2 is direct onder het maaiveld nog een 25 tot 40 cm dikke zandlaag aanwezig; in boring 1 is deze lichtgrijs en in boring 2 donkergrijs en matig grindig. In de overige boringen ligt de humeuze kleilaag direct onder het maaiveld. In boring 5 bestaat de ondergrond uit een sterk siltige, sterk humeuze kleilaag met kleine zandlaagjes. Dit is een donkergrijze laag met een top op 140 cm –mv. Deze wordt afgedekt door een 95 cm dikke, heterogene, bruingrijze kleilaag. Deze kleilaag is sterk siltig en bevat enkele baksteenfragmenten. 3.2.3 Interpretatie De ondergrond van het onderzoekgebied bestaat uit verschillende kleipakketten, afgewisseld met een mineraalarme bosveenlaag. Het sterk siltige kleipakket in de ondergrond is waarschijnlijk een pakket crevasse- of oeverafzettingen van een nog onbekend rivierensysteem. De top van dit pakket is kalkrijk, heeft een slappe consistentie en gaat naar boven toe geleidelijk over in een pakket komklei (matig siltige klei).
De top van het pakket lijkt niet aantrekkelijk te zijn geweest voor bewoning en daarom worden op dit niveau geen archeologische waarden verwacht. Het afdekkende pakket komklei met veen loopt (behalve bij boring 2) door tot aan het oorspronkelijke maaiveld. Op de boorlocatie 2 wordt het pakket afgedekt door een laag sterk siltige klei. Waarschijnlijk is dit de meest oostelijke verbreiding van de Spijkse stroomgordel. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het onderzoeksgebied grotendeels buiten de Spijkse stroomgordel heeft gelegen, in het naastgelegen komgebied. In de top van de komafzettingen is een 25 tot 65 cm dikke bouwvoor gevormd. De baksteenfragmenten in deze bouwvoor zullen door bemesting in het gebied terecht zijn gekomen. In het westen van het plangebied is een recent opgebracht zandpakket aanwezig. Bij boorlocatie 5 is een slootvulling aangetroffen.
18
In het onderzoeksgebied zijn geen humeuze ophogingslagen met aardewerk en resten bouwmateriaal uit de Late Middeleeuwen en/of de Nieuwe tijd gevonden. Het onderzoeksgebied lijkt dus niet tot het historische erf van de Kerkweg 6 te hebben gehoord. Omdat het onderzoeksgebied in het komgebied heeft gelegen en omdat in het onderzoeksgebied geen ophogingslagen uit de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe tijd zijn gevonden, worden in het onderzoeksgebied geen archeologische waarden verwacht.
3.3
Conclusies
De in paragraaf 3.1.1 gestelde onderzoeksvragen kunnen op basis van de bereikte resultaten als volgt worden beantwoord: Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De ondergrond van het oosten van het plangebied bestaat uit verschillende kleipakketten, afgewisseld met een mineraalarme bosveenlaag. Dit zijn een pakket crevasse- of oeverafzettingen van een nog onbekend rivierensysteem, afgedekt door een pakket komafzettingen. In de top van de kleipakketten in een 25 tot 65 cm dikke bouwvoor ontwikkeld. Op basis van boring 2 zijn in het westen van het plangebied oeverafzettingen van de Spijkse stroomgordel te verwachten. Wellicht zijn hier ook beddingafzettingen van de Spijkse stroomgordel aanwezig. Omdat het westen van het plangebied niet onderzocht is middels boringen valt dit niet vast te stellen.
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? In het oosten van het plangebied lijkt de natuurlijke bodemopbouw grotendeels intact te zijn, op de 25 á 65 cm dikke bouwvoor na. Op de boorlocatie 5 is de opvulling van een sloot gevonden. De aanleg van deze sloot heeft het oorspronkelijke bodemprofiel tot ten minste 200 cm –mv verstoord.
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Het pakket crevasse- of oeverafzettingen in de ondergrond is ongerijpt en kalkrijk. Omdat geen bodemvorming heeft plaatsgevonden, lijkt het pakket niet geschikt te zijn geweest voor bewoning. Dit pakket wordt daarom niet als potentieel archeologisch niveau beschouwd. In het oosten van het plangebied wordt dit pakket afgedekt door een pakket komklei met veen. In dit deel van het plangebied zijn ook geen humeuze ophogingslagen uit de Late Middeleeuwen en/of de Nieuwe tijd aangetroffen. Daarom worden in de bovengrond ook geen archeologische waarden verwacht. In het westen van het plangebied kunnen nog archeologische waarden aanwezig zijn op de stroomgordelafzettingen van de Spijkse stroomgordel en ter plaatse van het historische erf van de Kerkweg 6.
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Omdat het westen van het plangebied niet onderzocht is middels boringen, is de diepteligging van eventuele archeologische waarden niet in beeld gekomen.
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren gevonden. De overige deelvragen zijn daarom niet van toepassing.
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De hoge archeologische verwachtingswaarde kan in het oosten van net plangebied bijgesteld worden naar een lage archeologische verwachtingswaarde.
19
4
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Alleen in het oosten van het plangebied zijn diepe bodemingrepen gepland. Omdat hier geen archeologische waarden verwacht worden, zullen tijdens de uitvoering van de plannen geen archeologische waarden verstoord worden.
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het oostelijke deel van het plangebied is voldoende onderzocht. Als in het westelijke deel in de toekomst nog diepe bodemingrepen plaats zullen vinden, zal dit nog nader onderzocht moeten worden door een verkennend booronderzoek.
Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om het onderzoeksgebied van het booronderzoek (het oostelijke deel van het plangebied) vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet. Deze melding dient behalve bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) tevens plaats te vinden bij de gemeente Molenlanden, de heer R.A.R.M. van Oosterbos (e-mail: r.vanoosterbos@jouwgemeente.nl), en haar adviseur, de heer E.E.A. van der Kuijl (e-mail: info@hamaland-advies.nl). Het westen van het plangebied is niet onderzocht door middel van een booronderzoek omdat dit deel van het plangebied niet bedreigd wordt. Als in de toekomst in dit deel van het plangebied diepe bodemingrepen plaats zullen vinden, adviseren wij om, als het gaat om bodemingrepen met een oppervlakte van groter dan 30 m2 en dieper dan 30 cm –mv, een inventariserend veldonderzoek door middel van een verkennend booronderzoek uit te voeren. Wij wijzen erop dat de bevoegde overheid op basis van dit rapport een selectiebesluit neemt.
De mogelijkheid bestaat dat dit selectiebesluit afwijkt van het door ons opgestelde advies.
20
Literatuur Alterra, 2008: Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000; Landsdekkend digitaal bestand. Alterra, 2014: Bodemkaart van Nederland 1:50.000; Landsdekkend digitaal bestand. Bakker, H. de, J. Schelling, D.J. Brus & C. van Wallenburg, 1989: Systeem van bodemclassificatie voor Nederland : de hogere niveaus. Wageningen. Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNO-rapport NITG 05-043-A). Boshoven, E.H., A. Buesink, H.M.M. Geerts, J.S. Krist, L.A. Tebbens & J.M.J. Willems, 2009: Regio Alblasserwaard en Vijfheerenlanden, een archeologische inventarisatie, verwachtings- en beleidsadvieskaart. ’s-Hertogenbosch. (BAAC-rapport V-08.0185). Bureau Militaire Verkenningen, 1874-1925: Bonnekaart, schaal 1:50.000, Blad 548 Gorinchem. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik & A.H. Geurts, 2012: Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Utrecht. Haartsen, A.J., 2009: Ontgonnen Verleden, regiobeschrijvingen provincie Zuid-Holland. Ede (rapport Dienst Kennis). Hagens, D. & J. de Kramer, 2019: Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, door middel van boringen Commanderijstraat 9-11 te Schelluinen. Roermond (Aeres Milieu projectnummer AM18365). Harbers, P., 1981: Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000, Toelichting bij het kaartblad 38 Oost Gorinchem. Stichting voor Bodemkartering. Wageningen.
Kadaster, 1832: Kadastrale minuutkaart 1811-1832, Schelluinen, Zuid-Holland, sectie A, Blad 02. Leuvering, J.H.F., 2014: Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennend booronderzoek, Wandelpaden te Schelluinen, gemeente Giessenlanden. Leusden (Synthegra Rapport S140001) Nillesen, R. & J.H.F. Leuvering, 2009: Bureauonderzoek, Schelluinen-Oost te Schelluinen. Doetinchem (Synthegra Rapport S090184). Normalisatie-Instituut, Nederlands, 1989: Geotechniek, classificatie van onverharde grondmonsters NEN 5104. Delft. Rijks Geologische Dienst, 1966: Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000, Blad 38 Oost Gorinchem. Rijks Geologische Dienst. Haarlem. Rooij, J.A.G. van, 2015: Kaatsbaan 10 en Kerkweg 24 in Schelluinen (gemeente Giessenlanden), Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. Amersfoort (ADC-rapport 3765) Rooij, J.A.G. van, 2016: Kerkweg 10 te Schelluinen (gemeente Giessenlanden), een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. Amersfoort (ADC-rapport 3904) SIKB, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Gouda. Topografische Dienst Nederland, 1936-1989: Topografische kaart van Nederland, schaal 1:25.000, Blad 38G. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1990: Grote Historische Atlas van Nederland, schaal 1:50.000; Deel 1; West Nederland, 1839-1859.
Groningen.
21
Geraadpleegde websites http://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/ http://archeologieinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/amk-en-ikaw https://archis.cultureelerfgoed.nl/ https://bagviewer.kadaster.nl http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl http://www.bodemdata.nl https://www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens https://www.kadaster.nl/ http://pzh.b3p.nl/viewer/app/Cultuur_historische_atlas http://www.ruimtelijkeplannen.nl http://www.topotijdreis.nl https://zoeken.cultureelerfgoed.nl/
Lijst van afbeeldingen en tabellen Afb. 1 Locatie van het plangebied Afb. 2 Detailkaart van het plangebied Afb. 3 Schets van de toekomstige situatie. Het plangebied is aangegeven met de rode lijn. Afb. 4 Locatie van het plangebied op de meandergordelkaart (Cohen et al. 2012). Afb. 5 Locatie van het plangebied op de archeologische verwachtingskaart van de voormalige gemeente Giessenlanden (Boshoven et al. 2009). Afb. 6 Archis-meldingen in het onderzoeksgebied. Afb. 7 Locatie van het plangebied op de kadastrale minuutkaart uit de periode tussen 1811 en 1832. Deze kaart is oostgericht. Afb. 8 Locatie van het plangebied op de Bonnekaart van 1874. Afb. 9 Locatie van het plangebied op de Bonnekaart van 1890. Afb. 10 Locatie van het plangebied op de Bonnekaart van 1907. Afb. 11 Locatie van het plangebied op de topografische kaart van 1981. Afb. 12 Boorpuntenkaart. Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden.
22
Afb. 1 Locatie van het plangebied
23
Afb. 2 Detailkaart van het plangebied
24
Afb. 3 Schets van de toekomstige situatie. Het plangebied is aangegeven met de rode lijn.
25
Spijkse stroomgordel
Afb. 4 Locatie van het plangebied op de meandergordelkaart (Cohen et al. 2012).
26
Afb. 5 Locatie van het plangebied op de archeologische verwachtingskaart van de voormalige gemeente Giessenlanden (Boshoven et al. 2009).
27
Afb. 6 Archis-meldingen in het onderzoeksgebied.
Afb. 7 Locatie van het plangebied op de kadastrale minuutkaart uit de periode tussen 1811 en 1832. Deze kaart is oostgericht.
28
Afb. 8 Locatie van het plangebied op de Bonnekaart van 1874.
29
Afb. 9 Locatie van het plangebied op de Bonnekaart van 1890.
30
Afb. 10 Locatie van het plangebied op de Bonnekaart van 1907.
31
Afb. 11 Locatie van het plangebied op de topografische kaart van 1981.
32
Afb. 12 Boorpuntenkaart.
33
Bijlage 1 Boorgegevens
Kerkweg 6 te Schelluinen (gemeente Molenlanden)
Boring: 4230404_1 Kop algemeen: Projectcode: 4230404, Boornummer: 1, Beschrijver(s): IB, Datum: 18-06-2021, Doel boring: archeologie - verkenning, Einddiepte boring in cm: 200, Grondwaterstand: 150 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 123380, Y-coördinaat in meters: 428331, Precisie coördinaat: 1 m, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: -0.15, Precisie hoogte: 1 cm, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: AHN bestand Plaats: Provincie: Zuid-Holland, Gemeente: Molenlanden, Opdrachtgever: Van den Heuvel, Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten 0 / -0.15 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 40, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: zwak siltig, Mediaanklasse: matig grof, Spreidingsklasse: matig slecht gesorteerd, Afronding: niet afgerond, Kalkgehalte: kalkrijk Bodem: Bodemkundige interpretatie: opgebrachte grond 40 / -0.55 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 40, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 100, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: uiterst siltig, Bijmengsel humus: zwak humeus, Consistentie: stevig, Kalkgehalte: kalkloos Bodem: Bodemkundige interpretatie: bouwvoor
Archeologie: Puin onbepaald: enkel fragment 100 / -1.15 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 100, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 135, Aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: matig siltig, Consistentie: matig stevig, Kalkgehalte: kalkloos, Lithogenese: komafzettingen, Lithostratigrafie: Fv Echteld Bodem: Oxidatie-reductie: volledig gereduceerd 135 / -1.50 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 135, Aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Ondergrens laag in cm: 160, Aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: donker-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: matig siltig, Bijmengsel humus: matig humeus, Consistentie: matig slap, Kalkgehalte: kalkloos, Lithogenese: komafzettingen, Lithostratigrafie: Fv Echteld 160 / -1.75 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 160, Aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Ondergrens laag in cm: 200, Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: bruin Lithologie: Grondsoort: veen, Bijmengsel: mineraalarm, Veensoort: bosveen, Kalkgehalte: kalkloos, Lithogenese: komafzettingen, Lithostratigrafie: Fv Nieuwkoop, Hollandveen LP Einde boring 200 / -2.15
Boring: 4230404_2 Kop algemeen: Projectcode: 4230404, Boornummer: 2, Beschrijver(s): IB, Datum: 18-06-2021, Doel boring: archeologie - verkenning, Einddiepte boring in cm: 200, Grondwaterstand: 150 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 123374, Y-coördinaat in meters: 428306, Precisie coördinaat: 1 m, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: -0.11, Precisie hoogte: 1 cm, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: AHN bestand Plaats: Provincie: Zuid-Holland, Gemeente: Molenlanden, Opdrachtgever: Van den Heuvel, Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten 0 / -0.11 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 25, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: donker-grijs Lithologie: Grondsoort: zand, Bijmengsel: zwak siltig, Bijmengsel grind: matig grindig, Bijmengsel humus: matig humeus, Mediaanklasse: matig grof, Spreidingsklasse: slecht gesorteerd, Afronding: niet afgerond, Kalkgehalte: kalkrijk Bodem: Bodemkundige interpretatie: opgebrachte grond 25 / -0.36 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 25, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 65, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: uiterst siltig, Bijmengsel humus: zwak humeus, Consistentie: stevig,
Kalkgehalte: kalkloos Bodem: Bodemkundige interpretatie: bouwvoor Archeologie: Puin onbepaald: enkel fragment 65 / -0.76 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 65, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 135, Aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: sterk siltig, Consistentie: stevig, Kalkgehalte: kalkrijk, Lithogenese: oeverafzettingen, Lithostratigrafie: Fv Echteld Bodem: Ijzer/mangaan: veel Fe-vlekken, Oxidatie-reductie: volledig geoxideerd 135 / -1.46 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 135, Aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Ondergrens laag in cm: 150, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: matig siltig, Consistentie: matig stevig, Kalkgehalte: kalkloos, Lithogenese: komafzettingen, Lithostratigrafie: Fv Echteld Bodem: Ijzer/mangaan: enkele Fe-vlekken, Oxidatie-reductie: volledig geoxideerd, Rijping: matig gerijpt 150 / -1.61 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 150, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 170, Aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: matig siltig, Consistentie: matig stevig, Kalkgehalte: kalkloos, Lithogenese: komafzettingen,
Lithostratigrafie: Fv Echteld Bodem: Oxidatie-reductie: volledig gereduceerd 170 / -1.81 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 170, Aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Ondergrens laag in cm: 200, Aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: donker-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: matig siltig, Bijmengsel humus: matig humeus, Consistentie: matig slap, Kalkgehalte: kalkloos, Lithogenese: komafzettingen, Lithostratigrafie: Fv Echteld Einde boring 200 / -2.11
1 bron: Kerkweg 6 te schelluinen.geojson - 21-06-2021 08:51:22
Kerkweg 6 te Schelluinen (gemeente Molenlanden)
Boring: 4230404_3 Kop algemeen: Projectcode: 4230404, Boornummer: 3, Beschrijver(s): IB, Datum: 18-06-2021, Doel boring: archeologie - verkenning, Einddiepte boring in cm: 400, Grondwaterstand: 130 Coördinaten: X-coördinaat in meters: 123403, Y-coördinaat in meters: 428320, Precisie coördinaat: 1 m, Coördinaatsysteem / epsg: Rijksdriehoeksmeting (NL), Hoogte maaiveld in meters: -0.1, Precisie hoogte: 1 cm, Referentievlak hoogte: Normaal Amsterdams Peil, Bepalingsmethode maaiveldhoogte: AHN bestand Plaats: Provincie: Zuid-Holland, Gemeente: Molenlanden, Opdrachtgever: Van den Heuvel, Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten 0 / -0.10 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 0, Ondergrens laag in cm: 40, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: donker-bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: uiterst siltig, Bijmengsel humus: matig humeus, Consistentie: stevig, Kalkgehalte: kalkloos Bodem: Bodemkundige interpretatie: bouwvoor Archeologie: Puin onbepaald: enkel fragment 40 / -0.50 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 40, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 65, Aard ondergrens: abrupt (<0,3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: sterk siltig, Bijmengsel humus: zwak humeus, Consistentie: matig stevig, Kalkgehalte: kalkloos Laag opmerking: Opmerking: omgewerkte
grond 65 / -0.75 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 65, Aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm), Ondergrens laag in cm: 95, Aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Boortype en diameter: Edelman-7 cm, Kleur: licht-bruin-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: matig siltig, Consistentie: matig stevig, Kalkgehalte: kalkloos, Lithogenese: komafzettingen, Lithostratigrafie: Fv Echteld Bodem: Ijzer/mangaan: enkele Fe-vlekken, Oxidatie-reductie: volledig geoxideerd 95 / -1.05 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 95, Aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Ondergrens laag in cm: 130, Aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: donker-grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: matig siltig, Bijmengsel humus: matig humeus, Consistentie: matig slap, Kalkgehalte: kalkloos, Lithogenese: komafzettingen, Lithostratigrafie: Fv Echteld 130 / -1.40 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 130, Aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Ondergrens laag in cm: 270, Aard ondergrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: bruin Lithologie: Grondsoort: veen, Bijmengsel: mineraalarm, Veensoort: bosveen, Kalkgehalte: kalkloos, Lithogenese: komafzettingen, Lithostratigrafie: Fv Nieuwkoop, Hollandveen LP 270 / -2.80 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 270, Aard bovengrens: geleidelijk (0,3-3 cm), Ondergrens laag in cm: 350, Aard
ondergrens: diffuus (3-10 cm), Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: zwak siltig, Consistentie: slap, Kalkgehalte: kalkloos, Lithogenese: komafzettingen, Lithostratigrafie: Fv Echteld Bodem: Oxidatie-reductie: volledig gereduceerd 350 / -3.60 Laag algemeen: Bovengrens laag in cm: 350, Aard bovengrens: diffuus (3-10 cm), Ondergrens laag in cm: 400, Boortype en diameter: guts-3 cm, Kleur: grijs Lithologie: Grondsoort: klei, Bijmengsel: sterk siltig, Sublagen1: zandlagen-enkele-dun, Consistentie: slap, Kalkgehalte: kalkrijk, Lithogenese: oeverwaldoorbraak-/crevasseafzettingen, Lithostratigrafie: Fv Echteld Bodem: Oxidatie-reductie: volledig gereduceerd, Rijping: matig gerijpt Einde boring 400 / -4.10