CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 - Ruimtelijke onderbouwing

Commissievergadering Wonen, Werken & Verkeer 10 januari 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen Parallelweg 2 te Schelluinen11.945 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing

Parallelweg 2 te Schelluinen

Gemeente Molenlanden

Datum: 1 juli 2021 Projectnummer: 170588

INHOUD 1 Inleiding

3

1.1 Aanleiding

3

1.2 Ligging en begrenzing besluitgebied

3

1.3 Vigerend bestemmingsplan

3

1.4 Leeswijzer

4

2 Bestaande en beoogde situatie

5

2.1 Bestaande situatie

5

2.2 Beoogde situatie

11

3 Beleidskader

12

3.1 Rijksbeleid

12

3.2 Provinciaal beleid

15

3.3 Gemeentelijk beleid

20

4 Haalbaarheid van het project

24

4.1 Inleiding

24

4.2 Milieueffectrapportage

25

4.3 Akoestiek wegverkeerlawaai

26

4.4 Akoestiek industrielawaai

26

4.5 Bedrijven en milieuzonering

27

4.6 Natuur

29

4.7 Luchtkwaliteit

30

4.8 Bodem

33

4.9 Archeologie

34

4.10 Water

37

4.11 Externe veiligheid

41

5 Conclusie

44

Bijlagen 1. Landschappelijk inrichtingsplan 2. Parkeerberekening 3. Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4. Akoestisch onderzoek industrielawaai 5. Quick scan externe veiligheid 6. Quick scan natuur 7. Nader soortgericht onderzoek 8. Stikstofonderzoek 9. Toets Ladder voor duurzame verstedelijking 10. Bodemonderzoek 11. Archeologisch onderzoek 12. Memo weergave akoetische situatie industrielawaai

1 Inleiding 1.1

Aanleiding Een particulier initiatiefnemer, De Jong Beheer- en Exploitatie Maatschappij BV, is voornemens de bestaande bedrijfslocatie aan de Parallelweg 2 te Schelluinen verder uit te breiden. In 2013 is reeds een bestemmingsplan vastgesteld dat een eerdere uitbreiding mogelijk maakte; de bedoeling is het bedrijfsperceel nu nog verder uit te breiden in westelijke richting Rietweg. De gemeente kan in principe instemmen met het plan. Echter, het plan is niet mogelijk binnen het vigerende bestemmingsplan. Om de uitbreiding van het bedrijf mogelijk te maken, wordt met toepassing van artikel 2.1 eerste lid onder c, in samenhang met artikel 2.12 eerste lid onder a sub 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een omgevingsvergunning aangevraagd. Bij het verlenen van een omgevings vergunning geldt als voorwaarde dat sprake moet zijn van een goede ruimtelijke ordening en dat de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Het voorliggend document voorziet hierin.

1.2

Ligging en begrenzing besluitgebied Het besluitgebied is gelegen aan de Parallelweg 2 te Schelluinen. De bestaande bedrijfslocatie wordt ontsloten door een weg parallel aan de Betuwelijn en de A15. De bestaande bedrijfslocatie grenst aan de oost- en westzijde aan andere bedrijfslocaties. Aan de noordzijde grenst het besluitgebied aan het nieuwe en nog deels in ontwikkeling zijde bedrijventerrein Schelluinen Regionaal Transportcentrum. Het besluitgebied begrenst aan drie zijden het bestaande bedrijfsperceel van het bedrijf Timmer. De locatie waar het bedrijf van De Jong wordt uitgebreid bevindt zich ten westen van de bestaande bedrijfslocatie. Dit betreft een momenteel onbebouwd gebied (grasland met enig opgaand groen). De Rietweg, die een calamiteitenroute vormt richting het achterliggende bedrijventerrein vormt de westelijke grens van het besluitgebied. Op onderstaande afbeelding is het besluitgebied afgebeeld.

Uitsnede topografische kaart met glob ale aanduiding besluitgebied (rode lijn)

3

1.3

Vigerend bestemmingsplan Buitengebied Giessenlanden Het besluitgebied is grotendeels deels gelegen in het bestemmingsplan Buitengebied Giessenlanden. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk sinds 11 maart 2015. Het besluitgebied kent grotendeels een bestemming Agrarisch. Het perceel aan de zijde van de Rietweg heeft de bestemming ‘Recreatie – Volkstuin’. Het perceel achter het bestaande bedrijf Timmer heeft een bestemming Tuin. Het bestaande bedrijfsperceel van De Jong heeft een bestemming ‘Bedrijf’ met de specifieke aanduiding ‘bedrijf in aluminium bouwonderdelen’ en ‘bedrijfswoning uitgesloten’. De bestaande groene randen zijn bestemd als ‘Groen’.

Uitsnede uit verb eelding b estemmingsplannen Buitengebied Giessenlanden en SchelluinenWest

Schelluinen-West Het besluitgebied is deels gelegen binnen het bestemmingsplan Schelluinen-West. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad d.d. .23 februari 2017. In dit bestemmingsplan is sprake van een bestemming ‘Agrarisch’ en ‘Tuin’ voor de gronden die behoren tot onderhavig besluitgebied. Verder is een wijzigingsbevoegdheid van toepassing, die onder voorwaarden de wijziging naar de bestemmingen Bedrijventerrein, Groen en Water mogelijk maakt. Hieraan zijn enkele voorwaarden verbonden, onder meer een samenhangende inrichting en landschappelijke inpassing. De noordelijke perceelsrand is deels in een Wijzigingsbevoegdheid (WZI) gelegen. De geldende bestemmingen mogen hier worden gewijzigd naar ‘Bedrijventerrein’, Groenvoorziening’, ‘Water’ en ‘Landscheiding - dubbelbestemming’, mits duidelijk is op welke wijze een extra benodigde 0,7 ha waterberging in het besluitgebied van

3

Schelluinen-West wordt opgevangen. Deze eis heeft ermee te maken dat moet worden gewaarborgd dat als de bebouwingsstructuur van bedrijventerrein Schelluinen-West wordt vergroot, er dan binnen Schelluinen-West moet worden voorzien in extra waterberging. Toetsing Onderhavig plan is binnen het vigerende bestemmingsplan niet mogelijk. Het beoogde bedrijfsperceel is namelijk grotendeels gelegen binnen de bestemming Agrarisch en de bestemming Tuin. Ook biedt de wijzigingsbevoegdheid die voor een deel van het plangebied van toepassing is te weinig planologische mogelijkheden. Om die reden dient een omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan aangevraagd.

1.4

Leeswijzer Deze ruimtelijke onderbouwing bestaat uit vijf hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige situatie en toekomstige situatie van het besluitgebied. In hoofdstuk 3 en 4 wordt de haalbaarheid van het plan aangetoond voor wat betreft beleid, milieuaspecten, water, ecologie, archeologie en cultuurhistorie. In hoofdstuk 5 volgt ten slotte de conclusie.

4

2 Bestaande en beoogde situatie 2.1

Bestaande situatie Omgeving besluitgebied Omgeving Het besluitgebied is gelegen aan de zuidwestzijde van de bestaande kern van Schelluinen in de gemeente Molenlanden. Molenlanden is een gemeente die op 1 januari 2019 is ontstaan uit een fusie van de Zuid-Hollandse gemeenten Molenwaard en Giessenlanden. De gemeente heeft een oppervlakte van 192 km² en telt ongeveer 43.500 inwoners. Schelluinen is met ruim 1.000 inwoners één van de kleinere kernen.

Historische kaarten van b esluitgebied en omgeving

Schelluinen Schelluinen ligt ten westen van Gorinchem aan de noordzijde van de A15 en de Betuwelijn. De oude kern van Schelluinen is ontstaan langs het gegraven water van de Schelluinse Vliet en bestaat uit de bebouwing rond het Kerkplein met de aanliggende Nederlands Hervormde Kerk en het oude kasteel. De kern ontstond in de zuidwesthoek van de Kwakernaaksche Polder. De grootste uitbreidingen van Schelluinen vonden pas na de Tweede Wereldoorlog plaats; eerst vooral oostelijk van

5

het bebowingslint van de Voordijk, maar vanaf het einde van de 20e eeuw ook aan de westzijde.

Ligging b esluitgebied op functiekaart

Topografische kaart van de omgeving met aanduiding besluitgebied

Omgeving besluitgebied Het besluitgebied bevindt zich in het buitengebied aan de zuidwestzijde van Schelluinen. Het bestaande bedrijfsperceel maakt deel uit van de lintbebouwing die aan de noordelijke zijde van de Parallelweg is ontstaan. Aan deze weg bevindt zich een menging van bebouwing, maar er zijn met name bedrijven gelegen. Het besluitgebied is gelegen in een landschap dat van oudsher valt aan te merken als veenweidelandschap. Dit landschap vormt een uniek landschap in Nederland en in de

6

wereld dat sinds de ontginning in de 11 e eeuw niet wezenlijk veranderd is. Het kenmerkt zich door een grote openheid met smalle diepe kavels. Dit ‘slagenlandschap’ en de open ruimtes geven het gevoel van een historisch decor. De verstedelijking die in het gebied plaatsgevonden heeft en momenteel nog plaatsvindt, heeft het veenweidelandschap steeds verder in de verdrukking gebracht. Zo wordt het landschap momenteel vooral bepaald door grootschalige infrastructurele objecten. Naast het kanaal betreft het met name de provinciale weg, die als wezensvreemd element in een bochtvorm door het orthogonale landschap is gelegen, de A15 en de parallel hieraan gelegen Betuwelijn. De A15 en Betuwelijn zijn vooral dankzij de geluidsschermen een grote barrière in het landschap. De ‘nieuwe’ stedelijke elementen in het landschap hebben tot gevolg dat het besluitgebied alleen aan de noordelijke zijde nog grenst aan het open landschap. Op dit gebied ligt echter inmiddels ook een verstedelijkingsclaim aangezien hier het transportcentrum Schelluinen West wordt gerealiseerd. Aangezien dit een belangrijke ontwikkeling is wordt in de volgende paragraaf nader ingegaan op het transportcentrum.

Foto’s van het b esluitgebied (b ron: Google Streetview)

Figuur 2: Uitgeb reid perceel met uitzicht op nieuwe b edrijventerrein Schelluinen en links de Rietweg (noordkant)

: Dit perceel dient buiten beschouwing engelaten behoort teniet tot dit worden inrichtingsplan Luchtfoto met glob ale b egrenzing b esluitgebied (gele stippellijn).

Bestaande bedrijfsperceel

7

Het bedrijf De Jong specialiseert zich in de verhuur van cabins. Deze worden tijdelijk gestald op het bestaande bedrijfsperceel aan de Parallelweg 2. Ook het opknappen en gereed maken van de cabins voor verhuur gebeurt op deze locatie. Het bestaande bedrijfsperceel is, inclusief de gerealiseerde uitbreiding in 2013, circa bruto 0,9 ha groot. Het bedrijfsperceel wordt momenteel met name benut voor de stalling van ‘cabins’. Dit zijn elementen die als tijdelijke gebouwen dienen, bijvoorbeeld tijdens nieuwbouwwerkzaamheden. Op het bestaande bedrijfsperceel bevindt zich momenteel een bedrijfsgebouw dat in hoofd zaak gebruikt wordt voor productie van units en aluminium ramen & deuren .

Foto’s van het b estaande b edrijfsperceel (bron: Google Streetview)

De percelen die worden benut voor de uitbreiding van het bedrijfsperceel z ijn momenteel in agrarisch gebruik (open weidegrond). Het is een perceel dat is ingesloten tussen het bestaande bedrijfsperceel en aangrenzende bedrijfsbebouwing. Transportcentrum Schelluinen-West Onderhavig besluitgebied ligt direct aangrenzend aan het nieuwe transportcentrum Schelluinen-West, dat momenteel wordt aangelegd. Dit bedrijventerrein biedt plaats aan ondernemingen uit de sector transport en logistiek, alleen afkomstig uit de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. De achterblijvende locaties worden herbestemd met een beter passende functie. Enerzijds kan de sector zich op deze wijze bedrijfsmatig verder ontwikkelen, anderzijds geeft dit een kwaliteitsimpuls aan de kleine kernen in het Groene Hart.

8

Inrichtingstekening transportcentrum Schelluinen-West met aanduiding besluitgebied in rood

9

Landschappelijk inrichtingsplan (met geb oorde put ter plaatse van de B) (b ron: Inrichtings - en b eplantingsplan Parallelweg 2)

10

2.2

Beoogde situatie Algemeen Het project betreft de uitbreiding van het bedrijfsperceel aan de Parallelweg 2 te Schelluinen. Het bedrijfsperceel wordt aan de westzijde uitgebreid richting Rietweg. De totale uitbreiding is ca. 1,2 ha groot. Op het perceel zal een nieuwe bedrijf loods worden gerealiseerd. Voor de rest wordt het perceel hoofdzakelijk gebruikt voor stalling en buitenopslag. Beplantingsplan / landschappelijk inpassingsplan Ten behoeve van het project is een beplantingsplan / landschappelijk inrichtingsplan opgesteld1. Op de voorgaande pagina is hiervan een impressie opgenomen. Het gehele landschapsplan is als bijlage aan deze ruimtelijke onderbouwing toegevoegd. Het omliggende veen-weidelandschap is het uitgangspunt geweest voor het inrichtingen beplantingsplan voor de locatie gelegen aan de Parallelweg en de Rietweg. Ook is bij de inrichting aansluiting gezocht met de beeld- en kwaliteitseisen voor het aanliggende Transportcentrum Schelluinen. Het terrein is landschappelijk ingepast met hekwerken en elzenhagen op de terreingrenzen. Aan de achterzijde ligt langs de elzenhaag een pad voor onderhoud aan de naastgelegen hoofdwatergang.

Na de uitbreiding zal het nieuw verkregen terrein ervoor zorgen dat het bedrijfsterrein van Timmer, welke aan een zijde van ons bedrijfsterrein grenst, dat ook deze grens beplant wordt met elzenhagen, zodoende dat de privacy van beide bedrijven gegarandeerd is. De zuidgrens van het bedrijfsterrein zal aan een aantal sloten komen te grenzen die parallel lopen aan de parallelweg. Aan de noordoever van deze sloten zullen groenstroken met hogere bomen worden gerealiseerd die twee verschillende functies bekleden. Ten eerste zorgen ze ervoor dat het bedrijfsterrein aan het zicht van de weg wordt onttrokken en ten tweede krijgt het geheel zo een natuurvriendelijke uitstraling. Na de uitbreiding zal het nieuw verkregen westelijke bedrijfsterrein openlijk verhard worden met ofwel asfalt, ofwel klinkers, wat ervoor zorgt dat water in de grond kan blijven infiltreren. Ook worden enkele brede molgoten aangebracht om overtollig water richting de sloten af te voeren. De lijnvoering van de molgoten zal ook het terrein enigszins ruimtelijk opdelen. Dit gedeelte van het bedrijfsterrein zal voornamelijk voor opslag gebruikt zal worden. En met de bouw van een bedrijf loods zal ook productie & binnenopslag mogelijk worden. Dit alles zal toegankelijk worden vanaf de Parallelweg door twee afzonderlijke in- /uitritten.

Aan de westgrens van het terrein zal een bosstrook in stand worden gehouden waar ook een waterberging gerealiseerd zal worden, die het dempen van de huidige sloten compenseert. Deze waterberging zal van de huidige sloten gescheiden worden doormiddel van een smalle groenstrook die met wilgen beplant zal worden. Tevens komt er een wateroverloop die ervoor zorgt dat zowel het water in de berging als het water in de sloten op peil kan blijven. De oever van de waterberging zal bekleed worden met een houten beschoeiing die

1

Inrichting- en beplantingsplan Parallelweg 2

11

ervoor zorgt dat de waterkant in tact blijft. Verder zullen er nabij de waterberging diverse water en oeverplanten geplant worden. Er zal vanaf de Parallelweg ,een twee tal inritten aan het bedrijfsterrein toegang verlenen.

Verkeer en parkeren Verkeer Uit het akoestisch onderzoek industrielawaai blijkt dat in de nieuwe situatie sprake is van maximaal 4 vrachtwagenbewegingen per dag (2 vrachtwagenbezoeken). Deze rijden via de route Parallelweg / rotonde op de provinciale weg N216. Deze bewegingen vinden allemaal plaats in de dagperiode. Naast vrachtwagenbewegingen is er een beperkte verkeersaantrekking van bestelauto’s voor het brengen halen van producten (dit wordt ingeschat als marginaal) en personenauto’s (10 verkeersbewegingen per dag, 5 personenautobezoeken). De verkeersaantrekking is hiermee marginaal en zal kunnen worden opgenomen binnen het bestaande verkeersbeeld. Parkeren De gemeente Molenwaard heeft voor het aspect parkeren gemeentelijk beleid vastgesteld in de vorm van de ‘Nota parkeernormen Molenwaard 2018’. Voor het voorliggende project is een parkeerberekening2 opgesteld, waarin is uitgegaan van een bedrijf arbeidsintensief/ bezoekersintensief. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per 100 m 2 BVO. Uit de berekening volgt dat in totaal 17 parkeerplekken gerealiseerd moeten worden. Er is op eigen terrein meer dan voldoende ruimte om te voorzien in deze parkeergelegenheid, zoals blijkt uit de tekening die is opgenomen in de parkeerberekening. Er zal geen parkeerdruk worden afgewenteld op de omgeving.

3 Beleidskader 3.1

Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) en Barro (2011) Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. De verschillende beleidsnota's op het gebied van ruimte en mobiliteit zijn gedateerd door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen onder andere omdat groei, stagnatie en krimp gelijktijdig plaatsvinden. De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk - en

2

Parkeerberekening, Drawinq bouwkundig teken- en adviesbureau, kenmerk: 2011891 , 6-09-2021

12

mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Doelen In de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte formuleert het Rijk drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar & veilig te houden voor de middellange termijn (2028): Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Nationale belangen De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is vertaald in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de Ecologische Hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

Uit de regels en kaarten behorende bij het besluit kan worden afgeleid welke aspecten relevant zijn voor het ruimtelijke bes luit. Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bes taand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd.

Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling

13

buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Toetsing Het onderhavige project raakt geen rijksbelangen en is hiermee niet strijdig met de NOVI en het Barro. Voorliggend project voorziet in de uitbreiding van het bestaande bedrijf De Jong Group aan de Parallelweg 2 te Schelluinen. De uitbreiding vindt direct ten westen van het besluitgebied plaats. Het gaat om een uitbreiding van circa 1,2 hectare, waar één bedrijfsloods en buitenopslag/stalling zijn beoogd. Ook zal een deel van de gronden ingericht worden ten behoeve van een landschappelijke inpassing.

Gelet op het feit dat de gronden momenteel voornamelijk een agrarische bestemming hebben met geringe bebouwingsmogelijkheden, wordt gesteld dat de beoogde uitbreiding qua aard en omvang een dusdanig nieuw ruimtebeslag bevat dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zoals bedoeld in het Bro. Om die reden is een toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking3 uitgevoerd.

3

Ladder-onderbouwing uitbreiding De Jong Groep te Schelluinen, SAB, kenm erk 170588, 1107-2021

Allereerst is in de toets aangetoond dat er een duidelijk behoefte is aan de uitbreiding van het bedrijf De Jong Group. Er is een concrete behoefte tot uitbreiding die voortkomt uit de groei van het bedrijf en het al bestaande ruimtegebrek. Hierna is ingegaan op het tweede deel van de Ladder, waarin aangetoond is dat het onmogelijk c.q. onwenselijk is om het plan elders binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Allereerst is gesteld dat in dat geval ook de verplaatsing van het bestaande bedrijfsperceel naar een andere locatie aan de orde is. Voor de bedrijfsvoering is dit onwenselijk en bovendien is verplaatsing vanuit bedrijfseconomisch perspectief onwenselijk gezien de reeds gedane investeringen. Alhoewel theoretisch een vestiging op een regionaal bedrijventerrein niet onmogelijk is, is daarnaast de gekozen locatie juist zeer geschikt. Het bedrijf zorgt ter plaatse niet voor hinder, de locatie is ingesloten door verstedelijking, maakt deel uit van het bebouwde gebied, en is door de omringende functies (bedrijventerrein en grote infrastructuur)

14

Bovendien is de locatie goed bereikbaar voor zwaar vrachtverkeer, met name wanneer de beoogde uitbreiding wordt gerealiseerd. Hiermee moet worden geconcludeerd dat een situering elders binnen het bestaand stedelijk gebied niet mogelijk is. Met voorgaande is voldoende invulling gegeven aan de Ladder. Conclusie Het voorliggende project is niet in strijd met het rijksbeleid en de geformuleerde nationale belangen en regels zijn niet van toepassing op het besluitgebied.

3.2

Provinciaal beleid Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland wil met haar Omgevingsvisie een uitnodigend perspectief bieden, zonder een beoogde eindsituatie te schetsen. Daarom omvat de Omgevingsvisie geen eindbeeld voor 2030 of 2050, maar wel ambities die voortkomen uit actuele maatschappelijke opgaven. In de fysieke leefomgeving ziet de provincie zes richtinggevende ambities, te weten: Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving Deze nevengeschikte ambities staan niet op zichzelf. Ze zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar deze regio voor staat. De gestelde ambities zijn de kaders waarbinnen de provincie ruimte geeft. Die ruimte kan per opgave verschillen.

Stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied Het plangebied ligt buiten het bestaand stads- en dorpsgebied zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Zuid-Holland. Voor de bebouwde ruimte streeft de provincie naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied, en ten tweede op een hiërarchie van knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. Gedeputeerde Staten zien toe op toepassing door gemeenten van de Ladder voor duurzame verstedelijking en het beleid voor ruimtelijke kwaliteit. Het

15

eindoordeel over stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten bestaand stads- en dorpsgebied ligt bij Provinciale Staten. Deze worden door Provinciale Staten afgewogen en opgenomen op de 3 hectare kaart.

Uitsnede kaart Omgevingsvisie Zuid-Holland: Stedelijke ontwikkelingen b uiten b estaand stads- en dorpsgeb ied

De uitbreiding van het bedrijf vindt plaats buiten het bestaand stads- en dorpsgebied. De locatie ligt wel aansluitend aan het bestaand stads - en dorpsgebied. Dit betekent dat er hier mogelijkheden zijn voor stedelijke ontwikkelingen, mits wordt voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. In paragraaf 3.1 is het voorliggende plan getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Geconcludeerd wordt dat er een duidelijke behoefte is aan de uitbreiding en dat een situering elders binnen bestaand stedelijk gebied niet mogelijk is. De uitbreiding voldoet hiermee aan het beleid voor ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied uit de Omgevingsvisie. Behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Het kwaliteitsbeleid beoogd een ‘ja, mitsbeleid’: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengevat in één integrale kwaliteitskaart. De kwaliteitskaart toont in vier lagen, de laag van de ondergrond, de laag van de cultuur- en natuurlandschappen, de laag van de stedelijke occupatie en de laag van de beleving, de gebiedskenmerken en kwaliteiten die de provincie belangrijk vindt.

Doel van de kaart is om nieuwe ontwikkelingen binnen de provincie op een logische en aantrekkelijke manier te verbinden aan een plek in Zuid-Holland. Betrokken partijen houden bij ruimtelijke ingrepen rekening met de gebruikswaarde, de toekomstwaarde en de belevingswaarde van een gebied. Het gaat daarbij onder andere om gebiedskenmerken zoals de aard en schaal, om duurzaam gebruik van de ondergrond, de versterking van de ruimtelijke opbouw en de inpassing in de wijdere

16

omgeving. De kaart geeft randvoorwaarden voor het maken van integrale afwegingen in het begin van het planproces. De randvoorwaarden zijn nader geconcretiseerd in de richtpunten. Richtpunten benoemen en beschrijven (generiek voor Zuid-Holland en gebiedsspecifiek) de bestaande kenmerken en waarden en de wijze waarop nieuwe, ruimtelijke ontwikkelingen hiermee rekening kunnen houden. Laag van de ondergrond Onderhavig besluitgebied ligt in het Rivierdeltacomplex: rivierklei en veen. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Ontwikkelingen in het rivierengebied houden het verschil tussen komgronden en oeverwallen herkenbaar. Het besluitgebied ligt tussen een bedrijventerrein aan de noord- en oostzijde en de A15 en Betuweroute aan de zuidzijde. De bedrijfsbebouwing wordt daardoor gerealiseerd binnen bestaande structuren is niet van invloed op de herkenbaarheid van het verschil tussen komgronden en oeverwallen. Laag van de landschappen Onderhavig besluitgebied ligt in een veen(weide)landschap.

De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agraris ch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Voor het veenweidelandschap gelden de volgende richtpunten: bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weids heid van de poldereenheden; nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslint en of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.

Het besluitgebied ligt tussen een bedrijventerrein aan de noord- en oostzijde en de A15 en Betuweroute aan de zuidzijde. De bedrijfsbebouwing wordt daardoor

17

gerealiseerd binnen bestaande structuren en het plan is niet van invloed op de weidsheid van de poldereenheden. Laag van de beleving In de laag van de beleving zijn ter plaatse van het plangebied geen aanduidingen opgenomen. Laag van de stedelijk e occupatie - steden en dorpen Onderhavig besluitgebied ligt grotendeels in de aanduiding stads - of dorpsrand. Dit is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Daarbij onderscheidt de provincie drie typen ‘overgangskwaliteiten’. Het front, het contact en de overlap. Bij onderhavig besluitgebied lijkt het front het meest van toepassing te zijn, omdat er een scherpe rand bestaat tussen bebouwing en landschap en er geen zachte overgang is. Deze rand wordt evenwel vooral bepaald door enkele grootschalige infrastructurele barrières (de A15 en de Betuweroute) die contact tussen beide onmogelijk maakt.

Uitsnede Kwaliteitskaart: Laag van de stedelijke occupatie

Programma Ruimte Het Programma ruimte is parallel aan de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgesteld. Het Programma ruimte bevat een nadere invulling en operationalisering van ruimtelijk relevante onderdelen van de Omgevingsvisie. Voor het besluitgebied zet de provincie zich in op de volgende onderdelen: Stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied Volgens de Verordening ruimte moeten nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgezicht van meer dan 3 ha in het door Provinciale Staten (PS) vastgestelde Programma ruimte staan.

18

Onderhavig besluitgebied ligt buiten bestaand stads- en dorpsgebied. De ontwikkeling is kleiner dan 3 ha en hoeft daarom niet in het vastgestelde programma ruimte te staan. Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsverordening Zuid-Holland vertaald de beleidsuitgangspunten van de visie naar concrete regelgeving. De wettelijke basis voor de verordening vormt artikel 4.1 van de Wro. Hierin is bepaald dat indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, bij of krachtens provinciale verordening regels kunnen worden gesteld omtrent de inhoud en de toelichting van bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde plannen. De regels in deze verordening zijn bindend en werken door in gemeentelijke bestemmingsplannen. De volgende bepalingen zijn relevant voor het bestemmingsplan. Stedelijke ontwikkelingen De bepaling inzake stedelijke ontwikkeling luidt: 2.1.1 Ruimtelijke ontwikkelingen Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening ; b.

indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.

Onderhavig project vindt plaats buiten bestaand stads- en dorpsgebied. In paragraaf 3.1. is ingegaan op de Ladder voor duurzame verstedelijking, waarbij geconcludeerd wordt dat het plan voorziet in een behoefte en situering elders binnen bestaand stedelijk gebied niet mogelijk is. Verder is de ontwikkeling minder dan 3 ha groot. Het is daarom niet nodig dat de locatie is opgenomen in het programma Ruimte. Ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen Er is in de Omgevingsverordening Zuid-Holland een bepaling opgenomen die toeziet op het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit. 2.2.1 Ruimtelijke kwaliteit Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen);

Het project ligt niet binnen een specifieke beschermingscategorie. Het besluitgebied wordt zorgvuldig ingepast in de omgeving. Er is geen sprake van een verstoring van de gebiedsidentiteit: het besluitgebied maakt deel uit van een reeds sterk verstedelijkt gebied; de locatie ligt ingeklemd tussen grootschalige infrastructuur (snelweg A15 en Betuweroute) en het regionaal bedrijventerrein Schelluinen. Langs de Parallelweg bevindt zich reeds veel bebouwing. Hiermee is geen sprake meer van een open

19

polderlandschap, maar van een reeds sterk verstedelijkt gebied zonder specifieke landschappelijke kwaliteit. Met onderhavig project is daarnaast geen sprake van een wijziging op structuurniveau. Het te realiseren bedrijfsperceel past bij de aard en schaal van het gebied: langs de Parallelweg bevinden zich diverse bedrijven en het perceel sluit direct aan op het regionale bedrijventerrein Schelluinen, waarop hoofdzakelijk grote bedrijven zijn gevestigd. 2. Bedrijven De volgende bepaling uit de Omgevingsverordening is relevant: Artikel 2.1.3 lid 1 Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein, laat bedrijven toe uit de hoogst mogelijke milieucategorie van de Staat van Bedrijfsactiviteiten passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk bestemmingsplan of het Programma ruimte.

Dit project laat uitsluitend een specifiek bedrijf toe. Dit bedrijf is hier inpasbaar. Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarde gesteld in artikel 2.1.3 Provinciale Verordening.

3.3

Gemeentelijk beleid Algemeen Aangezien de gemeente Molenlanden pas recent is ontstaan uit een fusie, is voor onderhavig besluitgebied met name nog beleid van toepassing zoals die gold voor de gemeente Giessenlanden. Structuurvisie Giessenlanden Buitengewoon, 18 december 2008 Deze structuurvisie bevat de uitgangspunten en potenties voor de toekomstige ontwikkelingen in Giessenlanden waarbij de nadruk zal liggen op de ruimtelijke component.

20

projectlocatie

Structuurvisie 2020

Agrarisch buffergebied Aan de zuidzijde van de gemeente ligt de Merwedezone. In deze zone vinden diverse stedelijke ontwikkelingen plaats. De verstedelijking kruipt langzaam naar het noorden (springt over de A15) richting de gemeente Giessenlanden. Om te voorkomen dat Giessenlanden een deel van zijn karakteristieke landschap verliest door een oprukkende verstedelijking en de meest zuidelijk gelegen dorpskernen worden “opgeslokt”, dient een agrarisch buffergebied te worden gerealiseerd waar (bestaande) agrarische bedrijven zich blijvend kunnen ontwikkelen. Dit buffergebied houdt de verdere verstedelijking tegen en waarborgt de identiteit van Giessenlanden: rust en ruimte. Door het geplande transportcentrum Schelluinen-West en de ligging nabij de rijksweg A15, wordt Schelluinen zonder maatregelen langzaam opgenomen in de Merwedezone. Het agrarisch buffergebied en de investering in meer groen trekken dan ook Schelluinen bij het Groene Hart. Slimme bedrijvigheid De gemeente zet in op werkgelegenheid in plaats van hectares bedrijventerrein. Op bedrijventerreinen dienen meer woonwerk-units te worden gerealiseerd. Door zelfstandige kleine (arbeids- en kennis intensieve) bedrijfjes aan te trekken kan de economie binnen de gemeente op peil worden gehouden, z onder grote bedrijfsgebouwen in het landelijk gebied toe te staan.

21

projectlocatie

Schelluinen (b estaande situatie en transformatiegebieden)

Strook Parallelweg De strook langs de Parallelweg ten zuiden van de landschappelijke overgang aan de zuidzijde van het transportcentrum Schelluinen- West moet een kwaliteitsimpuls ondergaan. Binnen deze strook wordt gestreefd naar een hoogwaardige beeldkwaliteit en dient de groene omgeving te worden versterkt. Op de (middel)lange termijn wordt gestreefd naar herstructurering en intensivering van het huidige bedrijfsmatige gebruik van de gronden en is nieuwvestiging van lichte, hoogwaardige bedrijvigheid niet uitgesloten. Randvoorwaarde is wel dat de haalbaarheid daarvan is aangetoond door nader onderzoek, in het bijzonder naar de milieu-effecten en de ontsluitingsmogelijkheden. Daarnaast is van belang dat deze eventueel mogelijke ontwikkeling voor de (middel)lange termijn geheel los staat van het nieuw te realiseren transportcentrum Schelluinen-West. Enerzijds kan en mag de ontwikkeling van de strook op geen enkele wijze afbreuk doen aan de realisatie van het transportcentrum en anderzijds is de strook uitdrukkelijk niet bedoeld voor uitbreiding van het transportcentrum. Visie op dorp Schelluinen Ondanks de verstedelijkingsdruk (onder meer door realisatie transportcentrum Schelluinen-West) wordt de kern Schelluinen bij het Groene Hart gehouden: Schelluinen moet zich ontwikkelen als de “poort van de Alblasserwaard”.

Om de relatie met het Groene Hart te versterken moet er alles aan gedaan worden om groene functies in de kern te trekken. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat rode functies het open veenweideweefsel “binnenwandelen”. Aan de poortfunctie kan worden bijgedragen door het ontwikkelen van een “recreatief transferium”. Dagrecreanten kunnen hier hun auto parkeren en deze plek als uitvalsbasis voor fietstochten gebruiken. De zuid(west)elijke rand van het dorp is hiervoor uitermate geschikt en de recreatieve functie zou prima als bufferzone tussen dorp en infrastructuur kunnen fungeren.

22

Uitsnede visiekaart Schelluinen

Kaart landschapsvisie

Toetsing Onderhavig project past goed binnen het gemeentelijke beleid. De projectlocatie is gelegen binnen een zone waarin bedrijvigheid beoogd wordt. Met onderhavig project wordt, door het goed uitgewerkte beplantingsplan, recht gedaan aan de beoogde groene afscherming tussen het transportcentrum en de bedrijvenstrook langs de Parallelweg. Het onderhavige project past binnen de doelstelling om de beeldkwaliteit langs de Parallelweg te verhogen. Een passende groene afscherming van onderhavig bedrijfsperceel alsmede een representatieve inrichting van het bedrijfsperceel met veel groen en water richting de Parallelweg zorgen hiervoor. Bij de ontwikkeling van

23

nieuwe bedrijven aan de Parallelweg wordt als voorwaarde gestelde dat de haalbaarheid daarvan wordt aangetoond door nader onderzoek. Gesteld kan worden dat daar bij dit project voldoende aandacht aan is besteed. Hiervoor kan worden verwezen naar het volgende hoofdstuk. Visie 2030 In 2010 is besloten om een regionale visie op te stellen die de kaders geeft voor toekomstig lokaal en regionaal beleid waarmee ingespeeld kan worden op nieuwe ontwikkelingen. In het voorjaar van 2012 hebben de gemeenteraden in de regio Alblasserwaard Vijfheerenlanden de Visie 2030 vastgesteld. De kernwaarden die de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden het eigen karakter geven en het uitgangspunt vormen voor de Visie 2030 zijn gedefinieerd als: bijzonder kwaliteit van het cultuurlandschap en de historische steden grote sociale cohesie innovatiekracht van het bedrijfsleven. De regio neemt deel aan en speelt in op de economische ontwikkelingen: mondiaal, nationaal en specifiek in de Zuidvleugel. Dit houdt in dat: De (grote) bedrijvigheid zich concentreert langs de ontsluitingsassen, zowel op de noord-zuid as (A27) als op de oost-west as (Noord/Merwede, A15, Merwede Linge Lijn). Het platteland plaats biedt aan kleinschalige bedrijvigheid en de recreatieve en toeristische sector. Een goede bereikbaarheid, zowel fysiek via rivier, spoor en weg als digitaal essentieel is.

Regionaal wordt ingezet op de verbetering van de bereikbaarheid van de regio. Toetsing Onderhavig project is niet strijdig met de Visie 2030 en past binnen de visie dat de bedrijvigheid zicht langs de ontsluitingsassen concentreert; onderhavig besluitgebied ligt immers langs de A15.

4 Haalbaarheid van het project 4.1

Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de planologische haalbaarheid. In het kader van het ruimtelijke onderbouwing moet een aantal onderzoeken worden uitgevoerd om de haalbaarheid van het plan te kunnen aantonen.

24

4.2

Milieueffectrapportage Algemeen Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. Toetsing Onderhavig plan kan worden gekwalificeerd als: De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, zoals genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1 een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2 een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3 een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer.” de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein als genoemd in onderdeel D.11.3 van de bijlage van het Besluit m.e.r. De drempelwaarde die hiervoor is opgenomen betreft alle gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer.

Het project blijft ruim onder de drempelwaarde van een oppervlakte van 100 ha respectievelijk 75 ha, dan wel 200.000 m2 b.v.o.. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft plaatsgevonden en is verwoord in een afzonderlijke rapportage3, die als bijlage 2 bij de toelichting is opgenomen. Uit de m.e.r.beoordeling volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het project die leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er geen (of een zeer beperkt effect) optreedt. De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Het volgen van een m.e.r. (beoordelings-) procedure is daarom niet nodig. Conclusie Gelet op de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten, zullen er geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Er zijn geen ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken een m.e.r. (beoordelings)procedure te volgen.

3

SAB (2020). Aanmeldingsnotitie vormvrije m.e.r-beoordeling Parallelweg Schelluinen, kenmerk 170588, 27 juli 2020.

25

4.3

Akoestiek wegverkeerlawaai Algemeen De Wet geluidhinder regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Indien geluidgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Toetsing Een bedrijf is geen geluidgevoelige functie. Een akoestisch onderzoek verkeerslawaai kan daarom achterwege worden gelaten. Conclusie Het aspect akoestiek weg- en spoorverkeerlawaai vormt geen belemmering voor de uitvoering van onderhavig project.

4.4

Akoestiek industrielawaai Algemeen Als sprake is van de realisatie van een functie die geluidoverlast produceert in de nabijheid van woningen moet worden onderzocht of de geluidhinder op deze hindergevoelige functies aanvaardbaar is. Op basis van het Activiteitenbesluit heeft de gemeente de mogelijkheid een akoestisch onderzoeksrapport te eisen in die gevallen waarin aannemelijk is dat de normen overschreden zullen worden. Bij het uitvoeren van dit akoestisch onderzoek moeten zowel de directe hinder (geluidshinder afkomstig uit het gebied zelf) als de indirecte hinder (geluidshinder van verkeer buiten de inrichting van en naar de inrichting) berekend worden op de omliggende woningen. De berekende waarden moeten worden getoetst aan de geldende normen. Akoestisch onderzoek industrielawaai Onderhavig project, de beoogde vergroting van het bedrijf, is akoestisch onderzocht 4. Doel van het onderzoek was om de geluidsbelasting op de omliggende woningen inzichtelijk te maken. Het akoestisch onderzoek omvat de geluidsbelasting op de omliggende woningen Parallelweg 3 en 4 ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten in en buiten de bedrijfshal, en de verkeersbewegingen op het buitenterrein.

Uit het onderzoek blijkt het volgende: langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT: De geluidsbelasting LAr,LT ten gevolge van de activiteiten van de inrichting op de woningen in de omgeving bedraagt maximaal 42 dB(A) in de dagperiode (toetspunt 1,5 m). Gelet op het voorgaande wordt voldaan aan de geluidnormering van het Activiteitenbesluit. maximale geluidniveau LAmax: De geluidsbelasting LAmax ten gevolge van de activiteiten van de inrichting op de woningen in de omgeving inclusief laden-lossen bedraagt maximaal 61 dB(A) in de

4

Akoestisch onderzoek Industrielawaai De Jong Group BV Parall elweg 2 Schelluinen, HGO Advies, kenmerk 2017-27-AO, 28 februari 2020.

26

dagperiode (toetspunt 1,5m). Gelet op het voorgaande wordt voldaan aan de geluidnormering van het Activiteitenbesluit. De geluidsbelasting LAmax ten gevolge van de activiteiten van de inrichting op de woningen in de omgeving exclusief laden-lossen bedraagt eveneens maximaal 61 dB(A) in de dagperiode. Hiermee wordt eveneens voldaan aan de geluidnormering van het Activiteitenbesluit. Het piekgeluid LAmax dat wordt geproduceerd ter plaatse van toetspunt 4 op 4,5 m hoogte (westgevel Parallelweg 3) is afkomstig van de handelingen met de grote heftruck op de westelijke kavel die deel uitmaakt van de uitbreiding van de inrichting. Het piekgeluid bedraagt 73 dB(A). Deze activiteiten behoren niet tot het laden en lossen en maken dus deel uit van de te toetsen activiteiten, maar vinden wel alleen gedurende de dagperiode plaats. Op 1,5 meter hoogte bedraagt de geluidsbelasting 61 dB(A). Hiermee wordt alsnog voldaan aan de wettelijke geluidnormering. maatregelen: Gelet op de maximaal berekende waarden op de diverse toetspunten bij de woningen zijn maatregelen niet aan de orde. goede ruimtelijk e ordening: Ten behoeve van de toetsing aan het aspect ‘goede ruimtelijke ordening’ is de indirecte hinder beschouwd.

Gelet op het aantal transport- en verkeersbewegingen binnen de inrichting en het feit dat de transportafwikkeling na verlaten inrichting richting de provinciale weg N216 plaatsvindt is de indirecte hinder op woningen aan de Parallelweg marginaal en voor dit onderzoek niet relevant. Memo weergave akoestische situatie In aanvulling op het akoestische onderzoek is een memo5 opgesteld over de akoestische situatie bij de woning aan de Parallelweg 3, omdat de overname van deze woning met dit plan niet mogelijk wordt gemaakt. Geconcludeerd wordt dat hierbij voldaan wordt aan de geldende normering Activiteitenbesluit en de VNG-publicatie. De overname van de woning Parallelweg 3 is dan ook geen voorwaarde om de bedrijfsvoering als in het akoestisch onderzoek is onderzocht mogelijk te maken. Conclusie Uit het akoestisch onderzoek industrielawaai blijkt dat er vanuit dit aspect geen belemmeringen zijn tegen uitvoering van het project.

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Er dient voldoende ruimtelijke scheiding te zijn tussen hinderveroorzakend e en hindergevoelige functies ter bescherming en/of vergroting van de woon- en leefkwaliteit. Indien milieubelastende functies in het besluitgebied mogelijk worden gemaakt, dient de invloed op de omgeving inzichtelijk te worden gemaakt. Indien hindergevoelige functies worden mogelijk gemaakt, moet worden aangetoond dat geen sprake is van hinder van bestaande omringende functies. De VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) geeft per bedrijfsactiviteit richtafstanden met betrekking tot geur, fijn stof, geluid en gevaar die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en woningen om hinder en 5

Memo weergave akoestische situatie De Jong Group BV 2020, HGO Advies, 10 december 2020.

27

schade aan mensen in de directe omgeving van een ruimtelijke ontwikkeling binnen aanvaardbare normen te houden. Uitgangspunt hierbij is dat de richtafstand in principe geldt tussen de perceelsgrens van het bedrijf en de perceelgrens van het hindergevoelige object. De volgende tabel toont het type bedrijfsactiviteiten binnen het besluitgebied en de bijbehorende richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’.

Milieu categorie

Richtafstand tot 'rustige woonwijk' of 'rustig b uitengebied'

Richtafstand tot 'gemengd geb ied'

1

10 meter

0 meter

2

30 meter

10 meter

3.1

50 meter

30 meter

3.2

100 meter

50 meter

4.1

200 meter

100 meter

4.2

300 meter

200 meter

5.1

500 meter

300 meter

5.2

700 meter

500 meter

5.2

1.000 meter

700 meter

Toetsing Hinder van onderhavig project op de omgeving? Onderhavig project kan leiden tot hinder op omliggende hindergevoelige functies. Zoals ook in het akoestisch onderzoek industrielawaai is omschreven, kan het bestaande bedrijf worden aangemerkt als ‘Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout, p.o. <200 m 2’ (SBI2008-code 162.1). Dit is een categorie 3.1. bedrijf met een maximale hinderzone van 50 m op het aspect geluid. In de toekomstige situatie verandert dit naar een ‘timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout’ (SBI2008-code 162.0). Dit is een categorie 3.2. bedrijf met een maximale hinderzone van 100 m op het aspect geluid. De richtafstanden van de VNG gelden tot het gebiedstype ‘rustige woonwijk’, in dit geval is gelet op de aanwezige bedrijven en (rijks)infra op korte afstand geen sprake van het gebiedstype ‘rustige woonwijk’ maar van het type ‘gemengd gebied’. De richtafstand mag gelet hierop worden verlaagd naar 50 m. De kleinste afstand van een bedrijfsonderdeel tot een woning van derden bedraagt ca. 64 m (Parallelweg 3). De kleinste afstand van het buitenterrein van de inrichting tot een woning van derden bedraagt 19 m (Parallelweg 3). Indien de richtafstanden niet worden overschreden kan verdere toetsing in beginsel achterwege blijven. In dit geval wordt echter niet voldaan aan de VNG-richtafstand van 50 meter.

Gezien voorgaande is nader akoestisch onderzoek gedaan naar het aspect ‘geluid’ (zie de vorige paragraaf). Hieruit blijkt dat het aspect ‘geluid’ niet leidt tot belemmeringen.

28

Uit de VNG-notitie volgt dat er naast het aspect geluid een richtafstand van toepassing is op het aspect geur; deze bedraagt 10 m bij een gemengd gebied. Binnen deze zone bevinden zich geen hindergevoelige functies. Concluderend leidt het onderhavige project niet tot belemmeringen op het gebied van bedrijven en milieuzonering. Hinder van omgeving op onderhavig project? De vraag of er sprake is van hinder van de omgeving op onderhavig project is niet van belang, omdat er geen gevoelige functies worden mogelijk gemaakt. Conclusie Het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ leidt niet tot belemmeringen.

4.6

Natuur Algemeen Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden nagegaan of er sprake kan zijn van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten. In het bestemmingsplan dient, in het kader van de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet, te worden aangetoond dat van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing is verkregen. Quick scan natuur Inleiding Er is een quick scan uitgevoerd inzake onderhavig project6. In deze ecologische quickscan wordt een voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de Wet natuurbescherming. De centrale vraag luidt: “Zijn de voorgenomen werkzaamheden in strijd met de soort- of gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb) of provinciaal beleid? En welke vervolgstappen dienen genomen te worden?” Onderzoek sresultaten Uit het onderzoek blijkt het volgende: Wat betreft de gebiedsbescherming is nader onderzoek nodig middel het uitvoeren van Aerius-berekeningen om te bepalen of sprake is van effecten op naburige Natura 2000 gebieden. Wat betreft de soortenbescherming is sprake van de mogelijke verstoring van de heikikker, ringslang, rugstreeppad en vogels zonder jaarrond beschermd nest. Er is nader onderzoek nodig naar de heikikker en ringslang en rugstreeppad om te bepalen of deze soorten aanwezig zijn en of mogelijk ontheffing moet worden aangevraagd.

In het rapport worden maatregelen genoemd waarmee verstoring van beschermde soorten (de voornoemde soorten) kan worden voorkomen. Tevens moet buiten het

6

Quick scan rapportage ecologische quick scan, Parallelweg 2 te Schelluinen, De Jong Beheer & Exploitatie Maatschappij B.V., Habitus

29

broedseizoen van broedvogels worden gewerkt om verstoring van deze soort te beperken. Tevens is in het rapport besproken welke maatregelen moeten worden genomen voor algemene soortgroepen (zoogdieren, amfibieën, grondgebonden zoogdieren en algemene waterfauna) om verstoring te voorkomen en te voldoen aan de Nader onderzoek soortenbescherming Er is nader onderzoek gedaan naar soortenbescherming 7. Er zijn tijdens zowel het ringslang-, heikikker- en rugstreeppadonderzoek geen beschermde soorten aangetroffen. Aanwezigheid van deze soorten binnen het projectgebied kan uitgesloten worden. Op het industrieterrein ten noorden van het projectgebied zijn wel een aantal roepende rugstreeppadden gehoord. Nader onderzoek gebiedsbescherming Om te bepalen of er sprake is van effecten op Natura 2000-gebieden is een stikstofonderzoek9 uitgevoerd. De locatie waar de nieuwe bebouwing is gepland ligt op ongeveer 3 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’, op ongeveer 5 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ en op ongeveer 6 kilometer van Natura 2000-gebied ‘Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem’. In Natura 2000gebieden zijn habitattypen aanwezig die gevoelig zijn voor de verzurende en vermestende werking van stikstofdepositie.

Om in het kader van een mogelijke vergunningaanvraag Wet natuurbescherming te onderzoeken wat de stikstofdepositie is tijdens de bouw- en gebruiksfase is een stikstofberekening uitgevoerd met het programma Aerius. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat zowel voor de aanlegfase als voor de gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van de stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er zijn geen belemmeringen voor het aspect stikstof voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming nodig. Conclusie Het aspect ‘natuur’ leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig project.

4.7

Luchtkwaliteit Algemeen De Wet luchtkwaliteit (onderdeel van de Wet milieubeheer) beschermt mensen tegen luchtverontreiniging. Hierin zijn onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht (o.a. fijn stof en stikstofdioxide) vastgesteld. De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke projecten die ‘in betekenende mate’ (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit of ‘gevoelige bestemmingen’ binnen onderzoekszones van provincialeen rijkswegen. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren.

7

Rapportage soortgerichtonderzoek Locatie tussen Parallelweg 2 en Rietweg Schelluinen,

De Jong Beheer & Exploitatie Maatschappij B.V., Habitus, 11 juli 2019 9 Onderzoek stikstofdepositie, Parallelweg 2 te Schelluinen, SAB, kenmerk: 170588, 26 november 2020

30

Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het project ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Toetsing NIBM Het project betreft de uitbreiding van een bestaand bedrijf. De ministeriële regeling NIBM kwantificeert de (N)IBM-grens niet voor deze functie. Dit betekent dat op een andere manier aannemelijk is gemaakt dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is een toetsing uitgevoerd aan de NIBM-tool. Hierbij is van een worst-caseaanname uitgegaan dat onderhavig project leidt tot de aantrekking van 100 extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde). Naar verwachting is de verkeersaantrekking beduidend lager. Verder is uitgegaan van een aandeel vrachtverkeer van 75%. Uit de toetsing blijkt dat het project kan worden aangemerkt als NIBM.

Blootstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is hiernaast gekeken naar de blootstelling. Hierbij is de blootstelling aan de totale concentratie van belang. In dit kader zijn de meest actuele luchtkwaliteitskaarten (peiljaar 2017) uit de Atlas Leefomgeving bestudeerd.

31

Conce ntratie PM10 (2017) met glob ale aanduiding plangebied (b ron: atlasleefomgeving)

Concentratie NO2 (2017) met glob ale aanduiding plangebied (bron: atlasleefomgeving)

32

Concentratie PM2,5 (2017) met glob ale aanduiding plangebied (b ron: atlasleefomgeving)

De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) zijn 40 µg/m3. De grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) is 25 µg/m3. Uit de kaarten van de Atlas Leefomgeving blijkt dat ter plaatse van het plangebied lokaal sprake is van deels een betrekkelijk hoge concentratie voor wat betreft stikstof NO2. Deze ligt op circa 30 µg/m3. De concentratie bij PM 10 is vrij gemiddeld: deze ligt op circa 19 µg/m 3. De concentratie zeer fijnstof (PM 2,5) ligt op circa 12 µg/m3. In alle gevallen blijven de waarden ruim beneden de grenswaarden. Geconcludeerd kan worden dat het plan aanvaardbaar is. Conclusie Op basis van de toetsing kan geconcludeerd worden dat zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het onderhavige initiatief.

4.8

Bodem Algemeen In het kader van een omgevings vergunningprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de gewenste ontwikkeling. Onderzoek In het kader van het project is een verkennend bodemonderzoek 8 uitgevoerd ter plaatse van het deel van het plangebied waar bouw- en graafwerkzaamheden 8

Rapport verkennend bodemonderzoek Parallelweg 2 te Schelluinen, NIPA Milieutechniek b.v., kenmerk: 17143, 10 december 2020

33

plaatsvinden ten behoeve van de realisatie van de loods en de waterberging. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat: de bovengrond op het zuidwestelijk terreindeel tot 0,5 meter –mv sterk verontreinigd is met koper. De verontreiniging met koper is afgeperkt tot aan de perceelgrens. De omvang van de verontreiniging bedraagt circa 490 m 3 (oppervlakte 980 m 2 x 0,5 meter bodemlaag). Opgemerkt dient te worden dat ter plaatse van de gedempte watergangen welke door het contour heen lopen de ondergrond ook verontreinigd is met koper; op het overige terreindeel hoogstens lichte verontreinigingen met zware metalen in grond en grondwater zijn aangetroffen. Ter plaatse is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging (>25 m³ sterk verontreinigd) en derhalve een saneringsnoodzaak. Alvorens tot saneren over te kunnen gaan dient toestemming over de saneringsaanpak verkregen te worden bij het bevoegd gezag. Aangezien het betreffende terreindeel in gebruik is geweest als weiland en volktuincomplex bestaat het vermoeden dat de verontreiniging veroorzaakt is voor 1987 waardoor er sprake is van een historisch geval. Doordat er sprake is van een historisch geval kan middels het indienen van een melding volgens het Besluit Uniforme Saneringen de locatie gesaneerd gaan worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=12df713d-2f2e-4785-982a-8d9bba889789