CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 - Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 20 juni 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 6a. Ontwerpverklaring van geen bedenkingen Parallelweg 2 te Schelluinen11.839 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Rapport verkennend bodemonderzoek Parallelweg 2 te Schelluinen, NIPA Milieutechniek b.v., kenmerk: 17143, 10 december 2020

32

gehouden worden met de aanwezige verontreinigingen en de gebruiksbeperkingen van de grond. Het aspect bodem leidt niet tot belemmeringen voor onderhavi g project.

4.9

Archeologie Regelgeving en beleid Op 1 september 2007 is de wet op de archeologische monumentenzorg in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Toetsing In opdracht van acht gemeenten in de regio Alblasserwaard/Vijfheerenlanden heeft BAAC bv voor het gehele grondgebied van deze gemeenten een archeologische inventarisatie uitgevoerd en vervolgens een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart opgesteld.

Hierin is terug te zien dat in het buitengebied van Giessenlanden zich enkele archeologisch rijksmonumenten en een aantal terreinen met een bepaalde archeologische waarde (overige AMK-terreinen) aanwezig zijn. Tevens is te zien dat in het buitengebied van Giessenlanden redelijk veel archeologische sporen te verwachten zijn. Een groot deel van het de omgeving heeft een middelmatige tot zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. Het overige gebied heeft een lage archeologische verwachtingswaarde. Ter plaatse van het besluitgebied geldt een zeer hoge archeologische verwachtingswaarde.

33

Uitsnede uit archeologische verwachtings- en b eleidsadvieskaart Alb lasserwaard Vijfheerenlanden (aanduiding besluitgebied bij zwarte ster)

De bruine gebieden duiden op een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De gele gebieden staan voor een lage archeologische verwachting. Hiervoor geldt dat bij ingrepen groter dan of gelijk aan 10.000 m 2 en dieper dan 30 cm archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Onderhavig project is ruimschoots groter dan 250 m2. Om die reden is archeologisch onderzoek nodig. Onderzoek Er is een archeologisch onderzoek uitgevoerd inzake onderhavig project 9. Hierna wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten en conclusies. Bureauonderzoek Op basis van het bureauonderzoek is een lage tot onbekende verwachting opgesteld voor de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum. Dit is gerelateerd aan de onbekendheid met de diepere ondergrond in het besluitgebied. Voor de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen is een lage verwachting opgesteld vanwege de ligging in een natte overstromingsvlakte. Voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd is een lage verwachting opgesteld, wegens het ontbreken van historische bebouwing, een dijk of een ontginningskade. Veldonderzoek Op basis van het veldonderzoek blijkt dat het besluitgebied in een natte overstromingsvlakte ligt.

Er zijn geen aanwijzingen waargenomen voor de aanwezigheid van historische bebouwing, een dijk of een ontginningskade in het besluitgebied. Hierom kan de lage verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe Tijd worden gehandhaafd. Binnen het besluitgebied zijn pakketten komklei en 9

Schelluinen, Parallelweg 2 Gemeente Giessenlanden (ZH) Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, Transect Archeologisch onderzoek, concept 15-12-2018

34

veen aanwezig, waar geen sporen van bodemvorming in zijn waargenomen. Er zijn geen aanwijzingen voor rijping in de klei en is geen veraard veen aangetroffen. Dit wijst op natte omstandigheden in het besluitgebied, de lage verwachting voor de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen kan worden gehandhaafd. Pleistocene afzettingen, zoals een rivierduin, zijn niet aangetroffen in het besluitgebied binnen de maximaal bereikte boordiepte. Binnen het gehele besluitgebied kan hierom geen verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum worden opgesteld. Dergelijke archeologisch relevante niveaus liggen buiten het bereik van het verkennend booronderzoek.

Onderzoekskaart met geplaatste b oringen (b ron: archeologisch onderzoek)

Advies Op basis van voorgaande resultaten geldt dat het besluitgebied een lage archeologische verwachting heeft. Er zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk voor wat betreft het behoud van archeologische waarden in het besluitgebied. Wel geldt als er tijdens de graafwerkzaamheden toch zaken aan het licht komen, deze op grond van de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de gemeente dienen te worden gemeld. Conclusie Het aspect ‘archeologie’ leidt niet tot belemmeringen voor onderhavig project. Voor de niet onderzochte delen van het besluitgebied wordt de bestaande archeologische dubbelbestemming inzake een lage verwachting overgenom en.

4.10 Water Algemeen De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer.

35

Het besluitgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Rivierenland, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit project wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het besluitgebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: Een veilig rivierengebied.

Verbeteren en versterken dijken en boezem- kades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken

36

te beschermen tegen beschadiging. Het besluitgebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Giessenlanden. Huidige situatie Algemeen Het besluitgebied bestaat uit een bestaand bedrijfsperceel dat momenteel reeds geheel verhard is alsmede uit een naastgelegen perceel waarmee het bedrijfsperceel wordt uitgebreid. Dit perceel is momenteel in agrarisch gebruik (open weidegrond). Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit klei. Er is sprake van grondwatertrap III. Dat wil zeggen dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand minder dan 0,40 m beneden maaiveld ligt, terwijl de gemiddeld laagste grondwaterstand varieert tussen de 0,80 m en de 1,20 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa NAP -0,65 m. Drooglegging is de maat waarop het maaiveld, het straatniveau of het bouwpeil boven het zomerwaterpeil in de sloot ligt. Doorgaans geldt (en dat is ook het advies) voor het maaiveld een drooglegging van 0,70 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Waterk wantiteit Langs de randen van het besluitgebied liggen zogenaamde B-watergangen. Door het besluitgebied lopen meerdere C-watergangen. In het kader van de ontwikkeling van bedrijventerrein Schelluinen-West is aan de noordzijde van het besluitgebied een A-watergang aangelegd.

Watersysteemk waliteit en ecologie De kwaliteit van het oppervlaktewat er laat te wensen over. Als gevolg van veenoxidatie, de aanvoer van gebiedsvreemd water en agrarische activiteiten (gebruik van bemesting- en bestrijdingsmiddelen) is het water sterk met voedingsstoffen verreikt. Veiligheid en waterk eringen Het besluitgebied is niet gelegen binnen een kern- en/of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterk eten en riolering Het besluitgebied is aangesloten op het gemengde rioleringssysteem. Toekomstige situatie Algemeen Het bedrijfsperceel wordt uitgebreid en op het perceel wordt een bedrijfsloods gerealiseerd. Waterk wantiteit

37

In het kader van het project worden er sloten gedempt (C-watergang). De demping van deze sloot zal worden gecompenseerd door extra water te creëren. Deze waterberging krijgt een B-status. De navolgende afbeeldingen brengen de huidige en toekomstige situatie in beeld.

Afb eelding huidige situatie ,met daarop te dempen sloten

38

Afb eelding toekomstige situatie met daar op de nieuw te gegraven water/sloten conform de vergunning van het waterschap

Uit de afbeeldingen blijkt dat er aan de oostzijde op twee plaatsen watergangen worden gerealiseerd. Ook vervallen er diverse duikers, om plaats te maken voor twee nieuwe duikers. Aan de westzijde is een open water mogelijk van ca. 1.470 m2 groot. Hiermee kan worden gecompenseerd voor de toename van de verharding. De vuistregel van het waterschap luidt dat voor elke hectare verharding 436 m 3 aan watercompensatie dient te worden gerealiseerd. Dit getal moet dan worden gedeeld door 0,20 m, omdat dit de toegestane peilstijging is in de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. Slootdempingen moeten 1 op 1 worden gecompenseerd. Voor beplanting langs watergangen heeft het waterschap algemene regels. De beplanting die langs de watergangen gerealiseerd wordt voldoet aan deze regels. Watersysteemk waliteit en ecologie Om diffuse verontreinigingen van water en bodem te voorkomen zullen geen zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen gebruikt worden. Veiligheid en waterk eringen Het project is niet van invloed op de waterveiligheid. Afvalwaterk eten en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw verplicht een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering.

Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;

afstromend hemelwater

afvoeren naar AWZI. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

39

Watertoets en watervergunning Het project is in het kader van de watertoets voorgelegd aan het waterschap. Het waterschap heeft bij brief van 17 oktober 2018 (kenmerk 2018090261 / 2018112240) een watervergunning gegeven voor de voornoemde werkzaamheden. Na het verlenen van de vergunning is het inrichtingsplan aangepast, doordat er een extra perceelsontsluiting is toegevoegd. Hiervoor is een nieuwe watervergunning aangevraagd. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.11 Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid vormt een onderdeel van de toetsing die bij ruimtelijke plannen moet worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast moet vanuit het besluit Externe Veiligheid en Inrichtingen afgewogen worden of het aanvaardbaar is om het initiatief in het besluitgebied te realiseren. Beleid en normstelling Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, spoor of water en door buisleidingen. In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. De gemeente heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Vervoer van gevaarlijke stoffen In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen opgenomen. In het Bevt wordt ingegaan op het plaatsgebonden risico, het groepsrisico en de verantwoordingsplicht. In de bijbehorende regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. bijbehorende Regeling Basisnet worden veiligheidszones aangegeven waarbinnen geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd en beperkte kwetsbare objecten slechts onder voorwaarden. Daarnaast worden in de omgeving van deze transportroutes beperkingen opgelegd in

40

verband met de mogelijke effecten van een optredende plasbrand (plasbrandaandachtsgebieden). Ontwikkelingen binnen het plasbrandaandachtsgebied dienen te worden verantwoord. De basisnetten geven tevens informatie over de hoogte van het groepsrisico dat is berekend voor de vastgestelde maximale vervoershoeveelheden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij het verlenen van een nieuwe omgevingsvergunning moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR (zie hieronder) geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties.

Onderzoek Er is een onderzoek uitgevoerd inzake het aspect externe veiligheid ten behoeve van onderhavig project 10. In deze quickscan worden de verschillende risicobronnen beschreven. Uit de inventarisatie en analyse in deze quickscan is gebleken dat er in de omgeving van het besluitgebied verschillende risicobronnen aanwezig zijn. In onderstaande tabel is een overzicht van deze risicobronnen weergegeven.

Tab el: Overzicht risicob ronnen (uit quick scan externe veiligheid AnteaGroep)

In de tabel is per risicobron de afstand tot het besluitgebied, de grootte van het invloedsgebied, de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour en de hoogte van het groepsrisico vermeld. Verder is aangegeven of verantwoording van het groepsrisico verplicht is in het kader van de ruimtelijke procedure.

10

Quickscan externe veiligheid, Parallelweg 2 Schelluinen, AnteaGroep, 11 december 2020, projectnummer 0459089.100.

41

Uit de tabel blijkt dat de uitbreidingslocatie binnen het invloedsgebied van de Betuweroute, de Rijksweg A15, de provinciale weg N216 en het LPG-tankstation aan de Provincialeweg 1 ligt. Er wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico, daarmee zijn er geen harde belemmeringen voor de uitbreiding. De hoogte van het groepsrisico van de verschillende risicobronnen is lager dan de oriëntatiewaarde. Een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico is verplicht ten aanzien van de Betuweroute, Rijksweg A15 en de provinciale weg N216. Hierbij dienen de veplichte elementen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) beschouwd te worden. Het bevoegd gezag (de gemeente Molenlanden) neemt uiteindelijk verantwoording voor het groepsrisico bij het ruimtelijk besluit. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen binnen de aandachtsgebieden aanvullende bouwvoorschriften gaan gelden voor nieuwbouw (conform het Besluit bouwwerken leefomgeving). De afwegingsruimte ligt hierbij primair bij het bevoegd gezag (de gemeente Molenlanden). Verantwoording groepsrisico In hoofdstuk 4 van de quick scan externe veiligheid is een beperkte verantwoording van het groepsrisico opgenomen. In de verantwoording is een algemene beschouwing van de veiligheidssituatie gedaan.

Daarnaast is ingegaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Het plan is voorgelegd bij de Veiligheidsregio voor advies. Advies Veiligheidsregio De Veiligheidsregio Zuid-Holland Zuid heeft een advies uitgebracht ten aanzien van het voorliggende plan. De Veiligheidsregio kan zich vinden in de paragraaf Externe veiligheid) en de rapportage Externe Veiligheid. De veiligheidsregio wijst daarnaast op de volgende aandachtspunten die in orde horen te zijn voor de verlening van de vergunning: De gebouwen dienen voorzien te zijn van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). Na onderzoek blijkt dat de huidige bluswatervoorziening niet voldoende is. Er is één brandkraan aanwezig in de Parallelweg t.h.v. huisnummer 3.

Een geboorde put dient gerealiseerd te worden op de locatie zoals aangegeven op gewaarmerkte plattegrond op pagina 4 van het Inrichting- en beplantingsplan Parallelweg 2Schelluinen (zie bijlage 1). De capaciteit van de geboorde put is minimaal 90 m 3/h. De opstelplaats bij de geboorde put moet voldoen aan paragraaf 4.4.3 van de eerder genoemde en bijgevoegde handreiking (zie bijlage 2). Daarnaast dient de aanleg en het

42

onderhoud te voldoen aan Bijlage 1 Onderhoud bluswatervoorziening en levering van bluswater onderdeel B 1.1.4 Geboorde putten. De uitvoering van de geboorde put dient in overleg met de afdeling Incidentenbestrijding van de veiligheidsregio plaats te vinden, Het aanwezige open water is gezien de slechte staat van het onderhoud van de oeverkanten en het baggerregime niet geschikt als bluswatervoorziening. De bereikbaarheid van het terrein is door de aanwezigheid van de rondweg over het terrein voldoende zolang de rondweg voldoet aan figuur 4.3 uit de handreiking. In de gebouwen zal de handmatig uitschakelbare ventilatie worden gerealiseerd. Daarnaast wordt op de gewenste locatie een geboorde put aangelegd. Deze is tevens opgenomen in het inrichtingsplan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het project aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid voldoet. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het project niet in de weg.

5 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat uitbreiding van het bedrijf aan de Parallelweg 2 in Schelluinen, overeenkomstig de in de vorige paragrafen gegeven omschrijving van het project en het besluitgebied, zowel ruimtelijk als milieuhygiënisch inpasbaar is en geen onaanvaardbare negatieve effecten heeft op de in de omgeving aanwezige waarden en belangen

43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=b8c57503-abf1-42d2-b69e-84c927583f7d