Bijlage 6 – Nota Zienswijzen bestemmingsplan ‘Goudriaan, Noordzijde 48a’
Tekst van het document
88
d.
activiteiten (openbaar toilet, detailhandel, maatschappelijke en educatieve doeleinden en wandelroutes.
concreter vast te leggen in de regels van het ontwerpbestemmingsplan.
Landschappelijke waarden De indiener geeft aan dat de gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ o.a. zijn bestemd voor herstel en ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden, extensieve recreatie (medegebruik) en bedrijfsmatige (horende bij een agrarisch bedrijf) nevenactiviteiten zoals benoemd in het plan. De plannen genoemd in het ontwerp-bestemmingsplan
De indiener geeft correct aan dat conform het vigerende bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 20 februari 2018) de gronden met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ o.a. zijn bestemd voor herstel en ontwikkeling van landschappelijke, cultuurhistorische en natuurwaarden, extensieve recreatie (medegebruik) en nevenactiviteiten behorende bij een agrarisch bedrijf. Dit wil echter niet zeggen dat een (toekomstige) recreatieve ontwikkeling per definitie is uitgesloten.
Daarbij dient opgemerkt te worden dat gedurende de totstandkoming van de Toeristische Agenda Molenlanden (TAM) de recreatieve en maatschappelijke wensen in de gemeente Molenlanden concreter zijn geworden. De gemeente ziet maatschappelijke en educatieve doeleinden, wandelroutes, een openbaar toilet en detailhandel als een waardevolle bijdrage aan het toeristisch, recreatieve concept van het Groene Wout. De kern van de bedrijfsactiviteiten van het Groene Wout blijft echter het aanbieden van recreatieve overnachting. Door toevoeging van deze functies wordt tevens Molenlanden en Goudriaan in het bijzonder meer aantrekkelijk en beleefbaar, zowel voor toeristische bezoekers als eigen inwoners.
De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan een plan wanneer het plan bijdraagt aan het behalen van gemeentelijke en/of regionale doelstellingen, een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit (of daar tenminste geen afbreuk aan doet) en overige belangen
Deze reactie heeft geleid tot drie aanpassingen aan het plan: 1. De voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing (artikel 3.4.1) is aangevuld. 2. Op het noordelijk deel van het plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ opgenomen. 3. Er zijn regels toegevoegd voor dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ ter waarborging van de landschappelijke waarden.
89
betreffen geen nevenactiviteiten het gaat niet om een agrarisch bedrijf en niet en om extensief medegebruik. De indiener is van mening dat een volwaardig recreatiebedrijf een negatieve impact heeft op de landschappelijke waarden van het gebied. De indiener geeft aan dat het college van de gemeente Molenlanden eerst een omgevingskaart moeten opstellen met randvoorwaarden zoals ook aangegeven in de Toeristische agenda Molenlanden.
niet, of in ieder geval niet onevenredig nadelig worden beïnvloed. Voor de gemeente zijn in dit geval het bieden van meer recreatieve voorzieningen en overnachtingsmogelijkheden voor recreanten en toeristen in de gemeente (in aansluiting bij de speerpunten van de Toeristische Agenda Molenlanden) in combinatie met de instandhouding van het groene karakter van het gebied (lees: een goede landschappelijke inpassing) redenen om medewerking te verlenen aan dit plan. Het ontwikkelen van dag- en of verblijfsrecreatie (lees: een volwaardig recreatiebedrijf) hoeft geen druk op de landschappelijke waarden van het gebied te betekenen. In deze ontwikkeling is voldoende aandacht besteed voor de landschappelijk en ecologische natuurwaarden. De gemeente is van mening dat het plangebied op een passende en verantwoorde wijze wordt ingepast. De toeristisch, recreatieve omgevingskaart van Molenlanden is er op dit moment nog niet. Naar alle waarschijnlijkheid wordt dit meegenomen in het traject van de Omgevingsagenda in het kader van de Omgevingswet die naar alle waarschijnlijkheid op 1 januari 2023 inwerking treedt. De toekomstige kaart zal overigens niet per locatie of perceel aangeven wat wel/niet mogelijk is, maar gaat aangeven welke deelgebieden, grondsoorten, landschapstypen geschikt of juist minder geschikt zijn voor een toeristische ontwikkeling.
Ter juridische waarborging van het groene karakter en de instandhouding van de landschappelijke waarden, is
90
ten eerste de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het landschappelijk inpassingsplan juridisch-planologisch gewaarborgd door middel van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan (artikel 3.4.1). Het landschappelijke inpassingsplan is daarmee juridisch afdwingbaar door de gemeente Molenlanden. Ten tweede, is op het noordelijk deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ gelegd. Aan deze dubbelbestemming zijn regels gekoppeld die kamperen en het realiseren van gebouwen op deze gronden verbieden. De gemeente is van mening dat er sprake is van een goede landschappelijke inrichting van het plangebied en dat het plan daarmee geen onevenredige negatieve impact heeft op de landschappelijke waarden van het gebied. e.
Landschappelijk inpassingsplan De indiener is van mening dat de afdwingbaarheid van het landschappelijk inpassingsplan niet houdbaar is, ook al is dit genoemd als voorwaardelijke verplichting. De indiener geeft aan dat het tegenstrijdig is dat in de regels van het bestemmingsplan is opgenomen dat een
Zie d. De aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassing conform het landschappelijk inpassingsplan is juridisch-planologisch gewaarborgd door middel van het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan (artikel 3.4.1). Het landschappelijke inpassingsplan is daarmee juridisch afdwingbaar door de gemeente Molenlanden. Daarbij zijn er geen mogelijkheden voor vergunningsvrije bijgebouwen op het achterste deel van het plangebied . Het plangebied wordt namelijk niet als ‘erf’ op grond van het Besluit omgevingsrecht (Bor) aangemerkt. Er is geen sprake van een erf nu de gronden
Deze reactie heeft geleid tot vier aanpassingen aan het plan: 1. Op het noordelijk deel van het plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ opgenomen. 2. Er zijn regels toegevoegd voor dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ ter waarborging van de landschappelijke waarden. 3. Het dierenverblijf is specifieker vastgelegd
91
erf en terreinafscheiding maximaal 2 meter mogen bedragen en in het landschappelijk inpassingsplan bomenrijen als erfafscheiding zijn getekend. De indiener vreest dat het achterste deel van het plangebied van ongeveer 5.000 m2 zal worden bebouwd met vergunningsvrije bouwwerken. De indiener geeft aan dat het tegenstrijdig is dat in de regels van het bestemmingsplan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is opgenomen voor een gebouw in de vorm van en hooiberg die op het achterste deel van het plangebied kan worden gerealiseerd en in het landschappelijk inpassingsplan geen bebouwing is ingetekend op het achterste deel van het plangebied. De onderzoeken zien ook niet op deze extra mogelijkheden. De indiener geeft aan dat het achterste deel van het plangebied van ongeveer
niet zijn ingericht en worden gebruikt ten behoeve van een woning. Zoals in hoofdstuk 2.2.3 van de toelichting van het bestemmingsplan staat beschreven hechten de initiatiefnemers van het plan veel waarde aan de instandhouding van dit karakteristieke slagenlandschap, het groene karakter van het gebied en de natuurwaarden van het gebied. Het karakteristieke slagenlandschap is één van de ‘unique selling points’ van deze locatie. Los van het feit dat de initiatiefnemers voornemens zijn om het plangebied middels streekeigen beplanting in te passen conform het landschappelijk inpassingsplan, is op grond van de voorwaardelijke verplichting in de regels van het bestemmingsplan (artikel 3.4.1) juridischplanologisch geborgd dat, behoudens de geluidwerende erfafscheiding ten noordoosten van de bestaande groepsaccommodatie en eventueel een open hekwerk b.v. voor de dieren, er geen gebouwde erfafscheidingen (zoals schuttingen) mogen worden geplaatst. Daarbij is op het noordelijk deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap’ gelegd. Aan deze dubbelbestemming zijn regels gekoppeld die kamperen en het realiseren van gebouwen op deze gronden verbieden.
middels het opnemen van de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’; 4. Er is een regel toegevoegd/ gekoppeld aan de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ (artikel 3.2.2.2 lid a).
Het plan is om het dierenverblijf, dat kan worden uitgevoerd in de vorm van een hooiberg, te realiseren op de plaats zoals aangegeven op het landschappelijk inpassingsplan. Om dit juridisch-planologisch te borgen is het dierenverblijf specifieker vastgelegd middels het opnemen van de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ op de verbeelding van het bestemmingsplan. Er is een regel toegevoegd, gekoppeld aan de
92
5.000 m2 kan worden gebruikt voor het plaatsen van kampeermiddelen. De indiener vraagt zich af hoe de initiatiefnemer wordt gehouden aan het landschappelijk inpassingsplan. De indiener geeft aan niet te begrijpen dat de instandhouding van het groene karakter van het gebied een zwaarwegende factor is om mee te werken aan het plan gezien dit plan leidt tot een toenemende druk op het gebied dat afbreuk doet aan het groene karakter. f.
Stiltegebied De indiener verwijst naar artikel 28 in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 25 januari 2010) waarin is aangegeven dat intensieve recreatie niet is toegestaan. De indiener vraagt zich af waarom van deze regel wordt afgeweken.
bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’ (artikel 3.2.2.2 lid a), dat juridisch verankerd dat het dierenverblijf uitsluitend mag worden gebouwd binnen de bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’. Voor de onderzoeken is het landschappelijk inpassingsplan als uitgangspunt genomen. Het ontwikkelen van dag- en of verblijfsrecreatie hoeft geen druk op het groene karakter van het gebied te betekenen. De initiatiefnemers van het plan investeren in het groene karakter van het gebied door het plangebied groen in te richten middels streekeigen beplanting conform het landschappelijk inpassingsplan. Voor de gemeente zijn in dit geval het bieden van meer recreatieve voorzieningen en overnachtingsmogelijkheden voor recreanten en toeristen in de gemeente in combinatie met de investering van de initiatiefnemers (en daarmee de instandhouding van het groene karakter van het gebied redenen om medewerking te verlenen aan dit plan. In het vroegere beleid van de provincie Zuid-Holland omtrent stiltegebieden was vastgelegd dat voor nieuwe ontwikkelingen in een stiltegebied het natuurlijk heersende geluidsniveau van 40 dB(A) structureel niet mag worden aangetast. Uit later onderzoek is echter gebleken dat dit geluidsniveau nergens wordt gehaald in de provincie Zuid-Holland.
Er is derhalve afgestapt van de regeling van 40 dB(A), maar de stiltegebieden zijn wel blijven bestaan met als doel om de zogenoemde relatieve stilte in deze gebieden te behouden door grote lawaaimakers in deze gebieden te weren.
Deze reactie heeft niet geleid tot een aanpassing van het plan.
93
De indiener verwijst naar de zorgplichtbepaling (artikel 3.28) in de Omgevingsverordening Zuid-Holland, waarin staat dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten in een stiltegebied de rust op significante wijze kan worden verstoord, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten, behoudens voor zover dat ingevolge deze verordening uitdrukkelijk is toegestaan, dan wel, indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die verstoring te voorkomen of te beperken.
Het provinciaal beleid (lees: Omgevingsverordening Zuid-Holland) heeft in dit geval voorrang op artikel 28 in het bestemmingsplan Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 25 januari 2010), omdat dit hogere en nieuwe regelgeving betreft. Artikel 28 m.b.t. het stiltegebied is in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ opgenomen op basis van vroeger beleid van de provincie Zuid-Holland. Er wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld dus in principe kunnen daarin opgenomen regels en bestemmingen veranderd worden. Wel dient bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan in overeenstemming te zijn met hogere regelgeving (waaronder de Omgevingsverordening Zuid-Holland). Alleen de regels in hoofdstuk 6 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland richten zich direct tot de gemeente en zijn dus regels waaraan het bestemmingsplan getoetst dient te worden. De provincie Zuid-Holland heeft het plan getoetst aan de regels in hoofdstuk 6 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland en vervolgens aangegeven akkoord te zijn met het plan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door een deskundig onderzoeksbureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsuitstraling op de omgeving en wordt ten noordoosten van de bestaande groepsaccommodatie een geluidswerende erfafscheiding geplaatst. De geluidswerende erfscheiding is ook opgenomen op het landschappelijk inpassingsplan.
Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke ordening (zie ook paragraaf 4.3 bestemmingsplantoelichting).
94
Tot slot, dient opgemerkt te worden dat in dit geval geen sprake is van nieuwvestiging van intensieve recreatie. Het plan voorziet in een uitbreiding van de huidige recreatieve activiteiten (bed & breakfast/ groepsaccommodatie) met vijf verblijfsaccommodaties. De gemeente is van mening dat hiermee sprake is van een passende kleinschalige uitbreiding dat aansluit bij de visie van de gemeente om verblijfrecreatie te vergroten (één van de speerpunten van de Toeristische Agenda Molenlanden). g.
Akoestisch onderzoek De indiener geeft aan dat het akoestisch onderzoek niet representatief is voor de mogelijkheden. De indiener is van mening dat de overige recreatieve activiteiten, verkeersbewegingen, parkeren, geluid als gevolg van onderhoud in combinatie met de verblijfsaccommodaties een grotere impact heeft voor het stiltegebied en omwonenden. De indiener vraagt zich of dat er rekening is gehouden dat het plangebied is gelegen in een polderlandschap waarin geluid ver draagt.
Voor een recreatiebedrijf is het aspect ‘geluid’ maatgevend. Derhalve is in het kader van een goede ruimtelijke ordening door een deskundig onderzoeksbureau een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidsuitstraling op de omgeving.
Deze reactie heeft niet geleid tot een aanpassing van het plan.
De uitgangspunten van het akoestisch onderzoek zijn vooraf vastgesteld met een geluidsdeskundige van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ). De maatgevende geluidbronnen vormen in dit geval de autoverkeersbewegingen op het eigen terrein en het stemgeluid van spelende kinderen en mensen op het terras. De door de indiener genoemde zaken zijn ten dienste van de hoofdactiviteit (verblijfsrecreatie) en/of in de basis niet anders dan wat eenieder op een woonperceel ook mag doen bij de woning. De fietsverhuur en ijs- en snackverkoop in hoofdzaak bedoeld voor de eigen gasten van de verblijfsaccommodaties. Bovendien hoeft het onderhoud van het recreatieterrein niet per sé gepaard te gaan met lawaai makende machines.
95
Het is een misvatting dat geluid in een polderlandschap verder draagt. In een polderlandschap draagt het geluid niet verder dan op een ander vergelijkbaar (bodem) gebied. Het akoestisch onderzoek is beoordeeld en akkoord bevonden door een geluidsdeskundige van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ). Gesteld kan worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat en een goede ruimtelijke ordening. h.
Geluidswand De indiener vraagt zich af waar de geluidswand is geborgd en waarom de geluidswand niet is aangegeven op het landschappelijk inpassingsplan.
De geluidwerende erfafscheiding (lees: geluidswand) ten noordoosten van de bestaande accommodatie is op het landschappelijk inpassingsplan verwerkt. Het gewijzigde landschappelijk inpassingsplan is verwerkt in de toelichting van het bestemmingsplan.
In de regels van het bestemmingsplan (artikel 3.4.2) is een voorwaardelijke verplichting toegevoegd voor de juridische borging van de realisatie en instandhouding De indiener vraagt zich af wat van een geluidwerende erfafscheiding (lees: deze geluidswand en de nog geluidswand). te bouwen bouwwerken voor het geluid op de gevel van de De geluidswand zorgt voor een geluidreductie van woning van de indiener. stemgeluid vanaf het bestaande terras van de groepsaccommodatie naar de omgeving. Het berekeningsmodel van het akoestisch onderzoek laat zien dat een geluidswand zorgt voor voldoende geluidsreductie voor omliggende geluidsgevoelige objecten. Uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en een goede ruimtelijke ordening.
Deze reactie heeft geleid tot twee aanpassingen aan het plan: 1. De geluidwerende erfafscheiding ten noordoosten van de bestaande accommodatie is op het landschappelijk inpassingsplan aangegeven; 2. Er is een voorwaardelijke verplichting toegevoegd voor de juridische borging van de realisatie en instandhouding van een geluidwerende erfafscheiding ten noordoosten van de bestaande groepsaccommodatie.
96
i.
j.
Stikstofdepositieonderzoek De indiener geeft aan dat niet is aangetoond of eventuele stikstofdepositie invloed heeft op het Natura 2000gebied dat op 4,4 km van het plangebied is gelegen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door een deskundig bureau een stikstofdepositieonderzoek (Aerius-berekening) uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Economische uitvoerbaarheid De indiener vraagt zich af of dat er een planschaderisicoanalyse is uitgevoerd of op welke wijze is bepaald dat er geen sprake is van planschade.
De uitbreiding van de recreatievoorziening vindt op geruime afstand plaats van omliggende woningen. Gezien de grote afstand tussen de woning van de indiener en in de huidige situatie al sprake is van een recreatieve voorziening is de gemeente van mening dat er geen sprake is van planschade.
De indiener geeft aan dat de economische uitvoerbaarheid onvoldoende is aangetoond. De indiener verwijst naar het beleid van de gemeente Molenlanden dat men inzet op een volledig mogelijk kostenverhaal.
Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats Binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage van de toelichting.
Deze reactie heeft geleid tot één aanpassing aan het plan: 1. De resultaten van het stikstofdepositieonderzoek (Aerius-berekening) zijn verwerkt in hoofdstuk 4.8 Ecologie.
Deze reactie heeft niet geleid tot een aanpassing van het plan.
Indien de indiener van mening is dat men benadeeld wordt door het plan, staat vrij een verzoek tot tegemoetkoming van deze planschade in te dienen bij de gemeente. De initiatiefnemers van het plan hebben de gemeente inzichtelijk gemaakt dat de economische uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd. Om economische redenen zal het plan gefaseerd tot uitvoering worden gebracht. In verband met de bescherming van de privacy van de initiatiefnemers wordt informatie niet openbaar bekend gemaakt. De gemeenteraad en het college worden vertrouwelijk worden hier vertrouwelijk van in kennis gesteld.
97
k.
Ladder voor duurzame verstedelijking De indiener geeft aan dat uit de toelichting van het bestemmingsplan niets blijkt over de regionale behoefte. De indiener verwijst naar de Toeristische Agenda Molenlanden (TAM) waarin wordt uitgegaan van een gewenste groei van 30% naar 2025. De indiener geeft aan dat met o.a. Vakantiepark Molenwaard al ruim wordt voorzien in de ambitie van de gemeente. De indiener geeft aan dat het bij de Ladder voor duurzame verstedelijking niet gaat om een bedrijfsverplaatsing. De indiener is van mening dat het bestaande bedrijf met de bestaande regels kan blijven functioneren.
Zoals in hoofdstuk 3.1.3 van de toelichting staat beschreven, is de doelstelling van de gemeente Molenlanden om de verblijfsrecreatie te laten groeien gebaseerd op de verwachte landelijke groei van het toerisme: kwantitatief. Daarbij is er in de TAM veel aandacht voor de kwaliteit en diversiteit in het aanbod verblijfsrecreatie door o.a. te kijken de gewenste doelgroepen (leefstijlen).
Deze reactie heeft niet geleid tot een aanpassing van het plan.
De gemeentelijke ambitie om de sector Verblijfsrecreatie te laten groeien met 30% gaat over het aantal slaapplaatsen, niet over het aantal overnachtingen. In de Toeristische Agenda Molenlanden is uitgegaan van 14001500 slaapplaatsen. Vakantiepark Molenwaard is hierin al meegenomen. Een groei van 30% betekent een groei van ongeveer 450 slaapplaatsen. Vakantiepark Molenwaard groeit in 2022, maar hiermee is de geambieerde 30% nog niet bereikt. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het genoemde groeicijfer van 30% een ambitie is en kan niet worden gezien als bovengrens/maximum. Het betekent dus niet dat als de groei van 450 slaapplaatsen bereikt is er dan geen nieuwe ontwikkelingen meer mogelijk zouden zijn. Er is in de gemeente Molenlanden / regio Alblasserwaard behoefte aan meer toeristische overnachtingsmogelijkheden. Bedrijven waarbij verblijfsrecreatie de hoofdfunctie is, zijn zeer beperkt te vinden. Het huidige aanbod is qua omvang gering, vooral kleinschalig en mag (vanuit de toerist bekeken) ook diverser en gericht op meer comfort en een langer seizoen. Daarbij geldt dat het puur gericht moet zijn op de toeristische verhuur en dus geen oneigenlijk gebruik mag uitlokken of veroorzaken. Kansrijk zijn accommodaties zoals een
98