Bijlage 4 - Bijlagen toelichting bestemmingsplan Groot-Ammers, Wilgenweg 3
Tekst van het document
VAN DEN HEUVEL BV T.a.v. Dhr. R. de Groot Lekdijk 44 2967 GB Langerak
Datum
2 april 2019
Kenmerk
BE/2019/161/r
Uw kenmerk
Email d.d. 12 maart 2019
Auteur(s)
S. Schuuring
Collegiale toets
T.W.D. Schrader
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Wilgenweg 3 te Groot-Ammers Aan de Wilgenweg 3 te Groot-Ammers is de Avonturenboerderij Molenwaard gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens het attractiepark uit te breiden met twee gebouwen en een parkeerplaats. Het bestemmingsplan voorziet niet in de aanleg van een parkeerplaats en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Van Den Heuvel B.V. begeleidt de ruimtelijke ontwikkeling en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna.
Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Wilgenweg te Groot-Ammers. De planlocatie bestaat uit een klein attractiepark met schuren, stallen, grasvelden, weilanden, wandelpaden, bomen, struiken en watergangen. In bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een agrarische omgeving met weilanden, kavel- en afwateringssloten en bosschages. 1 km ten noordwesten van de planlocatie ligt de rivier de Lek en ca. 10 km te oosten ligt de snelweg A27.
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Wilgenweg 3 te Groot-Ammers. De gearceerde delen betreffen de locaties waar de ontwikkelingen plaats gaan vinden. Aan de westzijde worden op de plaats van het huidige parkeerterrein een knutselschuur en horeca- en theatergelegenheid gerealiseerd, aan de oostzijde wordt een parkeerterrein gerealiseerd (bron: arcgis.com).
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingrepen betreffen de realisatie van een knutselschuur, horeca- en theatergelegenheid en parkeerplaats. Het vigerende bestemmingsplan voorziet niet in de realisatie van de parkeerplaats en dient te worden gewijzigd. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • •
verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straaten hoveniers)werkzaamheden;
Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).
2
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 20 maart 2019. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; regenachtig, 8/8 bewolkt, 9 Celsius en windkracht 2-3 (Bft.). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe.
In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:
3
Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ree
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Vos Wezel Woelrat
Dwergspitsmuis
Konijn
Egel
Meerkikker
Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘andere soorten’) geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie zijn geen waarnemingen bekend van beschermde planten (NDFF, 2009-2019). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: raaigras, paarse dovenetel, riet en zwarte els. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De beoogde ontwikkelingen leiden niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, mol en woelrat (NDFF, 2009-2019). Voor al deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn hazen gezien en zijn sporen van woelmuizen aangetroffen binnen het plangebied. Door de hoge mate van verstoring binnen het plangebied en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de vorm van lijnvormige structuren in het landschap nabij d planlocatie is het uitgesloten dat soorten van de habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, haas, mol en veldmuis.
Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten.
4
Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF, 2009-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. Binnen de beoogde ontwikkeling vinden er geen werkzaamheden plaats aan de aanwezige bebouwing en worden ook geen bomen gekapt. Aantasting van vaste rust- en of verblijfplaatsen zijn uitgesloten. Het is mogelijk dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen worden deze niet aangetast. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort.
Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Binnen het plangebied zijn diverse sloten en een vijver aanwezig. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de bruine kikker, gewone pad en meerkikker (NDFF, 2009-2019). Voor al deze soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen waarnemingen van reptielen bekend (NDFF, 2009-2019).
Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Er zijn geen werkzaamheden in de watergang of aan de waterkant beoogd. Er is geen sprake van afname van functioneel leefgebied. Mogelijk bestaat er een kleine kans dat er geluids- en/of trillingseffecten optreden gedurende de werkzaamheden. Deze effecten kunnen bijvoorbeeld optreden bij eventuele heiwerkzaamheden en zijn over het algemeen van relatief korte duur. Tijdens deze werkzaamheden kunnen aanwezige vissen zich tijdelijk ophouden buiten de verstoringszone, waar ruim voldoende kwalitatief gelijkwaardig habitat aanwezig is. Gedurende de overige werkzaamheden worden er geen effecten verwacht. Effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten.
5
Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van de platte schijfhoren. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: houtduif, huismus, kievit, meerkoet, nijlgans, ooievaar, wilde eend en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer, ransuil en torenvalk kan uitgesloten worden. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig.
De huismus is sterk verbonden met de mens en nestelt graag op beschutte plekken onder daken (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken. Daarentegen zijn gierzwaluwen vrij zeldzaam in landelijk gebied. Tijdens het veldbezoek zijn huismussen waargenomen bij de bebouwing. Mogelijk zijn hier nestlocaties aanwezig. Echter vinden er geen werkzaamheden plaats aan de bebouwing. Van aantasting van nestlocaties van de huismus of gierzwaluw is derhalve geen sprake. Binnen het plangebied komen meerdere hagen, bomen en struiken voor, waardoor er functioneel leefgebied is van de huismus. Deze blijft in de huidige staat behouden. Er is derhalve geen sprake van aantasting van het functioneel leefgebied van de huismus. In het plangebied zijn in totaal 12 palen aangebracht ten behoeve van nestlocaties van ooievaars (figuur 2). Hiervan bleek tijdens het veldbezoek minstens de helft in gebruik te zijn door ooievaars. Het foerageergebied van de ooievaar bestaat uit weilanden in veenweidegebieden en uiterwaarden waar zij jagen op onder andere kikkers, muizen en mollen (Vogelbescherming ooievaar).
Door de beoogde ontwikkelingen wordt een klein deel van het foerageergebied van de ooievaar onbruikbaar gemaakt. Echter zijn er in de directe omgeving veel vergelijkbare gebieden aanwezig, welke makkelijk bereikbaar zijn voor de ooievaar. Er vind derhalve geen significante afname van functioneel leefgebied plaats. Om verstoring van de ooievaars op de nesten te voorkomen dienen de werkzaamheden plaats te vinden buiten het broedseizoen van de ooievaar, wanneer de meeste ooievaars niet in Nederland zijn (d.w.z. periode oktober – maart).
6
Figuur 2
Binnen het plangebied zijn meerdere ooievaarsnesten aanwezig, waarvan minstens de helft in gebruik
Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 4,5 km ligt het Natura 2000-gebied Uiterwaarden van de Lek (figuur 3). De planlocatie ligt op een afstand van circa 800 m ten windrichting van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 4), op 300 m van een belangrijk weidevogelgebied en 8,8 km van een strategische reservering natuur (figuur 5 & 6).
Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig.
7
8
Figuur 3
De planlocatie ligt op een afstand van 4,5 km tot het Natura 2000-gebied Uiterwaarden van de Lek en 5,9 km van de Donkse Laagten (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 800 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: Provincie Zuid-Holland: pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 300 m tot een belangrijk weidevogelgebied (bron: Provincie Zuid-Holland: pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 8,8 km tot een strategische reservering natuur (bron: Provincie Zuid-Holland: pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).
De beoogde ontwikkeling betreft de toevoeging van twee gebouwen en een parkeerplaats. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en beperkte toename in stikstofdepositie (projecteffect). In de toekomst zal sprake zijn van een lichte toename in stikstofuitstoot. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat het projecteffect van stikstofdepositie, bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats, onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare blijft. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunningsplichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitats.
Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door het bevoegd gezag wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren.
9
Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunningplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Er zijn geen kapwerkzaamheden gepland in de beoogde ontwikkelingen. Een kapmelding of vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming is niet van toepassing.
Conclusies Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Het plangebied heeft een essentiële functie als broedgebied van ooievaars. Deze wordt door de beoogde ontwikkelingen niet aangetast. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
10
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort -
-
-
+/-
-
+/-
n
n
n
+
+
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat andere soort
+/-
+
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek/ Aerius
Natura 2000
4,5 km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
800 m
geen
n.v.t.
Belangrijk weidevogelgebied
300 m
geen
n.v.t.
Strategische reservering natuur
8,8 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding / vergunning
Struiken
ja
nee
n.v.t.
Bomen
ja
nee
n.v.t.
n
-
broedvogels (j)
vissen
reptielen
amfibieën
vleermuizen
zoogdieren
- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)
vaatplanten
Legenda
broedvogels (a)
Tabel 2 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.
Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van ooievaars, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Conclusie De beoogde realisatie van schuur, theater- en horeca gebouw en parkeerplaats aan de Wilgenweg 3 te Groot-Ammers leidt, mits wordt gewerkt buiten het broedseizoen van de ooievaar en enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet Natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen aan de Wilgenweg 3 te Groot-Ammers uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).
11
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van de ooievaar (indicatief maart t/m oktober). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5 e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
12
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff-ecogrid.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vogelbescherming.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.
Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. S. Schuuring
Bijlage 1 Fotografische impressie
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
13
Bijlage 1
Figuur 1
Fotografische impressie
De planlocatie is gelegen aan de Wilgenweg 3 te Groot-Ammers en bestaat uit een attractiepark en naastgelegen weilanden.
Figuur 2
14
De beoogde parkeerplaats aan de oostzijde van het attractiepark is deels verhard.
Figuur 3
De beoogde locatie voor de parkeerplaats aan de oostzijde van het plangebied.
Figuur 4
Binnen het plangebied is een vijver van een voormalige eendenkooi aanwezig. Deze wordt gebruikt als broed-, foerageer-, en rustgebied van diverse watervogels. Er zijn geen werkzaamheden beoogd aan deze vijver.
15
1 1.
INLEIDING EN DOELSTELLING In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer BV is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op een deel van het huidige parkeerterrein van Avonturenpark Molenwaard aan de Wilgenweg 3 te Groot-Ammers. Het perceel, waarop het onderzoek is uitgevoerd, is kadastraal bekend gemeente Groot-Ammers, sectie E, nummer 967. Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het onderzoeksterrein verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen bij de voorgenomen uitbreidingsplannen van het Avonturenpark Molenwaard. Onder andere wordt op het onderzochte terreindeel een knutselschuur en een theater gebouwd. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de terreinsituatie van de onderzoekslocatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgevoerde werkzaamheden. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten van het onderzoek weer. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. NB: Bakker Milieuadviezen heeft het bodemonderzoek uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000 conform de onderliggende protocollen 2001 en 2002. Middels ondertekening van onderhavig rapport wordt verklaard dat er geen sprake is van eigendom van het te onderzoeken onroerend goed en tevens dat het bodemonderzoek onpartijdig en onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd.
De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door O. Bakker.
2.
ACHTERGRONDINFORMATIE.
2.1
Terreinsituatie. De onderzoekslocatie is gelegen ten zuiden van de Wilgenweg. De plaats van de locatie ten opzichte van de omgeving is op bijlage 1 weergegeven. De oppervlakte van het onderzochte terreindeel is circa 60 * 50 m, ofwel circa 3000 m2. Voor historische informatie zijn de opdrachtgever, medewerkers van het Avonturenpark, de websites `TOPO-tijdreis' en Bodemloket.nl en het eigen bodemonderzoeksarhief geraadpleegd. Terreinbeschrijving. Het terrein is bereikbaar via een oprit met slagboom vanaf de Wilgenweg. Het noordelijk terreindeel betreft een met klinkers bestraat parkeerterrein en het zuidelijke terreindeel is eveneens parkeerterrein en is verhard met gecertificeerd gebroken puin. Bij de terreininspectie zijn geen waarnemingen gedaan die zouden kunnen wijzen op een bodemverontreiniging (geen morsvlekken, brandplekken, verzakkingen of zwerfasbest e.d). Huidig gebruik. Parkeerterrein. Voormalig gebruik. Op TOPO-tijdreis is te zien dat het terrein tot enkele jaren geleden altijd grasland is geweest. Op het terrein is nooit sprake geweest van een boomgaard of kassen. Hiermee is de bodem niet verdacht op OCB.
V.O. Wilgenweg 3, Groot-Ammers
Bakker Milieuadviezen
2 Calamiteiten. Geen gegevens van bekend. Ophogingen/dempingen/stort. Een groot deel van het parkeerterrein is enkele jaren geleden opgehoogd en/of verhard met gecertificeerd gebroken puin (geleverd door Korevaar Langerak). Uit het onderzoek is verder gebleken dat onder het bestrate deel van het parkeerterrein tenminste 1 m zand is aangebracht. Boven- en ondergrondse tanks. Op het terrein is nooit sprake geweest van boven- of ondergrondse olie-opslag. Omgeving. Ten westen bevindt zich grasland, ten oosten en ten zuiden bevindt zich het terrein van Avonturenpark Molenwaard. NB: voorheen was de naam van het recreatieve oord het `Ooievaarsdorp'. Bodemonderzoeken locatie en omgeving. Op Bodemloket.nl is te zien dat Inpijn-Blokpoel in 2002 een onderzoek heeft uitgevoerd op een klein deel van het terrein Wilgenweg 3. Op deze site heeft dit perceelsdeel de kleurcode paars, hetgeen betekent dat de bodem schoon danwel maximaal licht verontreinigd was. Hypothese. Op grond van de verkregen informatie is in dit onderzoek qua onderzoeksinspanning (aantal boringen en analyses) uitgegaan van een onverdachte locatie. Aandachtspunt PFOA.
In juni 2018 heeft de Omgevingsdienst ZHZ middels een nieuwe handreiking vereist dat de bodem binnen een bepaalde zone (zones 2 en 3) in hoofdzakelijk de Alblasserwaard extra onderzocht moet worden op de stof Perfluoroctaanzuur (afgekort PFOA) en soortgelijke stoffen. Deze stof is decennialang uitgestoten door de firma Dupont (tegenwoordig Chemours) te Dordrecht. Onderhavige locatie ligt binnen zone 2 en om deze reden zijn PFOA e.e. dan ook onderzocht. 2.2
Bodemopbouw en geohydrologische situatie. Informatie over de bovenste 1.20 meter van de ongeroerde bodem ter plaatse is verkregen via de geologische kaart van Nederland. Het bodemtype valt onder de zogenoemde poldervaaggronden, welke worden gekarakteriseerd door humeuze klei op een venige of moerige ondergrond. De grondwaterstromingsrichting wordt hier met name bepaald door de drainerende en/of stuwende werking van direct aangrenzende sloten. Daarmee is de stromingrichting niet eenduidig.
V.O. Wilgenweg 3, Groot-Ammers
Bakker Milieuadviezen
3 3.
ONDERZOEKSOPZET.
3.1
Algemeen. Het onderzoek is opgezet volgens de NEN 5740+A1, paragraaf 5.1, "Onderzoeksstrategie voor verkennend onderzoek" (Nederlands Normalisatie-Instituut, april 2016). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de BRL SIKB 2000 en de onderliggende protocollen VKB 2001 en 2002.
3.2
Veldwerkzaamheden. Op 10 april 2019 zijn op de onderzoekslocatie de veldwerkzaamheden verricht. Voor het boren is een Edelmanboor gebruikt. De locaties van de boringen en de peilbuis zijn weergegeven in bijlage 2. Er zijn 13 boringen verricht. Boring 1 is uitgevoerd tot 2 m-mv en voorzien van een peilbuis. De boringen 6 en 12 zijn 1.6 m diep en de overige boringen zijn uitgevoerd tot 0.5 a 1 m-mv. De uitkomende grond is zintuiglijk onderzocht op de aanwezigheid van eventuele verontreinigingen en beschreven. De beschrijvingen van de boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 3.
3.3
Laboratoriumonderzoek De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd in het geaccrediteerde laboratorium AL-west. Grond. Van de grondmonsters zijn 3 mengmonsters samengesteld. De samenstelling ervan, het betreffende terreindeel en de bijbehorende resultaten staan beschreven in paragraaf 4.2. De 3 mengmonsters zijn geanalyseerd op het standaard analysepakket (NEN 5740) voor grondmonsters. Dit pakket omvat de volgende parameters: Zware metalen: Barium, Cobalt, Molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel en zink. De meeste metalen komen van nature reeds in lage concentraties in de bodem voor en worden daarbij niet aangemerkt als een verontreiniging. Verontreinigingen met zware metalen kunnen onder andere worden aangetroffen op terreinen van bedrijven waar met metaaloplossingen (bijv. galvanische bedrijven) en metaalpigmenten (keramische industrie) wordt gewerkt en voorts op stookplaatsen, in sintelverhardingen en in combinatie met puin in de bodem. In stedelijke gebieden blijkt vaak sprake van een diffuse (niet zeer sterke maar over een groot gebied verspreide) verontreiniging met zware metalen, voornamelijk lood en in mindere mate koper en zink; Polychloorbifenylen (PCB). Minerale olie. Minerale olie is een verzamelnaam voor de verschillende soorten aardolieprodukten zoals benzine, gasolie en petroleum.
Minerale olie kan als verontreiniging worden aangetroffen bij tankstations, ondergrondse opslagtanks e.d.; Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Polycyclische aromatische koolwaterstoffen is een verzamelnaam voor teerachtige produkten welke bestaan uit twee of meer aromatische ringen. Verontreinigingen met polycyclische aromaten kunnen worden aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen, bij asfaltmolens, op stookplaatsen, in combinatie met verontreinigingen met aardolieprodukten en bij aanwezigheid van kooldeeltjes, sintels en asfalt in de grond. Diffuse verontreinigingen met polycyclische aromaten tengevolge van depositie vanuit de lucht komen eveneens voor. Voor onderzoek naar bodemverontreiniging met polycyclische aromaten worden bepaalde stoffen geanalyseerd. De zogenaamd VROM-reeks welke is opgenomen in het toetsingskader uit de Leidraad Bodembescherming omvat 10 stoffen (10 PAK van VROM).
V.O. Wilgenweg 3, Groot-Ammers
Bakker Milieuadviezen
4 Grondwater. Het grondwater is geanalyseerd op het standaardpakket voor grondwater. Dit pakket bestaat uit de volgende parameters: benzeen, tolueen, ethylbenzeen,xyleen, naftaleen en styreen; vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (13); cobalt, barium, molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink; minerale olie; tribroommethaan en dichloorpropanen(1,1-1,2-1,3).
V.O. Wilgenweg 3, Groot-Ammers
Bakker Milieuadviezen
5 4.
ONDERZOEKSRESULTATEN
4.1
Bodemopbouw en veldwaarnemingen. Uit de boorbeschrijvingen (bijlage 3) blijkt dat de bodem onder de bestrating bestaat uit opgebracht zand (geen originele bodem) tot 1 a 1.3 m-mv. Daaronder bevindt zich de oorspronkelijke bodem. Op het zuidelijke deel van het onderzoeksterrein bevindt zich een laag van 40 cm gebroken gecertificeerd puin en daaronder matig tot sterk humeuze klei en vervolgens veen. De opgeboorde grond bevatte geen bijmengingen. Er was daarom geen aanleiding voor asbestonderzoek in de grond. Op de datum van grondwatermonstername (25 april 2019) werd grondwater op 0.55 m-mv aangetroffen. De overige veldwaarnemingen staan in bijlage 3.
4.2
Analyseresultaten De analyserapporten zijn opgenomen als bijlage 4. Voor de beoordeling van de analyseresultaten wordt gebruik gemaakt van onderstaande normen: Achtergrondwaarde AW 2000 (streefwaarden voor water). Deze waarde geeft het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Dit komt overeen met het niveau waarbij de functionele eigenschappen, die de bodem voor mens, dier en plant heeft, zijn veiliggesteld. Interventiewaarde: Deze waarde geeft het verontreinigingsniveau aan waarboven sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierbij is sprake van een zodanige bodemverontreiniging, dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant kunnen verminderen. De interventiewaarden zijn gebaseerd op een uitgebreide studie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), naar zowel de humaan- als ecotoxicologische effecten van bodemverontreinigende stoffen. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging indien in meer dan 25 m3 grond of in meer dan 100 m3 grondwater sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde door een of meer parameters. Tussenwaarde: Voor de waarde voor nader onderzoek, de tussenwaarde genaamd, wordt het gemiddelde van de AW 2000 en de interventiewaarde gehanteerd.
De genoemde waarden zijn voor een aantal stoffen afhankelijk gesteld van de percentages lutum en organische stof van de grond. De berekening van deze waarden voor de bepaalde of geschatte percentages is opgenomen in bijlage 5.
V.O. Wilgenweg 3, Groot-Ammers
Bakker Milieuadviezen
6 In het hierna volgende overzicht staan per geanalyseerd monster de overschrijdingen van de toetsingswaarden als volgt weergegeven: > AW >T >I
overschrijding achtergrondwaarde AW 2000 (lichte verontreiniging); overschrijding tussenwaarde (matige verontreiniging); overschrijding interventiewaarde (ernstige verontreiniging).
Grond. Mengmonster
Bodemlaag
Gehalte > AW
Gehalte > T
Gehalte > I
1+4+5+6
bovengrond onder puingranulaat zuidelijk terreindeel
nikkel
-
-
2+3+7 t/m 12
zand onder bestrating en puingranulaat
-
-
-
1.3+6.2+12.3
ondergrond veen
kobalt,nikkel
-
-
Grondwater In het grondwater is onderstaande overschrijding aangetroffen. Parameter
Gehalte in ug/l
Barium
400
**
streefwaarde
Tussenwaarde
50
340
Interventiewaarde 625
Onderzoek PFOA. Naast de individuele monsters voor het reguliere onderzoek is van zowel de kleiige bovengrond (sinds kort onder gebroken puin) als de venige ondergrond monstermateriaal verzameld ten behoeve van analyses op PFOA. De monsters hiervoor zijn in daarvoor geschikte plastic monsterpotten gedaan. In het analytisch onderzoek zijn onderstaande PFOA-gehalten bepaald: bovengrond: PFOA 10 ug/kgds ondergrond: PFOA 4.1 ug/kgds NB: PFOS respectievelijk 1.3 en 0.7 ug/kgds
V.O. Wilgenweg 3, Groot-Ammers
Bakker Milieuadviezen
7 5.
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.
Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: -
In de zintuiglijk schone bovengrond onder het gecertifceerde gebroken puin op het zuidelijke terreindeel is alleen nikkel in lichte mate boven de AW 2000 aangetroffen;
-
Het opgebrachte ophoogzand onder de bestrating op het voorterrein is geheel schoon voor alle parameters uit het standaardpakket;
-
De venige ondergrond bevat licht verhoogde gehalten aan kobalt en nikkel. Uit eigen archief is inmiddels gebleken dat specifiek deze metalen vaak in lutumarme venige bodems verhoogd worden aangetroffen. Deze verhogingen hebben geen consequenties;
-
In de bovengrond is een PFOA-gehalte bepaald van 10 ug/kgds en in de ondergrond is dit 4.1 ug/kgds. Deze gehalten passen binnen de range van 2.5 tot 10 ug/kgds in zone 2, zoals vastgesteld door de OZHZ;
-
In het grondwater is barium matig verhoogd aangetroffen. Barium komt bijna standaard in gehalten boven de streefwaarde voor en soms (zoals in dit geval) wordt ook de tussenwaarde overschreden zonder aanwijsbaar oorzakelijk verband. Vanwege het ontbreken van een oorzakelijk verband is er dan ook geen reden voor een herbemonstering. Het verhoogde bariumgehalte veroorzaakt geen enkel risico.
Op grond van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen uitbreidingsplannen.
V.O. Wilgenweg 3, Groot-Ammers
Bakker Milieuadviezen
Omgevingskaart
Klantreferentie: wilgen3b
0m
125 m
625 m
Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich Kadastraal object Groot-Ammers E 967 Wilgenweg 3b, 2964AM Groot-Ammers CC-BY Kadaster.
Schaal 1: 12500
Uittreksel Kadastrale Kaart
Uw referentie: wilgen3b
905
eg en w Wi l g
114
eg en w Wi l g
3
967
3b
1208
191 1207
1206 0m
12345 25
Deze kaart is noordgericht Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens Bebouwing Overige topografie
Geleverd op 9 april 2019
20 m
100 m
Schaal 1:2000 Kadastrale gemeente Sectie Perceel
Groot-Ammers E 967
Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.
Bijlage 3
Boorstaten
Boring:
1
Boring:
GWS: Opmerking:
55 pH 7,1 Ec 132 mS/m 33 NTU
GWS: Opmerking:
0
0
Klei, zwak siltig, matig humeus, donkerbruin
1 -50
50
-80
100
Zand, matig grof, zwak siltig, lichtgrijs
2
0
0
puin -35
50
2 -80
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs
Klei, zwak siltig, blauwgrijs 1,2 -150
150
Veen, mineraalarm, donkerbruin 1,3 -200
200
Boring:
3
Boring:
GWS: Opmerking:
4
GWS: Opmerking:
0
0
puin
0
0
puin
-35
50
3 -80
Boring:
-40
Zand, matig fijn, zwak siltig, lichtgrijs
50
Klei, zwak siltig, matig humeus, grijsbruin
4 -90
5
Boring:
GWS: Opmerking:
6
GWS: Opmerking:
0
0
puin
0
0
puin
-40
50
-40
Klei, zwak siltig, matig humeus, grijsbruin
5
50
Klei, zwak siltig, matig humeus, grijsbruin
6
-90
-90
100 150
Veen, mineraalarm, donkerbruin
6,2 9,3 -170
Projectcode: 2563
Wilgenweg 3 Groot-Ammers
Bijlage 3
Boorstaten
Boring:
7
Boring:
GWS: Opmerking:
GWS: Opmerking:
0 -8
0
klinker Zand, matig grof, zwak siltig, licht bruingrijs
7 50
-60
Boring:
8
9
-60
10
GWS: Opmerking:
0 -8
0
klinker Zand, matig grof, zwak siltig, lichtbruin
9 50
-60
0 -8
0
11
Boring:
GWS: Opmerking:
klinker Zand, matig grof, zwak siltig, licht bruingrijs
10 50 -100
100
Boring:
tegel Zand, matig grof, zwak siltig, lichtbruin
8 50
Boring:
GWS: Opmerking:
0 -5
0
12
GWS: Opmerking:
0 -8
0
Zand, matig grof, zwak siltig, lichtgrijs
11 50
klinker
-60
0 -8
0
klinker Zand, matig grof, zwak siltig, licht bruingrijs
12 50 12,2 100 -130
150
Projectcode: 2563
Wilgenweg 3 Groot-Ammers
12,3
-160
Veen, mineraalarm, donkerbruin
Bijlage 4 Analyserapporten
AL-West B.V. - AL-West B.V. Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Toetsingsinstellingen Versie Toetsingsmethode
2.0.0 Beoordeling kwaliteit van grond volgens Wbb [T.12]
De toetsing is uitgevoerd volgens de vigerende wetgeving waarbij gebruik gemaakt is van de BOTOVA webservice (zie https://www.BOTOVA-service.nl/) Opdracht Opdrachtnummer Laboratorium Matrix Project Datum binnenkomst Rapportagedatum CRM
845564 AL-West B.V. Vaste stoffen 2563 Wilgenweg 3 GA 11.04.2019 17.04.2019 Dhr. Henk Berenpas
AL-West B.V. - AL-West B.V. Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Monster Analysenummer Monsteromschrijving Datum monstername Monstersoort Versie
177210 MIX: 1 4 5 6 10.04.2019 Bodem / Eluaat 1
Gehanteerde waarden voor dit monster Humus (%) Lutum (%)
11,1 27
Resultaat voor dit monster Toetsingsresultaat
Parameter IJzer (Fe2O3) Fractie < 2 µm Cadmium (Cd) Kwik (Hg) Barium (Ba) Kobalt (Co) Zink (Zn) Nikkel (Ni) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Indeno-(1,2,3c,d)pyreen Chryseen Fenanthreen Benzo(a)anthraceen Benzo(k)fluorantheen Benzo(ghi)peryleen Anthraceen Benzo-(a)-Pyreen Fluorantheen Naftaleen Koolwaterstoffractie C10-C40 Koolwaterstoffractie C10-C12 Koolwaterstoffractie C12-C16 Koolwaterstoffractie C16-C20 Koolwaterstoffractie C20-C24 Koolwaterstoffractie C24-C28 Koolwaterstoffractie C28-C32 Koolwaterstoffractie C32-C36 Koolwaterstoffractie C36-C40 PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180 som 7 polychloorbifenylen PCB28, 52, 101, 118, 138, 153, 180 som 10 polyaromatische koolwaterstoffen (VROM)
Gemeten waarde Gemeten waarde
Voldoet aan Achtergrondwaarde
Resultaat
Eenheid
Resultaat BOTOVA(G_standaard) eenheid 3,5 % 27 % 0,32 mg/kg 0,097 mg/kg 244 mg/kg 12,2 mg/kg 94,8 mg/kg 41,6 mg/kg 1,05 mg/kg 42,5 mg/kg 26,6 mg/kg 0,032 mg/kg
Toetsing
IRW
<5 27 0,34 0,1 260 13 100 44 < 1,5 44 28 < 0,05
% Ds % Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
< 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 0,13 < 0,05 < 35
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
0,032 0,032 0,032 0,032 0,032 0,032 0,032 0,12 0,032 22,1
mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg
<3
mg/kg Ds
1,89
mg/kg
N
<3
mg/kg Ds
1,89
mg/kg
N
<4
mg/kg Ds
2,52
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
3,15
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
3,15
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
3,15
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
3,15
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
3,15
mg/kg
N
< 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
0,63 0,63 0,63 0,63 0,63 0,63 0,63 4,41
ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg
0,4
mg/kg
<= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde
N N N N N N N N N N N N
AW
I
T-index
Toets oordeel
0,6 0,15
13 36
-1 -1
<= AW <= AW
15 140 35 1,5 50 40
190 720 100 190 530 190
-1 -1 0,1 -1 -1 -1
<= AW <= AW > AW en <= T <= AW <= AW <= AW
190
5000
-1
<= AW
<= Achtergrondwaarde
N N N N N N N N
20
1000
-1
<= AW
<= Achtergrondwaarde
N
1,5
40
-1
<= AW
<= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde Industrie <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde
<= Achtergrondwaarde
N N N N N N N N N N
AL-West B.V. - AL-West B.V. Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Monster Analysenummer Monsteromschrijving Datum monstername Monstersoort Versie
177211 MIX: 2 3 7 8 9 10 11 12 10.04.2019 Bodem / Eluaat 1
Gehanteerde waarden voor dit monster Humus (%) Lutum (%)
2 2
Resultaat voor dit monster Toetsingsresultaat
Parameter Cadmium (Cd) Kwik (Hg) Barium (Ba) Kobalt (Co) Zink (Zn) Nikkel (Ni) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Indeno-(1,2,3c,d)pyreen Chryseen Fenanthreen Benzo(a)anthraceen Benzo(k)fluorantheen Benzo(ghi)peryleen Anthraceen Benzo-(a)-Pyreen Fluorantheen Naftaleen Koolwaterstoffractie C10-C40 Koolwaterstoffractie C10-C12 Koolwaterstoffractie C12-C16 Koolwaterstoffractie C16-C20 Koolwaterstoffractie C20-C24 Koolwaterstoffractie C24-C28 Koolwaterstoffractie C28-C32 Koolwaterstoffractie C32-C36 Koolwaterstoffractie C36-C40 PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180 som 7 polychloorbifenylen PCB28, 52, 101, 118, 138, 153, 180 som 10 polyaromatische koolwaterstoffen (VROM)
Tabelinformatie Toetsing BOTOVA
Ingevoerde waarde Ingevoerde waarde
Voldoet aan Achtergrondwaarde
Resultaat
Eenheid
Resultaat BOTOVA(G_standaard) eenheid 0,24 mg/kg 0,05 mg/kg 54,2 mg/kg 7,38 mg/kg 47,5 mg/kg 12,2 mg/kg 1,05 mg/kg 11 mg/kg 7,24 mg/kg 0,035 mg/kg
Toetsing
AW
I
T-index
Toets oordeel
N N N N N N N N N N
0,6 0,15
13 36
-1 -1
<= AW <= AW
15 140 35 1,5 50 40
190 720 100 190 530 190
-1 -1 -1 -1 -1 -1
<= AW <= AW <= AW <= AW <= AW <= AW
190
5000
-1
<= AW
< 0,2 < 0,05 < 20 <3 20 4,2 < 1,5 < 10 <5 < 0,05
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
< 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 0,05 < 35
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
0,035 0,035 0,035 0,035 0,035 0,035 0,035 0,035 0,035 122
mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg
<3
mg/kg Ds
10,5
mg/kg
N
<3
mg/kg Ds
10,5
mg/kg
N
<4
mg/kg Ds
14
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
17,5
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
17,5
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
17,5
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
17,5
mg/kg
N
<5
mg/kg Ds
17,5
mg/kg
N
< 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001 < 0,001
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
3,5 3,5 3,5 3,5 3,5 3,5 3,5 24,5
ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg
<= Achtergrondwaarde
N N N N N N N N
20
1000
-1
<= AW
0,35
mg/kg
<= Achtergrondwaarde
N
1,5
40
-1
<= AW
Toetsresultaat uit BOTOVA
<= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde
IRW
<= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde
<= Achtergrondwaarde
N N N N N N N N N N
AL-West B.V. - AL-West B.V. Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Monster Analysenummer Monsteromschrijving Datum monstername Monstersoort Versie
177212 MIX: 1.3 6.2 12.3 10.04.2019 Bodem / Eluaat 1
Gehanteerde waarden voor dit monster Humus (%) Lutum (%)
24,7 3,8
Resultaat voor dit monster Toetsingsresultaat
Parameter IJzer (Fe2O3) Fractie < 2 µm Cadmium (Cd) Kwik (Hg) Barium (Ba) Kobalt (Co) Zink (Zn) Nikkel (Ni) Molybdeen (Mo) Lood (Pb) Koper (Cu) Indeno-(1,2,3c,d)pyreen Chryseen Fenanthreen Benzo(a)anthraceen Benzo(k)fluorantheen Benzo(ghi)peryleen Anthraceen Benzo-(a)-Pyreen Fluorantheen Naftaleen Koolwaterstoffractie C10-C40 Koolwaterstoffractie C10-C12 Koolwaterstoffractie C12-C16 Koolwaterstoffractie C16-C20 Koolwaterstoffractie C20-C24 Koolwaterstoffractie C24-C28 Koolwaterstoffractie C28-C32 Koolwaterstoffractie C32-C36 Koolwaterstoffractie C36-C40 PCB 28 PCB 52 PCB 101 PCB 118 PCB 138 PCB 153 PCB 180 som 7 polychloorbifenylen PCB28, 52, 101, 118, 138, 153, 180 som 10 polyaromatische koolwaterstoffen (VROM)
Gemeten waarde Gemeten waarde
Voldoet aan Achtergrondwaarde
Resultaat
Eenheid
Resultaat BOTOVA(G_standaard) eenheid 3,5 % 3,8 % 0,2 mg/kg 0,041 mg/kg 348 mg/kg 22,3 mg/kg 81,1 mg/kg 60,9 mg/kg 1,05 mg/kg 19,5 mg/kg 19,1 mg/kg 0,043 mg/kg
Toetsing
IRW
<5 3,8 0,25 < 0,05 110 7,6 57 24 < 1,5 18 17 < 0,15
% Ds % Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
< 0,15 < 0,15 < 0,15 < 0,15 < 0,15 < 0,15 < 0,15 < 0,15 < 0,15 < 110
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
0,043 0,043 0,043 0,043 0,043 0,043 0,043 0,043 0,043 31,2
mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg
<9
mg/kg Ds
2,55
mg/kg
N
<9
mg/kg Ds
2,55
mg/kg
N
< 12
mg/kg Ds
3,4
mg/kg
N
< 15
mg/kg Ds
4,25
mg/kg
N
< 15
mg/kg Ds
4,25
mg/kg
N
< 15
mg/kg Ds
4,25
mg/kg
N
< 15
mg/kg Ds
4,25
mg/kg
N
< 15
mg/kg Ds
4,25
mg/kg
N
< 0,004 < 0,004 < 0,004 < 0,004 < 0,004 < 0,004 < 0,004
mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds mg/kg Ds
1,13 1,13 1,13 1,13 1,13 1,13 1,13 7,94
ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg ug/kg
0,43
mg/kg
<= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde
N N N N N N N N N N N N
AW
I
T-index
Toets oordeel
0,6 0,15
13 36
-1 -1
<= AW <= AW
15 140 35 1,5 50 40
190 720 100 190 530 190
0,042 -1 0,4 -1 -1 -1
> AW en <= T <= AW > AW en <= T <= AW <= AW <= AW
190
5000
-1
<= AW
<= Achtergrondwaarde
N N N N N N N N
20
1000
-1
<= AW
<= Achtergrondwaarde
N
1,5
40
-1
<= AW
Wonen <= Achtergrondwaarde Industrie <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde <= Achtergrondwaarde
<= Achtergrondwaarde
N N N N N N N N N N
AL-West B.V. - AL-West B.V. Dortmundstraat 16B NL - 7418 BH Deventer. Tel: +31 570 788110 Fax: +31 570 788108
Tabelinformatie Toetsing BOTOVA IRW AW I T-index Toets oordeel
Toetsresultaat uit BOTOVA Indicatieve Referentie Waarden (Bijlage 1, Tabel 2, Staatscourant 2013 nr 16675) Achtergrondwaarde Interventiewaarde Index voor de afwijking van Gstandaard tov gemiddelde van Streefwaarde en Interventiewaarde Parameteroordeel op basis van de waarde bij 'T Index'
Tabelinformatie Index < 0 0 < Index < 0,5 0,5 < Index < 1 Index > 1
GStandaard < AW GStandaard ligt tussen de AW en de oude T GStandaard ligt tussen de oude T en I I overschreden
BIJLAGE 5b: TOETSINGSTABEL GRONDWATER. Parameter
Streefwaarde(ug/l)
Tussenwaarde(ug/l)
Interventiewaarde
Barium
50
340
625
Cadmium
0,4
3,2
6
Cobalt
20
60
100
Koper
15
45
75
Kwik
0,05
0,18
0,3
Lood
15
45
75
Nikkel
15
45
75
Zink
65
433
800
Molybdeen
5
153
300
Benzeen
0.2
15
30
Tolueen
7
504
1000
Ethylbenzeen
4
77
150
Xyleen
0.2
35
70
Naftaleen
0.02
35
70
Styreen
6
153
300
Vinylchloride
0.01
2.5
5
Dichloormethaan
0.2
500
1000
1,1-dichloorethaan
7
454
900
1,1-dichlooretheen
0.01
5
10
1,2-Dichloorethaan
7
204
400
cis-1,2-dichlooretheen
0.2
10
20
Trans1,2-dichlooretheen
0.2
5
10
Trichloormethaan
6
203
400
1,1,1-trichloorethaan
0.2
150
300
1,1,2-trichloorethaan
0.2
65
130
Trichlooretheen(tri)
24
262
500
Tetrachloormethaan
0.2
5
10
Tetrachlooretheen (per)
0.2
20
40
Dichloorpropanen
0.01
500
1000
tribroommethaan
1
315
630
Minerale olie
50
325
600
Avonturenboerderij Molenwaard
3 april 2019 Arnhem M.2019.0305.00.N001 EDB|TMA
datum vestiging uw kenmerk ons kenmerk 2e lezer/secr.
project betreft versie auteur contactpersoon e-mail/telefoon
Avonturenboerderij Molenwaard Onderzoek externe veiligheid 001 ir. R.J. (Robert) Bos drs. E. (Elias) den Breejen edb@dgmr.nl/088 346 78 22
Onderzoek naar de effecten voor het aspect externe veiligheid vanwege de uitbreiding van Avonturenboerderij Molenwaard 1. Inleiding Aan de Wilgenweg 3 in Groot-Ammers ligt Avonturenboerderij Molenwaard en is voornemens om uit te breiden. De Avonturenboerderij is een belevingspark gericht op kinderen. Deze uitbreiding betreft het oprichten van een multifunctioneel gebouw en erf en de aanleg van een parkeervoorziening. In de onderstaande figuur is de ligging van de Avonturenboerderij weergegeven.
Groot-Ammers
figuur 1: ligging Avonturenboerderijk Molenwaard (bron: Google Maps)
Avonturenboerderij Molenwaard
Om het initiatief te kunnen realiseren dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd. Om aan te tonen dat met de realisering van het plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening is een aantal milieuaspecten onderzocht, waaronder externe veiligheid. Dit rapport beantwoordt de volgende vraag: Wat is de invloed van externe risicobronnen in de omgeving van de planlocatie en hoe kan indien nodig het groepsrisico als gevolg van deze bronnen worden verantwoord?
k:\doc\m\2019\030500\m2019030500n001.docx 03-04-2019
Hoofdstuk 2 beschrijft het wettelijk kader voor externe veiligheid. Vervolgens is in hoofdstuk 3 een beschrijving opgenomen van de relevante risicobronnen in de omgeving van de planlocatie. Daarbij heeft DGMR in opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. ook beoordeeld wat de risico’s van deze bronnen zijn en of een verantwoording van het groepsrisico nodig is. Tot slot vat hoofdstuk 4 de bevindingen van dit onderzoek samen.
figuur 2: impressie uitbreiding (bron: Van der Padt & Partners)
2
Avonturenboerderij Molenwaard
2. Toetsingskader Externe veiligheid beschrijft de kans dat personen in de omgeving van een activiteit met gevaarlijke stoffen slachtoffer worden van een ongeval met die stoffen. Dit kan zowel een transportroute als een inrichting betreffen. De wetgeving voor externe veiligheid rondom inrichtingen staat beschreven in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de wetgeving externe veiligheid langs transportroutes in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Daarnaast is er nog het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het beleid externe veiligheid is gericht op een verantwoorde situering van activiteiten waarbij ongevallen met effecten op de omgeving niet kunnen worden uitgesloten.
k:\doc\m\2019\030500\m2019030500n001.docx 03-04-2019
De mate van blootstelling wordt uitgedrukt in de kans op dodelijke effecten. Er zijn twee componenten om de grootte van dit gevaar uit te drukken. 1 De grootte van het effect dat samenhangt met de gevaareigenschappen van een stof (giftigheid, brandbaarheid, hoeveelheid, en dergelijke). 2 De kans dat een dergelijk effect optreedt, wat samenhangt met de activiteiten die tot een ongeval kunnen leiden (opslag, overslag, aantal handelingen en dergelijke). Beide componenten worden tot uitdrukking gebracht wanneer gevaren worden uitgedrukt in risico’s. Door een risico wordt een gevaar gekwantificeerd (in een getal uitgedrukt) en onder meer vergelijkbaar gemaakt met normen. De omvang van de gevaren voor de omgeving wordt uitgedrukt met twee risicobegrippen: • plaatsgebonden risico (PR), en • groepsrisico (GR). Voor de mate van aanvaardbaarheid van deze risico’s zijn in het Bevi, Bevt en Bevb normen en richtwaarden vastgesteld. Onder het plaatsgebonden risico (PR) wordt verstaan: de kans per jaar op het overlijden van één fictief persoon op een vaste locatie ten gevolge van een ongeval. Het PR met een bepaalde waarde kan rond een inrichting of een vervoersas als lijn op de kaart worden weergegeven, de zogenoemde risicocontour.
Voor het plaatsgebonden risico bij zo’n contour geldt een grenswaarde: in een nieuwe situatie mag een kwetsbaar object, zoals bijvoorbeeld een zorginstelling of school, niet binnen een 10-6/jaar-contour liggen (10-6/jaar is een verkorte schrijfwijze voor eens per miljoen jaar, vandaar het jargon ‘10 min 6’ voor de kans 1/1.000.000 jaar). Voor beperkt kwetsbare objecten geldt ook de waarde van 10 -6/jaar, maar nu met de status van richtwaarde. Binnen die contour kan met een nieuw object of een uitbreiding van de inrichting alleen worden ingestemd, als het bevoegd gezag met gewichtige redenen motiveert waarom een hogere waarde wordt toegestaan. Het voorgenomen multifunctioneel gebouw is afhankelijk van de omvang een kwetsbaar object of een beperkt kwetsbare object. De parkeerplaats is geen kwetsbaar object. Het groepsrisico (GR) is gedefinieerd als de cumulatieve kans per jaar, dat een groep van tien of meer personen dodelijk slachtoffer is van een ongeval. Zowel de bronkant (inrichtingen met gevaarlijke stoffen of vervoer van gevaarlijke stoffen), als de blootgestelde kant (personen in de omgeving) bepalen de hoogte van het groepsrisico. Dit is één van de resultaten voor de rampenbestrijding, waarbij vastgesteld wordt of de voorgenomen activiteit nog wel past binnen de beschikbare operationele prestatie van hulpverleningsdiensten.