CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 4 - Bijlagen toelichting bestemmingsplan Brandwijk, Brandwijksedijk 22

Raadsvergadering 26 januari 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Brandwijksedijk 22, Brandwijk33.282 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

6

laag, en er zijn geen duidelijke holtes gezien bij het veldbezoek. Verder blijven bij de beoogde ontwikkeling deze bomen staan. Om deze redenen worden negatieve effecten op boombewonende vleermuizen niet verwacht. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. De woning op de planlocatie is opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en enkele ventilatieroosters. De woning heeft aan weerszijde kanten van de woning kierende kant- en nokpannen (figuur 4), dit biedt invliegmogelijkheden voor gebouw bewonende soorten. Als er bij deze invliegplaatsen een achterliggende ruimte is bestaat de kans dat er een verblijfplaats aanwezig is. Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Om vast te stellen of er verblijfplaatsen aanwezig zijn op de planlocatie dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis.

(Massa)winterverblijfplaatsen worden niet verwacht op de planlocatie vanwege het (relatief) kleine formaat van de woning en de lage muren. Verder is het mogelijk dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied of vliegroute. De omgeving van de planlocatie bevat voldoende vergelijkbare groenstructuren dat de planlocatie geen essentieel foerageergebied of vliegroute is. In de luwte van opgaande vegetatie of woning kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang.

Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.

7

Figuur 4

Zichtbaar kierende kantpannen met voldoende ruimte om toegang te verlenen tot dak.

Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is een perceel omringd door water met uittreedbare oevers. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie wordt omringd door water vanaf de Voorwetering. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en heikikker (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2009-2019). Voor de heikikker geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De heikikker is erg kritisch ten aanzien van zijn leefgebied. De drie habitattypen waar de soort gebruik van maakt (ondiep, relatief zuur, zonbeschenen en voedselarm voortplantingswater; vochtige plekken in schraal, ruig gebied zoals heide, hoogveen, laagveen en natuurlijk grasland voor in de actieve periode en vochtvrije plaatsen voor overwintering) dienen op zeer korte afstand tezamen voor te komen. Hierdoor wordt de heikikker vaak waargenomen in kleinschalige afwisselende landschappen welke worden gekenmerkt door schrale, ruige en vochtige omstandigheden.

De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing (Creemers & Van Delft, 2009). Het oppervlakte water op de planlocatie is matig voedselrijk, geen kroos of overweldigende waterplanten en heeft uittreedbare oevers. Op de planlocatie gaan de oevers over in gazon met stikstof minnende planten zoals brandnetel. Verder wordt zowel de bebouwde kant als de agrarische kant van de Voorwetering intensief gebruikt. Om deze redenen wordt de heikikker niet verwacht op de planlocatie en zijn negatieve effecten ten aanzien van de soort uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. In de omgeving is in de afgelopen 10 jaar

8

geen waarneming gedaan van reptielen (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2009-2019). Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Rondom de planlocatie bevindt zich oppervlaktewater, aan de noordelijke zijde van het perceel is dit de Voorwetering en zowel de oostelijke als de westelijke zijde bevatten uitlopers van deze wetering. In de directe omgeving zijn geen beschermde vissoorten waargenomen (NDFF 20092019). Het oppervlaktewater valt niet binnen de ruimtelijke sfeer van de beoogde ontwikkelingen en deze zullen geen negatieve invloed hebben op de soortgroep. Insecten, libellen en andere ongewervelden Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, blauwe reiger, buizerd, gaai, holenduif, huiszwaluw, kleine mantelmeeuw, kraai, spreeuw, torenvalk, wilde eend en zilvermeeuw. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Verder is de te saneren woning op de planlocatie ook niet toegankelijk voor uilen om in te vliegen. De directe omgeving van de planlocatie is geschikter leefgebied wegens de vele weiden en uitkijkplaatsen in hogere bomen. Wegens de vele verharding en het ontbreken van duidelijke uitkijkbomen op de planlocatie is er op de planlocatie geen sprake van functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen.

Voor deze soort is binnen de planlocatie geen functioneel leefgebied aanwezig. De planlocatie en de te saneren woning zijn mogelijk functioneel leefgebied voor huismussen, er zijn meerdere habitatsonderdelen van de soort aanwezig. Deze onderdelen zijn; jaarrond groene heggen, badwater, zandbaden, grind en voldoende nestgelegenheid (figuur 5). Tijdens de inspectie van het dak tijdens het veldbezoek is nestmateriaal aangetroffen. Om te bepalen of er actieve nesten van huismussen in de woning aanwezig zijn dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Aangezien de woning in landelijk gebied ligt en relatief lage dakranden heeft worden nestlocaties van de gierzwaluw niet verwacht. Wegens het feit dat de omgeving landelijk gebied is en er een beperkt aantal woningen in de directe omgeving aanwezig is wordt een kolonie gierzwaluwen uitgesloten. Ten aanzien van de huismus dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om te zorgen dat er geen overtreding van verbodsbepaling voor jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen

9

Figuur 5

Zichtbaar nestmateriaal onder een dakpan van de woning.

Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Aan de onderkant van de overstekken zijn in totaal 13 huiszwaluwnesten aangetroffen (7 westelijke zijde, 6 oostelijke zijde) (figuur 6). Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

10

Figuur 6

Zichtbaar onder het overhangende dakbeschot 6 nesten van de huiszwaluw (oostzijde van de woning).

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 2 km ligt het Natura 2000-gebied ‘De Donkse Laagten’ (figuur 7). Op een afstand van 1,3 km km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 7). Op een afstand van 10 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 8). Op een afstand van 5,3 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (figuur 9). Ondanks dat de planlocatie enkel door een weg gescheiden wordt van belangrijk weidevogelgebied zal dit geen effecten hebben. Er worden geen ingrepen gedaan die zouden kunnen leiden tot lichtverstoring. Aan de achterzijde van de planlocatie staan verschillende knotwilgen (karakteristieke landschapselementen), in de beoogde ontwikkelingen blijven deze behouden. Derhalve zal er geen effect zijn op karakteristieke landschapselementen.

Figuur 7

11

De planlocatie ligt op een afstand van 2 km tot het Natura 2000-gebied ‘De Donkse Laagten’ (bron: https://www.arcgis.com/home/webmap/viewer.html?useExisting=1).

Figuur 8

De planlocatie ligt op een afstand van 1,3 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).

Figuur 9

De planlocatie ligt op een afstand van circa 10 m tot een Belangrijk weidevogelgebied (bron: pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).

12

Figuur 10 De planlocatie ligt op een afstand van circa 5,3 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN). Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Vóór de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) werd beargumenteerd dat de afstand tot het Natura 2000-gebied dusdanig groot is, dat er t.a.v. de stikstofdepositie onder een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar zou blijven. De Raad van State heeft echter beoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo’n toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig.

Sinds 16 september 2019 is een nieuwe versie beschikbaar van de AERIUS Calculator. Dit rekenmodel wordt in het najaar landelijk voorgeschreven als rekeninstrument voor de toestemmingverlening. Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen. Deze komen tegelijk met de voorgeschreven calculator beschikbaar. De herbeoordeling d.m.v. de herziene AERIUS Calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aeriusberekening is gebleken dat de toename van de depositie: • Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: • Binnen het PAS gemeld moest worden. Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf: • Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS-vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan.

Dit wordt onderschreven in de ‘Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden’ (Ministerie van Binnenlandse Zaken, juli 2019). Uit goede motivering of herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken: Dat er geen enkele toename van stikstofdepositie wordt verwacht, bijvoorbeeld vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden óf:

13

• Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: • Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak juist afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van een woning met aangrenzende schuur en de realisatie van twee nieuwe woningen wat ten opzichte van de huidige situatie niet leidt tot een significante toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal met hogere isolatiewaarden en hoogrenderende stookinstallaties een relatief lage stikstofuitstoot hebben. Ten opzichte van de huidige situatie wordt verwacht dat er sprake zal zijn van een afname in stikstofemissie op het perceel. Gezien deze afname in stikstofemissie en de afstand tot Natura 2000-gebieden (2 km) worden geen negatieve gevolgen voor relevante Natura 2000-gebieden verwacht.

Derhalve kan een passende beoordeling van de stikstofdepositie achterwege blijven.

Beoordeling (c) houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven

per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Voor de beoogde ontwikkelingen dienen enkele bomen (en struiken) gerooid te worden, deze vallen onder type b. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten hebben vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

14

15

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de huismus en vleermuis. Verder kan de planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied zijn voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

+

-

-

-

-

-

n

n

n

+

+

n

j

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

2 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

1,3 km

geen

n.v.t.

Belangrijk weidevogelgebied

10 m

geen

n.v.t.

Strategische reservering natuur

5,3 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

ja

n.v.t.

Bomen

ja

ja

n.v.t.

j

-

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja) / m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

Uitvoerbaarheid Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor huismussen of vleermuizen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.

16

Conclusie Er dient op de planlocatie aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden ten aanzien van huismus en vleermuis om te voorkomen dat er overtreding van de Wet natuurbescherming plaats zal vinden. De uitkomst van dit aanvullende onderzoek zal bepalen of de ontwikkeling aan de Brandwijksedijk 22 te Brandwijk uitvoerbaar is.

Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni. Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Bij het uitvoeren van de beoogde ontwikkeling vinden er geen overtredingen plaats in het kader Wet natuurbescherming, indien onderstaande maatregelen in acht genomen worden. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).

• Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli).

Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

17

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., M.A. Brinkbäumer Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming © BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

18

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Brandwijksedijk 22 te Brandwijk en bestaat uit woning met schuur.

Figuur 2

De woning biedt voor huiszwaluw nestgelegenheid, tijdens het veldbezoek zijn 13 nesten vastgesteld.

19

Figuur 3

20

Onder de dakpannen van de woning is nestmateriaal zichtbaar. Mogelijk kunnen hier actieve huismusnesten aanwezig zijn.

Bijlage 2

Vervolgstappen Wet natuurbescherming

Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

21

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).

22

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).

23

1 1.

INLEIDING EN DOELSTELLING In opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer BV is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het perceel Brandwijksedijk 22 te Brandwijk, kadastraal bekend gemeente Brandwijk, sectie C, nummer 223. Het doel van het onderzoek is vast te stellen of de grond en/of het grondwater ter plaatse van het onderzoeksterrein verontreinigingen bevatten welke een belemmering of beperking zouden kunnen vormen bij de voorgenomen bouw van twee woningen na de sloop van de huidige bebouwing. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de terreinsituatie van de onderzoekslocatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de uitgevoerde werkzaamheden. Hoofdstuk 4 geeft de resultaten van het onderzoek weer. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies en aanbevelingen opgenomen. NB: Bakker Milieuadviezen heeft het bodemonderzoek uitgevoerd onder certificaat BRL SIKB 2000 conform de onderliggende protocollen 2001 en 2002. Middels ondertekening van onderhavig rapport wordt verklaard dat er geen sprake is van eigendom van het te onderzoeken onroerend goed en tevens dat het bodemonderzoek onpartijdig en onafhankelijk van de opdrachtgever is uitgevoerd. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd door O. Bakker.

2.

ACHTERGRONDINFORMATIE.

2.1

Terreinsituatie. De onderzoekslocatie is gelegen aan de noordzijde van de Brandwijksedijk. De plaats van de locatie ten opzichte van de omgeving is op bijlage 1 weergegeven. De oppervlakte van het onderzochte terrein bedraagt ca 1700 m2. Hiervan is naar schatting 250 m2 slootoppervlak. Immers ten westen, ten noorden en ten oosten wordt het perceel begrensd door sloten en de Voorwetering. Voor historische informatie zijn de opdrachtgever, de website Omgevingsrapportage Zuid Holland Zuid, TOPO-tijdreis en Bodemloket.nl en het eigen bodemonderzoeksarhief geraadpleegd. Terreinbeschrijving. Op het onderzoeksterrein staat centraal een leegstaande woning met ten westen daarvan een stenen schuur. Tussen de Brandwijksedijk en de voorgevel van het pand ligt grotendeels een halfverharding met als toplaag een laagje grind. Ten noorden van de woning bevindt zich een betegeld terras. Voor het overige is er sprake van onverharde tuin. Bij de terreininspectie zijn geen concrete waarnemingen gedaan die zouden kunnen wijzen op een bodemverontreiniging. Huidig gebruik. De woning staat al enige tijd leeg.

V.O. Brandwijksedijk 22, Brandwijk

Bakker Milieuadviezen

2 Voormalig gebruik. Voor de woning betrof het terrein grasland. Er is nooit sprake geweest van kassen of een boomgaard en daarmee is de bodem niet verdacht op OCB. Calamiteiten. Geen gegevens van bekend. Ophogingen/dempingen/stort. Binnen het onderzoeksoppervlak ligt geen gedempte sloot. De oprit en het voorerf zijn verhard met een puin/grindmengsel met als afdeklaag grind. Boven- en ondergrondse tanks. Op het te onderzoeken perceel is volgens de geraadpleegde bronnen geen sprake geweest van boven- of ondergrondse olie-opslag. Omgeving. Het perceel ligt aan een oude lintbebouwingsweg met woningen en oude boerderijen. Bodemonderzoeken locatie en omgeving. Van de locatie is geen eerder bodemonderzoek bekend. Uit eigen archief zijn 2 onderzoeken bekend in de omgeving. In 2017 is een onbebouwd terrein aan de overkant onderzocht. De bodem was hier gebruikelijk licht verontreinigd. Inmiddels is hier een (tijdelijk) winkelpand voor de firma van Zessen (kleding) geplaatst. Recent is een bodemonderzoek uitgevoerd op Brandwijksedijk 26. Ook op dit perceel was de bodem algemeen licht verontreinigd met diverse metalen en PAK. Het terrein was niet verontreinigd met asbest. Hypothese. Op grond van de verkregen informatie is in dit onderzoek qua onderzoeksinspanning uitgegaan van de strategie VED-HE (paragraaf 5.6 uit de NEN 5740).

Bij deze strategie wordt de licht verdachte bovengrond bij de oppervlakte van ca 1700 m2 in 3 in plaats van in 2 mengmonsters onderzocht. Tevens mogen mengmonsters van geroerde grond uit maximaal 4 deelmonsters bestaan. Aandachtspunt PFAS In juni 2018 heeft de Omgevingsdienst ZHZ met een handreiking vereist dat de bodem binnen een bepaalde zone (zone 2 en 3) in hoofdzakelijk de Alblasserwaard extra onderzocht moet worden op de stofgroep PFAS met onder andere Perfluoroctaanzuur (afgekort PFOA) en PFOS. Deze stoffen zijn decennialang uitgestoten door een bedrijf uit Dordrecht. De stof is via de lucht aantoonbaar in de bodem terechtgekomen in een tamelijk groot gebied. Onderhavige locatie ligt in zone 2. Om deze reden is de grond extra onderzocht op PFAS.

V.O. Brandwijksedijk 22, Brandwijk

Bakker Milieuadviezen

3 2.2

Bodemopbouw en geohydrologische situatie. Informatie over de bovenste 1.20 meter van de ongeroerde bodem ter plaatse is verkregen via de geologische kaart van Nederland. Het bodemtype valt onder de zogenoemde Westlandformatie, welke wordt gekarakteriseerd door overwegend kleiige bodemsoorten op een venige ondergrond. De grondwaterstromingsrichting wordt hier met name bepaald door de drainerende maar ook stuwende werking van nabijgelegen of aangrenzende oppervlaktewateren. De stromingrichting is hiermee dan ook niet eenduidig.

3.

ONDERZOEKSOPZET.

3.1

Algemeen. Het onderzoek is opgezet volgens de NEN 5740+A1 (april 2016), paragraaf 5.1, "Onderzoeksstrategie voor verkennend onderzoek" (Nederlands Normalisatie-Instituut, april 2016). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd volgens de BRL SIKB 2000 en de onderliggende protocollen 2001 en 2002.

3.2

Veldwerkzaamheden. Op 16 september 2019 zijn op de onderzoekslocatie de veldwerkzaamheden verricht. Voor het boren is een Edelmanboor gebruikt. De locaties van de boringen en de peilbuis zijn weergegeven in bijlage 2. Er zijn 12 boringen verricht. Boring 1 is uitgevoerd tot 2.8 m-mv en voorzien van een peilbuis. De boringen 6 en 10 zijn 1.5 m diep en de overige boringen zijn uitgevoerd tot 0.5 a 0.8 m-mv. De uitkomende grond is zintuiglijk onderzocht op de aanwezigheid van eventuele verontreinigingen en beschreven. De beschrijvingen van de boorprofielen zijn opgenomen in bijlage 3.

3.3

Laboratoriumonderzoek De chemische analyses van de grond- en grondwatermonsters zijn uitgevoerd in het geaccrediteerde laboratorium AL-west. Grond. Van de grondmonsters zijn 4 mengmonsters samengesteld. De samenstelling ervan, het betreffende terreindeel en de bijbehorende resultaten staan beschreven in paragraaf 4.2. De 4 mengmonsters zijn geanalyseerd op het standaard analysepakket (NEN 5740) voor grondmonsters. Dit pakket omvat de volgende parameters: Zware metalen: Barium, Cobalt, Molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel en zink. De meeste metalen komen van nature reeds in lage concentraties in de bodem voor en worden daarbij niet aangemerkt als een verontreiniging. Verontreinigingen met zware metalen kunnen onder andere worden aangetroffen op terreinen van bedrijven waar met metaaloplossingen (bijv. galvanische bedrijven) en metaalpigmenten (keramische industrie) wordt gewerkt en voorts op stookplaatsen, in sintelverhardingen en in combinatie met puin in de bodem. In stedelijke gebieden blijkt vaak sprake van een diffuse (niet zeer sterke maar over een groot gebied verspreide) verontreiniging met zware metalen, voornamelijk lood en in mindere mate koper en zink; Polychloorbifenylen (PCB). Minerale olie. Minerale olie is een verzamelnaam voor de verschillende soorten aardolieprodukten zoals benzine, gasolie en petroleum.

Minerale olie kan als verontreiniging worden aangetroffen bij tankstations, ondergrondse opslagtanks e.d.;

V.O. Brandwijksedijk 22, Brandwijk

Bakker Milieuadviezen

4 -

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Polycyclische aromatische koolwaterstoffen is een verzamelnaam voor teerachtige produkten welke bestaan uit twee of meer aromatische ringen. Verontreinigingen met polycyclische aromaten kunnen worden aangetroffen op voormalige gasfabrieksterreinen, bij asfaltmolens, op stookplaatsen, in combinatie met verontreinigingen met aardolieprodukten en bij aanwezigheid van kooldeeltjes, sintels en asfalt in de grond. Diffuse verontreinigingen met polycyclische aromaten tengevolge van depositie vanuit de lucht komen eveneens voor. Voor onderzoek naar bodemverontreiniging met polycyclische aromaten worden bepaalde stoffen geanalyseerd. De zogenaamd VROM-reeks welke is opgenomen in het toetsingskader uit de Leidraad Bodembescherming omvat 10 stoffen (10 PAK van VROM).

Grondwater. Het grondwater is geanalyseerd op het standaardpakket voor grondwater. Dit pakket bestaat uit de volgende parameters: benzeen, tolueen, ethylbenzeen,xyleen, naftaleen en styreen; vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (13); cobalt, barium, molybdeen, cadmium, koper, kwik, lood, nikkel, zink; minerale olie; tribroommethaan en dichloorpropanen(1,1-1,2-1,3).

V.O. Brandwijksedijk 22, Brandwijk

Bakker Milieuadviezen

5 4.

ONDERZOEKSRESULTATEN

4.1

Bodemopbouw en veldwaarnemingen. Uit de boorbeschrijvingen (bijlage 3) blijkt dat de bodemopbouw enigszins wisselend is. In de bovengrond is er sprake van geroerd sterk humeus kleiig zand danwel humeuze sterk zandige klei. In de ondergrond is er sprake van een dunne laag sterk humeuze klei en vervolgens wordt veen aangetroffen. Zintuiglijk zijn in de bovengrond lichte bijmengingen van puin- en kooldeeltjes waargenomen, waarmee er noodzaak was tot aanvullend asbestonderzoek. Hiervoor is het erkende bedrijf Adcim BV ingeschakeld. De veldwerkrapportage van Adcim is opgenomen als bijlage 6 van onderhavig rapport. Op de datum van grondwatermonstername (2 oktober 2019) werd grondwater op 1.40 m-mv aangetroffen. De overige veldwaarnemingen staan in bijlage 3.

4.2

Analyseresultaten De analyserapporten zijn opgenomen als bijlage 4. Voor de beoordeling van de analyseresultaten wordt gebruik gemaakt van onderstaande normen: Achtergrondwaarde AW 2000 (streefwaarden voor water). Deze waarde geeft het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. Dit komt overeen met het niveau waarbij de functionele eigenschappen, die de bodem voor mens, dier en plant heeft, zijn veiliggesteld. Interventiewaarde: Deze waarde geeft het verontreinigingsniveau aan waarboven sprake kan zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierbij is sprake van een zodanige bodemverontreiniging, dat de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant kunnen verminderen. De interventiewaarden zijn gebaseerd op een uitgebreide studie van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), naar zowel de humaan- als ecotoxicologische effecten van bodemverontreinigende stoffen. Er is sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging indien in meer dan 25 m3 grond of in meer dan 100 m3 grondwater sprake is van een overschrijding van de interventiewaarde door een of meer parameters. Tussenwaarde: Voor de waarde voor nader onderzoek, de tussenwaarde genaamd, wordt het gemiddelde van de AW 2000 en de interventiewaarde gehanteerd.

De genoemde waarden zijn voor een aantal stoffen afhankelijk gesteld van de percentages lutum en organische stof van de grond. De berekening van deze waarden voor de bepaalde of geschatte percentages is opgenomen in bijlage 5.

V.O. Brandwijksedijk 22, Brandwijk

Bakker Milieuadviezen

6

> AW >T >I

In het hierna volgende overzicht staan per geanalyseerd monster de overschrijdingen van de toetsingswaarden als volgt weergegeven: overschrijding achtergrondwaarde AW 2000 (lichte verontreiniging); overschrijding tussenwaarde (matige verontreiniging); overschrijding interventiewaarde (ernstige verontreiniging).

Grond.

Mengmonster

Bodemlaag

Gehalte > AW

Gehalte > T

Gehalte > I

1+2+3+4

Bovengrond westzijde

Kwik,koper,lood,zink

-

-

5+6+10+11

Bovengrond noordzijde

kwik,koper,cadmium zink,PAK

Lood

-

7+8+9+12

bovengrond zuid- en oostzijde

kobalt,koper,kwik nikkel,zink

Lood

-

1.2+1.3+6.2+6.3 +12.3

ondergrond kleiig veen

molybdeen

-

-

Grondwater peilbuis 1 In het grondwater zijn onderstaande overschrijdingen aangetroffen. Parameter

Gehalte in ug/l

streefwaarde

Tussenwaarde

Interventiewaarde

Naftaleen

0.035

*

0.02

35

70

Koper

19

*

15

45

75

Barium

140

*

50

340

625

Onderzoek PFAS (waaronder PFOA en PFOS) Naast de individuele monsters voor het reguliere onderzoek is van de bovengrond (0-50 cm) monstermateriaal verzameld ten behoeve van een analyse op PFAS (groep polyfluoralkylverbindingen). In het analytisch onderzoek zijn onderstaande PFOA- en PFOS-gehalten bepaald: bovengrond: PFOA 5.5 ug/kgds, PFOS 1.2 ug/kgds

V.O. Brandwijksedijk 22, Brandwijk

Bakker Milieuadviezen

7 Nader onderzoek matig verhoogde loodgehalten Naar aanleiding van de matig verhoogde loodgehalten in 2 van de 3 bovengrondmengmonsters is een uitsplitsing uitgevoerd. In onderstaande tabel staan de betreffende resultaten. Monster

bepaald loodgehalte

loodgehalte BOTOVA

AW 2000

T-waarde

I-waarde

5 (0-50)

290

351

**

50

290

530

6 (0-50)

230

278

*

"

"

"

7 (0-50)

160

194

*

"

"

"

8 (0-50)

270

327

**

"

"

"

9 (0-50)

720

949

***

"

"

"

10 (0-50)

570

751

***

"

"

"

11 (0-50)

230

303

**

"

"

"

12 (0-50)

410

540

***

"

"

"

Eerste 4 monsters omgerekend op basis van lutum 11% en humus 9.2% Tweede 4 monsters omgerekend op basis van lutum 8.1% en humus 6.4%

4.3 Asbestonderzoek (uitgevoerd door Adcim BV). Naar aanleiding van de aanwezigheid van puinresten in de bodem is aan een daartoe bevoegd onderzoeksbureau opdracht gegeven om een asbestonderzoek uit te voeren naar deze laag. Hierover het volgende: NB: Voor de onder de erkenning BRL SIKB 2018 (onderzoek asbest in bodem) vallende werkzaamheden is de firma Adcim BV ingeschakeld. Dit bedrijf beschikt over de erkenning voor het protocol 2018. De betreffende monsternemer (dhr. K. van Vugt) is geregistreerd bij Bodemplus. De laboratoriumanalyses zijn uitbesteed aan het daarvoor erkende laboratorium AL-West. Voor de rapportage inclusief toetsing geldt geen erkenningsplicht. Deze werkzaamheden zijn verricht door O. Bakker van Bakker Milieuadviezen. Hieronder volgt een kort verslag. Voor uitgebreide informatie wordt verwezen naar bijlage 6, waarin de veldwerkformulieren van Adcim zijn opgenomen.

Uitgevoerde werkzaamheden. Op 2 oktober 2019 zijn de veldwerkzaamheden uitgevoerd. Op basis van de oppervlakte zijn 8 inspectiegaten gegraven. Bij de inspectie op asbest is het bemonsterde materiaal uitgespreid op folie met een hark. Vervolgens is gekeken naar de aanwezigheid van visueel waarneembare asbestverdachte materialen. Deze zijn niet aangetroffen.

V.O. Brandwijksedijk 22, Brandwijk

Bakker Milieuadviezen

8 Laboratoriumanalyses. Twee verzamelmonsters van het uitgegraven monstermateriaal zijn ter analyse naar AL-West verzonden. Deze verzamelmonsters bestonden uit monstermateriaal dat gezeefd is over 20 mm. In de twee monsters zijn de volgende gewogen asbestgehalten aangetroffen: Mengmonster A1 tuin: Mengmonster A2, erf:

V.O. Brandwijksedijk 22, Brandwijk

< 1 mg/kgds < 1 mg/kgds

Bakker Milieuadviezen

9 5.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN.

Op basis van het hierboven beschreven bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: -

De bovengrond op het westelijke perceelsdeel bevat licht verhoogde gehalten aan diverse metalen;

-

Het bovengrondmengmonster betreffende het noordelijke perceelsdeel bevat licht verhoogde gehalten aan diverse metalen, echter het loodgehalte is hier matig verhoogd. Dit geldt evenzo voor het zuidelijke/oostelijke terreindeel; Naar aanleiding hiervan zijn de betreffende deelmonsters apart op lood onderzocht en hieruit blijkt dat 3 monsters sterk verhoogde loodgehalten bevatten. Deze 3 monsters (9, 10 en 12) bevinden zich alledrie op het noordoostelijke perceelsdeel. Rondom deze 3 punten is een interventiewaarde-contourlijn aangegeven (zie bijlage 2) en hieruit blijkt dat over een oppervlakte van cira 25 * 7 meter de toplaag sterk verontreinigd is met lood. Dit komt dan neer op circa 90 m3 sterk verontreinigde grond, hetgeen betekent dat op het terrein sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Naast deze 100 m3 sterk verontreinigde grond is een groot deel van de overige bovengrond matig verontreinigd

-

De venige ondergrond bevat alleen een licht verhoogd gehalte aan molybdeen;

-

In een separaat door Adcim BV uitgevoerd asbestonderzoek blijkt dat zowel in de halfverhardingslaag op het voorterrein/erf als de bovengrond in de tuin geen asbest is aangetroffen;

-

In de bovengrond zijn gehalten aan PFOA (5.5 ug) en PFOS (1.2 ug) aangetroffen die redelijk overeenkomen met de verwachtingswaarde volgens de zonekaart van de OZHZ; In het grondwater zijn naftaleen, koper en barium in licht verhoogde gehalten aangetroffen. Dit heeft geen consequenties.

-

Aanbevelingen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit in zoverre een belemmering voor de voorgenomen bouw van een woning dat de bovengrond op het terrein gesaneerd dient te worden tot het niveau van Klasse Wonen. Voor dit perceel betekent dat bijna het gehele oppervlak tenminste 0.5 m ontgraven dient te worden. Eventueel kan overwogen worden om voor sommige aaneengesloten, te verharden terreindelen de isolatievariant toe te passen, ofwel om de verontreinigde grond eeuwigdurend af te dekken met een gesloten verhardingslaag. Vermoedelijk is isoleren van de verontreiniging met 1 meter schone grond niet mogelijk. Strikt genomen dient op het sterk verontreinigde deel nog een diepte-afperking plaats te vinden ( 2 of 3 boringen en evenzoveel loodanalyses).

V.O. Brandwijksedijk 22, Brandwijk

Bakker Milieuadviezen

Omgevingskaart

Klantreferentie: brandwijk22

0m

125 m

Deze kaart is noordgericht. Hier bevindt zich Kadastraal object Brandwijk C 223 Brandwijksedijk 19, 2974LB Brandwijk CC-BY Kadaster.

625 m

Schaal 1: 12500

Uittreksel Kadastrale Kaart

Uw referentie: brandwijk22

225

223 23

222 22

224

19

760 221

21a 21

371

20a

370

20

834

835

836

833

837

840 838

839

570 0m

Deze kaart is noordgericht Perceelnummer 25 Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens Bebouwing Overige topografie Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 16 september 2019 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers

12345

5m

25 m

Schaal 1:500 Kadastrale gemeente Sectie Perceel

Brandwijk C 223

Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.

Uittreksel Kadastrale Kaart

Uw referentie: brandwijk22

Bijlage 2: situatietekening V.O. Brandwijksedijk 22, Brandwijk 1 : 500

N

Boring 0.5-0.8 m-mv Boring 1.5 m-mv Peilbuis Bakker Milieuadviezen BM 25144-2019 Get. A.F. Bakker

Vo

ing ter e orw

bovengrond 0-0.5 m-mv Sterk verontreinigd met lood

10

225

12 223

6 tuin

222

11

hek

s) (gra

as terr

uur sch

4

1

en l op s g e t nin wo 2

23

8

2

7 2

do g ri n

s g ra

3

9

d grin

els teg

224

s gra

5

o pr

it

n Bra

19

d

pp

uin

k edij s k j wi

760 221

21a 21

371

20a

370

20

834

835

836

833

837

840 838

839

570 0m

Deze kaart is noordgericht Perceelnummer 25 Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens Bebouwing Overige topografie Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 16 september 2019 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers

12345

5m

25 m

Schaal 1:500 Kadastrale gemeente Sectie Perceel

Brandwijk C 223

Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.

Bijlage 3

Boorstaten

Boring:

1

Boring:

GWS: Opmerking:

140 pH 7,3 Ec 200 mS/m 61 NTU

GWS: Opmerking:

0

0 1

-50

50

-70

1,2

100

Zand, matig fijn, kleiïg, sterk humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

2

0 -5

0

grind -35

50 2

Klei, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin

-90

puin Zand, matig fijn, kleiïg, matig humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

Veen, zwak kleiïg, roodbruin 1,3

150

200

250 -280

Boring:

3

Boring:

GWS: Opmerking:

GWS: Opmerking:

0

0 3

-50

50

Boring:

Zand, matig fijn, kleiïg, sterk humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

5

0

0 4

-50

50

Boring:

GWS: Opmerking:

Zand, matig fijn, kleiïg, sterk humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

6

GWS: Opmerking:

0

0 5 50

4

-50

Zand, matig fijn, kleiïg, sterk humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

0

0 6

-50

50

-70

100

6,2

Projectcode: 25144

Brandwijksedijk 22 Brandwijk

Klei, zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin Veen, zwak kleiïg, donkerbruin

6,3 150

Zand, matig fijn, kleiïg, sterk humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

-150

Bijlage 3

Boorstaten

Boring:

7

Boring:

GWS: Opmerking:

GWS: Opmerking:

0 -5

0

grind -40

50 7 -90

Boring:

puin Zand, matig fijn, kleiïg, sterk humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

9

8 -50

50

Zand, matig fijn, kleiïg, sterk humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

10

GWS: Opmerking:

0

0 9

-50

50

Zand, matig fijn, kleiïg, sterk humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

11

0

0 10

-50

50

Boring:

GWS: Opmerking:

Zand, matig fijn, kleiïg, sterk humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

12

GWS: Opmerking:

0

0 11 50

0

0

Boring:

GWS: Opmerking:

Boring:

8

-50

Zand, matig fijn, kleiïg, sterk humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

0

0

-50

Zand, matig fijn, kleiïg, sterk humeus, zwak puinhoudend, zwak koolhoudend, donkerbruin

-100

Klei, zwak zandig, sterk humeus, donkerbruin

12 50 12,2 100

Veen, zwak kleiïg, donkerbruin

12,3 150

Projectcode: 25144

Brandwijksedijk 22 Brandwijk

-160

Bijlage 4 Analyserapporten

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=ae54669e-4c56-400a-8896-ad7f13e7b60f