CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Bijlagen bij de toelichting bestemmingsplan ‘Brandwijk, Gijbelandsedijk 1a’

Raadsvergadering 24 oktober 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5d. Bestemmingsplan Brandwijk, Gijbelandsedijk 1a29.502 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Openheid

Nieuwe bufferbeplanting met streekeigen struik en boomvormers

Nieuwe bufferbeplanting met streekeigen struik en boomvormers Uitbreiding loods Nieuwe bomenrij, bijv. elzen

Solitaire boom

Bestaande loods

Elzensingel ontneemt zicht op loodsen, versterkt het groene karakter langs de Gijbelandsedijk en versterkt de landschappelijke hoofdstructuur

Enkele gestrooide hoogstam fruitbomen in gras Enkele gestrooide hoogstam fruitbomen in gras

Knotwilgenrij ter accentuering van de watergang Nieuwe bufferbeplanting met streekeigen struik en boomvormers

Quickscan Wet natuurbescherming Gijbelandsedijk 1a te Brandwijk Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming

Colofon

Status:

Definitief

Project:

2022-0319

Datum:

31 maart 2022

Samensteller:

ir. ing. D. Bogers

Collegiale toets:

ing. L. Pieterman

Opdrachtgever:

Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.

Contactpersoon:

T. Versluis

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

Inhoud 1 Inleiding

4

1.1

Planlocatie

5

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep

6

2 Methode

7

2.1

Uitvoering onderzoek

7

2.2

Soortenbescherming

7

2.3

Gebiedsbescherming

8

2.4

Houtopstanden

9

3 Beoordeling

11

3.1

Soortenbescherming

11

3.2

Gebiedsbescherming

15

3.3

Houtopstanden

17

4 Samenvatting

18

4.1

Soortenbescherming

18

4.2

Gebiedsbescherming

18

4.3

Houtopstanden

18

5 Conclusie

19

5.1

Conclusie

19

5.2

Uitvoerbaarheid

19

5.3

Vervolgstappen

19

5.4

Te treffen maatregelen

19

1 Inleiding Aan de Gijbelandsedijk 1a te Brandwijk is een boerenerf met woning en bijgebouwen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de mestplaat en een gedeelte van de bestaande bijgebouwen op de planlocatie te slopen en de bestaande loods uit te breiden. Het bestemmingsplan voorziet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve niet te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.

Onderzoeksdoelen • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?

Figuur 1.1

De planlocatie is gelegen te Gijbelandsedijk 1a te Brandwijk.

4

1.1

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Gijbelandsedijk 1a te Brandwijk (figuur 1.2). Op de planlocatie bevindt zich een vrijstaande woning en meerdere bijgebouwen welke voornamelijk een opslagfunctie hebben. De woning en een deel van de bijgebouwen worden binnen de beoogde ruimtelijke ingreep niet aangetast, en worden derhalve niet behandeld in dit rapport. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep worden twee bijgebouwen gesloopt: een werktuigenberging opgetrokken uit damwandplaten en een golfplaten zadeldak zonder spouw of open dakruimte (1); een halfopen overkapping opgetrokken uit metalen golfplaten en houten schroten (2). Tevens zal de mestplaat in het noordoosten van de planlocatie (3) gesloopt worden. In het westen van de planlocatie bevindt zich een loods opgetrokken uit damwandplaten en een golfplaten zadeldak (geen spouw of open dakruimte). Deze loods zal met circa 500 m2 worden uitgebreid. De geplande locatie van de nieuwbouw bestaat uit bestrating en een strook onderhouden gazon. De planlocatie is deels verhard middels grind, bestrating en betonplaten en bestaat verder uit een tuin met enkele kleine bomen en hagen, een kleinschalig weiland en een onderhouden gazon. Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep worden geen bomen of hagen verwijdert. In het midden van de planlocatie bevindt zich een watergang met hoge beschoeiing.

In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Gijbelandsedijk 1a te Brandwijk. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door een waterrijke omgeving met vrijstaande woningen, agrarische opstallen en agrarische percelen (akkers en weilanden). Direct ten noorden van de planlocatie ligt de watergang ‘Voorwetering’. Circa 10 m ten zuiden van de planlocatie ligt het kanaal ‘Graafstroom’. De dichtstbijzijnde snelweg, de A15, ligt op 5,3 km afstand van de planlocatie.

5

Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de volgende gebouwen te slopen: een werktuigenberging (1; links boven); een halfopen overkapping (2; rechts boven) en een mestplaat (3; links onder). De uitbreiding van de loods wordt direct ten oosten van de huidige loods gerealiseerd (rechts onder).

Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving ten noorden van de planlocatie.

1.2

Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een mestplaat en meerdere bijgebouwen en de uitbreiding van een loods. De functie van het perceel dient niet te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden. 6

2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.

2.1

Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 23 maart 2022 en is uitgevoerd door ir. ing. D. Bogers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 19 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.

2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.

7

5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of

bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden.

Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van Provincie Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1

Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.

Vrijgestelde soorten Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ree

Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker

Hermelijn

Vos

Bunzing

Huisspitsmuis

Wezel

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Woelrat

Dwergspitsmuis

Konijn

Egel

Meerkikker

2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening.

8

Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2.

Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.

2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; 9

g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.

10

3 Beoordeling 3.1

Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerkool, Engels raaigras, gewone braam, kleefkruid, kleine brandnetel, klimop, madeliefje, paardenbloem, paarse dovenetel en zevenblad. De planlocatie is deels verhard middels bestrating, betonplaten en grind. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op de planlocatie staan meerdere bomen (o.a. plataan en treurwilg) en struiken (o.a. haagbeuk en laurierkers), welke binnen de beoogde ruimtelijke ingreep behouden worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.

Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, konijn, mol, ree, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de bever geldt dat deze soort beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De bever komt voor in overgangsgebieden tussen water en land, zoals moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. Op de planlocatie is geen sprake van begroeide oevers. Er zijn tevens geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van bevers. Wegens de hoge mate van (menselijke) verstoring wordt de aanwezigheid van deze soort op de planlocatie niet verwacht. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de bever uitgesloten.

Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

11

Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. Enkel de treurwilg in het noordoosten van de planlocatie bevat een holte, welke mogelijk een geschikte verblijfplaats vormt voor vleermuizen. Dit is echter zeer onwaarschijnlijk wegens een ongunstige aanvliegroute, de opening wordt namelijk geblokkeerd met takken. Er worden tevens geen bomen gekapt in de beoogde ruimtelijke ingreep.

De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen/uit te breiden bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De werktuigenberging (1), overkapping (2) en loods zijn opgetrokken uit simpele constructies en beschikken derhalve niet over een spouw of open dakruimte. Wegens het ontbreken van muren met toegankelijke spouw is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. De bebouwing op de planlocatie is te licht om voor de gewone grootoorvleermuis een verblijfplaats te faciliteren. Tevens zijn nergens sporen van deze soort aangetroffen.

Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden er geen (lijnvormige) waterlichamen of groenstructuren aangetast. Er is derhalve geen sprake van het wegnemen van foerageergebieden en/of vliegroutes. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en poelkikker (NDFF 2012-2022). Voor de heikikker en poelkikker geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De voortplantingswateren van de heikikker en poelkikker bestaan voornamelijk uit stilstaande, voedselarme, zwak zure en ondiepe wateren. Het landhabitat betreft hoge en dichte vegetaties zoals vochtige heide of kruidenrijk, vochtig grasland.

Overwintering vindt plaats op vorstvrije locaties zoals in muizenholen of onder houtstructuren (BIJ12 kennisdocument Heikikker, 2017; BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). In de Alblasserwaard lijkt de heikikker, gezien de vele waarnemingen, minder kritisch te zijn ten aanzien van zijn leefgebied. De heikikker is in 2014 circa 220 m ten noorden van de planlocatie waargenomen, ook zijn er verschillende populaties bekend op circa 1,3 km afstand (NDFF 2012-2022). 12

De poelkikker is in de afgelopen tien jaar één keer waargenomen, circa 1,3 km ten zuiden van de planlocatie (NDFF 2012-2022). De planlocatie grenst aan een watergang, welke mogelijk als voortplantingswater voor deze soorten kan dienen. Deze watergang wordt binnen de beoogde ruimtelijke ingreep echter niet aangetast of verstoord. De planlocatie bestaat uit verharding, een onderhouden gazon en, rond de te slopen schuren, uit een kleinschalig en sterk begraasd weiland. Deze onderdelen vormen wegens gebrek aan structuurrijke vegetatie geen geschikt landhabitat voor de heikikker en poelkikker. De beoogde locatie voor de uitbreiding van de loods is verhard en wordt sterk verstoord, op deze locatie zijn derhalve geen geschikte overwinteringslocaties aanwezig. De te slopen schuren vormen wegens regelmatige verstoring tevens geen geschikte overwinteringslocatie voor deze soorten. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt derhalve niet tot negatieve effecten ten aanzien van de heikikker en poelkikker. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.

Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20122022). Het oppervlaktewater op/rond de planlocatie zal binnen de beoogde ruimtelijke ingreep niet worden aangetast. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de platte schijfhoren (NDFF 2012-2022). De platte schijfhoren heeft als voorkeurshabitat voedselrijk, stilstaand water met begroeiing van waterplanten, voornamelijk gele plomp en waterlelie.

Het oppervlaktewater op en nabij de planlocatie zal binnen de beoogde ruimtelijke ingreep niet aangetast worden. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van de platte schijfhoren uitgesloten. Op de planlocatie is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: kauw, meerkoet, Turkse tortel, waterhoen en zilvermeeuw. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2012-2022).

13

Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De werktuigenberging (1), overkapping (2) en loods zijn opgetrokken uit simpele constructies en beschikken derhalve niet over een open dakruimte of andere geschikte openingen die potentiële nestlocaties voor huismus vormen. Op de spantconstructie van de werktuigenberging (1) zijn geen nesten van huismussen waargenomen. Tevens zijn er tijdens het veldbezoek nergens huismussen waargenomen. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake.

De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De bebouwing op de planlocatie faciliteert, wegens hun simpele constructie, geen geschikte nestlocaties voor gierzwaluwen. Tevens is de planlocatie gelegen in landelijk gebied. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. In de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.

De planlocatie is geen onderdeel van het functioneel leefgebied van uilen of andere roofvogelsoorten. De weilanden en erven in de nabije omgeving van de planlocatie bieden tevens voldoende alternatief leefgebied. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

14

3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,5 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’ (figuur 3.1).

Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,5 km tot het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van een mestplaat en meerdere opstallen en de uitbreiding van een loods (werktuigenberging). Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase mogelijk tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a).

De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen;

15

b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien er sprake is van een grote afstand (1,5 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS-Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 1,5 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2) en op een afstand van circa 40 km ligt beschermd grasland in de Bollenstreek (geen kaartweergave). Op een afstand van circa 500 m ligt Belangrijk weidevogelgebied (figuur 3.3) en op een afstand van circa 10 km ligt de Groene buffer (geen kaartweergave). Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,5 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: www. ruimtelijkeplannenzuidholland.nl)

16

Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 500 m tot het Belangrijk weidevogelgebied (bron: www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl)

3.3 Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.

17

4 Samenvatting 4.1

Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1

Overzicht van de Soortenbescherming.

Soortgroep

Bescherming Wnb

Soortspecifiek onderzoek

Planten

Nee

Grondgebonden zoogdieren

Nee

Vleermuizen

Nee

Amfibieën

Nee

Reptielen

Nee

Vissen

Nee

Insecten en andere ongewervelden

Nee

Vogels (cat. 1 t/m 4)

Nee

Vogels (Algemeen en cat. 5)

Nee

Mogelijke functie planlocatie

4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Mogelijke effecten

Nader onderzoek

Natura 2000 Natuurnetwerk Nederland Beschermd grasland in de Bollenstreek Belangrijk weidevogelgebied Groene buffer

1,5 km 1,5 km

Geen Geen

N.v.t. N.v.t.

40 km

Geen

N.v.t.

500 m 10 km

Geen Geen

N.v.t. N.v.t.

4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

18

5 Conclusie 5.1

Conclusie De sloop van meerdere bijgebouwen en de uitbreiding van een bestaande loods aan de Gijbelandsedijk 1a te Brandwijk is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

5.2 Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, amfibieën en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

5.3 Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

5.4 Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

• De sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. 19

Bronvermelding Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Heikikker (Rana arvalis) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

Bijlage 1

Fotografische impressie

20

Bijlage 1

Fotografische impressie

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Gijbelandsedijk 1a te Brandwijk en bestaat uit een woning en meerdere bijgebouwen. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van twee bijgebouwen en een mestplaat en de uitbreiding van een bestaande loods. De foto weergeeft de binnenzijde van de werktuigenberging (1).

Figuur 2

De half open overkapping (2) welke binnen de beoogde ruimtelijke ingreep gesloopt zal worden.

21

Figuur 3

De mestplaat (3) die binnen de beoogde ruimtelijke ingreep gesloopt zal worden. De treurwilg achter de mestplaat blijft behouden.

Figuur 4

In het midden van de planlocatie bevindt zich een watergang met beschoeide oevers. Aan de overzijde van het water bevindt zich de loods en de locatie waar de uitbreiding gerealiseerd zal worden.

22

Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288

blomecologie.nl 23

VERKENNEND BODEMONDERZOEK GIJBELANDSEDIJK 1A BRANDWIJK

JUNI 2022

opdrachtgever

Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer BV Lekdijk 44 2967 GB Langerak

Projectnummer

22-2033

versie:

14

datum:

17 juni 2022

LINGE MILIEU BV | BODEMONDERZOEK & ADVIES | POPPELENBURGERSTRAAT 52 | 4191 zt | GELDERMALSEN | THE NETHERLANDS T 0345 - 570 272

|

INFO@LINGEMILIEU.NL

opgesteld door: Arjan Vlasblom

|

WWW.LINGEMILIEU.NL

|

KVK TIEL 30233558

controle / vrijgave: John Hol Hierbij verklaar ik, Nico Verweij, het veldwerk in Brandwijk uitgevoerd te hebben volgens BRL SIKB 2000 en bijbehorend protocol 2001 en 2002, in mei 2022, onafhankelijk van opdrachtgever of eigenaar

1. Inleiding

1

2. Vooronderzoek

2

2.1 2.2

Historie en actuele situatie Bodemopbouw

2 4

3. Opzet en invulling van het onderzoek

4

3.1 3.2 3.3

Onderzoekstrategie Veldwerk onderzoek Zintuiglijke waarnemingen, chemisch onderzoek

4. Analyse, toetsing en interpretatie 4.1 4.2 4.3

5

4 4 4

6

Analyseresultaten grond Analyseresultaten grondwater resultaten asbest

6 7 8

Conclusie en aanbevelingen

9

5.1 5.2

Conclusies Betrouwbaarheid

bijlagen bijlage A: algemene toelichting bodemonderzoek bijlage B1 analyseresultaten grond bijlage B2 analyseresultaten grondwater bijlage B3 resultaten asbest bijlage C: boorstaten bijlage D1 kadasterkaart, historische gegevens bijlage D2 informatie Omgevingsdienst ZHZ bijlage E: situatieschets

1 bodemonderzoek Gijbelandsedijk 1A Brandwijk, juni 2022

9 10

1. Inleiding In mei en juni 2022 is in opdracht Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer te Langerak verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het terrein aan de Gijbelandsedijk 1A in Brandwijk.

Op het perceel staan een woning uit 2014 en enkele bijgebouwen. Deze zijn onderdeel van voormalig loonbedrijf A.J. de Haan BV. In het verleden is verder een transportbedrijf op de locatie gevestigd geweest. Het terrein tussen de opstallen is deels verhard met stelconplaten. Aan de achterzijde bevindt zich een half-verharding van gebroken puin. Aanleiding voor het onderzoek zijn de wijziging van de bestemming van het perceel en de sloop van de bijgebouwen (op één na). De locatie heeft een oppervlak van 2.930 m². Kadastrale gegevens van het perceel zijn Brandwijk D, nummer 323. Wat eventuele bodemverontreiniging betreft is de locatie als onverdacht beschouwd, met asbest als aandachtspunt. Er zijn veertien boringen en een peilbuis over het terrein verdeeld tot maximaal 2.6 mmv. Het grondwater stond op het moment van het onderzoek op 1.0 m-mv. Grond en grondwater zijn geanalyseerd op het NEN 5740-pakket en asbest. Het asbestonderzoek is indicatief.

Linge Milieu is een onafhankelijk bureau dat als erkend bureau is aangewezen door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Linge Milieu is geen eigenaar van het perceel in Brandwijk of anderszins betrokken bij het terrein aan de Gijbelandsedijk via de eigen organisatie. Voorwaarde voor de onafhankelijkheid is verder dat er geen zakelijke connecties bestaan tussen de monsternemer (Linge Milieu) en de opdrachtgever. Een dergelijke relatie tussen Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer BV en Linge Milieu BV is er niet. Dit project is uitgevoerd onder certificaat volgens BRL SIKB 2000, certificaatnummer VB-051/7. Het veldwerk is uitgevoerd conform de BRL-Protocollen 2001 en 2002, waarvoor Linge Milieu volgens het procescertificaat veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek is gecertificeerd.

In hoofdstuk 2 zijn de resultaten van het vooronderzoek gegeven, dat vooraf is gegaan aan het veldwerk. Er wordt daarbij een korte samenvatting gegeven van de huidige situatie. Hoofdstuk 3 behandelt de opzet en uitvoering van het onderzoek. In hoofdstuk 4 en 5 tenslotte worden de resultaten getoetst en worden conclusies aan de resultaten verbonden.

2. Vooronderzoek 2.1

Historie en actuele situatie De onderzoekslocatie betreft het terrein aan de Gijbelandsedijk 1A in Brandwijk, gemeente Molenlanden. Kadastraal is het perceel bekend als Brandwijk D, nummer 323, postcode is 2974 VC. De locatie heeft een oppervlak van 2.900 m². Een kadastrale kaart is opgenomen in bijlage D1. Voor het historisch onderzoek zijn gegevens gebruikt van de Omgevingsdienst ZHZ. Verder zijn oude kaarten, eerder onderzoek in de omgeving, luchtfoto's en gegevens van de opdrachtgever gebruikt. De historische gegevens zijn opgenomen in bijlage D. Algemene gegevens locatie Op het terrein staan een woning en enkele bijgebouwen. De woning is gebouwd in 2014. De tuin bestaat uit gras en borders. Achter de woning staan twee schuren: •

Rechts achter de woning staat een stenen schuur met een oppervlak van 110 m². De schuur is gebouwd in 1960. In de schuur ligt een gesloten betonvloer, op het dak liggen vermoedelijk asbestplaten.

•

Schuur twee staat tegen de achterzijde van het perceel en heeft een oppervlak van 300 m². Bouwjaar is 1960. De schuur is gebouwd van metalen damwanden. Ook hier ligt een dak van asbestgolfplaten op. In een deel van de loods liggen tegels, de rest is beton. Tegen de oostkant van de schuur is een half-open aanbouw geplaatst van metalen wanden en dak, oppervlak 50 m².

•

In de noordoost-hoek van de locatie bevindt zich een voormalige betonnen mestplaat, oppervlak 130 m². De plaat is de afgelopen jaren gebuikt voor opslag van onder andere (schone) grond.

De oprit naast de woning bestaat uit natuursteen. Dit is aangebracht in 2014, ten tijde van de bouw van de woning. Het terrein tussen de woning en schuren is verhard met stelconplaten. Deze hebben een oppervlak van ongeveer 240 m². Onder de stelconplaten bevindt zich puin als fundering. De laag puin heeft een dikte van tenminste 0.7 meter. Het achterste deel van de locatie is half-verhard met puin of menggranulaat. Dit is een oppervlak van 220 m². Hier heeft het puin een dikte van 1.0 meter. Er is voor het onderzoek met een kraan doorheen gegraven. Foto's van de huidige situatie zijn opgenomen in bijlage D1. De indeling van het terrein is aangegeven op tekening in bijlage E. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen wijziging van de bestemming van het terrein, van bedrijfs naar wonen. De bijgebouwen worden gesloopt, op de schuur rechts achter de woning na. Er is voor de bestemmingswijziging en sloop geen grondverzet nodig.

Geschiedenis van het terrein Tot vorig jaar was loonbedrijf A.J. de Haan BV op het terrein gevestigd. Tussen 1979 en 1981 deed het bedrijf ook in transport. In bijlage D1 zijn zes kaarten van het gebied opgenomen, uit 1950, 1960, 1970, 1980, 1995 en 2015. Op alle kaarten is bebouwing op het perceel aangegeven. Voor de huidige woning stond er een andere woning langs de weg. Verder zijn in bijlage D1 drie luchtfoto's opgenomen, uit 2005, 2015 en 2020. Op de foto uit 2005 is de oude woning nog te zien met daar achter een schuur. Verder was de oprit destijds wat breder en van ander materiaal (klinkers volgens de eigenaar).

Gedempte sloot Er zijn geen gedempte sloten op de locatie terug te vinden op oude kaarten. Aan de achterzijde van het perceel Gijbelandsedijk 1 is medio jaren '70 wel oppervlaktewater gedempt. Volgens het dossier van

2 bodemonderzoek Gijbelandsedijk 1A Brandwijk, juni 2022

omgevingsdienst ZHZ is daar onder andere huisvuil voor gebruikt. De Gijbelandsedijk 1 ligt ten westen van de onderzoekslocatie. De percelen zijn gescheiden door een brede sloot.

Tank Er zijn geen huidige of voormalige tanks binnen het onderzoeksgebied bekend.

Asbest Er zijn mogelijke bronnen van asbest-bodemverontreiniging op het terrein bekend. I. Onder de stelconplaten achter de woning ligt puin. Deze fundering heeft een dikte van tenminste

0.7 meter. Dit is een oppervlak van 240 m². Er is een mengmonster van het puin op asbest geanalyseerd. II. De achterzijde van het perceel is half-verhard met menggranulaat of gebroken puin. De laag heeft

een dikte van 1.0 meter en een oppervlak van 220 m². Van dit materiaal zijn twee mengmonsters samengesteld, één van de onder- en één van bovenlaag. III. Op de daken van de twee schuren ligt asbest. Bij drie dakranden ontbreekt een dakgoot en is de

bodem onverhard. Daar is sprake van een verdachte druppel-gootlijn. De contouren zijn aangegeven op tekening in bijlage E. •

gootlijn één, ten oosten van de schuur aan de oostkant van het terrein, lengte 12 m,

•

gootlijn twee, oostelijk van de schuur aan de westkant, lengte 15 meter,

•

gootlijn drie, westelijk van de schuur aan de westkant, 20 meter.

Eerder onderzoek, omgeving In september 2012 is bodemonderzoek op het terrein uitgevoerd door Inpijn Blokpoel BV, naar aanleiding van de bouw van de huidige woning. Rapport-nr is 13P000609. Er was voor het onderzoek een oppervlak aangehouden van 250 m². Grond en grondwater waren niet boven de tussenwaarde verontreinigd. In de omgeving zijn de onderstaande onderzoeken geregistreerd bij omgevingsdienst ZHZ. Het rapportje van het bodemloket van de omgevingsdienst is opgenomen in bijlage D2. Een overzicht: I. IGF BV heeft bodemonderzoek uitgevoerd in december 1985 op het naastgelegen terrein Gijbe-

landsedijk 1. Op dat perceel is een demping bekend. Er zijn geen details van het onderzoek vermeld in het bodemdossier. II. Aan de Gijbelandsedijk 6-6A was in de jaren '60 een tankstation gevestigd. Bodemstaete BV heeft er

tussen 1996 en 2005 meerdere onderzoeken verricht.

Bodemkwaliteitskaart, boomgaarden, PFAS, japanse duizendknoop Voor Brandwijk is een bodemkwaliteitskaart beschikbaar. De bebouwing langs de Gijbelandsedijk ligt in de zone Industrie Heterogeen. Heterogeen houdt in dat de kwaliteit van de grond te heterogeen is om grond van de locatie af te voeren en elders in de regio her te gebruiken op basis van de bodemkwaliteitskaart. De kaart is opgenomen in bijlage D2. Er hebben sporadisch wat boomgaarden langs de Gijbelandsedijk gestaan in de jaren '60. Er is echter geen oorspronkelijke toplaag meer aanwezig op het terrein. De locatie is daarmee onverdacht voor bestrijdingsmiddelen. De locatie aan de Gijbelandsedijk is net als de rest van Nederland verdacht voor PFAS. Onderzoek naar PFAS is relevant als er grond van het terrein moet worden afgevoerd. Er is nergens japanse duizendknoop op de locatie gezien.

3 bodemonderzoek Gijbelandsedijk 1A Brandwijk, juni 2022

2.2

Bodemopbouw Het onderzoeksterrein ligt op de tijdens het Holoceen gevormde gronden, die worden gerekend tot de Westlandformatie. De slecht doorlatende deklaag ter plaatse bestaat uit humeuze klei en veen, met een dikte van ongeveer 14 meter. De bodem van het onderzochte terrein bestaat uit humeuze, bruine klei, lokaal overgaand in veen tussen 0.5 en 1.0 m-mv. In de meeste boringen is puin waargenomen, tot een diepte van maximaal 1.5 m-mv. Het gehalte is gekwalificeerd als zwak of sporen van, in één boring is dat matig. De fundering van puin of menggranulaat onder de stelconplaten en aan de achterzijde van het terrein is bestaat voor 100% uit bodemvreemd materiaal en is geen onderdeel van de bodem. Er is visueel nergens asbest-verdacht materiaal zoals plaatjes aangetroffen. Het maaiveld van de locatie bevindt zich op ongeveer 0.9 meter onder NAP. Ten tijde van het onderzoek stond het grondwater op circa 1.0 m-mv. De stromingsrichting van het freatisch grondwater is westelijk tot noordwestelijk. De locatie bevindt zich niet in een grondwater-beschermingsgebied.

4 bodemonderzoek Gijbelandsedijk 1A Brandwijk, juni 2022

3. Opzet en invulling van het onderzoek 3.1

Onderzoekstrategie Bij het opstellen van de onderzoeksstrategie is bijlage VED-HE van de NEN 5740 (Strategie bij verkennend onderzoek, verdacht, lintbebouwing) als richtlijn gehanteerd, met asbest als aandachtspunt. Het asbest-onderzoek is indicatief. Dit mede door het vele puin op de locatie (dikte plaatselijk meer dan een meter) en de aanleiding van het onderzoek : bestemmingswijziging van het perceel zonder grondverzet. Het aantal boringen en de locaties ervan is afgestemd op het doel van het onderzoek; het vaststellen van de algemene kwaliteit van de bodem in het kader van de bestemmingswijziging van het terrein.

3.2

Veldwerk onderzoek Voorafgaand aan het veldwerk is een KLIC-melding gedaan en is het terrein geïnspecteerd. De boringen en de bemonstering van de bodem zijn uitgevoerd volgens de BRL-protocollen 2001 en 2002. Het veldwerk is uitgevoerd op 9 mei en 2 juni 2022. Voor het onderzoek van 2 juni is een kraan ingezet om door de puin-fundering heen te graven. Er zijn veertien boringen en een peilbuis geplaatst, tot een diepte van maximaal 2.3 m-mv. Het veldwerk is uitgevoerd door Nico Verweij (Geldermalsen), erkend veldwerker voor de protocollen. Zie ook www.bodemplus.nl/aanvragen/erkenningen/zoekmenu. De boringen 1 tot en met 10 zijn rond de stelconplaten en half-verharding gezet, op 9 mei. De nummers 10 tot en met 15 zijn in de verharding geplaatst. Boring 10, in de te slopen loods, is afgewerkt met een peilbuis met een filter van 1.5 tot 2.5 m-mv, bij een grondwaterstand van 1.0 m-mv. Deze is bemonsterd op 2 juni 2022. Bij de bemonstering zijn de pH, troebelheid en geleidbaarheid bepaald. De locaties van de boringen en peilbuis zijn terug te vinden in de schets in bijlage E.

Asbest Er is visueel nergens asbest waargenomen in of op de grond. Er is voor het indicatieve asbest-onderzoek zes monsters samengesteld van grond en puin van het terrein. Het droge stofgehalte van de mengmonsters van de gootlijnen 1, 2 en 3 is te licht, minder dan 10 kg. Omdat in het mengmonster Gootlijn Twee door het lab vier stukjes asbest zijn gevonden is deze gootlijn opnieuw bemonsterd op 2 juni. Een tegevaller : het droge gewicht van het nieuwe monster van gootlijn B is 9.4 kg, ook te licht. Nat-gewicht van de emmer was 14.2 kg, meer kon er niet in. Het droge stofgehalte van deze grond is 66%, nog lager dan in het veld was geschat. Het asbest-onderzoek samengevat: tabel 1: asbest-onderzoek

3.3

locatie

m-mv

omschrijving

asbest op mv visueel asbest in grond

mm asbest

mm A, gootlijn 1 mm B, gootlijn 2 (herbemonstering) mm C, gootlijn 3

0.1 0.1 0.1

kleiig, licht puin kleiig, licht puin kleiig, licht puin

neen neen neen

neen neen neen

mm A, 10.4 kg mm B, 9.4 kg mm C, 9.5 kg

mm D, puin onder stelcon, gat 11-12 mm E, half-verharding achter, gat 13 mm F, half-verharding achter, gat 13

0.8 0.0 - 0.5 0.5 - 1.0

geheel puin geheel puin geheel puin

neen neen neen

neen neen neen

mm D, 17 kg mm E. 26 kg mm F, 26 kg

Zintuiglijke waarnemingen, chemisch onderzoek Bij alle boringen is de grond zintuiglijk beoordeeld op bodemkundige eigenschappen en verdachte

5 bodemonderzoek Gijbelandsedijk 1A Brandwijk, juni 2022

afwijkingen. De bodem van het perceel bestaat uit humeuze, bruine klei, lokaal overgaand in veen tussen 0.5 en 1.0 m-mv. In de meeste boringen is puin waargenomen, tot een diepte van maximaal 1.5 m-mv. Het gehalte is gekwalificeerd als zwak of sporen van, plaatselijk is dat matig. De fundering van puin of menggranulaat onder de stelconplaten en aan de achterzijde van het terrein is bestaat voor 100% uit bodemvreemd materiaal en is geen onderdeel van de bodem. Er is visueel nergens asbest-verdacht materiaal zoals plaatjes aangetroffen. De boorbeschrijvingen zijn opgenomen in bijlage C. Op basis van de doelstelling van het onderzoek en de bodemopbouw zijn tien representatieve mengmonsters samengesteld. In de ondergrond van boring 4 is het puingehalte in grond als enige als matig gekwalificeerd. Deze grond is separaat op het NEN 5740-pakket geanalyseerd. In de overige boringen is dat licht. Tabel 2 is een overzicht van de monsters en analyses. tabel 2: boringen, peilbuis en analyses nr

boringen / peilbuis

m-mv

NEN analyses

1 2 3 4

B2, 3, 5, 6 en 10 B4 B2, 5 en 6 B12 en 13

kleiig, licht puin zandig, matig puin kleiig, sporen puin klei, humeus

0.0 - 0.7 0.4 - 0.9 0.5 - 1.0 0.9 - 1.5

NEN 5740 grond NEN 5740 grond NEN 5740 grond NEN 5740 grond

5 6 7 8 9 10

mm A, gootlijn 1 mm B, gootlijn 2 mm C, gootlijn 3 mm D, puin gat 11-12 mm E, puin gat 13 mm F, puin gat 13

kleiig kleiig kleiig puin puin puin

0.1 0.1 0.1 0.8 0.0 - 0.5 0.5 - 1.0

asbest grond, NEN 5896 asbest grond, NEN 5896 asbest grond, NEN 5896 asbest puin, NEN 5896 asbest puin, NEN 5896 asbest puin, NEN 5896

11

pb 10

grondwater

1.5 - 2.5

NEN 5740 grondwater

NEN-pakket grond AS3000 (stap 1) - droge stof, lutum en organische stof, - zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), - PAK (10VROM),- PCB´s en olie. NEN-pakket grondwater AS3000 (stap 2) - zuurgraad (pH), - zware metalen (barium, cadmium, molybdeen, kobalt, koper, kwik, lood, nikkel en zink), - vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen) en olie, - vluchtige chloorkoolwaterstoffen (1,2-dichloorethaan, cis 1,2-dichlooretheen, 1,2-dichloorpropaan, tetrachloormethaan, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2- trichloorethaan, trichlooretheen (tri), trichloormethaan.

6 bodemonderzoek Gijbelandsedijk 1A Brandwijk, juni 2022

4. Analyse, toetsing en interpretatie 4.1

Analyseresultaten grond De analysecertificaten en toets zijn opgenomen in bijlage B1. De toetsing is uitgevoerd conform de BoToVa-systematiek (Bodem Toets & Validatieservice). In de tabel zijn de naar standaard bodem omgerekende gehaltes opgenomen. De locaties van de boringen zijn terug te vinden in bijlage E. tabel 3 : analyses en toets grond (mg/kg ds), omgerekend naar stand. bodem boring m-m puin

B2, 3, 5, 6, 10 B4 0-70 0.4-0.9 licht matig

org.stof (%) dr.stof (%) lutum (%)

6.2 82.4 11.1

2.2 90.2 6.4

zw metalen barium cadmium kobalt koper kwik lood molybdeen nikkel zink PAK 10VROM PCB´s olie C10-40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=963c6739-e8ad-4f1f-93c8-364a5e5ad201