CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Bijlagen bij de bestemmingsplantoelichting ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 34a’

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Abbekesdoel 34A, Bleskensgraaf35.240 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en de Groene Contour geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Indien de bebouwing gesaneerd gaat worden, betreft de beoogde ontwikkeling de realisatie van een vrijstaande woning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen.

11

De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; • Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; • Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning. Gezien er sprake is van een grote afstand (1,2 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.

12

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Indien de bebouwing gesaneerd/ uitpandig gerenoveerd wordt dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: huismus en vleermuis. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets en een AERIUS stikstofberekening is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Binnen de beoogde ontwikkelingen zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Derhalve is een meldingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming niet benodigd.

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

+/-

j/n

+/-

-

-

-

-

-

-

-

n

n

n

n

*

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

insecten en ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

+/-

+/-

n

j/n*

Soortspecifiek onderzoek is enkel noodzakelijk indien besloten wordt dat de bebouwing op de planlocatie gesaneerd/uitpandig gerenoveerd wordt. *

13

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

1,7 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

1,2 km

geen

n.v.t.

Belangrijk weidevogelgebied

0,5 km

geen

n.v.t.

Strategische reservering natuur

2 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

nee

nee

n.v.t.

Bomen

nee

nee

n.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Mits de bebouwing op de planlocatie gesaneerd/gerenoveerd wordt dient er voorafgaand aan de werkzaamheden met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen/renoveren bebouwing een relevante functie heeft voor huismussen en vleermuizen. Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard, huismus: er zijn belangen vanuit volksgezondheid -klimaatsverandering- aan te voeren) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd).

Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De ontwikkeling aan de Abbekesdoel 34a is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen • Mits de bebouwing gesloopt/gerenoveerd wordt dient er aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni. Een technische inspectie wordt uitgevoerd middels het lichten van dakpannen en inventariseren van nestlocaties buiten het broedseizoen, tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat oude nesten ook meegenomen worden. • Mits de bebouwing gesloopt/ uitpandig gerenoveerd wordt dient er aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond.

De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.

14

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van de bosuil (medio februari t/m medio juni).

15

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kerkuil Tyto alba, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Steenuil Athene noctua, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen.

Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.maps.arcgis.com www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vogelbescherming.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

16

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., L. Pieterman Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

17

Bijlage 1 Fotografische impressie

Figuur 1

18

Aan de sloot ten oosten van de planlocatie worden geen werkzaamheden verricht.

19

Figuur 2

Door de open stootvoegen is te zien dat er deels isolatiemateriaal aanwezig is in de spouwmuur. Er is echter een (beperkte) kruipruimte aanwezig.

Figuur 3

Aan de achterzijde van de bebouwing op Abbekesdoel 34a versperren een dakconstructie en de groenstructuren de aanvliegroute voor vleermuizen naar de spouwmuur.

Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

20

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).

21

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).

22

Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van ongeveer 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).

Gedrag De rugstreeppad is een typische pionierssoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.

Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locaties specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

23

Stikstofdepositieonderzoek Aanleg- en gebruiksfase ontwikkeling Abbekesdoel 34a Bleskensgraaf

Van den Heuvel Milieuadvies Adres: Postcode + plaats: Telefoon: Email: Website: Auteur:

Lekdijk 44 2967 GB Langerak 0184-600240 info@vandenheuvelbv.eu www.vandenheuvelbv.eu Trevor Versluis

Titel document:

Stikstofdepositieonderzoek aanleg- en gebruiksfase ontwikkeling Abbekesdoel 34a Bleskensgraaf 19116 2 1 maart 2021

Referentie: Versie: Datum:

AERIUS-kenmerk aanlegfase: RSvMVz4fpJQx AERIUS-kenmerk gebruiksfase: RNpg29HvqSEW

Pagina 2 van 17

Inhoudsopgave 1. Inleiding ................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 4 1.2 Bestaande situatie en plangebied ................................................................................................. 4 1.3 Nieuwe situatie.............................................................................................................................. 4 1.4 Ligging plangebied in relatie tot stikstofgevoelige habitats .......................................................... 5 2. Beleidskader............................................................................................................................. 6 2.1 Wet natuurbescherming ............................................................................................................... 6 2.2 Programma Aanpak Stikstof (PAS) ................................................................................................ 6 3. Wijze van meten ....................................................................................................................... 7 4.

Uitgangspunten ........................................................................................................................ 8 4.1 Aanlegfase ..................................................................................................................................... 8 4.2 Gebruiksfase ................................................................................................................................ 10 4.3 Mobiele werktuigen .................................................................................................................... 11 4.4 Voertuigen aanlegfase................................................................................................................. 12 4.5 Voertuigen gebruiksfase.............................................................................................................. 13 4.6 Gebouwinvloed ........................................................................................................................... 14 5. Rekenresultaat en conclusie.................................................................................................... 15 Bijlage 1 – Referentie mobiele werktuigen ..................................................................................

16 Bijlage 2 – AERIUS-uitdraai ......................................................................................................... 17

Pagina 3 van 17

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Het perceel Abbekesdoel 34a te Bleskensgraaf betreft een voormalige dierenkliniek. De bedrijfsactiviteiten zijn in november 2019 gestaakt, waardoor het gebouw thans leeg staat. De initiatiefnemer is voornemens om de kliniek volledig te saneren en een nieuwe burgerwoning te realiseren. Om de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats vanwege de aanleg- en gebruiksfase van deze ontwikkeling te berekenen is Van den Heuvel Milieuadvies gevraagd om een stikstofdepositieonderzoek op te stellen.

1.2 Bestaande situatie en plangebied Het plangebied betreft het perceel Abbekesdoel 34a te Bleskensgraaf waarop de voormalige dierenkliniek is gerealiseerd. Het plangebied maakt onderdeel uit van het kadastrale perceel Bleskensgraaf – E – 423.

Afbeelding 1: Luchtfoto plangebied

1.3 Nieuwe situatie In de nieuwe situatie is de voormalige dierenkliniek gesaneerd en is op dezelfde locatie een nieuwe burgerwoning gerealiseerd.

Pagina 4 van 17

1.4 Ligging plangebied in relatie tot stikstofgevoelige habitats Het plangebied is op een minimale afstand gelegen van circa 6,1 km tot een stikstofgevoelige habitat binnen een Natura 2000-gebied. Het betreft een stikstofgevoelige habitattype in het Natura 2000gebied ‘Biesbosch’. Verder zijn op een afstand van circa 12,6 km, 15,8 km en 17,7 km stikstofgevoelige habitats gelegen binnen respectievelijk de Natura 2000-gebieden ‘Uiterwaarden Lek’, ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ en ‘Zouweboezem’. Binnen de Natura 2000-gebieden ‘Donkse Laagten’ en ‘Boezems Kinderdijk’ zijn geen stikstofgevoelige habitats aanwezig. 12,6 km 17,7 km

15,8 km 6,1 km

Afbeelding 2: Afstand plangebied t.o.v. stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden

Pagina 5 van 17

2. Beleidskader 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden.

2.2 Programma Aanpak Stikstof (PAS) Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op beschermde stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden.

Pagina 6 van 17

3. Wijze van meten De stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden als gevolg van de aanleg- en de gebruiksfase van het plan is berekend met de nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS Calculator 2020. Omdat de depositie van de aanlegfase tijdelijk van aard is en de depositie vanwege de gebruiksfase permanent is, zijn de fases separaat in de Calculator berekend. Met betrekking tot het invoeren van de gegevens in de AERIUS Calculator 2020 is gebruikgemaakt van de ‘Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator 2020’ van BIJ12 (januari 2021, versie 3.0).

Pagina 7 van 17

4. Uitgangspunten Om de stikstofdepositie als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase in kaart te brengen is uitgegaan van de volgende uitgangspunten.

4.1 Aanlegfase De aanlegfase kan globaal verdeeld worden in drie fases: de saneringsfase, het bouw- en woonrijp maken van het terrein en de realisatiefase. Tijdens deze fases worden machines en voertuigen ingezet die tijdelijk stikstof emitteren. Op basis van expert judgement wordt per fase beschreven welke machines nodig zijn en hoe lang deze machines worden ingezet. Bij de inzet van de machines is rekening gehouden met de belasting van het werktuig alsmede het stationair draaien van het werktuig.

4.1.1 Saneringsfase Tijdens de saneringsfase wordt de voormalige dierenkliniek volledig gesaneerd. Voor het saneren wordt uitgegaan dat er 1 week (5 werkdagen) nodig is. Om de kliniek te saneren wordt een graafmachine ingezet. De graafmachine stort het puin vervolgens in een puincontainer. Er wordt uitgegaan dat elke dag twee vrachtauto’s (zwaar vrachtverkeer) het plangebied betreden om het puin op te halen en af te voeren. Tijdens de saneringsfase wordt er verder vanuit gegaan dat elke werkdag 3 werknemers elke werkdag met een eigen bestelauto (licht verkeer) het terrein betreden. Resumerend wordt voor de saneringsfase de volgende mobiele machines (tabel 1) en voertuigen (tabel 2) ingezet. Tabel 1: Inzet mobiele werktuigen tijdens de saneringsfase Type mobiele werktuig Aantal Inzet machine Graafmachine 1 40 uren Tabel 2: Inzet voertuigen tijdens de saneringsfase Type voertuig Aantal voertuigen Licht verkeer 15 Zwaar vrachtverkeer 10

Totaal 40 uren

Aantal ritten (heen en weer) 30 20

4.1.2 Bouw- en woonrijp maken De tweede fase voorziet in het bouw- en woonrijp maken. Voor deze fase zijn 10 werkdagen nodig. Voor het bouw- en woonrijp maken van het perceel wordt een graafmachine voor 5 werkdagen ingezet. Na de graafwerkzaamheden wordt 1 werkdag lang een trilplaat gebruikt. Verder wordt ervan uitgegaan dat elke werkdag 2 werknemers het perceel betreden met bestelauto’s. Om de 2 dagen betreedt tevens een vrachtauto het terrein. Resumerend wordt voor deze fase de volgende mobiele machines (tabel 3) en voertuigen (tabel 4) ingezet. Tabel 3: Inzet mobiele werktuigen tijdens het bouw- en woonrijp maken Type mobiele werktuig Aantal Inzet machine Graafmachine 1 40 uren Trilplaat 1 8 uren

Totaal 40 uren 8 uren

Tabel 4: Inzet voertuigen tijdens het bouw- en woonrijp maken Type voertuig Aantal voertuigen Aantal ritten (heen en weer) Licht verkeer 20 40 Zwaar vrachtverkeer 5 10 Pagina 8 van 17

4.1.3 Realisatiefase Gedurende 8 maanden (160 werkdagen) wordt tijdens de realisatiefase de nieuwe woning gerealiseerd en daarmee het project afgerond. Een heistelling wordt voor 1 werkdag ingezet voor het heien van de palen en 1 werkdag lang wordt een betonstorter ingehuurd voor het storten van de vloeren. Voor de realisatiefase wordt 15 werkdagen een hijskraan ingezet voor het hijsen van vloeren, kappen en het verplaatsen van bouwmateriaal. Verder wordt ervan uitgegaan dat elke dag bouwvakkers het terrein betreden met 4 bestelauto’s. Voor het vervoeren van materialen (palen, vloeren, kappen, stenen, kalkzandstenen, gipsbeton, betonstaal, trappen, bouwmaterialen, materieel, kozijnen, dakpannen, zandcement, afval en installatie) zijn 30 vrachtauto’s nodig. Resumerend wordt voor het bouw- en woonrijp maken van het terrein de volgende mobiele werktuigen (tabel 5) en voertuigen (tabel 6) ingezet. Tabel 5: Inzet mobiele werktuigen tijdens de realisatiefase Type mobiele werktuig Aantal Inzet machine Heistelling 1 8 uren Betonstorter 1 8 uren Hijskraan 1 120 uren Tabel 6: Inzet voertuigen tijdens de realisatiefase Type voertuig Aantal voertuigen Licht verkeer 640 Zwaar vrachtverkeer 30

Totaal 8 uren 8 uren 120 uren

Aantal ritten (heen en weer) 1.280 60

4.1.4 Resume Per saldo voorziet de aanlegfase in de inzet van de volgende machines (tabel 7) en voertuigen (tabel 8). Tabel 7: Inzet mobiele werktuigen tijdens de aanlegfase Type mobiele werktuig Aantal Inzet machine Graafmachine 1 80 uren Trilplaat 1 8 uren Heistelling 1 8 uren Betonstorter 1 8 uren Hijskraan 1 120 uren Tabel 8: Inzet voertuigen tijdens de aanlegfase Type voertuig Aantal voertuigen Licht verkeer 675 Zwaar vrachtverkeer 45

Totaal 80 uren 8 uren 8 uren 8 uren 120 uren

Aantal ritten (heen en weer) 1.350 90

Pagina 9 van 17

4.2 Gebruiksfase Met betrekking tot de gebruiksfase is in het kader van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden de verkeersgeneratie als gevolg van de nieuwe woning alsmede de stikstofuitstoot door eventuele stookinstallaties in de woning relevant.

4.2.1 Woning De nieuwe woning wordt gasloos gerealiseerd. Hierdoor zal geen sprake zijn van stikstofemissies tijdens de gebruiksfase. De woning is als puntbron opgenomen in de Calculator, waarbij alle parameters zijn ingevuld met 0 (gezien er geen stikstofemissie plaatsvindt).

4.2.2 Verkeer De nieuwe woning zal verkeer aantrekken. Om de verkeersgeneratie vanwege de ontwikkeling te bepalen is gebruikgemaakt van CROW-publicatie 381. In de CROW-publicatie wordt uitgegaan van een bandbreedte van een minimaal tot een maximaal kengetal. Voor het onderhavig onderzoek is uitgegaan van het maximale kengetal. In de berekening is verder uitgegaan van de stedelijkheidsgraad “niet stedelijk” en het gebiedstype “buitengebied”. Tabel 9: Verkeersgeneratie per etmaal Categorie Maximale norm Woning, koop, vrijstaand 8,6 per woning

Aantal 1

Verkeersgeneratie per etmaal 8,6 verkeersbewegingen

Totale verkeersgeneratie 9 verkeersbewegingen

Pagina 10 van 17

4.3 Mobiele werktuigen Via bureaustudie is het vermogen van de werktuigen achterhaald door gebruik te maken van websites van mobiele werktuigenproducenten en -verhuurders (zie bijlage 1). De stageklasse volgt uit het bouwjaar. Naast de inzet van de machines dient tevens het stationair draaien van de mobiele werktuigen meegenomen te worden. Uit wordt gegaan dat een machine 70% van de tijd wordt belast en 30% van de tijd stationair draait. De factsheet ‘TNO getallen voor AERIUS 2020 v9 mobiele werktuigen’ is gebruikt om de belasting en emissiefactoren van NOx en NH3 tijdens belasting en stationair draaien te bepalen. Uit deze gegevens kunnen de NOx en NH3-emissies van de mobiele werktuigen berekend worden aan de hand van de volgende formules: 𝐸𝑚𝑖𝑠𝑠𝑖𝑒 𝑡𝑖𝑗𝑑𝑒𝑛𝑠 𝑏𝑒𝑙𝑎𝑠𝑡𝑖𝑛𝑔 = 𝑖𝑛𝑧𝑒𝑡 × 𝑣𝑒𝑟𝑚𝑜𝑔𝑒𝑛 × 𝑓𝑟𝑎𝑐𝑡𝑖𝑒 𝑏𝑒𝑙𝑎𝑠𝑡𝑖𝑛𝑔 × 𝑒𝑚𝑖𝑠𝑠𝑖𝑒𝑓𝑎𝑐𝑡𝑜𝑟 𝐸𝑚𝑖𝑠𝑠𝑖𝑒 𝑡𝑖𝑗𝑑𝑒𝑛𝑠 𝑠𝑡𝑎𝑡𝑖𝑜𝑛𝑎𝑖𝑟 𝑑𝑟𝑎𝑎𝑖𝑒𝑛 = 𝑖𝑛𝑧𝑒𝑡 × 𝑐𝑖𝑙𝑖𝑛𝑑𝑒𝑟𝑖𝑛ℎ𝑜𝑢𝑑 × 𝑒𝑚𝑖𝑠𝑠𝑖𝑒𝑓𝑎𝑐𝑡𝑜𝑟 De mobiele werktuigen worden over het plangebied gebruikt zonder vaste werklocatie. Hierom zijn de emissies van de mobiele werktuigen als vlakbron over het plangebied gemodelleerd.

Tabel 10: Emissies mobiele werktuigen tijdens belasting Mobiele Vermogen Belasting Inzet Bouw- Emissie- Emissiewerktuigen (70%) jaar factor factor NOx NH3 kW % uur g/kWh g/kWh /jaar Graafmachine 90 69,3 56 2006 ≥ 4,5 0,00259 Trilplaat 10 40,0 5,6 2002 ≥ 1,3 0,00056 Heistelling* 271 69,3 5,6 2006 ≥ 5,5 0,00284 Betonstorter 200 69,3 5,6 2002 ≥ 5,7 0,00286 Hijskraan 370 69,3 84 2002 ≥ 5,7 0,00286 Totale emissie tijdens belasting

Emissie NOx

Emissie NH3

kg/jaar

kg/jaar

15,72 0,03 5,79 4,43 122,77 148,74

0,00905 0,00002 0,00299 0,00222 0,06160 0,07588

* In de factsheet zijn geen gegevens beschikbaar voor een heistelling. Derhalve is aangesloten bij de emissiegegevens van hijskranen, 450 kW, bouwjaar 2006.

Tabel 11: Emissies mobiele werktuigen tijdens stationair draaien (onbelast) Mobiele Vermogen Cilinder- Inzet Stage- Emissie- Emissie- Emissie Emissie werktuigen inhoud (30%) klasse factor factor NOx NH3 NOx NH3 kW liter uur g/kWh g/kWh kg/jaar kg/jaar /jaar Graafmachine 90 4,5 24 III A 14,2 0,00330 1,54 0,00036 Trilplaat 10 0,5 2,4 II 13,9 0,00344 0,02 0,00001 Heistelling* 271 13,6 2,4 III A 14,2 0,00331 0,47 0,00011 Betonstorter 200 10 2,4 II 13,9 0,00344 0,34 0,00009 Hijskraan 370 18,5 36 II 13,9 0,00344 9,26 0,00230 Totale emissie tijdens stationair draaien 11,63 0,00287

Pagina 11 van 17

4.4 Voertuigen aanlegfase 4.4.1 Af- en aanrijdend verkeer De gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer vanwege de aanlegfase worden niet meer aan het plan toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De verkeersbewegingen ten behoeve van de aanlegfase zijn hierom gemodelleerd vanaf het plangebied tot het verkeer welke geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld met actuele emissiefactoren voor wegverkeer die in het rekenprogramma AERIUS Calculator zijn opgenomen. Omdat op voorhand niet te bepalen is waar het verkeer ten behoeve van de aanlegfase vandaan komt, zijn er twee lijnbronnen opgenomen waarbij het verkeer gelijk is verdeeld. De lijnbronnen zijn opgenomen vanaf het plangebied tot enerzijds de kruising Abbekesdoel – Vlietweg en anderzijds de kruising Abbekesdoel – Wijngaardseweg.

4.4.2 Stationair draaien zwaar vrachtverkeer Verder dient het stationair draaien van het zware vrachtverkeer meegenomen te worden in het onderzoek. Omdat op voorhand niet te bepalen is waar de vrachtauto’s zullen stilstaan binnen het plangebied, is een vlakbron over het hele plangebied gemodelleerd. Omdat de AERIUS Calculator geen vlakbron toelaat voor wegverkeer is gekozen voor de categorie ‘Anders’ met een uittreedhoogte van 0,5 m. Om de emissie tijdens het en stationair draaien van het zwaar vrachtverkeer te bepalen is gebruik gemaakt van openbare gegevens van het RIVM. Voor de component NOx is gebruik gemaakt van de publicatie ‘Emissiefactoren voor snelwegen en niet-snelwegen’ (13 maart 2020) en voor de component NH3 is gebruik gemaakt van de publicatie ‘2020 emissiefactoren NH3 voor snelwegen en niet snelwegen’ (15 oktober 2020). Omdat de kenmerken van het stationair draaien van het zwaar vrachtverkeer op het plangebied vergelijkingen heeft met de kenmerken van stagnerend verkeer in de binnenstad, is gebruik gemaakt van de emissiefactoren van de categorie ‘stad stagnerend, file’. Uit wordt gegaan dat de emissie van het stationair draaien van één vrachtauto gelijk is aan de emissie van 100 meter filerijden van één vrachtwagen in een stad. De inzet van 45 vrachtauto’s die benodigd zijn tijdens de aanlegfase zorgen voor de volgende emissies.

Tabel 12: Emissies stationair draaien zwaar vrachtverkeer tijdens aanlegfase NOx NH3 Emissiefactor 2020 (g/km) 7,9165 0,0661 Totale emissie in gram (g) 35,63 0,298 Totale emissie in kilogram (kg) 0,0357 0,0003

Pagina 12 van 17

4.5 Voertuigen gebruiksfase De gevolgen voor het milieu van het af- en aanrijdend verkeer vanwege de nieuwe woning wordt niet meer aan de nieuwe woning toegerekend wanneer dit verkeer kan worden geacht te zijn opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De verkeersbewegingen ten behoeve van de gebruiksfase zijn hierom gemodelleerd vanaf het midden van het plangebied tot het verkeer welke geacht te zijn opgenomen in het heersend verkeersbeeld. Gezien de gebruiksfase uitsluitend voorziet in lichte verkeersbewegingen kan worden gesteld dat het verkeer is opgenomen in het heersend verkeersbeeld wanneer het op de openbare weg rijd, in dit geval de Abbekesdoel. De verkeersbewegingen van de gebruiksfase zijn gemodelleerd middels een lijnbron met actuele emissiefactoren voor wegverkeer die in het rekenprogramma AERIUS Calculator zijn opgenomen.

Pagina 13 van 17

4.6 Gebouwinvloed Naast de emissie van mobiele werktuigen, voertuigen en gebouwen wordt de hoeveelheid stikstofdepositie deels bepaald door de invloed van gebouwen. Adviesbureau BIJ12 heeft op basis hiervan op 20 januari 2020 een addendum vrijgegeven. Gebouwinvloed is relevant om mee te nemen in situaties waarin de verspreiding van emissies wordt beïnvloed door een dominant gebouw in de directe omgeving van de bron. Veelal is de emissiebron gelegen op of aan de zijkant van het gebouw zelf, zoals bij een fabriek met een schoorsteen of bij stallen. Het meenemen van gebouwinvloed heeft tot gevolg dat in veel gevallen een hogere (maximale) concentratie en depositie wordt berekend dan wanneer gebouwinvloed niet wordt meegenomen. In het addendum is opgenomen dat gebouwinvloed in de berekening moet zijn meegenomen indien aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan. 1) De stikstof emitterende bron betreft een stationaire bron, zoals het geval is bij stallen (stalemissies) en (industriële) schoorstenen. Gebouwinvloed wordt niet meegenomen in de berekening bij niet-stationaire bronnen zoals wegverkeer, railverkeer, scheepvaart en mobiele werktuigen.

Ook bij oppervlaktebronnen wordt gebouwinvloed niet meegenomen; 2) De puntbron staat op een dominant gebouw of dichtbij een of meerdere dominante gebouwen; 3) De hoogte van het emissiepunt is minder dan 2,5 maal de hoogte van het gebouw; 4) De afstand van de emissiebron tot de meest nabije stikstofgevoelige natuur is minder dan 3 kilometer. In het onderhavige onderzoek zijn geen stationaire bronnen opgenomen die stikstof emitteren. Tevens zijn er binnen 3 kilometer geen stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden aanwezig. Hiermee wordt niet voldaan aan de voorwaarden en kan worden geconcludeerd dat het aspect gebouwinvloed niet relevant is voor dit onderzoek en is derhalve niet meegenomen in de berekening.

Pagina 14 van 17

5. Rekenresultaat en conclusie In het stikstofdepositieonderzoek is voor het plan de stikstofdepositie vanwege de aanleg- en gebruiksfase ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden berekend met behulp van de AERIUS Calculator 2019A. Uit de berekening blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de ontwikkeling niet voorzien in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De invoergegevens en rekenresultaten zijn opgenomen in bijlage 2 van dit rapport. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.

Pagina 15 van 17

Bijlage 1 – Referentie mobiele werktuigen Tabel 13: Referentie mobiele werktuigen Type werktuig Graafmachine

Trilplaat Betonstorter Hijskraan

Bron: pon-cat.com Conform AERIUS Calculator: 10 kW Conform AERIUS Calculator: 200 kW

Bron: old.cranenetwork.com Heistelling

Bron: bouwmaterieel.benelux.nl

Pagina 16 van 17

Bijlage 2 – AERIUS-uitdraai

Pagina 17 van 17

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RSvMVz4fpJQx (01 maart 2021) pagina 1/6

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Van den Heuvel Milieuadvies

Abbekesdoel 34a, 2971 VB Bleskensgraaf

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Ontwikkeling Abbekesdoel 34a Bleskensgraaf

RSvMVz4fpJQx

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

01 maart 2021, 10:30

2020

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Situatie 1

NOx

160,79 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

Toelichting

Aanlegfase

Resultaten

Situatie 1

RSvMVz4fpJQx (01 maart 2021) pagina 2/6

Resultaten

Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Bron Sector

Emissie NH3

Emissie NOx

Mobiele werktuigen Mobiele werktuigen | Bouw en Industrie

< 1 kg/j

160,37 kg/j

Af- en aanrijdend verkeer 1/2 Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

< 1 kg/j

Af- en aanrijdend verkeer 2/2 Wegverkeer | Buitenwegen

< 1 kg/j

< 1 kg/j

-

-

Stationair draaien en manoeuvreren vrachtauto's Anders... | Anders...

Resultaten

Situatie 1

RSvMVz4fpJQx (01 maart 2021) pagina 3/6

Resultaten

Emissie (per bron)

Mobiele werktuigen 112093, 431276 160,37 kg/j < 1 kg/j

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

NOx NH3

Voertuig

Omschrijving

Uitstoot hoogte (m)

Spreiding (m)

Warmte Stof inhoud (MW)

Emissie

AFW

Belast

4,0

4,0

0,0 NOx NH3

148,74 kg/j < 1 kg/j

AFW

Stationair draaien (onbelast)

4,0

4,0

0,0 NOx NH3

11,63 kg/j < 1 kg/j

Naam Locatie (X,Y) NOx NH3

Resultaten

Soort

Voertuig

Standaard

Standaard

Situatie 1

Af- en aanrijdend verkeer 1/2 111725, 431196 < 1 kg/j < 1 kg/j

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Licht verkeer

675,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Zwaar vrachtverkeer

45,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

RSvMVz4fpJQx (01 maart 2021) pagina 4/6

Resultaten

Af- en aanrijdend verkeer 2/2 112243, 431345 < 1 kg/j < 1 kg/j

Naam Locatie (X,Y) NOx NH3

Soort

Voertuig

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Standaard

Licht verkeer

675,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Standaard

Zwaar vrachtverkeer

45,0 / jaar NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

Naam

Locatie (X,Y) Uitstoothoogte Warmteinhoud Temporele variatie

Resultaten

Situatie 1

Stationair draaien en manoeuvreren vrachtauto's 112100, 431251 0,5 m 0,000 MW Continue emissie

RSvMVz4fpJQx (01 maart 2021) pagina 5/6

Resultaten

Disclaimer

Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.

Rekenbasis

Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Database versie 2020_20210209_2f032ce1a2 Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020

Resultaten

Situatie 1

RSvMVz4fpJQx (01 maart 2021) pagina 6/6

Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.

Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens

Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RNpg29HvqSEW (01 maart 2021) pagina 1/5

Resultaten

Contact

Activiteit

Rechtspersoon

Inrichtingslocatie

Van den Heuvel Milieuadvies

Abbekesdoel 34a, 2971 VB Bleskensgraaf

Omschrijving

AERIUS kenmerk

Ontwikkeling Abbekesdoel 34a Bleskensgraaf

RNpg29HvqSEW

Datum berekening

Rekenjaar

Rekenconfiguratie

01 maart 2021, 10:30

2020

Berekend voor natuurgebieden

Totale emissie

Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)

Toelichting

Resultaten

Situatie 1

NOx

< 1 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Natuurgebied

Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.

Gebruiksfase

Situatie 1

RNpg29HvqSEW (01 maart 2021) pagina 2/5

Resultaten

Locatie Situatie 1

Emissie Situatie 1

Bron Sector

Nieuwe woning Wonen en Werken | Woningen

Af- en aanrijdend verkeer Wegverkeer | Buitenwegen

Resultaten

Situatie 1

Emissie NH3

Emissie NOx

-

-

< 1 kg/j

< 1 kg/j

RNpg29HvqSEW (01 maart 2021) pagina 3/5

Resultaten

Emissie (per bron)

Naam Locatie (X,Y)

Situatie 1

Uitstoothoogte Warmteinhoud Temporele variatie

Naam Locatie (X,Y) NOx NH3

Resultaten

Soort

Voertuig

Standaard

Licht verkeer

Situatie 1

Nieuwe woning 112092, 431290 0,0 m 0,000 MW Continue emissie

Af- en aanrijdend verkeer 112092, 431297 < 1 kg/j < 1 kg/j

Aantal voertuigen Stof

Emissie

9,0 / etmaal NOx NH3

< 1 kg/j < 1 kg/j

RNpg29HvqSEW (01 maart 2021) pagina 4/5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=c7a77d5d-1ff1-4eea-8b45-1b27739178a3