CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3. Ruimtelijke motivering nieuwbouw bedrijfsloods Abbekesdoel 22a

Raadsvergadering 19 juni 2025, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Abbekesdoel 22a - nieuwbouw bedrijfsloods12.910 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De Wijngaardseweg verbindt de N214 met de Abbekesdoel en zorgt voor een ontsluiting voor ondermeer lokaal verkeer waaronder ook veel fietsers. Verkeersgeneratie De nieuwe bedrijfsloods wordt uitsluitend gebruikt om materieel in te stallen dat nu buiten staat (denk aan vrachtwagens, versnipperaars, busjes en aanhangers). De nieuwe bedrijfsloods zal daarmee niet resulteren in een toename van de verkeersbewegingen. Parkeren Voor de parkeerberekening is gebruik gemaakt van het gemeentelijk parkeerbeleid zoals vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. In de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' wordt uitgegaan van het gemiddelde. Gebiedstype Het plangebied is gelegen in het gebiedstype ‘buitengebied’ van een ‘niet stedelijk gebied’.

32

Parkeernorm Voor een opslaggebouw geldt een parkeernorm van 1,1 parkeerplaats per 100 m2 BVO. Parkeerberekening De bedrijfsloods heeft een bruto vloeroppervlak (BVO) van 510 m2. Dit betekent een parkeerbehoefte van afgerond 6 parkeerplaatsen. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies op locaties is een parkeerberekening gemaakt voor de totale ontwikkeling. Tabel 1: Parkeerberekening werkplein Categorie Aantal / BVO Bestaande situatie Bedrijfsloods (Bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief) Nieuwe situatie Bestaande bedrijfsloods (Bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief) Nieuwe bedrijfsloods (Bedrijf arbeidsextensief / bezoekersextensief)

Parkeernorm per woning / per 100 m2 BVO

Parkeerbehoefte

1,1

6,6

Subtotaal (afgerond)

6,6 parkeerplaatsen

600

600

1,1

6,6

510

1,1

5,6

Subtotaal (afgerond)

12,2 parkeerplaatsen

Verschil (afgerond)

Toename van 6 parkeerplaatsen

Parkeeroplossing Het parkeren wordt volledig opgelost op eigen terrein. Op het werkplein worden in totaal 24 parkeerplaatsen gerealiseerd (zie afbeelding 12). Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm. Het plan voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de nieuwe bedrijfsloods uitsluitend wordt gebruikt om materieel in te stallen dat nu buiten staat (denk aan vrachtwagens, versnipperaars, busjes en aanhangers). Daarmee is er bedrijfsmatig gezien geen sprake van een toename van de parkeerbehoefte.

33

Afbeelding 12: Parkeren werkplein

Conclusie Het plan voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid zoals vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'.

34

4.3 Water Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW014. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,28 m NAP en een winterpeil van -2,33 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil van drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter.

Afbeelding 13: Uitsnede kaart peilgebieden

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3

35

waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. • Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk en stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2 respectievelijk 500 m2; • Indien de toename aan verhard oppervlak groter is dan de vrijstelling, mag het vrijgestelde oppervlak in mindering worden gebracht.

Afbeelding 14: Bestaande vs. nieuwe situatie

36

Het plan betreft de bouw van een bedrijfsloods. Op de plek van de nieuwe bedrijfsloods is in de huidige situatie een paardenbak en groen gelegen. Met de bouw van de bedrijfsloods en de aanleg van de verharding (stelconplaten) rondom de bedrijfsloods is sprake van een toename aan verharding. De nieuwe bedrijfsloods heeft een oppervlakte van ca. 510 m2. De verharding rondom de bedrijfsloods bedraagt ca. 855 m2. Per saldo is sprake van een toename aan verharding met 1.365 m2, waardoor watercompenserende maatregelen nodig zijn. De benodigde waterberging bedraagt 1.365 m2 * 0,0436 m3/ha = 59,51 m3. Uitgaande van een toelaatbare peilstijging van 0,2 meter betekent dit een te realiseren wateroppervlak van 298 m2. Om aan de watercompensatieplicht worden drie waterpoelen gerealiseerd op het perceel ten westen van de Bomenbank (zie afbeelding 15). Hiermee wordt voorzien in voldoende watercompensatie.

Watercompensatie (waterpoelen)

Afbeelding 15: Watercompensatie

Watergangen Ten noorden van het plangebied is een primaire watergang (de wetering) gelegen. Verder grenst het plangebied aan de westzijde aan een tertiaire watergang. De nieuwe bedrijfsloods wordt gerealiseerd buiten de beschermingszone van de primaire watergang.

37

Afbeelding 16: Uitsnede digitale kaart Waterschap Rivierenland

Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Daarnaast zorgt de groene inrichting van het plangebied ervoor dat hemelwater bij een piekbui goed kan infiltreren in de bodem. De nieuwe bedrijfsloods wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland.

38

Wegbeheer Waterschap Rivierenland is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden de wegbeheerder van wegen buiten de bebouwde kom, waaronder de Wijngaardsesteeg en de Abbekesdoel. De nieuwe bedrijfsloods wordt ontsloten via de bestaande ontsluiting op de Abbekesdoel. Voor de Wijngaardseweg geldt een verbod voor vrachtverkeer, waardoor het bedrijfsverkeer van en naar de nieuwe bedrijfsloods via de Abbekesdoel dient te rijden (15-tons weg). Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.

39

4.4 Geluid Beleidskader Op grond van paragraaf 22.3.4 Omgevingswet en paragraaf 3.5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet rekening worden gehouden met geluid dat door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en locaties wordt afgewenteld. Daarom moet rekening worden gehouden met de geluiduitstraling door individuele activiteiten, activiteiten op een industrieterrein en de geluiduitstraling door wegen en spoorwegen. Als geluidgevoelige gebouwen zijn woon-, onderwijsen gezondheidsfuncties en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang aangewezen. Hieronder vallen niet alleen gebouwen die al gebouwd zijn, maar ook gebouwen die nog niet aanwezig zijn maar wel planologisch zijn toegestaan. Ten aanzien van wegverkeerslawaai richt de instructieregel zich op wegen waarop de intensiteit van het wegverkeer gemiddeld over een jaar, groter is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Onderzoek Een bedrijfsruimte/opslagruimte is geen geluidgevoelige functie, waardoor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

40

4.5 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 2.1 van de Omgevingswet moeten bij een ruimtelijke procedure een veilige en gezonde fysieke leefomgeving geborgd worden. Op grond van paragraaf 2.2.1.1, de artikelen 5.50 en 5.51, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de daarin opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht van toepassing op die gevallen waarin op grond van het omgevingsplan de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een tunnelbuis voor het wegverkeer mogelijk wordt gemaakt, of voorzien wordt in activiteiten die een toename in de verkeersintensiteiten veroorzaken. In onderstaande tabel zijn de omgevingswaarden opgenomen. Tabel 2: Omgevingswaarden luchtkwaliteit (artikel 5.50 lid 2 Bkl) Artikel Bkl Stof Toetsing van Grenswaarde 2.4 lid 1 sub b Stikstofdioxide (NO2) kalenderjaar40 µg/m3 gemiddelde 2.5 lid 1 sub a Fijnstof (PM10) 24Max.

35 keer per jaar uurgemiddelde meer dan 50 µg/m³ 2.5 lid 1 sub b Fijnstof (PM10) kalenderjaar40 µg/m³ gemiddelde Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) het volgende overzicht voor het monitoringsjaar 2022 (x: 112791 y: 431418): • Een stikstofconcentratie van 15,09 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,70 µg/m3 PM10; Op basis van bovenstaande kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan alle grenswaarden wordt voldaan. Niet in betekenende mate (NIBM) Een toetsing aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit is niet nodig als een project of activiteit maar weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging. In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2μg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Dit volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (bkl). Dit plan is zeer kleinschalig van schaal en aard, waardoor gesteld kan worden dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Op grond van de Bkl is daardoor geen toetsing nodig. Conclusie Het plan ondervindt ten aanzien van aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.

41

4.6 Geur Beleidskader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het plangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het plangebied, optreedt. In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau aanvaardbaar is. In deze instructieregels zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moeten voldoen. In het Bkl worden geurgevoelige gebouwen beschermd tegen onevenredige geurhinder. Als geurgevoelige gebouwen zijn woon-, onderwijs- en gezondheidsfuncties en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang aangewezen. Delen van een gebouw waar deze functies niet zijn toegelaten, worden niet aangemerkt als geurgevoelig. Onderzoek Een bedrijfsruimte/opslagruimte is geen geurgevoelige functie, waardoor het uitvoeren van een geuronderzoek niet noodzakelijk is. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geur geen belemmeringen.

42

4.7 Bodem Beleidskader Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn in paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl instructieregels opgenomen voor het aspect bodem. De regels bepalen voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: • landbouw/natuur; • wonen; • industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Deze niveaus zijn opgenomen in bijlage Vb van het Bkl. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen is voor het totaalplan door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage van deze ruimtelijke motivering. Op grond van het uitgevoerde bodemonderzoek vormt de bodemkwaliteit in algemene zin geen belemmering of beperking voor de bestemming wonen. Gezien het gehalte aan PFOA dient afvoer van grond voorkomen te worden. Derhalve dient er gewerkt te worden met een gesloten grondbalans.

Conclusie De bodemkwaliteit vormt geen belemmeringen voor de uitvoering van het plan.

43

4.8 Milieuzonering Beleidskader De Omgevingswet bepaalt dat overheden bij het vaststellen van ruimtelijke plannen moeten aantonen dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies op locaties. Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient erop toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een richtafstand aan tot woningen of andere 'milieugevoelige' functies. Onderzoek Het plan betreft de bouw van een bedrijfsloods ten behoeve van de Nationale Bomenbank. Dit bedrijf houdt zich bezig met kennisontwikkeling, onderzoek, de instandhouding, het beheer en de aanplant en verplant van (grote) bomen. De nieuwe bedrijfsloods wordt gerealiseerd op het terrein van een boomteeltbedrijf (binnen de aanduiding ‘bomenteelt’). In het kader van bedrijven- en milieuzonering is sprake van een gelijkblijvende situatie. Daarnaast wordt de nieuwe bedrijfsloods uitsluitend gebruikt voor opslag. Conform het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) valt een opslaggebouw in milieucategorie 2.0.

Hiervoor geldt, in een gemengd gebied, een grootste richtafstand van 10 meter. Binnen een straal van 10 meter zijn geen woningen of andere milieugevoelige gebouwen gelegen.

Afbeelding 17: Nieuwe bedrijfsloods ten opzichte omgeving

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect milieuzonering geen belemmeringen.

44

4.9 Omgevingsveiligheid (externe veiligheid) Beleidskader De Omgevingswet is in vier AMvB’s uitgewerkt: 1. Omgevingsbesluit; 2. Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 3. Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); 4. Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Bij het beschouwen van omgevingsveiligheid/externe veiligheid bij ruimtelijke plannen is zonder meer het Bkl van toepassing. Het Bal en het Bbl kunnen aanvullend ook van toepassing zijn. Het Bkl: kwaliteitseisen Het Bkl stelt vergelijkbare eisen als het voormalige Bevi, Bevt en Bevb. Dit betekent dat rekening moet worden gehouden met risicobronnen, waarbij plannen moeten voldoen aan de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico. Deze grenswaarde staat voor de meeste activiteiten voorgeschreven in het Bal, maar moet voor een aantal activiteiten rekenkundig worden bepaald. Daarnaast moet het bevoegd gezag rekening houden met de kans op 10 of meer slachtoffers (groepsrisico), maar hoeft deze kans niet per se kwantitatief te worden bepaald. Als hulpmiddel bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden straks drie typen aandachtsgebieden: • Brandaandachtsgebied (BAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 is.

Langs transportroutes, met relatief hoge vervoersintensiteiten, wordt het BAG van rechtswege omgezet in een brandvoorschriftengebied. • Explosieaandachtsgebied (EAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: a. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is; b. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. • Gifwolkaandachtsgebied (GAG): de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling. Het gifwolkaandachtsgebied wordt bij bedrijven per milieubelastende activiteit bepaald en wordt begrensd op maximaal 1.500 meter. Mogelijk gaat op termijn voor het spoor een GAG gelden; dit GAG wordt 300 meter. Het Bbl: eventuele maatregelen met betrekking tot Omgevingsveiligheid Het Bbl schrijft de bouwkundige maatregelen voor die gelden in een brandvoorschriftengebied en in een explosievoorschriftengebied. • Voor brandaandachtsgebieden zijn de maatregelen gericht op de beperking van brandoverslag door aanstraling en op vluchtmogelijkheden: a. Een uitwendige scheidingsconstructie heeft een brandwerendheid van minstens 60 minuten; b. de aan de buitenlucht grenzende zijde voldoet aan brandklasse A2;

45

•

•

c. het dak is bedekt met constructiematerialen die voldoen aan brandklasse A2; d. vluchtmogelijkheden van de bron af; e. het gebouw moet voldoen aan een bepaalde sterkte in geval van brand. Voor een explosieaandachtsgebied geldt artikel 4.96 Bbl. Dit betekent dat in een explosievoorschriftengebied gelegen beglazing zodanig moet worden uitgevoerd, dat bij een explosie letsel door scherfwerking wordt voorkomen. Voor gifwolkaandachtsgebieden geldt geen voorschriftengebied en gelden dus ook geen specifieke voorschriften. Wel geldt, net als in het Bouwbesluit, het algemene voorschrift dat mechanische ventilatie moet kunnen worden uitgeschakeld.

Het Bal: activiteiten Het Bal beschrijft de voorschriften voor milieubelastende activiteiten. Met betrekking tot het plaatsgebonden risico staan voor activiteiten met een omgevingsrisico, zoals opgenomen in bijlage VII van het Bkl, afstanden opgenomen voor het plaatsgebonden risico. Binnen deze afstand zijn (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare terreinen niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare terreinen geldt deze afstand als een richtwaarde. Onderzoek Voor het inventariseren van externe veiligheidsbronnen in de omgeving van het plangebied is de Atlas voor de Leefomgeving geraadpleegd. Milieubelastende activiteiten Uit de kaart Veilige Omgeving van de Atlas van de Leefomgeving blijkt dat het plangebied niet is gelegen binnen invloedssferen van (bedrijfs)activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante transportroutes aanwezig. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect omgevingsveiligheid / externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

46

4.10 Archeologie en cultureel erfgoed Beleidskader In paragraaf 5.1.5.5 en specifiek artikel 5.130 van het Bkl zijn regels opgenomen ten aanzien van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed wordt in een plan rekening gehouden met de bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde (archeologische) monumenten. Daarnaast is in het Bkl opgenomen dat het gebruik van monumenten wordt bevorderd en archeologische monumenten in stand gehouden moeten blijven, bij voorkeur in situ. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Onderzoek Archeologie Door ADC Archeoprojecten is medio 2018 een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. ADC ArcheoProjecten adviseert om het terrein vrij te geven. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de gemeente Molenlanden en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Cultureel erfgoed Het plangebied betreft de bouw van een bedrijfsloods op het terrein van een bestaand boomteeltbedrijf. De bestaande verkaveling- en groenstructuur van het cultuurhistorisch waardevolle veenweidelandschap wordt niet gewijzigd. Er worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.

47

Afbeelding 18: Uitsnede archeologische verwachtingskaart

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen. Mocht tijdens de werkzaamheden archeologische vondsten aan het licht komen, dan ontstaat de plicht om deze vondsten te melden bij de gemeente Molenlanden en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). 48

4.11 Natuur Beleidskader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die waren opgenomen in de Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten en diersoorten en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Onderzoek Soortenbescherming Door het ecologisch bureau Maasarend, Praktisch in ecologie, is een ecologische quickscan uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage van de ruimtelijke motivering. Uit de ecologische quickscan blijkt dat er ten aanzien van soortenbescherming geen aanvullend onderzoek noodzakelijk is.

Onderstaande maatregelen tijdens de werkzaamheden zijn altijd geldend: • Vanuit de Zorgplicht is het een eis om voorzichtig te handelen met alle voorkomende flora en fauna; • Indien, ondanks zorgvuldig handelen, er schade lijkt te ontstaan aan beschermde flora en fauna, wordt er direct contact opgenomen met een ter zake deskundig ecoloog; • Om bodem bewonende dieren de mogelijkheid te geven een nieuw leefgebied te vinden, wordt er gefaseerd gewerkt bij de verwijdering van vegetatie, stobben en bodemmateriaal; • Dieren krijgen de rust en kans om zich te verplaatsen, indien zij worden aangetroffen tijdens werkzaamheden; • Werkzaamheden worden uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang. Verlichting dient vleermuisvriendelijk te zijn om verstoring te voorkomen zoals: UV-vrije verlichting, beperkte hoogte lichtmasten, convergerende en naar beneden gerichte verlichting en geen sterk bundellicht; • Vestiging van Rugstreeppad voorkomen door puinhopen te verwijderen, rijsporen en plasvorming te voorkomen. Daarnaast is het mogelijk een scherm in te graven rondom het plangebied. Deze dient 10 cm te worden ingegraven en verder bovengronds een hoogte van 50 cm te hebben; • Er wordt rekening gehouden met broedvogels en het broedseizoen van 15 maart tot en met 15 augustus. Werkzaamheden worden gestart voor of na het broedseizoen.

Ook buiten deze datumgrenzen dient men alert te blijven op de aanwezigheid van broedende vogels.

49

Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van een Natura 2000-gebied. Het meest dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Donkse Laagte. Dit gebied is gelegen op ongeveer 1.500 meter van het plangebied. Donkse Laagte heeft geen aanwijzing voor een habitattype. Er is geen nader onderzoek nodig naar effecten op de instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van geluidshinder, verstoring door trillingen, lichthinder, versnippering van leefgebied en oppervlakteverlies. Hiervoor is de afstand tot een Natura 2000-gebied te groot, omdat dit in hoofdzaak interne effecten betreft.

Afbeelding 19: Plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden

Het plangebied is niet gelegen binnen gronden behorende tot het Natuur Netwerk Nederland (NNN). De dichtstbijzijnde gronden behorende tot het NNN, gelegen op ruim een kilometer van het projectgebied. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen NNNgebieden zijn niet toegestaan, tenzij kan worden aangetoond dat er geen negatieve effecten optreden op de wezenlijke waarden van het Natuurnetwerk. Dit kan door middel van een zogeheten “Nee, tenzij” toets. Doordat het plangebied niet gelegen is binnen NNN-gebied, is nader onderzoek naar de effecten op de wezenlijke waarden binnen deze gebiedsdelen niet noodzakelijk.

50

Afbeelding 20: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Stikstofdepositie Het is niet toegestaan om activiteiten te verrichten, die negatieve effecten veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen binnen Natura 2000 gebieden. Binnen 25 kilometer van het plangebied zijn stikstofgevoelige habitattypen aanwezig in Natura 2000-gebieden. Het is niet toegestaan om activiteiten te verrichten, die negatieve effecten veroorzaken op de instandhoudingsdoelstellingen binnen Natura 2000 gebieden. Door Van den Heuvel Milieuadvies is voor het totaalplan middels de AERIUS Calculator een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd. De rapportage is toegevoegd in de bijlage van de ruimtelijke motivering. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling tijdens de aanleg- en gebruiksfase niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Het plan is daarmee in het kader van stikstofdepositie niet aan te merken als een Natura 2000-activiteit. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft natuur geen belemmeringen.

51

4.12 Trillingen Beleidskader In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl zijn regels opgenomen voor het aspect trillingen. De paragraaf is van toepassing op het toelaten van activiteiten (anders dan wonen) die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw of een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit (anders dan wonen). Dit geldt echter niet voor locaties op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, tijdelijke gebouwen, activiteiten die hoofdzakelijk in de openbare ruimte plaatsvinden, evenemententerreinen en verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen. Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder mogen de continue trillingen (trilling die ten opzichte van de grootste trillingstijd gedurende een lange tijd aanwezig is) door een activiteit in trillinggevoelige ruimten niet hoger zijn dan 0,1 Vmax. Als daar niet aan kan worden voldaan, mag de trillingssterkte niet hoger zijn dan de volgende waarden in onderstaande tabel.

Tabel 3: Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimte als niet kan worden voldaan aan Vmax 0,1 Soort Waarden 07:00 – 23:00 uur 23:00 – 07:00 uur Trillingssterkte Vmax 0,4 0,2 Trillingssterkte Vper 0,05 0,05 Onderzoek Het plan voorziet niet in activiteiten die continue trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw of een trillinggevoelig gebouw waarop trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz worden veroorzaakt door een activiteit in de omgeving. Het uitvoeren van een trillingsonderzoek kan derhalve achterwege blijven. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect trillingen geen belemmeringen.

52

5.

Financiële haalbaarheid

Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de financiële haalbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers, welke aangeven dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Nota Kostenverhaal 2025 gemeente Molenlanden De gemeente Molenlanden is wettelijk verplicht de door haar gemaakte kosten van ruimtelijke initiatieven te verhalen op de initiatiefnemer van een bouwplan. In de legesverordening van de gemeente Molenlanden is een legesbedrag opgenomen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat het plan financieel haalbaar is.

53

6.

Participatie en overleg

6.1 Participatie De gemeente Molenlanden heeft een lijst met gevallen vastgesteld waarbij participatie verplicht is voorafgaand aan het indienen van een vergunningsaanvraag. Conform het participatiebeleid is er voor het plan participatie noodzakelijk. Informatieavond De initiatiefnemer heeft op woensdag 10 april 2024 een informatieavond georganiseerd in het kantoor van de Nationale Bomenbank. De omwonenden zijn middels een persoonlijke brief uitgenodigd voor de informatieavond. De initiatiefnemer en Brons Partners Landschapsarchitecten hebben het totaalplan toegelicht. De omwonenden is gevraagd naar hun mening, ervaringen en ideeën over het plan. Tevens hebben de aanwezigen de mogelijkheid gekregen om hun vragen en opmerkingen in te vullen op een reactieformulier. De avond is in een positieve sfeer verlopen. De omwonenden hebben via de reactieformulieren vragen gesteld en/of opmerkingen gemaakt m.b.t. thema’s: groen- en verkavelingsstructuur, verkeer, horecafunctie, zorggebouw, woningen, nieuwe loods en het uitzicht van omwonenden. Wat betreft de nieuwe bedrijfsloods zijn er vragen gesteld met betrekking tot de zichtbaarheid en hoogte van de nieuwe bedrijfsloods. De opmerkingen zijn waar mogelijk meegenomen in de nadere (technische) uitwerking van het bouwplan. De omwonenden met opmerkingen/vragen over het plan zullen een persoonlijke terugkoppeling ontvangen.

De omwonenden ontvangen het verslag en worden per email op de hoogte gehouden.

6.2 Advies gemeenteraad De gemeente Molenlanden heeft een lijst met gevallen vastgesteld waarbij advies van de gemeenteraad nodig is voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Conform het beleid is er voor de bouw van de bedrijfsloods advies van de gemeenteraad noodzakelijk, omdat er sprake is van een bedrijfsloods groter dan 250 m2 buiten BSD.

6.3 Bestuurlijk vooroverleg In het kader van het bestuurlijk vooroverleg is het plan opgestuurd naar de bestuurlijke overlegpartners, waaronder de Provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rivierenland.

54

7. Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties Het bevoegd gezag mag een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2, Bkl). Deze abstract geformuleerde en beleidsvrije taak vormt, zoals ook in de memorie van toelichting van de Omgevingswet toegelicht, een voortzetting van het criterium van een goede ruimtelijke ordening uit de Wet ruimtelijke ordening, maar dan in de bredere strekking van de fysieke leefomgeving. Om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen (zie de hoofdstuk 4, 5 en 6) en is het plan getoetst aan de diverse beleidskaders (zie hoofdstuk 3). Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plan voldoet aan de diverse beleidskaders en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

55

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=9db3e5eb-3aea-48d4-8999-585dab869f67