Bijlage 3 - Nota van zienswijzen omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22a Bodem’
Tekst van het document
TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22A BODEM Molenlanden TAM-omgevingsplan
nota van zienswijzen
1/2
DATUM KENMERK
27-06-2025 NL.IMRO.1978.TAMOPBodem-VG01
PROJECT PROJECTLEIDER
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Bodem M. Kegler
OPDRACHTGEVER Gemeente Molenlanden PROJECTNUMMER 20241260 AUTEUR STATUS
2/2
L. Slikker Ter vaststelling
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Preambule Dit plan beoogt de regels voor het thema bodem te wijzigen voor het ambtsgebied van Molenlanden. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Molenlanden. De in dit omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk [22a] van het omgevingsplan van de gemeente Molenlanden. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a' gelezen worden. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening Omgevingsloket.nl Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
NOTA VAN ZIENSWIJZEN
Nota Zienswijzen TAM-Omgevingsplan Bodem ‘TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22A BODEM’
Gemeente Molenlanden Nota Zienswijzen TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22A BODEM
Datum:
16-06-2025
Inhoudsopgave 1 INLEIDING ............................................................................................................. 2 2 ZIENSWIJZEN ......................................................................................................... 3
3.
2.1
Volgnummer 1....................................................................................... 3
2.2
Volgnummer 2....................................................................................... 6
2.3
Volgnummer 3....................................................................................... 7
2.4
Volgnummer 4..................................................................................... 14
AMBTSHALVE wijzigingen ............................................................................. 18 Motivering ........................................................................................................... 18 Regels ................................................................................................................. 18
1
1 INLEIDING Toelichting plan Ter inzagelegging ontwerp TAM-omgevingsplan Het college van de gemeente Molenlanden heeft op 3 april 2025 bekend gemaakt dat het ontwerp ‘TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a, Bodem’ (imro-codering: NL.IMRO.1978.TAMOPBodem-VG01) op grond van artikel 16.30 Omgevingswet en artikel 10.3c Omgevingsbesluit met ingang van donderdag 4 april 2025 gedurende een termijn van zes weken ter inzage heeft gelegen tot en met 15 mei 2025. Tijdens de terinzagelegging zijn er 4 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn binnen de daarvoor geldende termijn ingediend, en zijn ontvankelijk. In deze ‘Nota Zienswijzen’ worden de ingediende zienswijzen inhoudelijk behandeld en van een antwoord voorzien. Leeswijzer De behandeling van een zienswijze ziet er als volgt uit: een samenvatting van de zienswijze, de beantwoording van de zienswijze en tenslotte zal worden aangegeven of de zienswijze aanleiding geeft tot het aanpassen van het omgevingsplan en welke aanpassingen dit dan betreft.
2
2 ZIENSWIJZEN N.V. HVC en HVC wASH B.V. Oasen Waterschap Rivierenland (WSRL) Rijkswaterstaat
1 2 3 4
2.1
Volgnummer 1
Samenvatting zienswijze Reclamant 1 geeft aan dat in deze zienswijze uitgelegd zal worden dat een algeheel verbod om AVI-bodemassen toe te passen als bouwstof niet nodig én niet wenselijk is. Een verbod zal RECLAMANT 1 en dus ook de gemeente, aandeelhouder van Reclamant 1, belemmeren in het bereiken van haar doelstellingen op het gebied van het recyclen van grondstoffen. Dit verbod brengt de afzet in gevaar en strookt niet met het landelijke beleid. Reclamant 1 stelt voor om een uitzondering te maken voor gereinigde bodemassen die voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen, zodat tevens het belang van het milieu wordt gediend. Met oog op het beschermen van het milieu reinigt Reclamant 1 al sinds 2016 haar bodemassen. Zij vormt al jaren de voorhoede als het gaat om het integraal wassen van haar AVI-bodemassen en heeft als eerste afvalenergiecentrale (hierna 'AEC') invulling gegeven aan de Green Deal Verduurzaming nuttige toepassing AEC-bodemas. Op basis van het voorbeeld in 2021 in Katwijk waarbij batterijen in het eindproduct zijn aangetroffen, ondanks dat het voldeed aan de normen, heeft Reclamant 1 daarna het reinigingsproces stelselmatig verbetert. Daardoor voldoen de bodemassen aan de kwaliteitseisen uit de Regeling bodemkwaliteit 2022 en aangekondigde strengere normen voor restmetaal en batterijen.
Reclamant 1 geeft aan dat het reinigen van bodemassen aanzienlijk duurder is dan geïmmobiliseerde toepassing. Om die reden kiezen veel andere AEC's voor de goedkopere route van immobiliseren. De landelijke overheid vindt dit onwenselijk. Daarbij verwijst Reclamant 1 naar het ontwerp-Circulair Materialenplan waarin staat dat gestuurd gaat worden op het reinigen van bodemassen tot een materiaal dat voldoet aan de kwaliteitseisen voor niet-vormgegeven bouwstoffen. En dat voor AVIbodemassen die na het opwerken voldoen aan deze kwaliteitseisen het ontwerp-CMP geen beperkingen kent. De keuze van de gemeente om een algeheel verbod om AVI-bodemassen toe te passen op te nemen is niet in lijn met het ontwerp-Circulair Materialenplan. Reclamant 1 verwijst daarbij naar een bijeenkomst met partijen als de VNG, ODNL en bedrijfstak waarin staat: 'Actief uitdragen dat vergunningsplicht niet geldt voor gereinigde bodemas'. Reclamant 1 geeft aan dat op een andere wijze moet worden voorzien in een uitzondering op het verbod op het toepassen van AVI-bodemassen als bouwstof voor zover het gaat om gereinigde bodemassen. Een algeheel verbod en daarmee vergunningplicht (BOPA) zal in de praktijk niet werken en uiteindelijk leiden tot het toepassen van schaarse primaire grondstoffen, zoals schoon zand.
Reclamant 1 geeft aan dat gereinigde bodemassen hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend worden toegepast als ophoogmateriaal. 3
Voor de gebruikers van dit materiaal is er (te) weinig tijd tussen het moment van vergunningverlening en het moment van uitvoering. Vergunningverlening blijkt in de praktijk bovendien een onzekere factor te zijn en dat heeft grote gevolgen voor de planning. Niet in de laatste plaats, omdat het toepassen van gereinigde bodemassen in het begin van het project zit. In de praktijk wordt ophoogmateriaal zo snel als mogelijk aangebracht, om zettingen voldoende tijd te geven om grotendeels uit te werken. Het finale ontwerp is dan nog niet uitgekristalliseerd. Beantwoording zienswijze Naar aanleiding van deze zienswijze is de regeling voor bouwstoffen uit het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij kunnen ons voorstellen, in lijn met het bezwaar van Reclamant 1, dat een absoluut verbod een ingrijpend en zwaar instrument is. Daarom is het voorstel om de zienswijze deels tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen en met beoordelingsregels duidelijk te maken onder welke voorwaarden een activiteit vergunbaar is. Aan de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en dragen we hiermee bij aan de doelen van de omgevingsvisie.
In de Omgevingsvisie Molenlanden 2040 heeft de gemeente ambities ten aanzien van bodemkwaliteit vastgelegd, waaronder het middels een sturingsfilosofie voorkomen dat ontwikkelingen onomkeerbare gevolgen hebben voor het natuurlijk systeem van bodem en water en het streven om de bodemkwaliteit te verbeteren. Wij begrijpen dat wij daarmee niet helemaal tegemoetkomen aan het verzoek van Reclamant 1, waarin gevraagd wordt om een uitzondering voor gereinigde bodemassen. Deze bouwstoffen zijn, als voldaan wordt aan hetgeen daarover is bepaald in het Besluit activiteiten leefomgeving en de Regeling Bodemkwaliteit 2022, vrij toepasbaar. In de praktijk heeft dat in een aantal gevallen tot incidenten geleid waarbij de bodem, het grondwater en/of het oppervlaktewater verontreinigd is geraakt. Daarnaast zijn er meerdere onderzoeksrapporten verschenen die een zorgelijk beeld over de vrije toepasbaarheid en de geldende regels schetsen. De regels schieten naar onze mening te kort. Dat geldt ook voor de regels voor gereinigde bodemassen. Wij zien daarom geen mogelijkheid om een uitzondering voor deze categorie te maken. De motivering van dit wijzigingsbesluit wordt gewijzigd. Wij zullen in de motivering ingaan op de op te nemen regeling win verband met deze zorgelijke signalen. De huidige landelijke regels bieden onvoldoende bescherming in onze ogen.
Daarmee beroepen wij ons op het voorzorgbeginsel en nemen een binnenplanse vergunningplicht op. Ons doel is om zorgwekkende situaties te voorkomen (omgevingsvisie). Wij zijn van mening dat een binnenplanse vergunningplicht het meest geschikte instrument is om grip te krijgen op deze problematiek. In de gewijzigde motivering worden de verschillende instrumenten afgewogen. Daarin wordt duidelijk dat een informatieplicht of meldplicht onvoldoende is. Een vergunningplicht kan ook voordelen hebben boven een meldplicht met algemene regels, juist omdat er dan nog afwegingsruimte is. Wij zijn graag bereid met Reclamant 1 in overleg te treden om te komen tot een beleidslijn of beleidsregel die het voorspelbaar maakt wanneer wij de vergunning zullen verlenen en wanneer niet. Het landelijke Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten. Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te 4
stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Een maatwerkregel kan ook een verbod of vergunningplicht inhouden. De wetgever heeft daar niet gekozen voor een landelijke aanpak. Alleen de basis is door de wetgever geregeld. Wij zijn ons ervan bewust dat een vergunningprocedure extra tijd en kosten oplevert voor de praktijk en dat alternatieven dan aantrekkelijker worden waardoor het product van Reclamant 1 mogelijk niet meer wordt afgenomen. Door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen wordt duidelijk via beoordelingsregels wanneer de gemeente de vergunning verleend. Het uitgangspunt is dus niet weigering, maar meewerken aan een zorgvuldige toepassing. Daarmee wordt de onzekere factor kleiner. Tot slot zijn wij ons ook bewust van en steunen wij de ontwikkelingen en doelen op het gebied van circulaire toepassing van bouwstoffen. Gereinigde bodemas heeft daarbij zonder meer de voorkeur boven niet-gereinigde bodemas. Voor alle toepassingen geldt dat er voldoende waarborgen moeten zijn om verontreiniging van bodem, grondwater en/of oppervlaktewater te voorkomen. Zoals hierboven aangegeven zijn wij van mening dat de rijksregels op dit punt op dit moment tekortschieten.
Zolang dit de situatie is willen wij met aanvullende regels en de voorgestelde binnenplanse vergunningplicht grip houden op het toepassen van de betreffende bouwstoffen in onze gemeente. Aanpassingen plan Toelichting: De zienswijze leidt tot aanpassing van de motivering van het wijzigingsbesluit. De wijziging betreft een toelichting op de regeling voor het toepassen van (secundaire) bouwstoffen (AVI-bodemassen, grondstabilisatie, metaalslakken en immobilisaten) en thermisch gereinigde grond. Regels: De zienswijze leidt tot aanpassing van de regels van het omgevingsplan. De wijziging betreft het opnemen van een regeling voor het toepassen van (secundaire) bouwstoffen (AVI-bodemassen, grondstabilisatie, metaalslakken en immobilisaten) en thermisch gereinigde grond, in de artikelen 6.3, 6.4 en 6.5. Verbeelding: De zienswijze leidt tot een aanpassing van de verbeelding van het omgevingsplan. De wijziging is het toevoegen van een locatie voor toepassen van (secundaire) bouwstoffen (locatie betreft ambtsgebied)
5
2.2
Volgnummer 2
Samenvatting zienswijze De zienswijze van Reclamant 2 richt zich op een feitelijke onjuistheid in de beschrijving van de grondwaterbeweging in drinkwaterbeschermingsgebieden ("kwelsituatie" vs. "infiltratiesituatie"). Beantwoording zienswijze Wij zijn het eens met de zienswijze van reclamant in de motivering van het wijzigingsbesluit wordt het schrappen corresponderende onderdeel (deel van de motivatie van het voorgestelde hergebruiksbeleid) geschrapt. Aanpassingen plan Toelichting: De zienswijze leidt tot een aanpassing van de motivering van de wijziging van het omgevingsplan. De wijziging betreft het schrappen van de genoemde tekst in de paragraaf Effecten op drinkwaterkwaliteit
6
2.3
Volgnummer 3
Samenvatting zienswijzen Inleiding en strekking Reclamant 3 erkent de noodzaak om normen aan te scherpen voor de bescherming van mens en milieu, maar stelt dat de meest effectieve manier om PFAS te bestrijden, het aanpakken van de bron is. Het Waterschap verwacht dat de voorgestelde wijzigingen slechts beperkt zullen bijdragen aan het verminderen van PFAS en maakt zich zorgen over onevenredige gevolgen voor haar uitvoerende taken. Inhoud en beantwoording per deelonderwerp a. Deelonderwerp 1 Redelijkheid en toepassingsvereisten en saneringsopgave
billijkheid
van
Standpunt Reclamant 3: De aanwezigheid van PFAS is over het algemeen niet gerelateerd aan de activiteiten van Reclamant 3 (met uitzondering van zuiveringsinstallaties), en zij zijn niet in staat verontreiniging door atmosferische depositie te voorkomen. De aangescherpte normen leiden tot aanzienlijk hogere kosten (circa 140 euro per m³ af te voeren grond) en toegenomen milieueffecten door grondreiniging en transport. De terugsaneerwaarde van 2,3 µg/kgds voor PFOA in wegbermen en moestuinen wordt ter discussie gesteld, aangezien Reclamant 3 geen veroorzaker is en maatschappelijke kosten onvoldoende zijn meegewogen. Beantwoording Zienswijze: Bij grond ontgraven en toepassen heeft Reclamant 3 over het algemeen niet te maken met terugsaneerwaarden. Er is namelijk over het algemeen geen sprake van de milieubelastende activiteit '"saneren van de bodem". Er is sprake van de milieubelastende activiteit '"Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventie-waarde bodemkwaliteit", "Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit " of “Toepassen van grond of baggerspecie. Bij deze activiteiten gelden geen terugsaneerwaarden. Reclamant 3 heeft geen saneringsopgave. Bij toepassen van grond komt Reclamant 3 wel in aanraking met de verscherpte normen voor toe te passen grond. Hier wordt hieronder door Reclamant 3 verder op ingegaan.
7
b. Deelonderwerp 2 Onderscheid normen in toepassingsvereisten en terugsaneerwaarden PFAS Standpunt Reclamant 3: Het omgevingsplan hanteert een terugsaneerwaarde PFOA van 7 µg/kgds voor woongebieden en 2,3 µg/kgds voor wegbermen en moestuinen. Reclamant 3 verzoekt om wegbermen gelijk te stellen aan groenzones binnen woongebieden (7 µg/kgds PFOA) en de toepassingscriteria hierop aan te passen om uitvoerbaarheid en kostenimpact te verminderen. Daarnaast ontbreekt beleid voor het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen van grond met concentraties boven de nieuwe toepassingswaarden voor PFAS, en hierover wordt duidelijkheid gevraagd. Beantwoording Zienswijze: Zoals hierboven aangegeven zijn de terugsaneerwaarden niet van toepassing op graafwerkzaamheden en toepassen van grond. Bij toepassen van grond zijn wel lokale maximale waarden voor PFOA van toepassing. Deze zijn voor wegbermen die volgens de bodemfunctiekaart in de zone landbouw/natuur liggen 2,3 ug/kg ds. Maar zoals hierboven aangegeven gaat het volgens Reclamant 3 om hergebruik van grond binnen een project, zodat afvoer wordt voorkomen. Binnen een project is het op basis van Rijksregels toegestaan om grond die niet sterk verontreinigd is her te gebruiken. Hiervoor heeft het rijk regels gesteld in artikel 4.1222a van het Bal (tijdelijke uitnemen).
Deze regels worden verder uitgelegd door het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO): https://iplo.nl/thema/bodem/regelgeving/hergebruik-bouwstoffen-grondbaggerspecie/tijdelijk-uitnemen-grond-baggerspecie/. Voor het eventueel niet onder dezelfde omstandigheden terugplaatsen van grond (dit is een afwijking op artikel 4.1222a Bal) kan een maatwerkbesluit met maatwerkvoorschriften worden aangevraagd. Dit maatwerk is gezien de situatie acceptabel: Het wijzigt de samenstelling van en emissie uit de bodem nauwelijks en leidt niet tot (extra) aantasting van de bodem. En er wordt zodoende zuinig omgaan met energie en grondstoffen. Zoals bij het vorige punt aangegeven voorziet het Rijksbeleid hierin. Zie in het besluit activiteiten leefomgeving de regels voor de milieubelastende activiteit "Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit" (paragraaf 3.2.21 en paragraaf 4.119. En zie het IPLO: https://iplo.nl/thema/bodem/regelgeving/hergebruik-bouwstoffengrond-baggerspecie/tijdelijk-uitnemen-grond-baggerspecie/.
8
c. Deelonderwerp 3 Algemene kwaliteit wegbermen Standpunt Reclamant 3: Er wordt onderscheid gemaakt tussen wegbermen binnen en buiten de bebouwde kom, met strengere eisen voor die buiten de bebouwde kom. Reclamant 3 vraagt om geen onderscheid te maken en de toepassingswaarden voor toe te passen grond gelijk te stellen aan de bodemfunctieklasse 'Wonen'. Beantwoording Zienswijze: Als we geen onderscheid maken, dan zou de kwaliteitseis uit het rijksbeleid (Bal, artikel 4.1272) gelden. Op basis daarvan mag in wegbermen buiten de bebouwde kom, met uitzondering van bermen bij enkele lintbebouwingen, alleen grond van de kwaliteitsklasse landbouw/natuur worden toegepast. Bij sommige lintbebouwing mag volgens rijksbeleid de kwaliteitsklasse wonen worden toegepast. Zie ook de toepassingskaart op website OZHZ: https://geo.ozhz.nl/?@Bodeminformatie. Ons lokale beleid is een versoepeling ten opzichte van het Rijksbeleid en stelt dat in alle wegbermen buiten de bebouwde kom grond van de kwaliteitsklasse wonen (of schoner) mag worden toegepast. Wegbermen binnen de bebouwde kom liggen volgens de bodemfunctiekaart veelal in de zone wonen of industrie. Voor wegbermen in deze zones geld het landelijke beleid, die aangeeft dat de toe te passen grond van de kwaliteitsklasse wonen of industrie of schoner moet zijn als de bodemkwaliteit in die zone volgens de bodemkwaliteitskaart schoner is.
Dan geldt de kwaliteit van de bodemkwaliteitskaart voor de toe te passen grond. De noodzakelijke kwaliteit is te zien op de toepassingskaart op de website van OZHZ: https://geo.ozhz.nl/?@Bodeminformatie. In sommige gevallen betekent dat dat de grond van kwaliteitsklasse landbouw/natuur moet zijn en in andere gevallen klasse wonen of industrie. De gebieden waarin de kwaliteit landbouw/natuur geld dat deze zones die kwaliteit ook hebben. Kwaliteitsverslechtering gaat in tegen de belangen en de wensen van de gemeente Molenlanden. Een versnippering van de bodemkwaliteit is in deze zones niet wenselijk.
9
d. Deelonderwerp 4 Zoutgehalte gladheidsbestrijding
wegbermen
in
relatie
tot
Standpunt Reclamant 3: De decentrale beleidsregels stellen eisen aan het chloridegehalte. Door gladheidsbestrijding komt zout in de bodem langs wegen terecht. Een uitzonderingsbepaling voor chlorideverontreiniging als gevolg van gladheidsbestrijding ontbreekt, wat kan leiden tot een verplichting tot het wegnemen van verontreinigde grond. Reclamant 3 vraagt om een uitzonderingsbepaling op te nemen. Beantwoording Zienswijze: Met het opnemen van een uitzonderingsbepaling gaan we ervan uit dat u bedoelt of er mogelijkheden bestaan voor de gemeente om een maatwerkregel op te nemen voor een bodemverontreiniging als gevolg van de gladheidsbestrijding. Een maatwerk-regel is een lokale uitwerking van een algemene regel van het Rijk of de provincie. Decentrale bestuursorganen kunnen alleen maatwerkregels stellen als ze daarvoor de bevoegdheid krijgen van een hoger bestuursorgaan. Allereerst merken we op dat u (zoals u zelf al stelt) als wegbeheerder op grond van de Omgevingswet een zorgplicht heeft om alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd te nemen om de nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te voorkomen, dan wel zo veel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Naast de algemene zorgplichten is er nog een specifieke zorgplicht op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Op grond van artikel 2.12 van het Bal kan een gemeente maatwerkregels opnemen in zijn Omgevingsplan. Het is echter niet mogelijk om met een maatwerkregel af te wijken van deze specifieke zorgplicht (deze mag niet versoepeld worden). Uitzonderingsbepalingen opnemen doormiddel van een maatwerkregel is dus niet mogelijk. e. Deelonderwerp 5 Bruikbaarheid bodemkwaliteitskaarten Standpunt Reclamant 3: Het omgevingsplan bepaalt dat toepassing van grond niet enkel op basis van bodemkwaliteitskaarten mogelijk is, maar een aanvullend bodemonderzoek of partijkeuring vereist. Dit leidt tot extra kosten. Reclamant 3 verzoekt om voldoende ruimte te bieden voor tijdelijk uitnemen van grond en voor hergebruik van grond binnen het OZHZsamenwerkingsverband zonder aanvullend bodemonderzoek. Hoewel niet specifiek benoemd, lijkt tijdelijk uitnemen zonder aanvullend bodemonderzoek of een partijkeuring nog steeds mogelijk te zijn. Gezien de gedetailleerde detailvragen worden die allen herhaald en individueel van een beantwoording voorzien:
10
Zienswijze In het omgevingsplan is bepaald dat toepassing van grond enkel op basis van bodemkwaliteitskaarten niet mogelijk is. Dit is van toepassing ongeacht de eisen die zijn gesteld aan de statistische betrouwbaarheid van de bodemkwaliteitskaarten. In een dergelijke situatie is een aanvullend bewijsmiddel met een verkennend bodemonderzoek of partijkeuring verplicht gesteld. Hoewel niet specifiek benoemd, lijkt tijdelijk uitnemen zonder aanvullend bodemonderzoek of een partijkeuring nog steeds mogelijk te zijn. Beantwoording Zienswijze: Dat klopt. Dit valt onder de activiteit "graven" en niet onder de activiteit "toepassen van grond of baggerspecie". Bij het verrichten van de activiteit “Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit”, bedoeld in artikel 4.1219 Bal, moet worden voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Bal. Zienswijze Voor de werken waar tijdelijk uitnemen niet toereikend of mogelijk is, is een aanvullend bewijsmiddel met een verkennend bodemonderzoek of partijkeuring verplicht. Dit leidt tot extra kosten voor het noodzakelijkerwijs laten uitvoeren van verkennend bodemonderzoek of het uitvoeren van een partijkeuring op te definiëren partijen.
Beantwoording zienswijze: Dat klopt, maar in het werkgebied van Reclamant 3 dat binnen de regio ZuidHolland Zuid (met uitzondering van een deel van de Hoeksche Waard) valt, is de bodem verdacht op het voorkomen van PFOA. Daardoor is onderzoek vanuit de Rijks onderzoeksprotocollen ook al verplicht. Zie hiervoor ook het Besluit activiteiten leefomgeving paragraaf 5.2.2 (voorafgaand bodemonderzoek) en de onderliggende NEN5725, NEN5740. En ook het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit met onderliggende BRL1000 SIKB protocol 1001. Daarnaast vinden wij de bodemkwaliteitskaart weinig betrouwbaar, aangezien deze de gemiddelde kwaliteit van grond in een gebied aan geeft en niet de daadwerkelijke kwaliteit van een partij toe te passen grond. Om die reden is tenminste een verkennend onderzoek verplicht gesteld.
11
Zienswijze We vragen om voldoende ruimte te bieden voor het tijdelijk uitnemen (ontgraven en op of nabij dezelfde plek en onder dezelfde omstandigheden terugbrengen) van grond bij concentraties boven de toepassingswaarde voor nieuw toe te passen grond. Beantwoording Zienswijze: In deze vraag staat een tegenstrijdigheid. Voor tijdelijk uitnemen zijn Rijksregels geldig, hieraan moet u voldoen. Nieuw toe te passen grond valt niet onder tijdelijke uitnemen maar betreft de milieubelastende activiteit "Toepassen van grond of baggerspecie". Hiervoor zijn ook rijksregels van toepassing ten aanzien van onderzoek en daarbij de lokale regel die een minimum aan onderzoek verplicht. Voor concentraties PFOA boven de waarden behorende bij de kwaliteitsklasse kan een maatwerkbesluit met maatwerkvoorschriften worden aangevraagd. Voor de maatwerkmogelijkheden/ruimte is lokaal beleid ontwikkeld. Deze is nog in concept en is toegevoegd als bijlage (bijlage concept beleidsregel toevoegen). Zienswijze Tevens vragen we om, gelet op de eisen aan de statistische onderbouwing van bodemkwaliteitskaarten, hergebruik van grond binnen het samenwerkingsverband beheergebied Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid zonder aanvullend bodemonderzoek mogelijk te maken. Beantwoording zienswijze De statistische eisen aan de onderbouwing zijn vastgelegd in de Regeling bodemkwaliteit.
Deze gaan uit van een gemiddelde per zone. De kans is dus groot dat een partij grond niet aan de kwaliteit voldoet die in die zone is vastgesteld als (gemiddelde) bodemkwaliteit. Vanwege deze statistische onderbouwing en om de kwaliteit van de (buiten)gebieden te beschermen tegen verslechtering (schoonhouden wat schoon is) gaan wij niet in op uw verzoek. Wij merken op dat voor PFOA geen bodemkwaliteitskaart is of wordt vastgesteld, dit omdat de gehalten binnen de zones heterogeen zijn en een gemiddelde weinig zegt.
12
f.
Deelonderwerp 6 Baggerdepots
Standpunt Reclamant 3: De activiteiten 'verspreiden op de kant' van baggerspecie en 'weilandbaggerdepots' zijn niet specifiek benoemd in de omgevingsplanwijziging. Reclamant 3 vraagt om een bevestiging dat het vigerende beleid niet wijzigt. Beantwoording Zienswijze: Dat klopt vrijwel geheel. Enige wijziging (artikel 11.10) die wij hebben aangebracht voor verspreiden van baggerspecie is het vaststellen van een norm voor chloride. Deze norm geldt niet als sprake is van verspreiding op een naastgelegen perceel. g. Verwijzing naar normdocumenten Standpunt Reclamant 3 (deels binnengekomen per mail op 7/4/2025): Het omgevingsplan (bijlage 1) verwijst niet altijd naar de meest recente normdocumenten, wat strijdigheid veroorzaakt. Reclamant 3 verzoekt om verwijzingen naar normdocumenten niet in het decentrale omgevingsplan op te nemen, maar het landelijke juridische kader (Regeling bodemkwaliteit 2022) te hanteren. Beantwoording Zienswijze: In bijlage 1 staan geen normdocumenten genoemd. Wel staat bij de begripsbepaling voor een bodemonderzoek (Bodemonderzoek: onderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving). In de regels wordt met een bodemonderzoek bedoelt een onderzoek zoals aangegeven in de begripsbepaling. Indien hiermee een ander bodemonderzoek wordt bedoeld dan staat dit aangegeven in de regel waarin het bodemonderzoek genoemd staat.
De Regeling bodemkwaliteit is alleen van toepassing voor bij de milieubelastende activiteit toepassen van grond of baggerspecie. In de artikelen 11.10 lid 2, 11.15, 11.16 lid2a en 11.16 lid2b die gaan over deze milieubelastende activiteit staat ook een bodemonderzoek genoemd. Alleen in artikel 11.16 lid 2b wordt naar een bodemonderzoek gerefereerd als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit. Dit is mogelijk niet geheel duidelijk en wordt toegevoegd in lid 2 van deze regel (een rapport van een bodemonderzoek als bedoeld in de Regeling bodemkwaliteit). Dit wordt aangepast in artikel 11.16 lid2b. Aanpassingen plan De zienswijzen van reclamant leiden niet tot een wijziging van het omgevingsplan.
13
2.4
Volgnummer 4
Zienswijze 1 In paragraaf 2.3.5 lid 2 Milieu en ecologie wordt de bodemfunctieklasse aangepast van Industrie naar Wonen. Wegbermen buiten de bebouwde kom worden tegenwoordig als ecologisch interessant beschouwd en daarom worden strengere normen gehanteerd voor de grond die daar mag worden toegepast. Wegbermen werden ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie. Dit wordt nu bodemfunctieklasse Wonen. Deze bodemfunctieklasse sluit beter aan bij de ecologische ambities. Voor sommige industrieterreinen die schoon zijn, geldt hetzelfde. Wat schoon is en waar een ecologische ambitie is, moet het schoon blijven. Bij de komst van het Bbk 2008 is juist afgesproken/afgedwongen dat langs de rijkswegen bodemfunctieklasse industrie zou blijven gelden. Het slechts kunnen toepassen van klasse AW of wonen grond in de bermen buiten de bebouwde niet strookt met de werkwijze die we al jaren hanteren bij de aanleg en het onderhoud van onze wegen. Door weggebruik worden de bermen langs wegen zowel binnen als buiten de bebouwde kom diffuus belast met verontreinigingen. De gestelde restrictie leidt tot het diffuus belasten van relatief schone grond met verontreinigingen hetgeen niet bijdraagt aan een duurzaam bodembeleid. Uw keuze heeft een impact op onze wegenprojecten. Ik verzoek u dan ook overeenkomstig het Bbk 2008 een aanpassing te maken voor de bestemming Verkeer-Rijksweg.
Beantwoording Zienswijze: Algemeen Anders dan paragraaf 2.3.5 lid 2 wordt de bodemfunctiekaart niet aangepast. De bodemfunctie ter plaatse van de A15 en A27 zijn nog steeds klasse industrie. Deze rijkswegen zijn niet gezoneerd op de bodemkwaliteitskaart. De verwoording in de paragraaf 2.3.5 lid 2 klopt daarom niet helemaal. Met de regels wordt namelijk de bodemfunctie niet aangepast. De ambitie die hier verwoord is, is omgezet is de volgende ontwerp-regel in het omgevingsplan: 5.7 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor wegbermen buiten bebouwde kom 5.7.1 A Met het oog op het beschermen van het milieu wordt, in aanvulling op artikel 4.1272, eerste lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij wegbermen buiten de bebouwde kom alleen grond of baggerspecie toegepast met de kwaliteitsklassen wonen of landbouw/natuur. 5.7.2 B Onder een wegberm buiten de bebouwde kom wordt verstaan: een strook grond langs een weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet of langs een spoorweg, die buiten de bebouwde kom van de gemeente ligt. Een afstand van 10 meter geldt daarbij als maximale bermbreedte, gemeten vanaf de verhardingskant.
Volgens de factsheet ‘Omgaan met bermgrond bij auto(snel)wegen (Factsheet omgaan met bermgrond bij auto(snel)wegen | Informatiepunt Leefomgeving) waren bij de totstandkoming van het Besluit Bodemkwaliteit de uitgangspunten dat: 1. bij een reconstructie van auto(snel)wegen de bestaande bermgrond moest kunnen worden hergebruikt als bermgrond; 14
2.
grond met de kwaliteit “industrie” van andere overheden moest kunnen worden verwerkt in grootschalige infrastructurele projecten van m.n. Rijkswaterstaat. Om deze reden stelt Rijkswaterstaat in haar contracten geen milieu hygiënische randvoorwaarden aan te leveren grond.
Bestaande bermgrond kan als dit onder tijdelijke uitnemen (milieubelastende activiteit graven; Tijdelijk uitnemen van grond of baggerspecie | Informatiepunt Leefomgeving) valt nog steeds worden hergebruikt. Daarnaast is op basis van artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving nog steeds toegestaan om in een grootschalige toepassing grond van kwaliteitsklasse industrie toe te passen. In 2023 heeft u hiertoe nog een melding gedaan voor het realiseren van de aansluiting van de A27 op het industrieterrein Groote Haar. In onze bodembeheernota van 2010 stond opgenomen dat matig vervuilde grond (kwaliteit industrieel) in wegbermen gebruikt mag worden. Het uitgangspunt hiervoor was dat wegbermen al een matige kwaliteit hebben, vanwege de uitstoot en slijtagestoffen (banden) van het verkeer en historische toepassing van vuile grond. Daarnaast werden wegbermen gezien als ecologisch minder waardevol, en was de verwachting dat herverontreiniging van eventueel toegepaste schone grond vanwege uitstoot en slijtage onvermijdelijk was. Echter, de laatste jaren is de kwaliteit van wegbermen verbeterd o.a. door schonere voertuigen. Ook is er meer aandacht voor de ecologische waarde van wegbermen en biodiversiteit. Dat blijkt onder meer uit het natuurlijk maaibeleid dat de Provincie Zuid-Holland sinds 2016 hanteert voor provinciale wegen.
Steeds meer gemeenten hebben biodiversiteit in hun beleidsvisie opgenomen. Ook het groenbeheer is aan het veranderen, waarbij natuurlijk maaibeheer en uitbannen van bestrijdingsmiddelen hoog op de agenda staat. In de factsheet ‘Omgaan met bermgrond bij aut(snel)wegen (Factsheet omgaan met bermgrond bij auto(snel)wegen | Informatiepunt Leefomgeving) is te lezen dat de bodem minder vervuild is als gevolg van het weggebruik dan voorheen werd gedacht. Vaak wordt bij reconstructie van auto(snel)wegen met een ZOAB-deklaag bermen aangetroffen die voldoen aan de achtergrondwaarde of aan de kwaliteit “wonen”. Conclusie De kwaliteit van wegbermen is de laatste decennia beter geworden, vanwege schonere voertuigen, kwaliteit van het wegdek en wegonderhoud. Wegbermen vormen een steeds belangrijker groenvoorziening en bron voor biodiversiteit. Dat blijkt onder andereuit het beleid van de provincie ZuidHolland en een veranderend groenbeheer in gemeenten. Daarnaast zijn er aantoonbaar negatieve effecten van enkele zware metalen en bestrijdingsmiddelen op planten, insecten en bodemfauna. Deze hopen zich op in de voedselketen. De bodemclassificatie van wegbermen is daarom gewijzigd in: 'Groen met natuurwaarden' met 'gemiddelde generieke bescherming'. Dit komt overeen met de bodemkwaliteitsklasse "wonen".
Het bodembeleid voor toepassing van grond in wegbermen is daarom ook aangepast naar het toepassen van grond van de kwaliteitsklasse ‘wonen’. Wij denken dat de impact op uw wegenprojecten meevalt. In het meldingssysteem van OZHZ zien wij dat u in 2023 een grootschalige toepassing voor de A27 heeft gemeld. Dit zou nog steeds mogen. Er zijn geen meldingen gedaan voor kleinschalige toepassingen van grond in de 15
bermen van de A15 en A27. Indien ons beleid bij een wegenproject tot problemen leidt, kunt u ook voor het toepassen van grond maatwerk (maatwerkbesluit met maatwerkvoorschriften) aanvragen. Zienswijze 2 In paragraaf 6.3 Verbod toepassen van AVI-bodemassen, immobilisaten, grondstabilisatie, metaalslakken worden AVI bodemas, TGG en slakken in generieke zin in de ban gedaan. Dit beperkt de circulariteit in algemene zin en strookt daardoor niet met Rijksbeleid. Het decentraal afwijken van generieke/algemene regels leidt tot een toenemende complexiteit en onvoorspelbaarheid in de RWS uitvoering wat in de regel kostenverhogend werkt. De argumenten voor de afwijking zijn niet altijd duidelijk en gefundeerd. Ik verzoek u mij te informeren over deze argumenten en in overleg te gaan over een mogelijke oplossing voor de huidige situatie. Beantwoording Zienswijze: Hieronder onze motivatie en argumenten voor de vergunningsplicht bij toepassen van circulaire bouwstoffen. Wij gaan graag met u in overleg, wetende dat één van de producenten van AVI-bodemas de gemeente Dordrecht ook heeft gevraagd om in gesprek te gaan met het ministerie. Decentraal afwijken Het landelijke Besluit activiteiten leefomgeving is zo opgesteld dat gemeenten op decentraal niveau ruimte krijgen om maatwerkregels te stellen voor bodemactiviteiten, waaronder bouwstoffen.
Als de lokale omstandigheden en lokaal beleid daarom vragen zijn gemeenten bevoegd om strengere regels te stellen dan het Besluit activiteiten leefomgeving. Een maatwerkregel kan ook een verbod of vergunningplicht inhouden. De wetgever heeft daar niet gekozen voor een landelijke aanpak. Alleen de basis is door de wetgever geregeld. Op het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit is geen maatwerk mogelijk door gemeenten. Naar aanleiding van andere zienswijzen is de regeling voor bouwstoffen uit het ontwerpbesluit heroverwogen. Wij kunnen ons voorstellen dat een absoluut verbod een ingrijpend en zwaar instrument is. Daarom wordt in plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht opgenomen en met beoordelingsregels duidelijk te maken onder welke voorwaarden een activiteit vergunbaar is. Complexiteit en voorspelbaarheid Wij zijn ons ervan bewust dat een vergunningprocedure extra tijd en kosten oplevert voor de praktijk en dat alternatieven dan aantrekkelijker. Door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen wordt duidelijk via beoordelingsregels wanneer de gemeente de vergunning verleend. Het uitgangspunt is dus niet weigering, maar meewerken aan een zorgvuldige toepassing. Daarmee wordt de onzekere factor kleiner.
Argumenten voor decentraal afwijken Deze bouwstoffen zijn, als voldaan wordt aan het Bal en de Regeling Bodemkwaliteit 2022, vrij toepasbaar. In de praktijk heeft dat in een aantal gevallen tot incidenten geleid waarbij de bodem, het grondwater en/of het oppervlaktewater verontreinigd is geraakt. Daarnaast zijn er meerdere onderzoeksrapporten verschenen die een zorgelijk beeld over de vrije 16
toepasbaarheid en de geldende regels schetsen. De regels schieten naar onze mening te kort. In de motivering wordt in bijlage 2 ingegaan op deze zorgelijke signalen. In onze ogen laat de praktijk zien dat zorgvuldige toepassing nodig is om mee te kunnen werken. Wij beroepen ons hiermee op het voorzorgbeginsel en nemen een binnenplanse vergunningplicht op. Ons doel is om zorgwekkende situaties te voorkomen (omgevingsvisie). Rijksbeleid en circulariteit De in artikel 11.1 genoemde doelstellingen sluiten aan bij/zijn ontleend uit de doelstellingen in het Besluit activiteiten leefomgeving en de Omgevingswet. Daarnaast werken de doelstellingen uit de omgevingsvisie Molenlanden door in het omgevingsplan. De circulaire opgave, opgenomen in de omgevingsvisie, is terug te leiden op punt d en e van artikel 11.1. In de artikelsgewijze toelichting op artikel 11.1 is dit ook verwoordt onder 'het zoveel mogelijk hergebruiken' en 'ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen'. Daarmee wordt ook aangesloten bij de landelijke circulaire opgave en vertaald naar aanbestedingen. Wij zijn ons ook bewust van en wij steunen de ontwikkelingen en doelen op het gebied van circulaire toepassing van bouwstoffen. Voor alle toepassingen geldt dat er voldoende waarborgen moeten zijn om verontreiniging van bodem, grondwater en/of oppervlaktewater te voorkomen.
Zoals hierboven aangegeven zijn wij van mening dat de rijksregels op dit punt op dit moment tekortschieten. Zolang dit de situatie is willen wij met aanvullende regels en de voorgestelde binnenplanse vergunningplicht grip houden op het toepassen van de betreffende bouwstoffen in onze gemeente. Aanpassingen plan Toelichting: De zienswijze leidt tot aanpassing van de motivering van het wijzigingsbesluit. De wijziging betreft een toelichting op de regeling voor het toepassen van (secundaire) bouwstoffen (AVI-bodemassen, grondstabilisatie, metaalslakken en immobilisaten) en thermisch gereinigde grond. Regels: De zienswijze leidt tot aanpassing van de regels van het omgevingsplan. De wijziging betreft het opnemen van een regeling voor het toepassen van (secundaire) bouwstoffen (AVI-bodemassen, grondstabilisatie, metaalslakken en immobilisaten) en thermisch gereinigde grond, in de artikelen 6.3, 6.4 en 6.5. Verbeelding: De zienswijze leidt tot een aanpassing van de verbeelding van het omgevingsplan. De wijziging is het toevoegen van een locatie voor toepassen van (secundaire) bouwstoffen (locatie betreft ambtsgebied)
17
3. AMBTSHALVE wijzigingen Ambtelijk zijn er enkele onvolkomenheden geconstateerd die na de ter inzage legging van het ontwerp TAM-omgevingsplan aan het licht zijn gekomen. Hieronder is een overzicht van de wijzigingen weergegeven.
Motivering Artikelswijze toelichting artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 en artikelen 6.3, 6.4 en 6.5.
De artikelsgewijze toelichting bij de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 en artikelen 6.3, 6.4 en 6.5.wordt gewijzigd. Daarbij is het verbod gewijzigd in een binnenplanse vergunningplicht. Bij de aanvraagvereisten van de binnenplanse vergunningplicht zullen wij de volgende informatie eisen: - het akkoord van de opdrachtgever - de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase”
Aanvullingen artikelsgewijze toelichting voor artikelen 8.3, 8.4, 8.6, 8.7 en 8.8.
De artikelen zijn herschreven, zodat deze niet langer een maatwerkregel zijn, want deze pasten het toepassingsbereik van het Bal aan, wat niet mag met een maatwerkregel. Het zijn daarom algemene regels geworden. Hierop is ook de toelichting aangepast.
algemene
Regels Wijziging Artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 en artikelen 6.3, 6.4 en 6.5 aangepast.
toelichting De artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 en artikelen 6.3, 6.4 en 6.5 zijn aangepast. Daarbij is het verbod gewijzigd in een binnenplanse vergunningplicht. Bij de aanvraagvereisten van de binnenplanse vergunningplicht wordt de volgende informatie geëist: 18
-
Artikelen 8.3, 8.4, 8.6 en 8.7 tekstueel aangepast. Artikel 8.8 lid 2 toegevoegd over het tijdelijk uitnemen van grond.
Artikel TGG wordt gewijzigd in binnenplanse vergunningplicht
het akkoord van de opdrachtgever - de verantwoordelijke voor de toepassing en nazorg in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase” De artikelen zijn herschreven, zodat deze niet langer een maatwerkregel zijn, want deze pasten het toepassingsbereik van het Bal aan, wat niet mag met een maatwerkregel. Het zijn daarom algemene regels geworden. Net als bij de regeling voor bouwstoffen constateren wij dat een verbod een ingrijpend en zwaar instrument is en daarmee niet in het omgevingsplan vastgelegd kan worden onder welke voorwaarden thermisch gereinigde grond wel toegepast kan worden. Daarom is het voorstel om deze zienswijze tegemoet te komen door in de plaats van een verbod een binnenplanse vergunningplicht op te nemen waarmee met beoordelingsregels duidelijk wordt gemaakt wanneer meegewerkt kan worden met een toepassing door de gemeente. Aan de andere kant houden wij daarmee voldoende beoordelingsruimte en kunnen daarmee onze doelen uitoefenen.
19