CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2a Toelichting

Gezamenlijke Commissievergadering 6 februari 2024, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 6. Bestemmingsplan Groot-Ammers, Gelkenes 1011.324 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Tabel 2: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening is gekeken of het onderhavige plan milieutechnisch inpasbaar is, er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en/of dat omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de directe omgeving van het plangebied zijn overwegend woningen gelegen. Ten oosten van het plangebied ligt de voetbalclub V.V. Groot-Ammers (zie afbeelding 12). De richtafstand hiervoor bedraagt 50 meter. Het plangebied is gelegen op circa 175 meter afstand. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde richtafstand. Ten zuiden van het plangebied zijn Christelijke Basisschool Rehoboth en Openbare Basisschool De Ammers gelegen. De richtafstand hiervoor bedraagt 30 meter. Het plangebied is gelegen op circa 200 en 250 meter afstand. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden.

37

Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van dit plan.

Circa 175 meter

Circa 250 meter

Circa 200 meter

Afbeelding 12: Plangebied t.o.v. omliggende functies

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.

38

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR=10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Uit de kaart Veilige Omgeving van de Atlas van de Leefomgeving blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen (zie afbeelding 13). Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege deze bronnen. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. 39

Ten noorden is de rivier de Lek gelegen. De Lek is in het Basisnet (aangewezen in het Bevt) aangeduid als binnenvaartverbinding chemische clusters en achterlandverbinding met toetsingsafstand. Ontwikkelingen die binnen 200 meter van de transportroute vallen, dienen rekening te houden met het transport. In verband met de effecten van een mogelijke plasbrand op het water, dient in het kader van het Basisnet rekening gehouden te worden met een aandachtsgebied van 25 meter vanaf de oeverlijn van de Lek: hierbinnen moet de realisatie van kwetsbare objecten zoveel mogelijk geweerd worden. De afstand tot de oever van de Lek bedraagt ruim 500 meter. Er is daarmee geen noodzaak voor het berekenen van het groepsrisico en het opstellen van een (beperkte) verantwoording.

Plangebied

Afbeelding 13: Uitsnede kaart Veilige Omgeving (Atlas van de Leefomgeving)

Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

40

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt een KLIC-melding gedaan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

41

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft de realisatie van een woning. Om de invloed van de (bouw)werkzaamheden van het plan op eventueel beschermde aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. (…) Conclusie Het dempen van de vijver en verplaatsen van 3 bomen ten behoeve van de bouw van een woning, oprit en nieuwe watergang naast de Gelkenes 10 te Groot-Ammers is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).

42

•

•

•

•

•

•

Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De beoogde dempwerkzaamheden leiden niet tot aantasting van functioneel leefgebied van beschermde vis-, amfibieën- en insectensoorten. Tijdens de werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met de Algemene zorgplicht. Voorafgaand het dempen van de vijver dient eerst de nieuwe watergang gerealiseerd te worden. Wanneer de nieuwe watergang voltooid is kan de bestaande vijver gedempt worden.

De dempingswerkzaamheden dienen met een vaste werkrichting plaats te vinden, namelijk van west naar oost. Hierdoor kan de fauna uitwijken naar de nieuwe watergang. Het verplaatsen van de bomen dient opgestart of uitvoert te worden buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.’

Stikstof Naar aanleiding van de ecologische quickscan en de recente stikstof uitspraken van de Raad van State is tevens een voortoets stikstofdepositie opgesteld. Dit rapport is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. Onderstaand is de conclusie uit het onderzoek weergegeven, de conclusie is dat het aspect stikstofdepositie het plan niet in de weg staat. ‘In voorliggende voortoets is de stikstofdepositie van de bouw- en gebruiksfase op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden als gevolg van de ontwikkeling berekend met behulp van de AERIUS Calculator. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling tijdens beide fases niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De invoergegevens en het rekenresultaat zijn opgenomen in de bijlage van dit rapport.

43

Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie en stikstof geen belemmeringen.

44

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Ten behoeve van het aspect bodem is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Op basis van het (…) bodemonderzoek kan voor de onderzoekslocatie het volgende worden geconcludeerd: • Ter plaatse van de voormalige watergangen is in de grond een zwakke bijmenging van riet aanwezig en sporen baksteen. Er zijn geen ‘oude’ sliblagen aangetroffen. Tevens zijn deze watergangen niet gedempt met bodemvreemd materiaal. • Tijdens de uitvoering van het onderzoek zijn geen zintuigelijke waarnemingen gedaan aan de uitkomende grond die een aanwijzing zouden kunnen vormen voor bodemverontreiniging.

• In de bodem zijn sporen baksteen als bijmenging aangetroffen. Het betreft puin van de categorie die niet als asbestverdacht is aangemerkt. Uit de analyseresultaten blijkt het volgende: • Zowel de boven- als ondergrond is niet tot hoogstens licht verontreinigd met lood en nikkel. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit is de grond altijd toepasbaar. • Het grondwater is gelegen op ca. 0.23-0.70 m-mv en is licht verontreinigd met barium en zink. De hypothese ‘verdacht’ is niet geheel bevestigd gezien slechts in één geval een lichte verontreinigingen is aangetroffen. De verhogingen zijn van die mate dat de resultaten van het onderzoek geen aanleiding vormen voor nader onderzoek. Voor de voorgenomen grondtransactie door de grondeigenaar, bestemmingsplan wijziging en de geplande nieuwbouw op het terrein vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.

45

4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (zie onderstaande afbeelding). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. De beoogde nieuwe woning welke middels het onderhavige plan mogelijk wordt gemaakt blijft voornemens onder de 100 m2 grondoppervlakte. Hiermee wordt de grenswaarden waar boven verkennend archeologisch onderzoek noodzakelijk is niet overschreden.

Indien eventuele toekomstige werkzaamheden bovengenoemde grenswaarden wel overschrijden dient verkennend archeologisch onderzoek plaats te vinden. Ter borging hiervan en ter bescherming van de eventuele archeologische waarden ter plaatse wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’ overgenomen uit het moederbestemmingsplan.

46

Afbeelding 14: Uitsnede archeologische verwachtingskaart

Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen.

47

4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Het plan speelt hier bewust op in door de woning te isoleren conform de huidige bouweisen van het bouwbesluit. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen) en maatregelen in het kader van energiebesparing. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plangebied is gelegen aan een wetering, waar het hemelwater bij overvloedige neerslag naar kan worden afgevoerd.

De initiatiefnemer streeft er daarnaast naar het erf zo groen en zacht mogelijk te realiseren en daarnaast wordt er een extra watergang beoogd. Hiermee te voorkomen dat het hemelwater te snel wordt afgevoerd. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Het plan voorziet in het toevoegen van één woning. Het aspect hittestress is bij de initiatiefnemers onder de aandacht gebracht. Mogelijk dat in de nieuwe woning een installatie wordt geïnstalleerd die naast verwarmen ook kan koelen. Daarnaast dient er voldoende groen aanwezig te blijven om hittestress te voorkomen. Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. Door meer zachte gronden toe te passen en daardoor het versneld afvoeren van hemelwater te beperken kan dit worden tegengegaan.

48

5.

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Groot-Ammers, Gelkenes 10’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Groot-Ammers, Gelkenes 10’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Groot-Ammers, Gelkenes 10’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen’, vastgesteld op 4 november 2014. De regels van het bestemmingsplan ‘Groot-Ammers, Gelkenes 10’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmings-regels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Tuin De enkelbestemming ‘Tuin’ blijft qua regels ongewijzigd in vergelijking met het moederbestemmingsplan. Het bestemmingsvlak wordt iets verkleind ten behoeve van de nieuwe woning (woonbestemming wordt iets ruimer). Wonen De enkelbestemming ‘Wonen’ blijft qua regels grotendeels ongewijzigd in vergelijking met het moederbestemmingsplan. Het bestemmingsvlak wordt iets vergroot en er wordt een bouwvlak toegevoegd ten behoeve van de nieuwe woning. Waarde – Archeologie – 2 De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 2’ wordt ongewijzigd overgenomen van het moederbestemmingsplan ter bescherming van eventueel archeologische waarde ter plaatse.

49

5.4 Aanduidingen • • • • •

Bouwvlak; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – levensloopbestendige woning’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 2’; Maatvoering: maximaal aantal wooneenheden: 1’; Maatvoering: maximum goothoogte: 4,5 m.

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=bb2f34e6-7c32-4d9d-87e7-3391ad47a696