CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Toelichting bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 34’

Raadsvergadering 10 juli 2024, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5b. Bestemmingsplan Noordeloos, Grotewaard 3428.588 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Om de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai op de vrijstaande woningen in kaart te brengen is door Voortman Ingenieurs een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •

• •

‘De berekende geluidbelasting op woning 1 en 2 ten gevolge van de Grootewaard ten hoogste respectievelijk 48 dB en 44 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB dB voor wegverkeer; De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 53 dB, excl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woning beschikt alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte, zodat aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.

Voor de woningen hoeven geen hogere grenswaarden te worden vastgesteld omdat de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai niet worden overschreden.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid (wegverkeerslawaai) geen belemmeringen.

25

5.3 Bedrijven en milieuzonering Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). Onderzoek Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Omgevingstype ‘gemengd gebied’ Voor de toetsing kan is uitgegaan van het omgevingstype gemengd gebied. Het plangebied is gelegen in een omgeving waar reeds sprake is van functiemenging van wonen, agrarische en overige bedrijven.

Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden kunnen met één afstandsstap worden verlaagd. Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020 De raad van de gemeente Molenlanden heeft d.d. 19 mei 2020 de ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ vastgesteld. In artikel 4 lid 2 van de Verordening is vastgelegd dat, in afwijking van de Wet geurhinder en veehouderij, de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object (omliggende woningen), buiten de bebouwde kom, mag worden verlaagd naar 25 meter. In de directe omgeving van het plangebied is uitsluitend het agrarisch bedrijf Grotewaard 33 gelegen. Conform de Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020 geldt voor een agrarisch bedrijf in het buitengebied een richtafstand van 25 meter. De dichtstbijzijnde woning Grotewaard 33a wordt gerealiseerd op minimaal 25 meter c van de erfgrens met het naastgelegen agrarisch bedrijf Grotewaard 33. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde richtafstand. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat het agrarisch bedrijf niet in hun bedrijfsvoering wordt beperkt als gevolg van dit plan.

26

Agrarisch bedrijf Grotewaard 33

> 25 meter

Afbeelding 13: Milieubelastende functie t.o.v. het plangebied

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder geen belemmeringen.

27

5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstige gebruik ‘wonen’ in kaart te brengen is er op beide bouwlocaties een bodemonderzoek uitgevoerd. Locatie Grotewaard 33a Noordeloos Door LAWIJN advies & management is op de locatie Grotewaard 33a Noordeloos een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek zijn: Algemene bodemkwaliteit • In de bovengrond op zowel het oostelijk als het westelijk gedeelte van de locatie zijn lichte verontreinigingen met molybdeen en lood en PAK geconstateerd. In de bovengrond op het westelijk terreindeel is tevens een licht verhoogd bariumgehalte gemeten.

Zintuiglijk is zwakke bijmenging van resten puin en grind waargenomen in de bovengrond, alsook plaatselijk sporen kolengruis. • In de laag zwak tot matig siltige klei in de ondergrond van de locatie zijn lichte verontreinigingen met barium, molybdeen, lood en PAK geconstateerd. Zintuiglijk is plaatselijk geringe bijmenging van sporen puin waargenomen in de ondergrond. Terreinverharding • In de open puinverhardinglaag op het westelijk gedeelte van de locatie is plaatselijk een sterke verontreiniging met asbest geconstateerd. De sterke verontreiniging manifesteert zich op het terreindeel tussen de veestal en de overdekte mestopslag, aan de noordwestzijde van het erf (SL51; gewogen gehalte: 210 mg/kg d.s.). De omvang van de sterke verontreiniging met asbest in de puinverhardinglaag wordt geschat op circa 25 m3 (50% van totaalvolume puinverhardinglaag). • Het gewogen asbestgehalte in de puinverhardinglaag op het overige gedeelte van de locatie voldoet op basis van de verkregen onderzoekresultaten aan de hergebruiknorm/restconcentratienorm. In de puinverhardinglaag op het oostelijk terreindeel is plaatselijk één stukje asbesthoudend plaatmateriaal aangetroffen (SL56; gewogen gehalte: 11 mg/kg d.s.). Voormalige bovengrondse dieseltank • In de bovengrond op het terreindeel bij de voormalige bovengrondse dieselolietank is een lichte verontreiniging met dieselolie geconstateerd.

• In het grondwater uit de peilbuis bij de voormalige dieselolietank is een licht verhoogde concentratie naftaleen gemeten. Voor minerale olie is geen verontreiniging aangetoond in het grondwater. Slootdemping • In de ondergrond op het terreindeel bij de voormalige sloot op het westelijk gedeelte van de locatie is een sterke verontreiniging met zink (en lood) aangetroffen. Hiernaast zijn plaatselijk matig verhoogde gehaltes barium 28

•

•

•

en koper gemeten. Zintuiglijk is matige tot sterke bijmenging van resten slib en plastic waargenomen, alsook plaatselijk resten puin en kolengruis. De geroerde dempinglaag is voornamelijk aangetroffen binnen het traject van 0.5 tot 1.5 meter beneden maaiveld (maximaal tot 1.8 meter). In de bovengrond op het terreindeel bij de voormalige sloot bevindt zich een opgebrachte kleiige laag (met een tussenliggende betonvloer; laagdikte: circa 10 cm). In de kleiige bovenlaag zijn uitsluitend lichte verontreinigingen met zware metalen geconstateerd. In het grondwater uit de twee peilbuizen op het terreindeel bij de voormalige sloot is geen verontreiniging met zink en lood aangetoond. Voor barium zijn licht tot matig verhoogde concentratie gemeten, welke vermoedelijk kunnen worden beschouwd als een verhoogde achtergrondwaarde. De omvang van de sterke verontreiniging met zware metalen in de dempinglaag van de voormalige sloot wordt geschat op circa 100 à 125 m3. Op basis van de omvang van de sterke verontreiniging in de grond is sprake van geval van ernstige bodemverontreiniging. Aan de hand van de resultaten van het grondwateronderzoek worden de aangetroffen sterke verontreinigingen in de dempinglaag als niet mobiel aangemerkt (geen verspreidingrisico).

Aanbevelingen Voor de aangetroffen verontreinigingsituatie in de ondergrond op het terreindeel bij de voormalige sloot op het westelijk gedeelte van de locatie is sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hiernaast is sprake van een sterke verontreiniging met asbest in de puinverhardinglaag op het noordwestelijk gedeelte van de locatie. In het kader van de voorgenomen herinrichting van het perceel bestaat voor de aangetroffen sterke verontreinigingen op het westelijk terreindeel een saneringsnoodzaak. Voor de aanpak van sterke verontreinigingen dient vooraf een saneringsplan/BUS-melding te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Indicatieve beoordeling hergebruikmogelijkheden grond (Besluit bodemkwaliteit) De toepassingsmogelijkheden voor eventueel vrijkomende grond op het overige gedeelte van de locatie, buiten de sterk verontreinigde terreindelen, dienen te worden bepaald volgens de methodiek van het Besluit bodemkwaliteit en/of de Bodemkwaliteitskaart van de gemeente Giessenlanden (regio Zuid-Holland Zuid).’ Locatie Grotewaard 34 Door Linge Milieu bv is op de locatie Grotewaard 34 Noordeloos een verkennend bodemonderzoek en inventariserend asbestonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit bodemonderzoek zijn: ‘De bodem bestaat uit licht puinhoudende klei, overgaand in grijze en siltige klei op gemiddeld 1.0 m-mv.

Het puin in de bovengrond is steenachtig van aard met een enkel kooldeeltje. Asbestverdachte materialen zoals plaatjes zijn visueel nergens aangetroffen in de grond of op het maaiveld. Grond De geroerde, licht puinhoudende bovengrond van het terrein aan de Grotewaard is licht verontreinigd met lood, molybdeen en PAK. Deze verontreiniging is waarschijnlijk typerend voor de lintbebouwing langs de Grotewaard. In de kleiige ondergrond wordt voor geen van de stoffen uit het NEN 5740-pakket een tussenwaarde overschreden. Asbest Zowel visueel als analytisch is geen asbest aangetoond in de licht puinhoudende grond rond de woning. Deze analyse moet als indicatief worden beschouwd.

29

Grondwater Alleen voor barium wordt de streefwaarde in het grondwater overschreden. Dit metaal wordt in grote delen van Nederland verhoogd aangetroffen en is niet specifiek voor het perceel aan de Grotewaard 34 zelf. Conclusie Voor geen van de stoffen uit het NEN 5740-pakket wordt een tussenwaarde overschreden in grond of grondwater. Aanleiding voor verder onderzoek is er dus niet. Licht verhoogde gehaltes zijn geen risico voor de volksgezondheid. De algemene bodemkwaliteit is geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging van de locatie.’ Conclusie Voor aanvang van de werkzaamheden dient een saneringsplan/BUS-melding te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.

30

5.5 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt'. Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen.

Afbeelding 14: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart

31

Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente is te zien dat het plangebied valt op gronden met een: • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter of gelijk dan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting dieper dan 1,5 m beneden maaiveld. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 150 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 500 m 2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Onderzoek Voor het plan is door ADC ArcheoProjecten een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek is: ADC ArcheoProjecten adviseert om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen.

Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet.’ Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag. Ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden wordt de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie – 2, 4, 5 en 8' overgenomen in het onderliggende bestemmingsplan.

32

5.6 Watertoets In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Beleidskader Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur.

Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraan- en afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

33

C-watergang 049089

C-watergang 049088

C-watergang 049127

A-watergang 000689

C-watergang 051995 A-watergang 112803 C-watergang 048682 C-watergang 049113 Afbeelding 15: Uitsnede Legger Wateren

Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (Dossiercode 20170926-916096). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen. Ten zuidwesten van het plangebied liggende de A-watergang 112803 en de Cwatergangen 049089 en 051995. In het zuiden wordt het plangebied begrensd door C-watergang 049113 en in het noorden door de C-watergangen 049088 en 049127. Verder lopen door het plangebied de A-watergang 000689 en de Cwatergang 048682. De geplande sloopwerkzaamheden vallen gedeeltelijk in de beschermingszone van de A-watergang 000689. Voor deze werkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. De bouwwerkzaamheden vallen buiten de beschermingszone van de watergangen. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW017. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,83 m NAP en een winterpeil van -1,93 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Gezien het lage peilniveau van het terrein wordt ter plaatse van de woningen het terrein opgehoogd.

34

Plangebied

Afbeelding 16: Uitsnede Peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling Verhardingsbalans Om de eventuele benodigde watercompensatie te bepalen is een verhardingsbalans opgesteld.

Tabel 2: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Tijdelijke woning Voormalige veestal Voormalige mestopslag Houten schuur Houten hooitas Woonboerderij Wagenloods Schuur met silo’s Schuur Mestkelder Betonplaat Overige terreinverharding Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Woning Grotewaard 33a Woning Grotewaard 34

Oppervlakte (m2) 85 m2 408 m2 238 m2 245 m2 160 m2 140 m2 465 m2 100 m2 35 m2 27 m2 360 m2 1136 m2 3399 m2

120 m2 117 m2 35

Voormalige veestal Voormalige mestopslag Erfverharding Grotewaard 33a Erfverharding Grotewaard 34 Totaal nieuwe situatie Verschil

408 m2 238 m2 700 m2 750 m2 2333 m2 1066 m2 afname

Het plan resulteert in een aanzienlijke afname aan verharding. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen niet vereist dan wel noodzakelijk. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiverings- installatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK'shoudende bouwmaterialen.

Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. Hemelwater van verhardingen stroomt rechtstreeks af op het aanliggend maaiveld. In het plan wordt ervan uitgegaan dat het hemelwater zal worden geloosd op het omliggende oppervlaktewater. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via het bestaande gescheiden rioleringsstelsel (DWA). De nieuwe woningen wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Regionale waterkering Het plangebied is gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering, de Grotewaard. De waterkering en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de kade zijn door de verordening Keur beschermd. In principe geldt dat er geen bebouwing op de waterkering aanwezig mag zijn.

Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. De bouw- en sloopwerkzaamheden vinden plaats binnen de beschermingszone van de waterkering. Voor de uitvoering van het plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Ter bescherming van de waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone van de nieuwe waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Op basis van de Barro (2012) wordt voor de beschermingszone van de nieuwe waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk - 1’ 36

opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen beschermen de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming te beperken.

Afbeelding 17: Uitsnede Legger Waterkeringen

Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Grotewaard. Het perceel Grotewaard 33a te Noordeloos heeft thans vier uitritten op de Grotewaard. In de nieuwe situatie behoudt het plangebied twee uitritten. Beide woonkavels krijgen een aparte in- en uitrit. Ten behoeve van de woning Grotewaard 34 wordt een nieuwe brug gerealiseerd over de wetering. Op deze ontsluiting ligt een recht van overpad voor de eigenaar van de aanliggende agrarische gronden. Per saldo neemt het aantal inritten af, waardoor vanuit verkeerstechnisch en -veiligheidsoogpunt is sprake van een verbeterde situatie. Voor de aanleg van de nieuwe brug/wijziging van de ontsluiting dient een melding te worden gedaan bij het Waterschap Rivierenland. Indien de werkzaamheden aan de uitritten plaatsvinden binnen de kernzone van de regionale waterkering dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoud- kundige systeem. Voor de uitvoering van het plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.

37

5.7 Flora en fauna Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is op beide locaties door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: In het plangebied of de directe omgeving daarvan komen mogelijk beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. Het plangebied heeft, behoudens torenvalk (cat.5 vogel) en algemene broedvogels, aannemelijk geen essentiële betekenis voor de overleving van soorten die behoren tot het beschermingsregime habitatrichtlijnsoorten, vogelrichtlijnsoorten of overige soorten. Van de torenvalk is een nestlocatie aanwezig binnen het plangebied.

Er is echter geen sprake van ecologisch zwaarwegende redenen voor jaarronde nestbescherming aangaande de soort, wel wordt geadviseerd maatregelen te treffen. Algemene broedvogels gebruiken mogelijk de groenstructuren binnen de planlocatie als nestlocatie. De planlocatie maakt tevens mogelijk onderdeel uit van het foerageergebied van de opportunistisch foeragerende vleermuizen. De rugstreeppad is aanwezig in de omgeving van de planlocatie. De huidige situatie op de planlocatie vormt geen geschikt leefgebied voor de soort. Echter door de geplande ontwikkelingen kan geschikt leefgebied, bestaande uit zandige open bodem, pioniervegetatie en ondiepe voortplantingsplassen, ontstaan waardoor vestiging van de soort op de planlocatie kan optreden. Maatregelen dienen genomen te worden om bevolking van de planlocatie te voorkomen. Het plangebied maakt tevens onderdeel uit van het leefgebied van algemene amfibieën, ongewervelden en zoogdieren. Een aantal van de te saneren opstallen zijn vrij toegankelijk voor fauna en de kans op (vaste) rust- en schuilplaatsen voor diverse algemene amfibieën, zoogdieren en (broed)vogels is derhalve zeer aannemelijk. Om verstoring van algemene broedvogels tijdens het broedseizoen te voorkomen dienen de sloopwerkzaamheden buiten het broedseizoen om uitgevoerd te worden.

Aangaande algemene amfibieën en zoogdieren dient de algemene Zorgplicht gehandhaafd te worden. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van algemene broedvogels en algemene amfibieën, zoogdieren en ongewervelden. Tevens wordt de planlocatie mogelijk gebruikt als foerageergebied door vleermuizen. Voor vleermuizen en algemene broedvogels dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Tijdens de werkzaamheden kan vestiging van de rugstreeppad op de planlocatie optreden. Maatregelen dienen genomen te worden om deze vestiging te voorkomen. De aanwezigheid van overige beschermde soorten (Wnb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling (vrijstellingsbesluit).

38

De ruimtelijke ontwikkeling van de planlocatie aan Grotewaard 33a en 34 te Noordeloos is, na toepassing van enkele maatregelen, uitvoerbaar conform het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodem bewonende dieren de kans te geven in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Aanvullende maatregelen tegen de vestiging van de rugstreeppad in de winterperiode (medio oktober – medio maart) zijn niet nodig. Buiten deze periode dient het terrein ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden.

Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De sloopwerkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen (afhankelijk van klimatologische omstandigheden, indicatief medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van een deskundige. • De werkzaamheden uitvoeren binnen de winterrustperiode van de vleermuizen (medio oktober – medio april). Buiten deze periode om dient de planlocatie tijdens de werkzaamheden bij voorkeur minimaal verlicht te worden waarbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast wordt (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode apriloktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • Indien de es met nestlocatie van torenvalk niet behouden blijft dient een alternatieve voorziening te worden geplaatst.

De nestkast dient aan de rand van een bos, een vrijstaande boom of een paal in het veld gemonteerd te worden. Plaats de nestkast niet met de invliegopening naar het zuid/westen. In de nestkast een kleine hoeveelheid nestmateriaal (turf) toevoegen. De nestkast op minimaal 4 meter hoogte ophangen. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. Binnen een straal van circa 10 km rondom het plangebied bevinden zich zes Natura2000 gebieden, betreffende het vogel- en habitatrichtlijngebied ‘Zouweboezem’ op circa 5.5 km ten noordoosten, het habitatrichtlijngebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid ’op circa 5.5 km ten zuidoosten, het habitatrichtlijngebied ‘Uiterwaarden Lek’ op circa 5.7 km ten noorden, het vogel- en habitatrichtlijngebied ‘Biesbosch’ op circa 9.2 km ten zuidwesten, het habitatrichtlijngebied ‘Loevestein’ op circa 9.5 km ten zuidoosten en het vogelrichtlijngebied ‘Donkse laagten’ op circa 10.0 km ten westen van het plangebied. 39

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijk weidevogelgebied geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

Afbeelding 18: Plangebied in relatie tot Natura2000-gebieden

Afbeelding 19: Plangebied in relatie tot Natuurnetwerk Nederland (NNN)

40

Het plangebied is gelegen nabij een belangrijk weidevogelgebied. Belangrijke weidevogelgebieden zijn agrarisch gebieden die worden gekenmerkt door een hoge weidevogeldichtheid. Deze gebieden maken geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland maar worden planologisch beschermd via de Structuurvisie. Conform de beleidsregel is binnen belangrijk weidevogelgebied het ‘nee, tenzij'-regime van kracht. Dat betekent dat een ingreep niet is toegestaan, indien de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied significant wordt aangetast. Onder de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden worden verstaan: de hoge weidevogeldichtheden alsmede de factoren die deze dichtheden bepalen zoals het agrarisch (grasland)gebruik, de waterhuishouding, de landschapsstructuur, openheid en rust. Het huidige gebruik en beoogde gebruik leidt niet tot een excessieve toename van storingsfactoren zoals geluid, licht, optische verstoring, landschapsstructuur, openheid, rust, waterhuishouding en het gebruik van het omliggende agrarische grasland. De meeste weidvogelsoorten houden een zekere afstand tot locaties waar reeds sprake is van de functie wonen. Daarnaast vormen de (hogere) bomen in het plangebied en in de directe omgeving uitkijkposten voor vogels die (jonge) weidevogels prederen (o.a. zwarte kraai en ekster).

Ongeacht beheer en inrichting is de zoom rondom bebouwing en woonpercelen derhalve vaak minder geschikt voor weidevogels. Het is echter uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling leidt tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het belangrijk weidevogelgebied. Gedurende de sloop kunnen echter hoge piekgeluiden ontstaan die mogelijk leiden tot verstoring van (enkele) weidevogels. Derhalve wordt geadviseerd om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Het broedseizoen betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli).

Afbeelding 20: Plangebied in relatie tot weidevogelgebied

Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Het plan is getoetst aan het beoordelingskader van de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ). Hieruit blijkt dat het plan niet relevant is voor het aspect stikstofdepositie. Het plan betreft de realisatie van twee woningen. Het plangebied ligt op meer dan 5,5 km afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Zouweboezem). Op basis van het beoordelingskader van OZHZ ('Stroomschema beoordeling WABO-aanvragen bouw voor nieuwe initiatieven met stikstofdepositie, versie 5.1, 27 januari 2021') hoeft geen rekening te worden gehouden met stikstofdepositie. Uit het kader blijkt dat – uitgaande van de worst case afstand voor grasland - het plan niet relevant is voor stikstofdepositie. Conclusie Het plan ondervindt , indien de gestelde (voorzorg)maatregelen worden getroffen, voor wat betreft ecologie geen belemmeringen. 41

5.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 3: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 μg/m

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 μg/m3 25 μg/m3

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring het volgende overzicht: • Een roetconcentratie tussen 0,7 – 0,8 μg EC/m3; • Een stikstofconcentratie tussen 16 - 18 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 18 – 19 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11 – 12 μg PM2,5/m3; Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekende mate vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de Grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het besluit NIBM (gevallen die niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit <3%), waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht.

42

5.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of wegen waarover bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen worden vervoerd die een bedreiging kunnen vormen voor het plan.

Plangebied

Afbeelding 21: Uitsnede Risicokaart

Buisleidingen In en om het plangebied zijn geen buisleidingen aanwezig. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten.

43

Kabels en leidingen In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

44

6. Juridische planopzet 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

6.3 Bestemmingen Agrarisch De gronden welke in de nieuwe situatie worden omgezet naar agrarisch grasland krijgen de bestemming ‘Agrarisch’. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - hobbymatig agrarisch gebruik’ zijn hobbymatige agrarische activiteiten toegestaan. Tuin De gronden rondom de woonbestemmingsvlakken krijgen de bestemming ‘Tuin’. Water Ter plaatse van de wetering blijft de bestemming ‘Water’ ongewijzigd. Wonen Ter plaatse van de nieuwe woonkavels wordt de agrarische bestemming gewijzigd naar de bestemming ‘Wonen’ met een bouwvlak. Waarde – Archeologie – 2, 4, 5 en 8’ Ter bescherming en veiligstelling van archeologische waarden worden de dubbelstemmingen Waarde – Archeologie – 2, 4, 5 en 8’ overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Giessenlanden’. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de waterkering wordt ter plaatse van de kernzone van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen.

45

6.4 Aanduidingen • • •

Gebiedsaanduiding vrijwaringszone – dijk – 1; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - hobbymatig agrarisch gebruik’; Specifieke bouwaanduiding – 4: Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 4' bedraagt het gezamenlijk oppervlak aan bijgebouw en overkappingen maximaal 650 m2.

7. Economische uitvoerbaarheid 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het bouwplan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

8. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

8.1 Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de Provincie Zuid-Holland en Waterschap Rivierenland. Beide overlegpartners hebben geen opmerkingen op het plan.

8.2 Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ heeft vanaf maandag 18 juni 2018 voor de duur van zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad nr. 127277). Tijdens de terinzagelegging zijn er vier zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn binnen de daarvoor geldende termijn ingediend, en zijn ontvankelijk. De zienswijzen geven geen aanleiding tot het aanpassen van de toelichting, de regels of de verbeelding van het bestemmingsplan. De ingediende zienswijzen zijn inhoudelijk behandeld en van een antwoord voorzien in een ‘Nota Zienswijzen’. De ‘Nota Zienswijzen’ is toegevoegd in de bijlage. Intussen is op 1 januari 2019 de gemeente Giessenlanden opgegaan in de nieuwe gemeente Molenlanden. De oude en de nieuwe gemeentenaam worden in deze nota afhankelijk van het van toepassing zijnde tijdsbestek door elkaar gebruikt.

46

8.3 Beroep Het bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ (IMRO-codering NL.IMRO. 1978.BPgrotewaard33aNDL-VG01) is op 7 mei 2019 door de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden vastgesteld. Het vastgestelde bestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf 16 mei 2019 gedurende zes weken (tot en met 26 juni 2019) ter inzage gelegen. Tijdens de beroepstermijn van het bestemmingsplan is er één beroepschrift ingediend. De Raad van State heeft op 10 maart 2021 een tussenuitspraak (uitspraak 201904761/1/R3) gedaan waarin wordt opgedragen om: a. Het Raadsbesluit te wijzigen of een nieuw besluit te nemen. Voor zover de raad het bouwvlak deels in het veenweidegebied wil handhaven, kan dit indien blijkt dat daarvoor provinciale toestemming bestaat. De raad kan ook het deel van het bouwvlak dat is gelegen in veenweidegebied laten vervallen of ervoor kiezen om een bouwvlak op een andere locatie binnen het lint vast te stellen; b. Publiekrechtelijk te borgen, bijvoorbeeld door middel van een voorwaardelijke verplichting, dat de schuur over de wetering zal worden gesloopt dan wel een ander besluit te nemen waarmee op dit punt wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening. Naar aanleiding van deze uitspraak is contact gelegd met de provincie ZuidHolland voor de provinciale toestemming. De provincie heeft haar advies eerst mondeling toegelicht en vervolgens op schrift gesteld.

De brief van de provincie is toegevoegd in de bijlage van dit bestemmingsplan. De provincie legt uit dat het richtpunt ‘linten’ geen harde grens is, dat de provincie een beperkte rol heeft bij een dergelijke ontwikkeling én stelt dat men zorgen heeft over een twee punten: de positie van de bebouwing en de diepte van de tuin. De provincie stelt dat wanneer deze twee punten nader onderzocht en aangepast zijn er voldaan kan worden aan de provinciale Omgevingsverordening. Naar aanleiding van de brief van de provincie Zuid-Holland is de verbeelding van het bestemmingsplan gewijzigd. De verbeelding voor de woning Grotewaard 34 is aangepast, waarbij het bestemmingsvlak ‘Wonen’ is verkleind, de bestemming ‘Tuin’ is verkleind en het achterste deel van het perceel over een diepte van circa 16 meter heeft de bestemming ‘Agrarisch’ met de aanduiding ‘hobbymatig agrarisch gebruik’ gekregen. De provincie Zuid-Holland heeft vervolgens in een aanvullende brief aangegeven dat het aangepaste plan voldoet aan de aanbevelingen die de provincie vanuit de richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit heeft meegegeven. De aanvullende brief van de provincie is toegevoegd in de bijlage van dit bestemmingsplan. Tot slot, is een voorwaardelijke sloopverplichting toegevoegd in de regels van het bestemmingsplan voor de sloop van de schuur over de wetering (artikel 6.3.1).

Dit houdt in dat de schuur gesloopt moet zijn, voordat de woning Grotewaard 34 in gebruik genomen mag worden. Het gewijzigde bestemmingsplan ‘Noordeloos, Grotewaard 33a’ (IMRO-codering NL.IMRO. 1978.BPgrotewaard33aNDL-VG02) is op 15 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden gewijzigd vastgesteld.

47

deels bestaande beplantingsgroep met streekeigen soorten

bestaande schuur

boom weide

gras bestaande schuur bestaande knotwilgen boom gras G R O

erf

W E T

33a R A A

gras

D

nieuwe woning

boom

weide streekeigen bomen voor nadere informatie zie referentiebeelden elzen of knotwilgen G N E S S IE

erf

nieuwe woning

gras deels bestaande beplantingsgroep met streek eigen soorten

weide

gras toegangsbrug

elzen of knotwilgen

0

10

20m

LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN - GROTEWAARD 33a - NOORDELOOS © LAGENDIJK TUIN- EN LANDSCHAPSARCHITECTEN - 13 SEPTEMBER 2017 - IN OPDRACHT VAN -V.D. HEUVEL ONTWIKKELING EN BEHEER B.V.www.lagendijkTLarchitecten.nl - Bergambacht - tel 0182 - 357077

VERKENNEND BODEMONDERZOEK GROTEWAARD 34A (ACHTER) NOORDELOOS

KADASTRAAL D 892 MEI 2022

opdrachtgever

Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer BV Lekdijk 44 2967 GB Langerak

Projectnummer

22-2076

versie:

1

datum:

7 juni 2022

LINGE MILIEU BV | BODEMONDERZOEK & ADVIES | POPPELENBURGERSTRAAT 52 | 4191 zt | GELDERMALSEN | THE NETHERLANDS T 0345 - 570 272

| INFO@LINGEMILIEU.NL

|

WWW.LINGEMILIEU.NL

|

KVK Tiel 30233558

opgesteld door: Arjan Vlasblom Hierbij verklaar ik, Nico Verweij, het veldwerk in Noordeloos uitgevoerd te hebben volgens BRL SIKB 2000 en bijbehorend protocol 2001 en 2002, in mei 2022, onafhankelijk van opdrachtgever of eigenaar

1

1. Inleiding

1

2. Vooronderzoek

2

2.1 2.2

Historie en actuele situatie Bodemopbouw

2 3

3. Opzet en invulling van het onderzoek

4

3.1 3.2 3.3

Onderzoekstrategie Veldwerk onderzoek Zintuiglijke waarnemingen, chemisch onderzoek

4. Analyse, toetsing en interpretatie 4.1 4.2 4.3

5

4 5 5

6

Analyseresultaten grond Resultaten asbest Analyseresultaten grondwater

6 7 8

Conclusie en aanbevelingen

9

5.1 5.2

Conclusies Betrouwbaarheid

bijlagen bijlage A: algemene toelichting bodemonderzoek bijlage B1 analyseresultaten NEN 5740 grond bijlage B2 analyseresultaten NEN 5740 grondwater bijlage B3 resultaten asbest bijlage C: boorstaten bijlage D1 kadasterkaart, historische gegevens bijlage D2 informatie Omgevingsdienst ZHZ bijlage D3 eerder onderzoek bijlage E: situatieschets

1 Grotewaard 34A Noordeloos, juni 2022

9 10

1. Inleiding In mei 2022 is in opdracht van Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer BV te Langerak verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op het terrein aan de Grotewaard 34A in Noordeloos, gemeente Molenlanden.

Het terrein bestaat uit gras, weiland. Er heeft nooit enige bebouwing gestaan. Aanleiding voor het onderzoek is de ontwikkeling van het perceel. Het plan bestaat uit een vrijstaande woning. De onderzochte locatie heeft een oppervlak van 750 m². Kadastrale gegevens van het perceel zijn Noordeloos D, nummer 892.

Er zijn negen boringen en een peilbuis over de locatie verdeeld, tot een diepte van maximaal 2.4 m-mv. Het grondwater stond op het moment van het onderzoek op 0.6 m-mv. Grond en grondwater zijn geanalyseerd op het NEN 5740-pakket, PFAS en asbest. Het asbest-onderzoek is indicatief en betreft de dam naar het terrein. Linge Milieu is een onafhankelijk bureau dat als erkend bureau is aangewezen door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Linge Milieu is geen eigenaar van het perceel in Noordeloos of anderszins betrokken bij het terrein aan de Grotewaard via de eigen organisatie. Voorwaarde voor de onafhankelijkheid is verder dat er geen zakelijke connecties bestaan tussen de monsternemer (Linge Milieu) en de opdrachtgever. Een dergelijke relatie tussen Van den Heuvel BV en Linge Milieu is er niet. Dit project is uitgevoerd onder certificaat volgens BRL SIKB 2000, certificaatnummer VB-051/7. Het veldwerk is uitgevoerd conform de BRL-Protocollen 2001 en 2002, waarvoor Linge Milieu volgens het procescertificaat veldwerk voor milieuhygiënisch bodemonderzoek is gecertificeerd.

In hoofdstuk 2 zijn de resultaten van het vooronderzoek gegeven, dat vooraf is gegaan aan het veldwerk. Er wordt daarbij een korte samenvatting gegeven van de huidige situatie. Hoofdstuk 3 behandelt de opzet en uitvoering van het onderzoek. In hoofdstuk 4 en 5 tenslotte worden de resultaten getoetst en worden conclusies aan de resultaten verbonden.

1

2. Vooronderzoek 2.1

Historie en actuele situatie De onderzoekslocatie betreft het perceel achter de woning aan de Grotewaard 34A in Noordeloos, Gemeente Molenlanden. Kadastrale gegevens van het terrein zijn Noordeloos D, nummer 892, postcode is 4225 SL. De onderzochte locatie heeft een oppervlak van 750 m². Voor het historisch onderzoek zijn gegevens gebruikt van Omgevingsdienst ZHZ. Verder zijn oude kaarten, luchtfoto's, eerder onderzoek en gegevens van de opdrachtgever gebruikt. De historische gegevens zijn opgenomen in bijlage D. Algemene gegevens locatie De onderzoekslocatie bestaat uit weiland, gras. Het heeft nooit een andere bestemming gehad. Door het midden van het terrein loopt een afwateringsgreppel. Dit is geen gedempte sloot. Foto's van de locatie zijn te vinden in bijlage D1. De grote stal op het land direct ten noorden van de onderzoekslocatie heeft een oppervlak van 500 m² en is gebouwd in 1990. Op het terrein gaat een woning worden gebouwd, met een eigen oprit naar de Grotewaard. De locatie en contouren van de nieuwbouw en oprit zijn aangegeven in de tekening in bijlage E. Op het moment van het onderzoek was een deel van de oprit naar het weiland, de dam, al aangebracht. Zie ook foto's in bijlage D1. De dam bestaat uit zand en menggranulaat. Op deze locatie lag in het verleden ook al een dam.

Geschiedenis van het terrein In bijlage D1 zijn vijf kaarten van het gebied opgenomen : uit 1960, 1970, 1985, 1995 en 2015. Op alle kaarten is het perceel als weiland aangegeven, zonder veranderingen in vorm of het sloten-patroon in de omgeving. Verder zijn in bijlage D1 drie luchtfoto's opgenomen, uit 2005, 2013 en 2021. Er zijn in deze periode geen wijzigingen in bestemming of het bodemgebruik te zien.

Gedempte sloten Er zijn geen gedempte sloten op de locatie terug te vinden op oude kaarten.

Tank Er zijn geen tanks op het terrein bekend.

Asbest Er is visueel nergens asbest waargenomen. De enige mogelijke bron van asbest-bodemverontreiniging is het puin van de dam naar het weiland. Daarvan is een indicatief mengmonster samengesteld voor analyse op asbest.

Eerder onderzoek, omgeving Op het onderzochte terrein zelf is geen eerder onderzoek bekend. In de directe omgeving zijn wel enkele onderzoeken uitgevoerd. •

Linge Milieu BV heeft in juli 2017 onderzoek uitgevoerd op het naastgelegen terrein kadastraal D717, met rapport-nr 17-2085. Daar staat een woning met schuur. Aanleiding was de bestemmingswijziging van het perceel van agrarisch naar wonen. De tekst en tekening van het rapport zijn opgenomen in bijlage D3. De resultaten: I. Er zijn acht boringen en een peilbuis rond de opstallen verdeeld. De bovengrond was licht

verontreinigd met lood, molybdeen en PAK, de ondergrond was schoon.

2 Grotewaard 34A Noordeloos, juni 2022

II. Van de licht puinhoudende bovengrond is een indicatief mengmonster op asbest geanalyseerd.

Asbest was zowel visueel als analytisch niet aantoonbaar in deze grond. III. In het grondwater was barium als enige licht verhoogd. •

Naar aanleiding van nieuwbouw op het terrein aan de Grotewaard 33 heeft Van Dijk Geotechniek BV in oktober 2009 verkennend onderzoek uitgevoerd, met rapport-nr 150765. Er is geen verontreiniging aangetroffen waar verder onderzoek voor nodig was.

•

In het weiland ten noorden van de onderzoekslocatie is een gedempte sloot bekend. Deze ligt in kadastraal perceel D-406 en heeft als locatiecode ZH068901246.

Bodemkwaliteitskaart, bestrijdingsmiddelen, PFAS en japanse duizendknoop Voor Noordeloos is een bodemkwaliteitskaart beschikbaar. De lintbebouwing langs de Grotewaard ligt in een zone Industrie Heterogeen. De boven- en ondergrond van het terrein achter de lintbebouwing is gemiddeld AW-kwaliteit. De kaart is opgenomen in bijlage D2. Er hebben in de periode jaren 1960-1970 wel sporadisch wat boomgaarden ten oosten van de Grotewaard gestaan, maar niet op of rond de onderzoekslocatie. De toplaag van het terrein is onverdacht voor bestrijdingsmiddelen. De grond van het terrein aan de Grotewaard is net als de rest van Nederland verdacht voor PFAS. Onderzoek naar PFAS is relevant als er grond van de locatie moet worden afgevoerd. De bovengrond van het weiland is op PFAS geanalyseerd. Er is geen japanse duizenknoop waargenomen op of rond het te ontwikkelen terrein.

2.2

Bodemopbouw Het onderzoeksterrein ligt op de tijdens het Holoceen gevormde gronden, die worden gerekend tot de Wetslandformatie. De bodem ter plaatse bestaat uit humeuze klei, overgaand in veen op ongeveer 0.5 mmv. In één boring is de bovengrond zandig. Dit is boring 7, aan de voorzijde van het terrein, naast de dam. In twee van de negen boringen is puin aangetroffen, tot een diepte van 0.5 m-mv. Het bestaat uit onverdacht, steenachtig materiaal, baksteen. Het gehalte is als licht of sporen van gekwalificeerd. De dam bestaat voor 100% uit bodemvreemd materiaal en is geen onderdeel van de bodem. Het maaiveld van het terrein ligt op 1.2 meter onder NAP. Ten tijde van het onderzoek bevond het grondwater zich op 0.6 m-mv. De stromingsrichting van het freatisch grondwater is westelijk. De locatie bevindt zich niet in een grondwaterbeschermingsgebied.

3 Grotewaard 34A Noordeloos, juni 2022

3. Opzet en invulling van het onderzoek 3.1

Onderzoekstrategie Bij het opstellen van de onderzoeksstrategie is de bijlage ONV van de NEN 5740 (Strategie bij verkennend onderzoek, onverdacht) als richtlijn gehanteerd. Het asbest-onderzoek is indicatief en betreft het puin van de dam naar het weiland. Het aantal boringen en de locaties ervan is afgestemd op het doel van het onderzoek; het vaststellen van de algemene bodemkwaliteit in het kader van de ontwikkeling van de locatie.

3.2

Veldwerk onderzoek Voorafgaand aan het veldwerk is een KLIC-melding gedaan en is het terrein geïnspecteerd. De boringen en bemonstering van de bodem zijn uitgevoerd volgens de BRL-protocollen 2001 en 2002. Het veldwerk is uitgevoerd op 16 mei 2022, door Nico Verweij (Geldermalsen), erkend veldwerker voor de protocollen. Zie ook www.bodemplus.nl/aanvragen/erkenningen/zoekmenu. Er zijn negen boringen en een peilbuis over de bouwlocatie verdeeld, tot een diepte van maximaal 2.4 mmv. Boring 4, in de contour van de te bouwen woning, is afgewerkt met een peilbuis met een filter van 1.2 tot 2.2 m-mv, bij een grondwaterstand van 1.1 m-mv. Bij de bemonstering van de peilbuis op 24 mei zijn de pH, troebelheid en de geleidbaarheid bepaald. De locaties van de boringen en peilbuis zijn terug te vinden in de schets in bijlage E.

Asbest Voor het indicatieve asbest-onderzoek is een mengmonster samengesteld van de dam naar het weiland. Het asbest-onderzoek samengevat. tabel 2: asbest-onderzoek, omschrijving

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=682bd7bf-fc87-4701-a66d-2918a406b28f