Bijlage 2 - Bijlagen bij het bestemmingsplan ‘Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat'
Tekst van het document
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree
5
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Vos Wezel Woelrat
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland, grasland bollenstreek, belangrijke weidevogelgebieden en groene buffers. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Voor werkzaamheden in belangrijk weidevogelgebied en groene buffer geldt dit ontheffingsregime niet, maar geldt wel een compensatieplicht. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, belangrijke weidevogelgebieden en groene buffer geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid valt dient, mits de ontwikkeling uitvoerbaar is, een compensatie uitgevoerd te worden.
(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare
per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
6
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De planlocatie betreft 24 woningen met bijbehorende tuinen. De tuinen hebben veelal een hoog onderhoudsbeelden zijn deels of volledig verhard met bestrating. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: berk, conifeer, Engels raaigras en klimop. Op de muren van de woningen is geen beschermde muurvegetatie aangetroffen.
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtige groeiplaatsen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, veldmuis, wezel en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soort geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever leeft langs relatief grote watergangen met houtige gewassen aan de oever. Langs de Marslaan is een beek gelegen. Wegens het relatief kleine formaat van de beek wordt de aanwezigheid van de bever hier niet verwacht.
Tevens zijn tijdens het veldbezoek geen sporen van de bever (zoals burchten of knaagsporen) waargenomen. Daarnaast blijven de beek en oevers hiervan onaangetast binnen de beoogde ontwikkeling. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de bever zijn uitgesloten. De planlocatie heeft mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.
Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011).
7
Op de planlocatie zijn de bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als verblijfplaats. De aanwezige bomen binnen de planlocatie betreffen enkele bomen in tuinen van de woningen. Deze bomen zijn veelal door de bewoners aangeplant en derhalve relatief jong en dun. De bomen zijn vanaf de straatkant en achterzijde Marslaan (ter hoogte van het water) visueel onderzocht. Op basis van de leeftijd, dikte, conditie van de bomen en boomsoorten (sommige soorten zijn meer/minder inrottingsgevoelig) kan uitgesloten worden dat deze bomen geschikte holten bevatten welke kunnen dienen als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. De beoogde ontwikkeling zal derhalve niet leiden tot het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden.
Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De te saneren bebouwing beschikt veelal over kierende kantpannen (figuur 5). De openingen onder de kantpannen kunnen leiden tot een ruimte in het dak of in een spouw. Deze ruimten kunnen gebruikt worden door vleermuizen als verblijfplaats. Tevens beschikken enkele woningen over een kier onder de boeiboord van de schuur. De ruimte onder de boeiboord kan mogelijk leiden tot een spouwruimte, maar kan ook op zichzelf gebruikt worden als verblijfplaats. Daarnaast bevatten diverse schuurtjes ventilatieroosters. Ook is woning aan de Neptunusstraat 2 is voorzien van 4 inbouw-vleermuiskasten en zijn er 4 open stootvoegen aanwezig in de woning aan de Venuslaan 143. Derhalve valt te concluderen dat er ruimschoots potentieel geschikte verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen aanwezig zijn. Om de aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden (zie Vervolgstappen).
Figuur 5
8
Visuele representatie van geschikte invliegopeningen voor vleermuizen. (A) kierende kantpannen, (B) kier onder boeiboord van schuur, (C) vleermuis inbouwkasten, (D) open stootvoegen.
Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De woningen kunnen gebruikt worden als oriëntatiestructuren door vleermuizen. Aangezien er in de directe omgeving voldoende andere woningen en bomen aanwezig zijn, leidt de beoogde ontwikkeling niet tot aantasting van essentiële vliegroutes of foerageergebieden. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast.
Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en rugstreeppad. De heikikker heeft een duidelijk voorkeur voor heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. De heikikker wordt nauwelijks aangetroffen rond infrastructuur en bebouwing (RAVON). De heikikker is binnen een straal van 2 km waargenomen langs halfnatuurlijke graslanden buiten het bebouwde gebied van Nieuw-Lekkerland (NDFF 2011-2021). Aangezien de planlocatie niet gelegen is in of nabij de voorkeursbiotopen, en tevens bebouwd gebied betreft, is het uitgesloten dat de watergangen rondom de planlocatie behoren tot het functioneel leefgebied van de heikikker. Tevens worden er binnen de beoogde ontwikkeling geen watergangen gedempt. Een negatieve invloed van de beoogde ontwikkeling op de heikikker is uitgesloten.
De habitat van de rugstreeppad bestaat uit terrein met een hoge natuurlijke of door mensen ingebracht dynamiek, zoals braakliggende bouwterreinen, groeven en zand- en kleiafgravingen, (rivier) duinen en uiterwaarden. Vaak is er goed vergraafbare bodem aanwezig en is er bouwmateriaal om onder te schuilen. Ook is de soort te vinden in stabielere systemen zoals vennen in heideterreinen en sloten in akker- en glaslandgebieden (BIJ12 kennisdocument rugstreeppad, 2017). De planlocatie is momenteel kunstmatig ingericht, met onder andere verharding, waardoor deze op het moment geen functie vervult voor de rugstreeppad. Tijdens de werkzaamheden kan echter goed vergraafbare grond, materiaal om onder te schuilen en tijdelijke wateren ontstaan. De rugstreeppad is in de afgelopen 10 jaar zeer regelmatig nabij de planlocatie waargenomen. De dichtstbijzijnde waarneming is op een afstand van circa 100 meter van het meest zuidelijke deel van de planlocatie (NDFF 2011-2021). Gezien de afstand tot waarnemingen van de rugstreeppad, kan de mogelijkheid van kolonisatie niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve wordt aangeraden om maatregelen te treffen waarmee kolonisatie tijdens de werkzaamheden voorkomen kan worden (zie Te treffen maatregelen).
Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van het volgende inheemse reptielen: muurhagedis (NDFF 2011-2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
9
De muurhagedis is gebonden aan warme stenige plaatsen, zoals rotswanden. Stadsmuren zijn ideaal voor deze soort. De soort komt enkel in Limburg voor als bestaande populatie. In andere delen van het land is deze soort beoordeeld als ‘niet wild’, en derhalve uitgezet of ontsnapt (bron: RAVON). De planlocatie beschikt niet over het geschikte biotoop voor de muurhagedis wegens het ontbreken van historische muren. Tevens is in deze provincie geen sprake van een wilde populatie. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de muurhagedis zijn uitgesloten. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van overige beschermde reptielen binnen het plangebied eveneens uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie bevindt, voor zover tijdens het veldbezoek is kunnen beoordelen, zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten.
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: rivierrombout en platte schijfhoren (NDFF 2011-2021). De rivierrombout leeft langs rivieren en grote beken. Dergelijk habitat is niet op of rondom de planlotie aanwezig. Derhalve is het op voorhand uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling een negatieve invloed sorteerdop de rivierrombout. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de rivierrombout zijn uitgesloten. De platte schrijfhoren komt voor in heldere en schone wateren met een rijke begroeiing van krabbenscheervegetaties, draadalg-vegetaties, gele plomp, vijverlelie en lisdodde. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig, waardoor aanwezigheid van de platte schijfhoren uitgesloten is. De watergang welke aangesloten wordt op de nieuw te graven watergang voldoet niet aan het specifieke biotoop van de platte schijfhoren. De specifieke vegetaties ontbreken en de watergang is niet voorzien van een rijke waterbegroeiing. Het realiseren van een watergang die aangesloten is op bestaande watergangen leidt derhalve niet tot negatieve gevolgen op de platte schijfhoren.
In het kader van de algemene zorgplicht wordt geadviseerd de waterstand tussen de nieuw te gegraven watergang en de reeds bestaande watergang gelijk te maken alvorens de wateren verbonden worden, om negatieve effecten m.b.t. stroming op fauna te voorkomen. Ook is er op de planlocatie geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: gaai, huismus, houtduif, meerkoet, pimpelmees en vink. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017).
Bij de woningen aan de Venuslaan en Neptunusstraat is vogelschroot afwezig. Bij deze woningen is nestmateriaal uitstekend onder de bakgoot waargenomen (figuur 6). Tevens zijn huismussen tijden het veldbezoek op de daken van de planlocatie en rondom de planlocatie waargenomen. Om de aan- of afwezigheid van (het aantal) huismusnesten vast te stellen en het bijbehorende functioneel leefgebied, dient aanvullend onderzoek plaatst te vinden.
10
Figuur 6
Onder de bakgoot is nestmateriaal waarneembaar.
Het is onbekend of de woningen aan de Marslaan voorzien zijn van vogelschroot. Mogelijk is het dak derhalve toegankelijk vanaf de onderste dakpannen. Onder het overstek van ten minste twee woningen binnen de planlocatie aan de Marslaan is tevens vogelpoep waargenomen (figuur 7). Dit suggereert dat er in de nok stenen missen en/of een ruimte aanwezig is dat gebruikt kan worden door vogels, zoals een huismus. Om de aan- of afwezigheid van nestlocaties van de huismus vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden.
Figuur 7
Onder het overstek bij diverse woningen is vogelpoep waargenomen. Dit wijst op een geschikte ruimte welke door vogels, waaronder de huismus, gebruikt kan worden.
Geconcludeerd kan worden dat aanvullend onderzoek naar de huismus benodigd is voor alle woningen binnen de planlocatie (zie Vervolgstappen). De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De woningen binnen de planlocatie bevatten (veelal) kierende kantpannen en nokpannen (figuur 8). Deze kunnen gebruikt worden als invliegopening door gierzwaluwen. Ook zijn kieren onder de bakgoot en ruimte onder het overstek, zoals weergegeven in figuur 7, waargenomen. Om de aanof afwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden (zie Vervolgstappen).
11
Figuur 8
Een kierende nokpan waaronder krijtsporen zijn waargenomen.
De bebouwing is ongeschikt voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil). Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen. Tevens zijn er geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van roofvogelsoorten. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De krijtsporen welke aangetroffen zijn op de bebouwing kunnen ook mogelijk afkomstig zijn van een spreeuw. Derhalve zal de spreeuw tijdens het protocollaire huismusonderzoek eveneens onderzocht worden. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.
Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
12
Beoordeling (b) gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 730 m tot ‘Boezems Kinderdijk’, 4,6 km tot ‘Donkse Laagten’, 9,2 km tot ‘Biesbosch’ en 10,4 km tot ‘Oude Maas’ (figuur 9). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied dat stikstofgevoelige habitattypen bevat betreft ‘Biesbosch’, op een afstand van circa 9,2 km van de planlocatie.
Figuur 9
De planlocatie ligt op een afstand van circa 9,2 km tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen, namelijk ‘Biesbosch’ (bron: calculator.aerius.nl).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De beoogde ontwikkeling betreft het saneren van woningen en de realisatie van voornamelijk groene recreatieruimte. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ontwikkeling in de gebruiksfase naar verwachting tot een beperkte afname in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de sloopfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wet nb art. 2.9a). Momenteel is de juridische houdbaarheid van deze partiële vrijstelling onzeker.
Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.
13
Gezien er sprake is van een grote afstand (9,2 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen, wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: het Natuurnetwerk Nederland, graslanden bollenstreek, belangrijke weidevogelgebieden of de groene buffer. Op een afstand van circa 90 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 10).
Figuur 10 De planlocatie ligt op een afstand van circa 90 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannenzuidholland.nl). Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland, graslanden bollenstreek, belangrijke weidevogelgebieden of de groene buffer geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zullen mogelijk enkel bomen in de tuinen van de te saneren woningen gekapt worden. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
14
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie vervult mogelijk een essentiële functie voor gebouwbewondende vleermuizen, huismussen en/of gierzwaluwen. Ook kan de bebouwing mogelijk een functie vervullen als nestlocatie voor de spreeuw. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën, insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, graslanden bollenstreek, belangrijke weidevogelgebieden of groene buffer. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets zijn niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Huismus Gierzwaluw Vogels (cat. 5) Spreeuw
15
Nee Artikel 3.5
Ja Nee Nee
Verblijfplaatsen
Nee
Artikel 3.1 Artikel 3.1
Ja Ja
Nestlocaties/foerageergebied Nestlocaties
Artikel 3.1
Ja
Nestlocaties
Tabel 3
Overzicht van de potentie voor verblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten (soortenbescherming) en essentiële vliegroute en/of foerageergebied. Vleermuissoort Potentie Boom Gebouw Onderbouwing bewonend bewonend Gewone dwergvleermuis
Ja
Ja
Ja
(Massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Ja
Ja
Ja
Laatvlieger
Ja
Nee
Ja
Meervleermuis
Ja
Nee
Ja
Watervleermuis Franjestaart
Nee Nee
Ja Ja
Nee Nee
Gewone grootoorvleermuis
Nee
Ja
Ja
Rosse vleermuis
Nee
Ja
Nee
Tweekleurige vleermuis
Nee
Nee
Ja
Vleermuizen algemeen Essentiele vliegroute
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Essentieel foerageergebied
Nee
N.v.t.
N.v.t.
Geschikte openingen in bebouwing Hoge bebouwing met bufferende vermogen Geschikte openingen in bebouwing Geschikte openingen van voldoende grootte in bebouwing Aanwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving en binnen bekende verspreiding Niet gebouw bewonend Afwezigheid boomholte(s) met voldoende inrotting Planlocatie ligt binnen stedelijk gebied met (te) veel lichtverstoring Afwezigheid boomholte(s) met voldoende inrotting Afwezigheid van zeer hoge bebouwing en binnen/buiten bekende verspreiding
Geen aantasting van lijnvormige structuren Geen aantasting van houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Tabel 4 Overzicht van de aanwezige potentie per vleermuissoort en per type verblijfplaats. Vleermuissoort Zomer Kraam Paar Winter Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis
Tabel 5
Ja Nee Ja Ja
Ja Ja Ja Ja
Nee Nee Nee Nee
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 (stikstofgevoelig)
9,2 km
Geen
N.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
90 m
Geen
N.v.t.
Tabel 6
16
Ja Ja Ja Ja
Overzicht van beschermde Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Ja
Ja
N.v.t.
Bomen
Ja
Ja
N.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Er dienen enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor gebouwbewonende vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
Conclusie Het saneren van 24 woningen (met mogelijkheid tot herbestemming van enkele woningen) aan de Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat te Nieuw-Lekkerland is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels minimaal vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het meest actuele Vleermuisprotocol (NGB). Hiervan dienen 3 rondes in het voorjaar en 2 in het najaar plaats te vinden. De potentie van de planlocatie voor verschillende typen verblijfplaatsen en vleermuissoorten wordt in tabel 4 uiteengezet. Er is geen sprake van aantasting van een mogelijk essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute. • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar huismus uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar huismus wordt uitgevoerd middels twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april t/m 15 mei of middels vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart t/m 20 juni (met een tussenperiode van 10 dagen tussen de veldbezoeken), conform het Kennisdocument Huismus (BIJ12, 2017). Een technische inspectie kan worden uitgevoerd middels het inspecteren van de dakruimte. Buiten het broedseizoen kan dit tussen 15 september en 1 maart. Bij een technische inspectie bestaat er de kans dat er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen oud nestmateriaal en recentelijk gebruikte nesten. Tijdens het huismusonderzoek zal eveneens spreeuw onderzocht worden.
• Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar gierzwaluw uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar gierzwaluw wordt uitgevoerd middels drie gerichte veldbezoeken in de periode 15 mei t/m 15 juli met minstens één veldbezoek tussen 20 juni en 7 juli, conform het Kennisdocument Gierzwaluw (BIJ12, 2017). Tussen de veldbezoeken dienen minimaal 10 dagen aanwezig te zijn.
17
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.
• Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
• In het kader van de algemene zorgplicht wordt geadviseerd de waterstand tussen de nieuw te gegraven watergang en de reeds bestaande watergang gelijk te maken alvorens de wateren verbonden worden, om negatieve effecten m.b.t. stroming op fauna te voorkomen.
18
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Zandhagedis Lacerta agilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.calculator.aerius.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannenzuidholland.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl
19
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Bijlage 3 Ecologie rugstreeppad
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
20
Bijlage 1 Fotografische impressie
21
Figuur 1
De achtertuinen van de woningen aan de Venuslaan zijn voorzien van schuttingen.
Figuur 2
De schuurtjes aan de achterzijde van de woningen aan de Venuslaan.
22
Figuur 3
De woningen aan de Venuslaan.
Figuur 4
De woningen aan de Marslaan.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
23
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).
24
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).
25
Bijlage 3 Rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Figuur 1
Determinatie kenmerken van de rugstreeppad.
Gedrag De rugstreeppad is een typische pioniersoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een sein voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van aan- of afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017).
26
Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden. Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatiespecifiek is.
Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Voorkomen kolonisatie Doordat de rugstreeppad een typische pioniersoort is en een dynamische omgeving met vergraafbare grond prefereert, kan snel spontane kolonisatie van de soort in een braakliggend gebied of bouwterrein ontstaan. Om kolonisatie van rugstreeppad te voorkomen wordt geadviseerd maatregelen te treffen. Deze maatregelen bestaan uit het ongeschikt dan wel ontoegankelijk houden van het plangebied. Indien er sprake is van het ontstaan van mogelijk geschikt voortplantingswater dient het ontoegankelijk maken van een perceel voor de migratie en voortplantingsperiode (aprilseptember) uitgevoerd worden. Het ongeschikt houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat zo min mogelijk vergraafbaar zand gebruikt of opgeslagen wordt binnen het bouwterrein. Bij het bouwrijp maken van het perceel dient het zand direct geëgaliseerd te worden. De aanleg van een zanddepot moet voorkomen worden. In de voorjaarsen zomerperiode zorgen dat er geen kleine poelen ontstaan waar rugstreeppadden eieren kunnen leggen. Diepe rijsporen van machines kunnen al voldoende diep zijn als voortplantingswater voor rugstreeppadden (figuur 2).
Figuur 2
27
Bij hevige regenval kunnen ontstane geulen gevuld worden met water. Deze tijdelijke poelen zijn uitermate geschikt voor de rugstreeppad. Het ontstaan van deze geulen dient te allen tijde voorkomen te worden.
In de najaar- en winterperiode moet gezorgd worden dat er geen overwintering van rugstreeppadden kan optreden. Voldoende vergraafbaar zand (zanddepot) kan gebruikt worden voor overwintering. Ook stenenstapels, houtstapels of andere vorstvrije structuren (onder een bouwkeet bijvoorbeeld) kunnen gebruikt worden voor overwintering. Dergelijke structuren dienen weggehaald te worden buiten de overwinteringsperiode (september-april) van de soort. Het ontoegankelijk houden van het plangebied voor rugstreeppadden houdt in dat voorzieningen worden geplaatst waardoor rugstreeppadden het plangebied niet kunnen bereiken. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (figuur 3). De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
Figuur 3
28
Een incorrect geplaatst amfibiescherm (links). Een correct geplaatst amfibiescherm (rechts). Deze dienen minimaal 10 cm ingegraven te zijn.
Aanvullend onderzoek ecologie Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat te Nieuw-Lekkerland Aanvullend onderzoek naar huismus, gierzwaluw en vleermuizen in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Status:
Definitief
Project:
2021-791
Datum:
6 oktober 2022
Samensteller:
ing. L. Pieterman
Collegiale toets:
ir. T.W.D. Schrader
Opdrachtgever:
Gemeente Molenland
Contactpersoon:
M. Kraaijvanger
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Aanleiding
4
1.2
Doel
5
1.3
Beschrijving plangebied
5
1.4
Voorgenomen werkzaamheden
6
1.5
Mogelijk aanwezige soorten
6
1.6
Kader Wet natuurbescherming
7
2 Methode onderzoek
8
2.1
Theoretisch kader
8
2.2
Praktische uitvoering
8
2.3
Materialen en aanvullende onderzoeksmethodes
10
2.4
Veldbezoeken
11
2.5
Specifieke omstandigheden
11
3 Resultaten
12
3.1
Huismus
12
3.2
Gierzwaluw
13
3.3
Vleermuizen
14
3.4
Overige soorten
16
4 Conclusie
18
4.1
Huismus
18
4.2
Gierzwaluw
18
4.3
Vleermuizen
18
4.4
Overige soorten
19
4.5
Samenvatting
19
4.6
Vervolgstappen
19
1 Inleiding 1.1
Aanleiding De Marslaan, Venuslaan en Neptunusstraat te Nieuw-Lekkerland zijn gelegen onder een hoogspanningsleiding. In het kader van een uitkoopregeling worden 24 woningen in de bovengenoemde straten gesaneerd (figuur 1.1).
Figuur 1.1
Het plangebied is gelegen nabij de Planetenlaan te Nieuw-Lekkerland.
Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van natuurwaarden beschermd onder de Wet natuurbescherming (Wnb) is een quickscan Wnb uitgevoerd naar de potentie van het plangebied en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde werkzaamheden (De Boer, 2021). Op basis van de quickscan Wnb kon de aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels (huismus en gierzwaluw) en vleermuisverblijfplaatsen niet uitgesloten worden (zie tabel 1.1). Om vast te stellen of het plangebied daadwerkelijk een functie heeft voor vorengenoemde soorten dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Gemeente Molenland heeft Blom Ecologie verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.
4
1.2
Doel In dit aanvullende ecologische onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Zijn huismus, gierzwaluw en vleermuizen aanwezig in het onderzoeksgebied? • Op welke wijze maken vorengenoemde soorten gebruik van het onderzoeksgebied? Zijn in het onderzoeksgebied jaarrond beschermde nestlocaties, verblijfplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied aanwezig? • Resulteert de voorgenomen ingreep in het beschadigen of wegnemen van jaarrond beschermde nestlocaties, verblijfplaatsen of essentiële onderdelen van het leefgebied? Is een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk voor de voorgenomen ingreep uitgevoerd kan worden?
1.3
Beschrijving plangebied De planlocatie betreft diverse woningen in Nieuw-Lekkerland (figuur 1), namelijk: • Venuslaan 113 t/m 117 (oneven), 125, 133 t/m 137 (oneven), 141 en 143; • Marslaan 135, 137, 141, 145 t/m 163 (oneven); • Neptunusstraat 2. De woningen betreffen twee-onder-één-kap woningen en tussenwoningen uit hoofdzakelijk de jaren zeventig. De woningen zijn opgebouwd uit stenen muren en bevatten een zadeldak bestaande uit dakpannen (figuur 1.1). Een uitgebreide beschrijving van het plangebied en de directe omgeving hiervan is te vinden in de quickscan Wnb (De Boer, 2021).
Figuur 1.2 De bebouwing in het plangebied betreft jaren 70 rijtjeswoningen.
5