Bijlage 2 - Bijlagen bij de Toelichting bestemmingsplan ‘Uitkoopregeling hoogspanningsleiding Lekdijk’
Tekst van het document
De Wet natuurbescherming kent een zorgplicht (art. 1.11 Wnb). Iedereen moet voldoende zorg in acht nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende planten en dieren en hun directe leefomgeving. Of dier- en plantensoorten en gebieden nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen die redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn of haar handelen nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt, laat deze handelingen achterwege, neemt maatregelen om die te voorkomen of probeert deze zoveel mogelijke te beperken of ongedaan te maken.
9
5.6
Beschermde provinciale gebieden
-
Openbare recreatiegebieden, vanwege hun onmisbare bijdrage aan de leef- en vestigingskwaliteit in zowel het stedelijk als het landelijk gebied in de provincie.
-
Groene buffers. Als landschap zijn deze gebieden relatief klein, soms ruimtelijk versnipperd en altijd medebepaald door stadsranden. Behoud van deze ruimtes is van belang voor de identiteit en leefkwaliteit van het stedelijk gebied. De stedelijke druk is relatief groot, maar tegelijkertijd vormen ze op de schaal van de provincie een onmisbare ‘tegenhanger’ van de stedelijke dynamiek en verdichting. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar extra bescherming tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling is van belang om de schaal en het karakter van deze gebieden in stand te houden.
Zuid-Holland hanteert twee beschermingscategorieën: 1
Gebieden met topkwaliteit (beschermingscategorie 1). Hieronder vallen Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN, in ZuidHolland het Natuurnetwerk Zuid-Holland (NNZH)), cultuurhistorische kroonjuwelen en ‘graslanden bollenstreek’.
2
Gebieden met bijzondere kwaliteit (beschermingscategorie 2). Hieronder vallen ‘belangrijke weidevogelgebieden’, ‘openbare recreatiegebieden’ en ‘groene buffers’.
Gebieden met topkwaliteit (beschermingscategorie 1) Een relatief beperkt aantal gebieden is zo bijzonder, waardevol of kwetsbaar, dat de instandhouding en mogelijk verdere ontwikkeling van de waarden die ze vertegenwoordigen, voorrang heeft boven alle andere ontwikkelingen. Deze gebieden dragen in hoge mate bij aan de identiteit, beleving en biodiversiteit van Zuid-Holland, vormen een tegenhanger van het stedelijk gebied en versterken aldus het onderscheidend karakter van de provincie. Ruimtelijke ontwikkelingen in gebieden met beschermingscategorie 1 zijn in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden. Gebieden met bijzondere kwaliteit (beschermingscategorie 2) De provincie wil een aantal specifieke waarden en gebieden in stand houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. In die hoedanigheid leveren ze een belangrijke en specifieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. De instandhouding van deze waarden vraagt om hierop toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling, naast de generieke bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van het instandhouden van de specifieke waarden. Het betreft gebieden met de volgende kwaliteiten: -
Belangrijke weidevogelgebieden, gelegen buiten het NNN, vanwege de specifieke maatschappelijke verantwoordelijkheid voor deze karakteristieke en kwetsbare vogels, die mede de kwaliteit van het ZuidHollandse (veen)weidelandschap bepalen.
Strategische reservering natuur De strategische reservering natuur betreft de nog te realiseren nieuwe natuur die substantieel bijdraagt aan de Natura 2000- en/of Kaderrichtlijn Water-doelen, maar waarvoor onvoldoende zekerheid van realisatie is. Daarom maakt de strategische reservering natuur (nog) geen deel uit van het NNN. De strategische reservering natuur brengt geen beperkingen met zich mee voor ontwikkelingen binnen het huidige agrarische grondgebruik. Bij significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de ‘strategische reservering natuur’ is compensatie nodig (behalve bij aantasting door ontwikkelingen binnen het huidige agrarische grondgebruik). Bij significante aantasting van waarden in een gebied met de aanduiding ‘strategische reservering natuur’ die alleen gericht zijn op Kaderrichtlijn Water-doelen, hoeft de compensatie niet per se in areaal (kwantitatief) plaats te vinden. Groenblauwe ruimte De provincie Zuid-Holland stelt zichzelf de opgave om de groene kwaliteiten zowel binnen als buiten de stad te versterken en de samenhang tussen stedelijke parken, recreatiegebieden, natuurgebieden en agrarisch landschap te vergroten. De provincie zet daarom in op de groenblauwe structuur.
Dat is een samenhangend stelsel van verschillende groene ruimtes en routes die stad en land met elkaar verbinden: de grote parken en groenblauwe dooradering in de stad, recreatieve stad-land verbindingen en poorten, recreatiegebieden om de stad, de groene buffers en belangrijke recreatieve routes in het landelijk gebied. 10
6
Omschrijving plangebied Op de volgende pagina’s is een aantal foto’s te vinden van het plangebied.
Het plangebied omvat de woningen 307, 312, 314 en 315 aan de Lekdijk in NieuwLekkerland dat onder de gemeente Molenlanden valt (zie figuur 1 en figuur 2). Het plangebied betreft het kadastrale perceelnummer LKL00-D-342 (315), LKL00-D490 (312), LKL00-D-491(307) en LKL00-D-1328 (314) is bijna 2700 m2 groot.
Figuur 1. Ligging van het plangebied. De uitsnede is weergegeven in figuur 2. Bron: Nationaal Georegister, bewerkt.
Figuur 2. Ligging van het plangebied (geel omkaderd). Bron: Nationaal Georegister, bewerkt.
11
Figuur 3. Beeld van woning 315 (voorzijde, noordzijde).
Figuur 5. Beeld van woning 312 (voorzijde, noordoostzijde).
Figuur 4. Beeld van woning 315 (achterzijde, zuidwestzijde).
Figuur 6. Beeld van woning 312 (achterzijde, zuidzijde)
12
Figuur 7. Beeld van woning 307 (voorzijde, noordzijde).
Figuur 9. Beeld van woning 312 (voorzijde, noordzijde)
Figuur 8. Beeld van woning 307 (achterzijde, zuidzijde).
Figuur 10. Beeld van woning 314 (achterzijde, zuidzijde)
13
Figuur 11. Beeld van de schuur achter woning 315 (links, noordzijde) en de solitaire boom aan de zuidzijde van nummer 315 (rechts). Figuur 12. Beeld van het terrein ten westen van nummer 315.
14
6.1
Afstand tot beschermde natuurgebieden
Om te bepalen of geplande activiteiten invloed kunnen hebben op beschermde natuurgebieden is als eerste onderzocht op welke afstand deze gebieden zich bevinden. Zuid-Holland hanteert twee beschermingscategorieën: 3
Gebieden met topkwaliteit (beschermingscategorie 1). Hieronder vallen Natura2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN, in ZuidHolland het Natuurnetwerk Zuid-Holland (NNZH)), cultuurhistorische kroonjuwelen en ‘graslanden bollenstreek’.
4
Gebieden met bijzondere kwaliteit (beschermingscategorie 2). Hieronder vallen ‘belangrijke weidevogelgebieden’, ‘openbare recreatiegebieden’ en ‘groene buffers’.
Natura 2000-gebieden Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is ‘Boezems Kinderdijk’ ten westen van het plangebied. De afstand vanaf het plangebied bedraagt ongeveer 1,1 kilometer. Verder weg ligt ten oosten het gebied ‘Donkse Laagten’, ten zuiden de ‘Biesbosch’ en ten zuidwesten de ‘Oude Maas’ (zie ook figuur 13 en tabel 3). De ‘Boezems Kinderdijk’ en de ‘Donkse Laagten’ zijn aangewezen als Vogelrichtlijngebied (VR), de ‘Oude Maas’ als Habitatrichtlijngebied (HR) en de ‘Biesbosch’ zowel als Vogelrichtlijngebied (VR) als Habitatrichtlijngebied (HR). Tabel 3. Afstand van het plangebied ten opzichte van beschermde Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijke negatieve effecten
Aanwijzing
Afstand (km)
Boezems Kinderdijk Donkse Laagten Biesbosch Oude Maas
VR VR HR+VR HR
1,1 4,3 9,5 10,8
Figuur 13. Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura-2000 gebieden. Bron basiskaart: PDOK
15
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied valt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde deel van het NNN, dat niet ook is aangewezen als Natura 2000gebied is de rivier de Lek en een klein deel van de Lekoever op 30 meter ten noorden van het plangebied (zie figuur 14 en tabel 4). Op nog iets grotere afstand ten zuiden van het plangebied is het Achterwaterschap te vinden. Het Achterwaterschap is een 16 km lange watergang in de Alblasserwaard die loopt van de Ammerse Boezem tot aan het boezemgemaal in Kinderdijk. Het Achterwaterschap is gegraven in 1366 en heeft in de loop van de eeuwen de functie van lage boezem (afwateringskanaal) gekregen. Het Achterwaterschap wordt ook wel eens Groote Waterschap genoemd. Ter hoogte van Alblasserdam gaat deze over in Het Nieuwewaterschap. Tabel 4. Afstand van het plangebied ten opzichte van beschermde Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijke negatieve effecten
Aanwijzing
Afstand (km)
Lek en Lekoever Boezems Kinderdijk Groote Waterschap of Achterwaterschap Eendenkooi Bakkerswaal
NNN NNN NNN NNN
30 meter 1,1 1,2 1,2
Figuur 14. Ligging van het plangebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Zuid-Holland. Bron basiskaart: PDOK
16
Provinciaal beschermde natuur Het plangebied valt buiten belangrijke weidevogelgebieden’, ‘openbare recreatiegebieden’ en ‘groene buffers’. De dichtstbijzijnde groenblauwe ruimte is de polder Nieuw-Lekkerland op 400 meter ten zuiden van het plangebied. Iets zuidelijker is een deel daarvan ook aangewezen als belangrijk weidevogelgebied. De kade van de Achterwaterschap is ook gereserveerd om op termijn te worden opgenomen in het NNN.
Tabel 5. Afstand van het plangebied ten opzichte van beschermde Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Mogelijke negatieve
Aanwijzing
Polder Nieuw-Lekkerland Belangrijk weidevogelgebied Polder Nieuw-Lekkerland Groenblauwe ruimte Achterkade Strategische reservering natuur
Afstand (km)
0,4 0,8 1,2
Figuur 15. Ligging van het plangebied ten opzichte van het Provinciaal beschermde natuur. Bron basiskaart: PDOK
17
6.2
Geluidscontouren
De Lekdijk 307is overdag een redelijk intensief bereden weg (zie figuur 16). Vanwege de nabijgelegen industrie direct ten noorden van het plangebied is de geluidsbelasting van alle bronnen gedurende de dag meer dan 60 decibel en daardoor zijn de geluidsnormen als tamelijk slecht te kwalificeren (zie figuur 16). In de nacht is het beeld gunstiger en is de geluidsnorm redelijk tot zeer goed aan de achterzijde van het perceel.
Figuur 16. Geluid van alle bronnen gedurende de dag (boven) en van alleen het verkeer in de nacht (onder). Let op: de kaart geeft alleen een globaal beeld van de hoeveelheid geluid in Nederland. Voor het toetsen van geluidniveaus aan de normen, bijvoorbeeld voor 'geluidbelasting op de gevel' is deze kaart niet geschikt. Bron: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu
Figuur 17. De Lekdijk is een relatief intensief bereden weg.
18
6.3
Aanwezige ecotopen
Bodemclassificatie De bodem kan worden geclassificeerd als een kalkarme drechtvaaggrond (zie figuur 19). Drechtvaaggronden zijn bodems die bestaan uit zavel- en kleigronden
waarin periodieke hoge grondwaterstanden kunnen voorkomen. De gronden bestaan uit een kleidek dat tussen 40 en 80 cm diepte overgaat in veen. Dit veenpakket (ook wel moerig materiaal genoemd) is dikker dan 40 cm.
De vegetatie in de gazons was redelijk soortenrijk met soorten als madeliefje (Bellis perennis) hondsdraf (Glechoma hederacea), gewoon speenkruid (Ficaria verna), paardenbloem ((Taraxacum officinale), fluitenkruid (Anthriscus sylvestris), zevenblad (Aegopodium podagraria) en grote brandnetel (Urtica dioica). Tussen de tuintegels en het split waren soorten te vinden als tuinwolfsmelk (Euphorbia peplus), kantige basterdwederik (Epilobium tetragonum) en vijfvingerkruid (Potentilla reptans).
Figuur 19. Bodemkaart van het plangebied. Bron: Wageningen UR.
19 Figuur 18. Beeld van de vegetatie.
Figuur 20. Beeld van de tuin naast nummer 307.
Figuur 21. Beeld van de achtertuinen van nummer 314 (links) en 312 (rechts).
Tuin. De tuinen behorend bij de woningen laten een afwisseling zien tussen aangelegde perken met voornamelijk exotische beplanting, gazons, gevelbegroeiing (klimop), solitaire coniferen en bomen en een kleine fruitboomgaard (zie figuur 20 tot en met figuur 22). De verharding bestaat uit grind, tuintegels en klinkers en de oprit is geasfalteerd. Hierdoor heeft het terrein een rijke structuur gekregen waar ook veel vogels te horen waren (putter (Carduelis carduelis), vink (Fringilla coelebs) , merel (Turdus merula) , koolmees (Parus major), pimpelmees (Cyanistes caeruleus) , heggenmus (Prunella modularis)). Huismussen (Passer domesticus) waren vrijwel continue in het struweel aanwezig.
Figuur 22. Beeld van de vegetatie naast de schuur behorend bij woning nummer 315.
20
Figuur 23. Beeld van het water achter de tuin van nummer 315 richting het westen.
Figuur 25. Beeld van de sloot gezien vanaf het einde van het perceel behorend bij nummer 315.
Water Aan de achterzijde van het plangebied loopt de bakwetering (zie figuur 23 tot en met figuur 25). Het water staat hier vrij dicht bij het maaiveld om het ven niet teveel te laten oxideren. De oevers zijn allemaal voorzien van beschoeiing om afkalving te voorkomen. Het biedt ook een zeer geschikt biotoop voor bruine rat (Rattus norvegicus). Overal zijn holen van deze soort te vinden en de aanwezigheid wordt als plaag ervaren door de bewoners.
Figuur 24. Beeld van het water vanaf de tuin van nummer 314 richting het westen.
21
6.4
Voorkomende beschermde soorten uit het literatuuronderzoek.
Via quickscanhulp.nl, waarneming.nl, de NDFF database en het gebruik van diverse verspreidingsatlassen is nagegaan welke beschermde soorten rond het plangebied de afgelopen vijf jaar zijn waargenomen. Een volledig overzicht van alle beschermde soorten die binnen een straal van 10 kilometer rond het plangebied zijn waargenomen is te vinden in bijlage 4. In deze paragraaf wordt alleen ingegaan op de soorten waarvan is beoordeeld dat deze voorkomen of verwacht kunnen worden. Van soorten die niet worden verwacht is de onderbouwing hiervan ook terug te vinden in bijlage 4.
6.4.1 Vogels
Jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek is gericht gezocht naar mogelijke nestlocaties en holen van soorten met een jaarrond beschermd nest (zie bijlage 4) in en rondom het plangebied. Gebouwbewonende soorten Gedurende het gehele veldbezoek waren meerdere huismussen (Passer domesticus) aanwezig binnen het plangebied. Omdat vrij snel duidelijk was dat huismussen ook binnen het plangebied broeden is het veldbezoek verlengd om een eerste huismusinventarisatie uit te voeren. Er zijn hierbij 4 in gebruik zijnde nestlocaties aangetroffen. Het werkelijk aantal zichtbare nesten lag nog aanzienlijk hoger. Het merendeel zal echter oude nesten betreffen omdat er maximaal 4 paar huismussen tegelijkertijd werden gezien.
Algemeen voorkomende broedvogels Op en rond het plangebied kunnen algemeen voorkomende broedvogels worden verwacht in de hagen, bomen en het struweel. Soorten als winterkoning (Troglodytes troglodytes), houtduif (Columba palumbus), koolmees (Parus major), heggenmus (Prunella modularis), roodborst (Erithacus rubecula) en merel (Turdus merula) kunnen hier bijvoorbeeld mogelijk broeden. Soorten met een ongunstige staat van instandhouding (SVI) Er is beoordeeld of rondom de planlocatie soorten aanwezig zijn of kunnen worden verwacht die gevoelig zijn voor verstoring en zich al in een ongunstige staat van instandhouding bevinden. Deze soorten zijn niet aangetroffen of te verwachten binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden.
Figuur 26. In woning 307 zijn veel oude en in gebruik zijnde nesten van huismus aangetroffen. Deze bevinden zich onder de dakpannen, achter de dakgoot en achter de gevelbetimmering.
22
Figuur 28. Waargenomen verblijfplaatsen van beschermde soorten.
Figuur 27. Locaties waar de huismusnesten zijn aangetroffen bij nummer 307.
23
Een zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros) werd zingend waargenomen op het industrieterrein aan de overzijde van de Lekdijk. Deze soort is in de tijd van het jaar waarop het veldbezoek werd gebracht volop aan het baltsen. Gedurende het hele veldbezoek is deze soort zowel niet op zicht als niet op gehoor binnen het plangebied waargenomen. Een territorium binnen het plangebied is daarom niet waarschijnlijk en wordt daarom uitgesloten, ondanks dat er voor deze soort wel geschikte mogelijkheden zijn om te broeden (zie bijvoorbeeld figuur 29).
Figuur 30. Beeld van de opening uit figuur 29.
De holte in figuur 29 kan ook een geschikte nestlocatie vormen voor gierzwaluw (Apus apus). Deze soort houdt echter zijn nestlocatie erg schoon. Gezien de vele oude poepresten is het daarom niet aannemelijk dat deze gebruikt wordt door gierzwaluw. De opening zal waarschijnlijk als slaapplaats gebruikt worden door soorten als huismus en mezen.
Figuur 29. In een opening bij woning nummer 312 werden veel uitwerpselen van vogels gevonden (zie figuur 30). Waarschijnlijk wordt deze opening als slaapplaats gebruikt.
In het dak van woning nummer 315 lijken op de hoekpunten van de voor- en achtergevel grote openingen aanwezig te zijn (zie figuur 31 en figuur 32 op de volgende pagina). Deze waren tijdens het veldbezoek niet bereikbaar voor een inspectie dichtbij. Deze lijken op afstand te zijn afgesloten maar dat kan niet met zekerheid worden gesteld. Indien de afdekking op deze plaatsen afwezig is of los is geraakt dan zouden hier soorten als gierzwaluw, maar ook steenuil mogelijk kunnen worden verwacht.
De spreeuw (Sturnus vulgaris) is ook waargenomen tijdens het veldbezoek. De nestlocaties van spreeuw kenmerken zich door veel sporen van uitwerpselen. Deze zijn, buiten de nestlocaties van huismus, nergens gevonden. Een verblijfplaats van spreeuw kan daarom worden uitgesloten.
24
Figuur 31. Indien de hoekopeningen van het dak voldoende ruimte bieden dan zouden deze mogelijk gebruikt kunnen worden door soorten als steenuil of gierzwaluw.
Figuur 32. De openingen op de hoekpunten van het dak van nummer 315 lijken te zijn afgesloten.
Omdat er nog meer geschikte openingen zijn voor gierzwaluw (zie figuur 33) kan deze soort niet op voorhand worden uitgesloten. Uilen De bewoners van nummer 315 gaven aan de avond voor het veldbezoek een uil te hebben gehoord in de solitaire boom naast het huis. Ook de bewoners van nummer 312 bevestigden dat. Op basis van het afspelen van geluiden gaven zij aan dat het leek op een steenuil (Athene noctua). Dat is de meest voorkomende uil in de omgeving van het plangebied. De waarneming leek betrouwbaar, maar omdat er ook een motief kan zijn om de sloop uit te proberen stellen is er ook contact opgenomen met vogelwerkgroep van de Natuur- en Vogelwacht “De Alblasserwaard” om na te gaan of er nesten van uilen en roofvogels binnen de invloedsfeer van de ingreep bekend zijn. Er is hiervoor contact gelegd met dhr. P. Bieren. NVWA komt nog met reactie. Figuur 33. Het dak van nummer 315 biedt geschikte openingen voor huismussen en gierzwaluw.
25
Figuur 34. Boven de dakkapel van woning nummer 307 sluiten de dakpannen niet goed aan. Vanaf de dijk gezien lijkt hier wel een bitumen afdekking aanwezig te zijn maar onduidelijk is of deze goed aansluit.
Overige soorten Er zijn geen nesten van roofvogels, kraaiachtigen of holenbroeders aangetroffen. Overige soorten met een jaarrond beschermd nest kunnen daarom worden uitgesloten.
26
6.4.2 Zoogdieren
VLEERMUIZEN
Hieronder volgt een beschrijving van zoogdieren die mogelijk zijn te verwachten op of in de directe omgeving van het plangebied.
Achter een luik van woning 312 zijn wat uitwerpselen gevonden van een kleine vleermuissoort (zie figuur 35). Op basis van het formaat zal dat zeer waarschijnlijk een gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) betreffen.
INSECTENETERS De egel (Erinaceus europaeus) leeft in bijna alle landschappen. In sommige gebieden zijn ze echter algemener dan in andere. Tuinen, bosranden, struweel en loofbos, liefst met ondergroei, zijn goede leefgebieden. Het is aannemelijk dat de egel in het plangebied foerageert en een verblijfplaats in directe omgeving valt niet uit te sluiten. De mol (Talpa europaea) komt overal voor waar de grond geschikt is om in te graven. Voorwaarden zijn dat de bodem niet te zandig, te vochtig of te stenig is en dat er voldoende regenwormen aanwezig zijn. De bodem mag daarom ook niet te zuur zijn. De mol heeft een voorkeur voor rulle, humusrijke grond met een niet te hoge grondwaterstand en permanente begroeiing. Er zijn geen molshopen gevonden. Omdat de waterstand vrij hoog is worden verblijfplaatsen alleen in de hogere delen verwacht (richting de dijk). Spitsmuizen Er kan een aantal spitsmuizen worden verwacht op of direct rondom het plangebied. De meeste spitsmuizen zijn echter vrijgesteld volgens de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Dit zijn dwergspitsmuis (Sorex minutus), gewone bosspitsmuis (Sorex araneus), huispitsmuis (Crocidura russula) en tweekleurige bosspitsmuis (Sorex coronatus).
Figuur 35. Achter een luik bij nummer 312 zijn sporen aangetroffen van een kleine vleermuis. Op basis van het formaat zal dat zeer waarschijnlijk een gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) betreffen.
De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is op minder dan 5 kilometer afstand waargenomen en komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snelstromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Vanwege het ontbreken van ruig begroeide oevers en omdat de overs geheel zijn beschoeid wordt deze soort echter niet verwacht. Overige spitsmuizenmuizen zijn op basis van hun actuele verspreidingsgegevens niet te verwachten. 27
De woning 312 heeft ook een spouw die toegankelijk is via een aantal openingen (zie figuur 36). Hier zouden vleermuizen zich mogelijk kunnen ophouden. Een verblijfplaats van vleermuizen in de woning van nummer 312 kan daarom niet op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 37. Bij nummer 314 zijn er diverse kleine openingen te vinden die de woning toegankelijk maken voor vleermuizen.
Figuur 36. Beeld van de spouw van nummer 312.
Tussen de gevelpannen en nokpannen van huisnummer 314 zijn op diverse plekken kleine openingen te vinden die vleermuizen kunnen gebruiken om naar binnen te komen (zie figuur 37). Ook hier kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen niet op voorhand worden uitgesloten. Daarnaast is er in woning 307 een aantal openingen aanwezig waar vleermuizen zich mogelijk zouden kunnen ophouden (zie bijvoorbeeld figuur 38).
Figuur 38. Achter de gevelbetimmering bij nummer 307 is een grote opening te vinden zien. De ruimte is geïsoleerd met glaswol maar achter het glaswol zijn op sommige plaatsen voldoende ruimte om achter te kruipen.
28
Gebouwbewonende vleermuissoorten kunnen daarom niet op voorhand worden uitgesloten. De volgende soorten kunnen mogelijk worden verwacht: -
gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus); ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii); laatvlieger (Eptesicus serotinus); gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus); meervleermuis (Myotis dasycneme).
De volgende functies kunnen mogelijk worden verwacht op de onderzoekslocatie:
ware muizen zijn op basis van hun actuele verspreidingsgegevens niet te verwachten. ROOFDIEREN Marterachtigen
zomerverblijf (schuil- en rustplaats); kraamverblijf (verblijfplaats waar groepen vrouwtjes de jongen grootbrengen); paarverblijf (plek/territorium waar een mannetje vrouwtjes proberen te lokken); mild winterverblijf (verblijfplaats in de winter buiten vorstperiodes).
Van de marterachtigen zijn steenmarter (Martes foina), wezel (Mustela nivalis), bunzing (Mustela putorius) en hermelijn (Mustela erminea) in de directe omgeving waargenomen. De boommarter (Martes martes) is op grotere afstand waargenomen en deze soort wordt vanwege het ontbreken van bos rond het plangebied uitgesloten.
Een massa winterverblijf (verblijfplaats waar grote groepen vleermuizen in de winter verblijven) wordt niet verwacht. De warmtecapaciteit (vermogen om energie in de vorm van warmte op te slaan) en de temperatuurbuffering (mate waarin fluctuaties in het verloop van de temperatuur kunnen worden gebufferd) van de gebouwen is hiervoor te laag.
Waarnemingen van marterachtigen zijn zeer schaars en zijn vooral gedaan in polder Nieuw-Lekkerland rond de grote waterlopen of plassen in de omgeving. Aan de zuidrand van Nieuw-Lekkerland is slechts één waarneming bekend van bunzing. Hierbij moet worden opgemerkt dat marters zich moeilijk laten zien en bunzing en steenmarter vooral nachtactief zijn.
KNAAGDIEREN
Alle marters hebben gemeen dat ze een netwerk aan vaste verblijfsplaatsen hebben. Voorbeelden van rustplaatsen zijn: holen, houtstapels, holle bomen, drainagepijpen, takkenrillen, hooi- en strobalen, stapels stenen en puin, gaten en holten, schuurtjes, stallen, kelders en hooizolders.
-
Woelmuizen Er kan een aantal woelmuisachtigen worden verwacht op het terrein en er zijn ook sporen van muizen aangetroffen. Alle te verwachten woelmuisachtigen ((aardmuis (Microtus agrestis), rosse woelmuis (Myodes glareolus), ondergrondse woelmuis (Microtus subterraneus) en veldmuis (Microtus arvalis)) zijn echter vrijgesteld volgens de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Overige woelmuizen zijn op basis van hun actuele verspreidingsgegevens niet te verwachten. Ware muizen Er kan een aantal ware muizen worden verwacht op het terrein. Alle te verwachten ware muizen (bruine rat (Rattus norvegicus), zwarte rat (Rattus rattus), bosmuis (Apodemus sylvaticus), huismuis (Mus musculus), dwergmuis (Micromys minutus)) zijn echter vrijgesteld volgens de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Overige
Op plekken waar enige dekking is, zijn ook meestal holen van bruine rat te vinden. Omdat er sprake is van overlast van ratten wordt verwacht dat de meeste holen ook actief gebruikt worden door bruine rat. Het is niet te verwachten dat bruine rat, wezel, bunzing en steenmarter elkaar op zeer korte afstand tolereren. Jonge bruine ratten kunnen een prooi vormen voor bunzing, wezel en steenmarter, maar volwassen bruine ratten niet. Om conflicten te vermijden zullen deze soorten op enige afstand van elkaar verblijven. Daarnaast worden de percelen intensief gebruikt en over het algemeen goed onderhouden. Er zal dus regelmatig sprake zijn van enige verstoring. Marters zijn hier gevoelig voor en zoeken rustige plekken op om te verblijven. Daarom worden verblijfplaatsen van marterachtigen uitgesloten binnen het plangebied. Hermelijn houdt zich daarnaast alleen op buiten de bebouwde omgeving en wordt daarom niet binnen het plangebied verwacht.
29
6.4.3 Vaatplanten, mossen en korstmossen Er zijn geen beschermde vaatplanten, mossen en korstmossen waargenomen. Er zijn enkel algemeen voorkomende soorten aanwezig. Het veldbezoek vond echter plaats aan het begin het groeiseizoen van de meeste planten en daarom kan op basis van enkel het veldbezoek de afwezigheid van beschermde vaatplanten niet worden bepaald. Voor alle beschermde soorten die in de directe omgeving zijn waargenomen is daarom op basis van de standplaatscondities beoordeeld of deze binnen het plangebied kunnen voorkomen. Op basis hiervan is de conclusie getrokken dat beschermde soorten kunnen worden uitgesloten. Met name vanwege het feit dat de bodem kalkarm is kunnen veel soorten worden uitgesloten. In bijlage 4 zijn de beschermde soorten en hun standplaatscondities terug te vinden.
6.4.4 Vissen en zoetwaterweekdieren Er is een waterhabitat aanwezig naast het plangebied. De werkzaamheden zullen echter beperkt blijven tot het land waardoor vissen en zoetwaterweekdieren binnen het plangebied kunnen worden uitgesloten.
6.4.5 Amfibieën Vanwege de aanwezigheid van beschoeiing en het ontbreken van een goed ontwikkelde oevervegetatie kan een aantal amfibieën worden uitgesloten die bij een goed ontwikkelde oever wel hadden kunnen worden verwacht. Voorbeelden zijn bastaardkikker (Pelophylax kl. esculentus), poelkikker (Rana lessonae), meerkikker (Pelophylax ridibundus) en heikikker (Rana arvalis). Salamanders zijn vanwege het ontbreken van geschikte voortplantingswateren in de omgeving en hun beperkte homerange niet te verwachten.
6.4.6 Reptielen Beschermde reptielen worden niet verwacht. Deze kunnen of op basis van de lokale verspreiding of op basis van hun habitateisen worden uitgesloten (zie bijlage 4). Voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen kunnen daarom worden uitgesloten.
6.4.7 Libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders Beschermde libellen, dagvlinders en macro-nachtvlinders die in de omgeving zijn waargenomen (zie bijlage 4) zijn niet te verwachten binnen het plangebied. De habitat is hiervoor niet geschikt, de waardplanten zijn afwezig of de voortplantingswateren bevinden zich buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. De enige uitzondering hierop vormt de grote vos (Nymphalis polychloros). De grote vos (Nymphalis polychloros) is een zeldzame vlinder en een echte zwerver die overal kan opduiken. Hij werd met uitsterven bedreigd maar sinds 2019 is op meerdere plaatsen voortplanting geconstateerd. Geschikte waardbomen zijn bijvoorbeeld peer, prunus, wilg en iep. Fruitbomen zijn aanwezig en deze kunnen worden gebruikt voor de voortplanting.
6.4.8 Geleedpotigen en landweekdieren Er zijn geen beschermde geleedpotigen (insecten, landweekdieren etc.) in de directe omgeving waargenomen en dus niet te verwachten in het plangebied.
Alleen mobiele soorten die zich over grote afstanden over het land kunnen verplaatsen als gewone pad (Bufo bufo), rugstreeppad (Epidalea calamita) en bruine kikker (Rana temporaria) zouden mogelijk kunnen worden verwacht in de vegetatie. Het plangebied kan dan dienen als zomer- en/of winterhabitat. 30
7 Effecten van de ingreep en toetsing aan de wet natuurbescherming In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de voorgenomen activiteiten en de effecten die deze activiteiten hebben op flora en fauna. Deze effecten worden vervolgens getoetst aan de Wet natuurbescherming
7.1
Voornemen
De opdrachtgever heeft het voornemen om de woningen 307 en 314 te slopen en de bestemming van de woning 315 te veranderen van wonen naar bedrijfsdoeleinden (zie figuur 39). Voor woning 312 is nog niet besloten of deze gesloopt gaat worden of niet.
7.2
Activiteitenoverzicht
De ingreep zal alleen bestaan uit de sloop van een aantal gebouwen binnen het plangebied. Deze activiteit zal naar verwachting twee tot drie weken in beslag nemen. Sloopafval wordt ter plekke gesorteerd op de verharde delen van het terrein. Het sloopafval vervolgens worden afgevoerd met kiepwagens richting de N480. De route die hier bij wordt gevolgd is terug te vinden in figuur 39. Dit traject is ongeveer 1,8 kilometer lang. Bij de sloopwerkzaamheden kunnen de volgende verstorende effecten optreden: -
verlies vaste voortplantings- rust- of verblijfplaatsen; directe sterfte; verstoring door beweging van mensen en materiaal; verstoring door trilling; verstoring door geluid.
Figuur 39. Werkgebied en aan- en afvoerroute van sloop- en bouwmateriaal. Bron basiskaart: PDOK
De tuinen en de huidige boomgaard zullen worden gespaard. Hier zullen geen activiteiten plaatsvinden.
31