Bijlage 2 - Bijlagen bij de Toelichting bestemmingsplan Oud-Alblas, tegenover Oosteinde 60
Tekst van het document
Naam
Omschr.
01 02 03 04
noordgevel oostgevel zuidgevel westgevel
Maaiveld -1,50 -1,50 -1,50 -1,50
Hdef. Relatief Relatief Relatief Relatief
Hoogte A
Hoogte B
Hoogte C
Hoogte D
Hoogte E
Hoogte F
Gevel
1,50 1,50 1,50 1,50
4,50 4,50 4,50 4,50
7,50 7,50 7,50 7,50
-----
-----
-----
Ja Ja Ja Ja
Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek
16-5-2022 16:29:20
Invoergegevens akoestisch model 191334 Rapport: Model:
Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek bijlage 2
Lijst van model eigenschappen wegverkeerslawaai 2032
Model eigenschap Omschrijving Verantwoordelijke Rekenmethode
wegverkeerslawaai 2032 Jan #2|Wegverkeerslawaai|RMG-2012, wegverkeer|
Aangemaakt door Laatst ingezien door Model aangemaakt met
Jan op 5-12-2019 Jan op 16-5-2022 Geomilieu V5.10
Dagperiode Avondperiode Nachtperiode Samengestelde periode Waarde Standaard maaiveldhoogte Rekenhoogte contouren Detailniveau toetspunt resultaten Detailniveau resultaten grids Aandachtsgebied Max.refl.afstand Standaard bodemfactor Zichthoek Max.refl.diepte Geometrische uitbreiding Luchtdemping Luchtdemping [dB/km] Meteorologische correctie Waarde voor C0
07:00 - 19:00 19:00 - 23:00 23:00 - 07:00 Lden Gem(Dag, Avond + 5, Nacht + 10) 0 4 Groepsresultaten Groepsresultaten --0,80 2 1 Volledige 3D analyse Conform standaard 0,00; 0,00; 1,00; 2,00; 4,00; 10,00; 23,00; 58,00 Conform standaard 3,50
Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek
16-5-2022 16:29:42
Bijlage 3: Berekeningsresultaten wegverkeerslawaai (5 pagina’s)
R-JVO/1505 / 19.1334
Geluidbelasting Oosteinde, incl. aftrek art. 110g Wgh 191334 Rapport: Model: Groep: Groepsreductie:
Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek bijlage 3
Resultatentabel wegverkeerslawaai 2032 LAeq totaalresultaten voor toetspunten Oosteinde Ja
Naam Toetspunt
Omschrijving
Hoogte
Dag
Avond
Nacht
Lden
01_A 01_B 01_C 02_A 02_B
noordgevel noordgevel noordgevel oostgevel oostgevel
1,50 4,50 7,50 1,50 4,50
45,95 47,37 47,83 43,96 45,70
42,36 43,75 44,16 40,56 42,27
35,89 37,32 37,83 33,70 35,46
46,20 47,62 48,08 44,19 45,93
02_C 03_A 03_B 03_C 04_A
oostgevel zuidgevel zuidgevel zuidgevel westgevel
7,50 1,50 4,50 7,50 1,50
45,52 34,09 36,62 20,97 35,85
42,04 30,83 33,32 16,62 32,11
35,33 23,69 26,23 11,48 25,91
45,75 34,31 36,84 21,26 36,11
04_B 04_C
westgevel westgevel
4,50 7,50
37,50 40,41
33,72 36,50
27,56 30,62
37,75 40,68
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek
16-5-2022 16:34:46
Geluidbelasting Noordzijde, incl. aftrek art. 110g Wgh 191334 Rapport: Model: Groep: Groepsreductie:
Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek bijlage 3
Resultatentabel wegverkeerslawaai 2032 LAeq totaalresultaten voor toetspunten Noordzijde Ja
Naam Toetspunt
Omschrijving
Hoogte
Dag
Avond
Nacht
Lden
01_A 01_B 01_C 02_A 02_B
noordgevel noordgevel noordgevel oostgevel oostgevel
1,50 4,50 7,50 1,50 4,50
21,97 25,66 28,49 17,92 21,76
17,71 21,41 24,29 13,68 17,53
12,49 16,17 19,01 8,42 12,27
22,28 25,97 28,81 18,22 22,07
02_C 03_A 03_B 03_C 04_A
oostgevel zuidgevel zuidgevel zuidgevel westgevel
7,50 1,50 4,50 7,50 1,50
24,08 12,31 17,61 -1,83 19,42
19,86 8,06 13,39 -6,13 15,14
14,59 2,80 8,12 -11,35 9,93
24,39 12,61 17,92 -1,54 19,72
04_B 04_C
westgevel westgevel
4,50 7,50
22,53 25,87
18,27 21,67
13,04 16,40
22,83 26,19
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek
16-5-2022 16:35:30
Geluidbelasting alle 30 km/h wegen, incl. aftrek art. 110g Wgh 191334 Rapport: Model: Groep: Groepsreductie:
Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek bijlage 3
Resultatentabel wegverkeerslawaai 2032 LAeq totaalresultaten voor toetspunten 30 km/h wegen Ja
Naam Toetspunt
Omschrijving
Hoogte
Dag
Avond
Nacht
Lden
01_A 01_B 01_C 02_A 02_B
noordgevel noordgevel noordgevel oostgevel oostgevel
1,50 4,50 7,50 1,50 4,50
44,41 45,72 45,82 37,24 38,61
40,59 41,77 41,81 33,44 34,78
33,77 35,04 35,12 26,60 27,96
44,44 45,71 45,79 37,27 38,63
02_C 03_A 03_B 03_C 04_A
oostgevel zuidgevel zuidgevel zuidgevel westgevel
7,50 1,50 4,50 7,50 1,50
37,76 38,02 39,12 38,79 44,16
33,93 35,07 36,14 35,80 40,79
27,11 27,70 28,78 28,45 33,68
37,78 38,34 39,43 39,10 44,33
04_B 04_C
westgevel westgevel
4,50 7,50
45,33 45,46
41,79 41,84
34,79 34,89
45,45 45,55
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek
16-5-2022 16:35:57
Gecum. geluidbelasting alle wegen (incl. 30 km/h), incl. aftrek art. 110g Wgh 191334 Rapport: Model: Groep: Groepsreductie:
Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek bijlage 3
Resultatentabel wegverkeerslawaai 2032 LAeq totaalresultaten voor toetspunten (hoofdgroep) Ja
Naam Toetspunt
Omschrijving
Hoogte
Dag
Avond
Nacht
Lden
01_A 01_B 01_C 02_A 02_B
noordgevel noordgevel noordgevel oostgevel oostgevel
1,50 4,50 7,50 1,50 4,50
48,27 49,67 50,01 44,82 46,49
44,59 45,90 46,19 41,34 43,00
37,98 39,36 39,74 34,52 36,20
48,43 49,81 50,15 45,02 46,69
02_C 03_A 03_B 03_C 04_A
oostgevel zuidgevel zuidgevel zuidgevel westgevel
7,50 1,50 4,50 7,50 1,50
46,25 39,54 41,11 38,94 44,79
42,72 36,47 38,00 35,91 41,37
36,01 29,18 30,76 28,63 34,40
46,46 39,82 41,38 39,24 44,98
04_B 04_C
westgevel westgevel
4,50 7,50
46,04 46,72
42,45 43,04
35,59 36,38
46,17 46,87
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek
16-5-2022 16:36:41
Gecum. geluidbelasting alle wegen (incl. 30 km/h), excl. aftrek art. 110g Wgh 191334 (t.b.v. gevelmaatregelen) Rapport: Model: Groep: Groepsreductie:
Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek bijlage 3
Resultatentabel wegverkeerslawaai 2032 LAeq totaalresultaten voor toetspunten (hoofdgroep) Nee
Naam Toetspunt
Omschrijving
Hoogte
Dag
Avond
Nacht
Lden
01_A 01_B 01_C 02_A 02_B
noordgevel noordgevel noordgevel oostgevel oostgevel
1,50 4,50 7,50 1,50 4,50
53 55 55 50 51
50 51 51 46 48
43 44 45 39 41
53 55 55 50 52
02_C 03_A 03_B 03_C 04_A
oostgevel zuidgevel zuidgevel zuidgevel westgevel
7,50 1,50 4,50 7,50 1,50
51 45 46 44 50
48 41 43 41 46
41 34 36 34 39
51 45 46 44 50
04_B 04_C
westgevel westgevel
4,50 7,50
51 52
47 48
41 41
51 52
Alle getoonde dB-waarden zijn A-gewogen
Geomilieu V2021.1 Licentiehouder: Voortman Ingenieurs - bouwfysica & akoestiek
16-5-2022 16:38:16
VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING & BEHEER B.V. T.a.v. dhr. G. Kooiman Lekdijk 44 2967GB Langerak
Datum
27 september 2019
Kenmerk
BE/2019/533/r
Uw kenmerk
Email d.d. 19 augustus 2019
Auteur(s)
ing. M.J. Visschers
Collegiale toets
ir. ing. K.J. Rebergen
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan het Oosteinde ong. te Oud-Alblas Aan het Oosteinde ong. te Oud-Alblas is een grasland met twee schuren gesitueerd. Het perceel is gelegen tegenover Oosteinde 60. De initiatiefnemer is voornemens de schuren op het perceel te saneren om de realisatie van twee nieuwbouwwoningen mogelijk te maken. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van agrarisch naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en/of de Strategische reservering natuur? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan het Oosteinde ong. te Oud-Alblas (figuur 1). Het perceel bestaat hoofdzakelijk uit (raai)-grasland waarop twee houten schuren zijn gesitueerd. Rondom beide schuren is een houten hekwerk aanwezig. De schuur aan de noordzijde van de planlocatie is opgetrokken uit houten planken en draagt een metalen golfplaten dak. In de schuur hebben in het verleden kalveren gestaan, maar wordt al enige tijd niet meer gebruikt. De schuur bevindt zich in erbarmelijke staat. Rondom de schuur zijn enkele (jonge) bomen ontsproten. De schuur aan de zuidzijde van de planlocatie is eveneens opgetrokken uit houten planken en draagt een (asbest) golfplaten dak. Deze schuur wordt momenteel gebruikt om toebehoren te stallen. Vanaf de openbare weg loopt een pad van betonplaten tot aan de zuidelijk gelegen schuur. Aan de noord-, oost-, en westzijde van het perceel is een kavelsloot gesitueerd. Een betonnen brug vormt de toegangsweg tot het perceel. Tussen de openbare weg (Oosteinde) en de planlocatie is nog een gemeentelijke groenstrook gelegen. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door aan de westzijde de dorpskern van Oud-Alblas.
Ten noorden, oosten en zuiden en van de planlocatie is de omgeving veel landelijker en zijn voornamelijk agrarische bedrijven, percelen en graslanden gesitueerd. Op een afstand van ca. 90 m. ten noorden van de planlocatie stroomt de Alblas. Ten zuiden van de planlocatie, op een afstand van ca. 1,9 km, is de snelweg A15 gesitueerd.
Figuur 1
2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan het Oosteinde ong. te Oud-Alblas (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van twee schuren en de realisatie van twee woonpercelen met twee vrijstaande woningen. Het betreft derhalve tevens een functieverandering van agrarisch naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten:
3
saneren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; eventueel het kappen van bomen: kapwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; bouwrijp maken terrein: grondverzet, aanleg riool en nutsvoorzieningen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 3
4
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Lagendijk Tuin en Landschap architecten).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2019 en is uitgevoerd door ing. M.J. Visschers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 5/8 bewolkt, 26 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten artikel 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree
5
Bastaardkikker
Gewone pad
Rosse woelmuis
Bosmuis
Haas
Veldmuis
Bruine kikker Bunzing Dwergmuis
Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander
Vos Wezel Woelrat
Dwergspitsmuis Egel
Konijn Meerkikker
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten.
Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2009-2019.) Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Op de wanden van de schuren is geen (beschermde) muurvegetatie aanwezig. Ter plaatse van de planlocatie is sprake van een (raai)grasland met enkele inheemse kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: paardenbloem, scherpe boterbloem, hondsdraf en grote brandnetel. Op de noordzijde van de planlocatie zijn rondom de vervallen schuur enkele (nog jonge) essen ontsproten. Bij de toegangsweg tot het perceel, is een volwassen es aanwezig welke is begroeid met hedera.
In de gemeentelijke groenstrook ten noorden van de planlocatie zijn, behoudens gazon, tevens volwassen elzen en struikachtige vegetatie met o.a. laurier en hazelaar aanwezig. Ten zuiden van de planlocatie zijn hoofdzakelijk (raai) gras- en weidelanden, al dan niet met grazende koeien, gelegen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. De planlocatie is een agrarisch grasland. De aanwezige vegetatie schetst het beeld van een verstoorde bodem. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren.
In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: bever, beverrat, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, muskusrat, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en wezel (Broekhuizen et al., 2016; NDFF 2009-2019). Voor de bever geldt dat ze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
6
In de omgeving wordt de bever waargenomen in de Alblas en ten noorden van de Alblas. Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land: moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. Het dieet bestaat uit waterplanten, kruiden, bladeren en scheuten van wortels die in de overgangszone groeien. In de winter bestaat het voedsel vooral uit bast en twijgjes van voornamelijk wilg en populier. ’s Winters of in periodes waarin ze jongen hebben verblijven bevers in burchten van stammen en takken, die aan de waterkant ligt of boven het water uit wordt gebouwd. De ingang van een burcht ligt onder water. In stromend water bouwen zij dammen om het waterpeil te verhogen en zodoende hun territorium uit te breiden. De aanwezigheid van voldoende goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste. Om te voorzien in het benodigde voedsel en om burchten te realiseren of uit te breiden worden de bomen langs de oever om geknaagd. Tijdens dat proces laten ze grote hopen snippers en duidelijke vraatsporen achter (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017). De planlocatie zelf is niet geschikt als functioneel leefgebied door de zeer beperkte aanwezigheid van geschikt habitat met ‘bijbehorende ‘faciliteiten’. Tevens is er sprake van (te)veel verstoring in de directe omgeving. Derhalve kan het voorkomen van de bever op de planlocatie worden uitgesloten.
Grondgebonden zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. Het is niet uit te sluiten dat marterachtigen zoals bunzing, hermelijn of wezel het plangebied doorkruisen en/of gebruiken als onderdeel van een veel groter foerageergebied. Structuurrijke groenelementen zijn afwezig op de planlocatie, waardoor deze geen functies vervult als migratieroutes, beschutting tegen predatoren en vaste rust- en/of verblijfplaatsen. Aantasting van vaste rust- en/of verblijfplaatsen alsmede afname van essentieel leefgebied is derhalve niet aan de orde. Daarbij zijn deze soorten vrijgesteld in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol, rat- en muisachtigen. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: ruige dwergvleermuis, meervleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF 2009-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats van boombewonende vleermuizen. Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig welke kunnen dienen als vaste rust- en/of verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen.
De schuren die als onderdeel van de plannen gesaneerd worden zijn, door de bouwtechnische eigenschappen, per definitie ongeschikt als vaste rusten/of verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen. Een vleermuisverblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De schuren zijn opgetrokken uit houten planken en dragen een (resp. metalen en asbest) golfplaten dak. Het dak is onder deze golfplaten niet voorzien van dakbeschot. De wanden zijn eveneens niet voorzien van een binnenwerk. Derhalve zijn er geen ruimten met een stabiel microklimaat aanwezig waarin vleermuizen kunnen wegkruipen. De schuren worden tevens niet gebruikt als hangplaats door grootoorvleermuizen. De grootoorvleermuis maakt gebruikt van hangplekken waar ze hun pooi mee naartoe nemen en opeten. Dergelijke hangplaatsen zijn te herkennen aan grote hoeveelheden
7
afgebeten (vlinder)vleugels en keutels. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie in beperkte mate gebruiken als onderdeel van het foerageergebied. De naastgelegen watergang en het omliggend groen (beide buiten de ontwikkelingszone) bieden iets meer potentie als onderdeel van het foerageergebied en/of vliegroute. Gezien de grootte en matige kwaliteit van het foerageergebied binnen het plangebied betreffen het aannemelijk geen essentiële onderdelen. Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling worden deze structuren overigens niet aangetast. Daarbij leidt de ontwikkeling tot een toename van het aantal plantensoorten doordat in de nieuwe situatie tuinen zijn beoogd (in tegenstelling tot hoofdzakelijk een monocultuur van raaigras). Deze toename in biodiversiteit leidt tot een toename van insecten waardoor er meer voedselbronnen voor vleermuizen ontstaan. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort.
Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie ligt ingeklemd tussen de dorpskern en het agrarisch gebied en bestaat hoofdzakelijk uit een raaigrasland. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie zelf is geen oppervlaktewater aanwezig. Direct naast de planlocatie, aan de noord, oost-, en westzijde, zijn kavelsloten gesitueerd.
In het atlashok (5x5km) waarbinnen de planlocatie is gelegen is de aanwezigheid bekend van de alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2009-2019). Voor de alpenwatersalamander, heikikker, poelkikker en rugstreeppad geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de omgeving van de planlocatie is de alpenwatersalamander in 2009 voor het laatst waargenomen. Het betrof de waarneming van 1 individu in een tuin ten zuiden van de snelweg A15. De snelweg A15 vormt een ernstige barrière in verdere verspreiding van de soort. Doordat in de afgelopen 10 jaar binnen het atlashok (waarbinnen de planlocatie is gelegen) geen andere waarnemingen zijn gedaan, mag worden aangenomen dat de soort zich niet (meer) in het gebied bevindt. Daarbij zijn er geen werkzaamheden voorzien aan de watergang of aan structuren die eventueel een functie vervullen voor de alpenwatersalamander In de omgeving van de planlocatie zijn waarnemingen van de heikikker hoofdzakelijk gedaan in het Kippenbos, 1,5 km ten zuiden van de planlocatie en is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland.
Een sporadische waarneming is gedaan in de weidelandschap op enige afstand ten zuiden van de planlocatie, ruim 3 jaar geleden. Het landschap ter plaatse van de waarnemingen betreft een meer natuurlijk habitat met ruigtevegetatie, meer toegankelijke oevers en (aannemelijk) een lagere pH van het water. Deze kenmerken zijn essentieel voor een succesvolle voortplanting van de soort. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing (RAVON, 2019). De planlocatie betreft een (agrarisch) raaigrasland welke is ingeklemd in de lintbebouwing tussen intensief belaste agrarische landerijen en de dorpskern. De watergangen naast de planlocatie worden belast met wateroverschot afkomstig uit de dorpskern wat de pH van het water ten aanzien van de heikikker negatief beïnvloed. Plaatsen waar de soort in de omgeving worden waargenomen hebben een meer natuurlijk en ruiger
8
uiterlijk wat overeenkomt met de habitatpreferenties van de soort. Gezien het landgebruik en de kenmerken op de planlocatie en in de directe omgeving is het niet aannemelijk dat de planlocatie leefgebied is van de heikikker. De poelkikker is eveneens een cultuurvliedende soort die voorkomt in een meer natuurlijke omgeving. Het voortplantingswater wordt gekenmerkt door kleinschalige voedselarme, zwak zure stilstaande wateren. De waarneming van de poelkikker stamt uit 2010 en betreft 1 individu welke is waargenomen in het Kippenbos. Het Kippenbos bevindt zich op een afstand van ca. 1,5 km van de planlocatie. In tegenstelling tot de planlocatie komt deze omgeving meer overeen met de habitatpreferenties van de poelkikker. Aangezien het meer dan drie jaar geleden is dat de soort is waargenomen, het individu is waargenomen op een afstand van meer dan 1 km en dat het habitat op de planlocatie niet overeenkomt met de habitatvoorkeur van de poelkikker, mag worden aangenomen dat het niet aannemelijk is de soort zich binnen het plangebied bevindt (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017). Daarbij zijn er geen werkzaamheden voorzien aan de watergangen. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond.
De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). De soort is in de afgelopen 10 jaar niet waargenomen in een straal van 1 km rondom de planlocatie waardoor het nemen van maatregelen niet noodzakelijk is. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Tevens is in de het voorkomen van reptielen niet bekend in de omgeving van de planlocatie (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2009-2019). Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevinden zich enkele kavelsloten. Aan deze watergangen zijn geen werkzaamheden voorzien.
Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten, libellen en andere ongewervelden Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Het voorkomen van de plattenschijfhoren is niet bekend in de directe omgeving van de planlocatie. Tevens zijn aan de naastgelegen kavelsloten geen werkzaamheden voorzien. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: turkse tortel, kraai, wilde eend, ekster en meeuw. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.
In de omgeving van de planlocatie is het voorkomen van steen- en kerkuilen bekent. In de schuren op de planlocatie zijn echter geen nesten, nestmateriaal, braakballen of krijtsporen aangetroffen. Een functie als vast nest- of roestplaats op de planlocatie is derhalve uitgesloten.
9
Het grasland vormt mogelijk in beperkte mate foerageergebied. Echter zijn er geen krijtsporen of braakballen op hekpalen ed. aangetroffen die indiceren dat uilen daadwerkelijk gebruik maken van het grasland als zijnde foerageergebied. In de omgeving van de planlocatie is voldoende vergelijkbaar alternatief grasland beschikbaar. De planlocatie bevat geen karakteristieke habitateisen zoals een wilgenbomen of paardenweide waaraan kerk en steenuilen de voorkeur geven. De ontwikkeling betreft de sloop van twee schuren en de realisatie van 2 woningen. Netto wordt er niet significant meer bebouwing gerealiseerd. Het grasland aan de zuidzijde blijft intact (zie figuur 3). Derhalve heeft de ontwikkeling aannemelijk geen negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van de kerk- en steenuil. Het is echter wel aan te bevelen om in de nieuwe situatie het perceel beperkt te verlichten omdat een sterkverlichte omgeving gemeden wordt door uilen. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen de planlocatie geen functioneel leefgebied aanwezig. Beide schuren bieden door de bouwstructuur geen potentiele nestlocaties voor gebouwbewonende soorten zoals huismus en gierzwaluw.
Hierdoor kan de aanwezigheid van huismus- en gierzwaluwnestlocaties op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De groenstructuren en (in beperkte mate) schuren vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
10
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 3,2 km ten noordoosten van de planlocatie ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’. Ten noordwesten van de planlocatie op een afstand van circa 3,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’. Op een afstand van circa 5,5 km ten zuidoosten van de planlocatie ligt het natura 20000-gebied ‘Biesbosch’ (figuur 4). Het meest dichtbijgelegen Natuurnetwerk Nederland ligt op een afstand van circa 1,4 km van de planlocatie (figuur 5). Op een afstand van circa 290 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied (figuur 6). Op een afstand van circa 2,0 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (figuur 7).
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van 3,2 km tot het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’; het meest dichtbijgelegen Natura 2000-gebied (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: nationaal Georegister PDOK).
11
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 290 m tot een Belangrijk weidevogelgebied (bron: pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).
Figuur 7
De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,0 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Vóór de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) werd beargumenteerd dat de afstand tot het Natura 2000-gebied dusdanig groot is, dat er t.a.v. de stikstofdepositie onder een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar zou blijven. De Raad van State heeft echter beoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo’n toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig.
12
In september 2019 is de nieuwe Aerius calculator gepubliceerd. Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen. De herbeoordeling d.m.v. de herziene Aerius calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aerius-berekening is gebleken dat de toename van de depositie: • Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: • Binnen het PAS gemeld moest worden. Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf: • Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS-vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan. Dit wordt onderschreven in de ‘Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden’ (Ministerie van Binnenlandse Zaken, juli 2019).
Uit goede motivering of herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken: Dat er geen enkele toename van stikstofdepositie wordt verwacht, bijvoorbeeld vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden óf: • Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: • Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak juist afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de Aerius calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van 2 schuren en de realisatie van 2 woningen, wat ten opzichte van de huidige situatie niet leidt tot een significante toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal met hogere isolatiewaarden en hoogrenderende stookinstallaties een relatief lage stikstofuitstoot hebben. Ten opzichte van de huidige situatie wordt verwacht dat er sprake zal zijn van een afname in stikstofemissie op het perceel.
Gezien deze afname in stikstofemissie en de grote afstand tot Natura 2000-gebieden (3,2 km) worden geen enkele negatieve gevolgen voor relevante Natura 2000-gebieden verwacht. Derhalve kan een passende beoordeling van de stikstofdepositie achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar;
13
e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Ten behoeve van de ontwikkeling worden aannemelijk de ontsproten essen rondom de noordelijke gelegen schuur verwijdert. Het is niet bekend of de volwassen es op de noordzijde van het perceel eveneens wordt gekapt. Indien kapwerkzaamheden op de planlocatie plaatshebben, vallen deze onder type a. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten hebben vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken.
Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
+/-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
14
+/n effecten
-
-
-
+/-
-
-
n
n
n
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja) / m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
+
+/-
n
n
nader onderzoek
Natura 2000
3,2 km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
1,4 km
geen
n.v.t.
Belangrijk weidevogelgebied
290 m
geen
n.v.t.
Strategische reservering natuur
2,0 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
evt.
n.v.t.
Bomen
ja
ja
n.v.t.
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) vestiging van de rugstreeppad, de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling (vrijstellingsbesluit). Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Oosteinde ong. te OudAlblas uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen Gezien het ontbreken van beschermde soorten dient er geen aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. Bij het uitvoeren van de beoogde ontwikkeling vinden er geen overtredingen plaats in het kader Wet natuurbescherming, indien onderstaande maatregelen in acht genomen worden.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.
op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
15
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997.
Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
16
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. M.J. Visschers Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
17
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan het Oosteinde ong. te Oud-Alblas en bestaat uit een (raai)grasland met twee houten schuren.
Figuur 2
De planlocatie ligt ingeklemd tussen de dorpskern van Oud-Alblas en agrarische percelen.
18
Figuur 3
De initiatiefnemer is voornemens beide schuren te saneren t.b.v. de realisatie van twee woningen.
Figuur 4
Aan de noord-, oost- en westzijde wordt het perceel omrand door een kavelsloot. Een betonnen brug biedt toegang tot het perceel.
19
Blom Ecologie Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg
0418 820 288 info@blomecologie.nl www.blomecologie.nl
Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V.
KVK
67221904
T.a.v. dhr. R. de Groot
BTW nr.
NL856882999B01
Lekdijk 44
IBAN
NL21RABO0314240683
2967 GB Langerak Onderwerp:
Aanvullende notitie quickscan Wet natuurbescherming aan het Oosteinde ong. te Oud-Alblas
Datum:
21 juli 2022
Project:
2022-0810
Samensteller:
ir. ing. D. Bogers
Geachte meneer, Hierbij de aanvullende notitie aangaande de quickscan Wet natuurbescherming omtrent het project aan het Oosteinde ong. te Oud-Alblas.
Aanleiding De beoogde ontwikkeling aan het Oosteinde ong. te Oud-Alblas betreft de sloop van twee schuren ten behoeve van één nieuwbouwwoning (figuur 1). Binnen de beoogde ruimtelijke ingreep worden geen bomen gekapt. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen mogelijk een negatief effect sorteren op beschermde flora en fauna (soortenbescherming) en beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming). In 2019 is voor dit project reeds een volledige quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (Visschers, 2019). Ter aanvulling op deze rapportage is deze notitie opgesteld. Het zwaartepunt van deze notitie betreffen actuele observaties m.b.t. marters, vleermuizen en nesten van vogels (ransuil, sperwer, buizerd, bosuil en steenuil, kerkuil) (soortenbescherming).
Figuur 1
Het plangebied is gelegen te Oosteinde ong. te Oud-Alblas.
1
Planlocatie De planlocatie betreft een grasland met twee schuren en ligt op de grens van bebouwd en landelijk gebied aan het Oosteinde ong. te Oud-Alblas (figuur 2). De noordelijk gelegen schuur is opgetrokken uit houten planken en metalen golfplaten dak zonder dakbeschot. De grotere schuur in het zuiden van de planlocatie is tevens opgetrokken uit houten schroten en een (asbest) golfplaten dak zonder dakbeschot. Aan de noord-, oost- en westzijde van de planlocatie is een kavelsloot gesitueerd. Een uitgebreide omschrijving van de planlocatie en de omliggende omgeving is beschikbaar in de eerder opgestelde rapportage van de quickscan Wet natuurbescherming (Visschers, 2019). Figuur 3 en bijlage 1 geven een fotografische impressie van de te slopen gebouwen en de (omgeving rond) planlocatie.
Figuur 2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan het Oosteinde ong. te Oud-Alblas.
Figuur 3 De kleine schuur (links) en grote schuur (rechts) zijn opgetrokken uit simpele constructies en worden binnen de beoogde ruimtelijke ingreep gesloopt. Beoogde ontwikkeling De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling is, sinds het opstellen van de quickscan Wnb (Visschers, 2019), enigszins veranderd. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van de twee schuren ten behoeve van één nieuwbouwwoning (figuur 4). Er worden geen bomen gekapt. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten:
2
• • • • • •
slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; graven van een nieuwe sloot die in verbinding staat met reeds bestaande sloten: graafwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 4
Visuele representatie van de beoogde situatie (Bron: Lagendijk Tuin- en Landschapsarchitecten).
Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 18 juli 2022 en is uitgevoerd door ir. ing. D. Bogers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 29 Celsius en windkracht 1 (Bft). Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd.
Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
3
Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000-gebieden en, in de provincie ZuidHolland, het Natuurnetwerk Nederland, beschermd grasland van de bollenstreek, belangrijk weidevogelgebied en groene buffer. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe.
Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2.
Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.
Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art. 4.1):