CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Bijlagen bij de toelichting bestemmingsplan ‘Noordeloos, Minkeloos 26-26a’

Raadsvergadering 18 april 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 5a. Raadsvoorstel Bestemmingsplan Noordeloos, Minkeloos 26-26a20.435 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

k:\doc\m\2019\126000\m2019126000n001.docx 07-11-2019

4.2.1 Zelfredzaamheid calamiteit A27

De enige vorm van gevaar die vanaf de snelweg tot de planlocatie reikt, is een gifwolk. Gezien de afstand tot de snelweg is het afdoende om naar binnen te vluchten en ramen en deuren te sluiten. Om de zelfredzaamheid te bevorderen, is het, net als in de bestaande situatie en voor andere aanwezigen in de omgeving, belangrijk dat mensen op tijd gewaarschuwd worden door middel van een alarmsysteem. 4.2.2 Zelfredzaamheid calamiteit buisleiding A-555

Een groot deel van de calamiteiten aan hogedruk aardgasleidingen ontstaat door werkzaamheden aan of direct bij de leiding. Als deze werkzaamheden plaatsvinden, kan het gebied inclusief de planlocatie van tevoren preventief worden ontruimd.

5

Aanzet verantwoording groepsrisico Minkeloos

Mocht men zich alsnog op de planlocatie bevinden bij een calamiteit aan de buisleiding, dan ontstaat in geval van een fakkelbrand op de planlocatie een warmtebelasting tot maximaal circa 30 W/m2. De zorgboerderij biedt een mogelijkheid om inpandig te schuilen. Afhankelijk van de warmtebelasting en de brandbaarheid van de zorgboerderij kan een risico op secundaire branden ontstaan. 4.3 Keuze te nemen maatregelen Rekening houdend met: • de beperkte omvang van het plan; • de bestaande situatie waarin de gebouwen al bestaan; • de mogelijkheden om de planlocatie en het gehele invloedsgebied van de hogedruk aardgasleidingen preventief te ontruimen bij werkzaamheden aan of nabij de buisleiding en; • de afstand tot de externe risicobronnen; stellen we voor om geen aanvullende bouwkundige voorschriften voor de planlocatie op te nemen en ook geen extra maatregelen aan de risicobronnen te treffen. Organisatorische maatregelen, zoals ontruiming bij werkzaamheden aan of bij de buisleiding met hoge risico’s en kennis over het afsluiten van de ventilatie, worden op gebiedsniveau genomen.

5. Conclusie De kavel aan de Minkeloos 26 in Noordeloos wordt herontwikkeld tot zorgboerderij. Omdat het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Giessenlanden (vastgesteld 11 maart 2015) de locatie voor wonen heeft bestemd, is een functiewijziging nodig die Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer B.V namens de initiatiefnemer aanvraagt. Omdat in de omgeving van het plangebied enkele externe risicobronnen liggen, is een onderbouwing externe veiligheid nodig die DGMR in deze notitie heeft uitgewerkt. In deze onderbouwing beantwoorden wij de vraag: Welke externe risicobronnen liggen in de omgeving van de planlocatie en hoe kan indien nodig het groepsrisico als gevolg van deze bronnen worden verantwoord?

k:\doc\m\2019\126000\m2019126000n001.docx 07-11-2019

In de omgeving van het plangebied vindt transport van geklasseerde stoffen plaats over de A27 en ligt een hogedruk aardgasleiding. De planlocatie ligt binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen, waardoor bij wijziging van het bestemmingsplan een verantwoording van het groepsrisico is vereist. Op voorhand is te stellen dat het groepsrisico voor beide risicobronnen laag is, zodat in de verantwoording alleen op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid hoeft te worden ingegaan. De gemeente Molenlanden kan hiervoor de aanzet gebruiken zoals opgesteld in hoofdstuk 4 van deze notitie.

ing. M.H.M. (Michel) van Kesteren DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V.

6

VAN DEN HEUVEL ONTWIKKELING EN BEHEER B.V. T.a.v. dhr. R. de Groot Lekdijk 44 2967 GB Langerak Datum

1 juli 2020

Kenmerk

BE/2020/529/r

Uw kenmerk

Email d.d. 01-07-2020

Auteur(s)

ing. G. Fairhurst

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

Revisie

ing. G. Fairhurst (05-10-2021)

Quickscan Wet natuurbescherming Minkeloos 26 te Noordeloos Aan de Minkeloos 26 te Noordeloos is een boerenerf met een monumentale woning, gras(paarden)weide, speelweide, loods, schuur en stal gesitueerd. Het boerenerf is momenteel in gebruik als woon- en zorg boerderij ‘Karin’s Zonnestraal’. Zij bieden dagbesteding, wonen en logeren aan kinderen en jongvolwassenen met een beperking aan. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande zorgboerderij uit te breiden door de bestaande opstallen inpandig te renoveren tot woonappartementen, het aanleggen van een paardenbak met paddock en plantenkas. Het bestemmingsplan voorziet (deels) niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve gedeeltelijk te worden gewijzigd van ‘wonen’ naar ‘maatschappelijk’. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer B.V.

begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland, Belangrijke weidevogelgebieden en/of de Strategische reservering natuur? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Minkeloos 26 te Noordeloos (figuur 1). Het betreft een boerenerf met functie als woon- en zorgboerderij. Op de planlocatie staat een monumentale woning met een privé en woonzorg gedeelte, een stal, schuren en een aantal paarden- en speelweides. Om de woning heen staan groenstructuren bestaande uit struiken, heesters en bomen. De weides bestaan uit een speelweide met daarop verschillende (boerderij) dieren als geiten, kippen, schapen, mini varkens en ganzen en een paardenweide begraasd door pony’s en paarden. Naast en door de planlocatie liggen begroeide sloten en naast de oprit staan knotwilgen. De bebouwing op de planlocatie ziet er als volgt uit: A. de woning is opgetrokken uit stenen muren en heeft een zadeldak met dakpannen en een overstek; B. de loods is opgetrokken uit stenen muren en damwandplaten en heeft een schuin damwandplaten dak met isolatieplaten. Achter de schuur is een parkeerplaats met daarop een overkapping opgetrokken uit damwandplaten gelegen; C. de schuur is opgetrokken uit houtenpotdeksels, stenen muren en damwandplaten en heeft deels een pannen zadeldak (oostzijde) en deels een damwandplaten dak (westzijde); D. de stal is opgetrokken uit houten potdeksels met een golfplaten dak zonder dakbeschot.

In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door landelijkgebied en wordt omringd door agrarische percelen en boerenerven. Op circa 850 m ten oosten ligt de A27 en de planlocatie ligt op circa 2 km ten zuidoosten van Noordeloos. Op circa 180 m is de Minkeloos gelegen, welke in verbinding staat met de Binnenvaart.

Figuur 1

2

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Minkeloos 26 te Noordeloos. Stal D is niet weergegeven op de kaart (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. (links) De woning (A). (rechts) De loods (B).

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het inpandig renoveren van de schuren (B en C) naar woonappartementen en ontvangst- en dagbestedingsruimten. Hierbij zullen geen saneringswerkzaamheden plaatsvinden. Daarnaast wordt er een paardenbak met paddock, plantenkas en mestplaat aangelegd. Richting de paardenbak zal een kleine brug over de sloot worden aangelegd ter hoogte van de westgevel van de woning, er zijn geen dempwerkzaamheden beoogd. Hierbij wordt zo min mogelijk groen verwijderd en worden kleine aanpassingen aan het terrein gedaan en wordt voornamelijk ingespeeld op bestaande structuren. Het terrein van de paardenweide en speelweide wordt gerevitaliseerd. De functie van het perceel dient deels te wijzigen van ‘wonen’ naar ‘maatschappelijk’. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •

plaatsen brug met duiker: graaf- en plaatswerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; inpandige renovatie: algemene renovatiewerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3

3

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Van der Padt en Panters architecten).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 10 juli 2020 en is uitgevoerd door ing. G. Fairhurst. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 7/8 bewolkt, 14 Celsius en windkracht 2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de verordening Ruimte van de Wet natuurbescherming Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ree Bastaardkikker

Gewone pad

Rosse woelmuis

Bosmuis

Haas

Veldmuis

Bruine kikker Bunzing Dwergmuis

Hermelijn Huisspitsmuis Kleine watersalamander

Vos Wezel Woelrat

Dwergspitsmuis Egel

Konijn Meerkikker

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden.

4

Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De planlocatie betreft een boerenerf met (paarden)weide, verharding en begroeide sloten. Het terrein is goed onderhouden met delen (aangelegde) tuin en sterk geëutrofieerde bodems. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, gele rolklaver, liesgras, kleine brandnetel, ridderzuring, scherpe boterbloem, speerdistel, timoteegras, en witbol.

Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op en om het terrein staan tevens struiken, heesters en bomen met soorten als: haagbeuk, laurier, (knot)wilg en treurwilg. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden.

5

Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 3 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, wezel en woelrat (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever en steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever is een soort die voornamelijk voorkomt in verlandingszones van land naar water als moerasachtige gebieden en uiterwaarden. Dergelijk habitat is niet aanwezig op de planlocatie, waardoor de aanwezigheid van de bever per definitie uitgesloten kan worden. De steenmarter is een soort die voornamelijk voorkomt in kleinschalige landschappen met afwisselende structuren en stenige biotopen als stenenhopen, stallen en schuren.

De schuren welke inpandig gerenoveerd zullen worden hebben geen geschikte openingen welke leiden naar een open ruimte die geschikt is als rust- en voortplantingsplaats voor de steenmarter. Daarnaast ontbreekt het aan sporen als uitwerpselen, latrines, prooiresten en prenten in en om de bebouwing. Derhalve kan de aanwezigheid van de steenmarter in en om de bebouwing uitgesloten worden. Daarnaast blijven alle groenstructuren behouden, waardoor negatieve effecten op soort uitgesloten kunnen worden. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10).

Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 3 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan bomen waardoor er geen sprake is van aantasting van mogelijke rust- en/of verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te renoveren bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden.

Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De oostgevel van de loods (B) heeft een muur met spouw met direct daarboven damwandplaten. Alle stootvoegen zijn visueel geïnspecteerd en blijken niet van voldoendeformaat, om te functioneren als in- en uitvlieg opening, of vol te zitten met gruis en

6

stof (figuur 4). Hiervoor wordt de aanwezigheid van vleermuizen in de spouw niet verwacht. Daarnaast blijft de gehele gevel intact en valt deze buiten de invloedsfeer van trillingen en geluid door de beoogde ontwikkeling. Binnen de beoogde ontwikkeling wordt de loods enkel inpandig gerenoveerd waarbij platen tegen de gevel komen en deze niet wordt doorboord. Tevens zorgen de aanwezige damwandplaten voor een bufferende werking, doordat deze ongeschikt zijn voorvleermuizen en de spouw van bovenaf afsluiten. Hierdoor kunnen negatieve effecten op vleermuizen (verstoren en/of ongeschikt raken van verblijfplaatsen) uitgesloten worden.

Figuur 4

In de oostgevel van de loods (B) wordt de aanwezigheid van rust- en verblijfplaats van vleermuizen niet verwacht. Daarnaast blijft de gevel volledig intact en buiten de invloedsfeer van trillingen en geluid.

De overige schuren zijn opgetrokken uit stenen muren, damwandplaten en potdeksels zonder spouwmuur. Hierdoor ontbreekt het aan geschikte kruipruimtes met een stabiel microklimaat en is deze bebouwing ongeschikt als rust- en verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen (figuur 5). Negatieve effecten op vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis uitgesloten.

Figuur 5

7

Wegens de aanwezigheid van damwandplaten (onder), ontbreken van spouwmuren en dakbeschot (boven), is de bebouwing (met uitzondering van de oostgevel van B) ongeschikt als rust- of verblijfplaats voor vleermuizen.

Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Er worden slechts minimale delen van het groen verwijderd, waarbij luwten intact blijven en er voldoende foerageerplaats aanwezig blijven. Doordat er geen veranderingen aan de luwten van bebouwing en groenstructuren plaats vindt is er geen sprake van aantasting van eventuele vliegroute en/of foerageergebied. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen.

Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker en rugstreeppad. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De planlocatie is voor een deel verhard en wordt zeer intensief gebruikt, waardoor veel verstoringen optreden. Door en langs de planlocatie lopen een aantal sloten met begroeide oevers en een relatief steil talud. Hierdoor betreft het geen geschikt voortplantingswater voor de rugstreeppad. Doordat de heikikker op een afstand van 2 km in 2016 voor de laatste keer is waargenomen en dit tevens aan de andere zijde van de A27 betrof, wordt aanwezigheid van de soort niet verwacht.

Daarnaast doordat er geen werkzaamheden zijn beoogd aan de sloten, enkel het plaatsen van een kleine brug, is er geen sprake van afname van eventueel voortplantingswater van amfibieën. In de directe omgeving, binnen een straal van 250 m (2018), zijn een aantal waarnemingen bekend van de rugstreeppad, waardoor aanwezigheid van (migrerende) rustreeppaden niet volledig uit te sluiten is. Echter doordat op de planlocatie geen geschikt voortplantingswater aanwezig is en er, naast de aanleg van een paardenbak geen verandering aan het terrein plaats vindt, is er geen sprake van afname van functioneel leefgebied. Om tijdens de realisatie van de paardenbak (spontane) kolonisatie van de rugstreeppad te voorkomen dient het plangebied ontoegankelijk en/of ongeschikt gemaakt te worden. Dit kan bijvoorbeeld door het aanleggen van een puinbed of door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond (zie bijlage 2 Ecologie rugstreeppad). Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten.

Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2010-2020). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.

8

Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2010-2020). Doordat er geen graaf of dempwerkzaamheden zijn voorzien is er geen sprake van afname van functioneel leefgebied van de soort. Daarnaast wordt er slechts een kleine brug aangelegd, waar enkel tijdelijk en zeer beperkte (trilling) effecten door ontstaan. Deze effecten zijn door de aard ervan verwaarloosbaar. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn derhalve uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: platte schijfhoren (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn tevens geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen als gele plomp of waterlelie. Door vorengenoemde is de aanwezigheid van de platte schijfhoren niet aannemelijk. Daarnaast zijn er geen graaf- of dempwerkzaamheden beoogd, waardoor er geen sprake is van afname negatieve effecten op de soort. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van (andere) beschermde insecten of andere ongewervelden.

Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, grauwe gans, houtduif, huismus, kauw, kokmeeuw, nijlgans, tjiftjaf, Turkse tortel en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. Ten tijde van het veldbezoek zijn foeragerende huismussen waargenomen op de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Ten tijde van het veldbezoek zijn huismussen aangetroffen in de omliggende groenstructuren. Deze groenstructuren zullen binnen de beoogde ontwikkeling behouden blijven.

Derhalve is er geen sprake van aantasting van het essentieel foerageergebied van de huismus. Daarnaast zullen er voldoende water en zandbaden aanwezig blijven waardoor er geen sprake is van aantasting van functioneel leefgebied. De schuren hebben damwandplaten daken met direct daartegen isolatieplaten, waardoor in de schuren geen geschikte nestlocaties aanwezig zijn. Mogelijk bevinden er nesten onder de pannendaken van de woning en omliggende bebouwing buiten de planlocatie. Hier zijn echter geen werkzaamheden beoogd, waardoor aantasting van nestlocaties uitgesloten kan worden. Tevens vinden er enkel inpandige renovatiewerkzaamheden plaats waarbij de daken intact zullen blijven. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. Om verstoring te voorkomen op aanwezige nestenlocaties in de directe omgeving buiten de planlocatie tijdens de kwetsbare periode van de huismus wordt geadviseerd buiten het broedseizoen (maart t/m eind augustus) de werkzaamheden te starten en uit te voeren. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Door de afwezigheid van geschikte in- en uitvliegopeningen naar een (open) dakruimte kan de aanwezigheid van gierzwaluwnesten in de te renoveren schuren uitgesloten worden.

9

Om de bebouwing zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Daarnaast zijn de schuren en stallen niet toegankelijk en is er veel verstoring van mensen en dieren aanwezig op de planlocatie. Mogelijk maakt de planlocatie en de directe omgeving onderdeel uit van het functioneel leefgebied van uilen en roofvogels. Binnen de beoogde ontwikkeling is er geen sprake van afname van essentieel leefgebied. Derhalve kunnen negatieve effecten op uilen en roofvogelsoorten als de buizerd, kerkuil, ransuil, sperwer en steenuil uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Daarnaast ligt de planlocatie midden in een Belangrijk weidevogelgebied, waar nestmogelijkheden zijn van verschillende weidevogels. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van alle vogelsoorten.

Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m eind augustus. Ten aanzien van algemene (weide)broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

10

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 3,6 km ligt het Natura 2000gebied ‘Lingegebied & Diefdijk Zuid’ (figuur 6). Op een afstand van circa 1,7 km ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 7). De planlocatie ligt midden in een Belangrijk weidevogelgebied (figuur 8). Op een afstand van circa 15,5 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (figuur 9). Er zijn karakteristieke landschapselementen in de vorm van knotbomen aanwezig. Deze zullen binnen de beoogde ontwikkeling behouden blijven.

11

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,6 km tot het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk Zuid’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Figuur 7

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,7 km tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Figuur 8

De planlocatie ligt midden in een Belangrijk weidevogelgebied (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Figuur 9

De planlocatie ligt op een afstand van circa 15,5 km tot het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’ (bron: pzh.maps.arcgis.com).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. De planlocatie ligt midden in een Belangrijk weidevogelgebied, wat inhoudt dat er bij afname van kernwaarde van het gebied er een compensatieplicht geldt. Echter geldt er een uitzondering voor gebieden met een agrarische bestemming: ‘De bescherming van de belangrijke weidevogelgebieden brengt geen beperkingen met zich mee voor ontwikkelingen binnen het huidige agrarische grondgebruik.

12

Ontwikkelingen zoals intensivering van het graslandgebruik, de aanleg van kavelpaden, slootdempingen, ruwvoederteelt en de uitbreiding van boerderijen, blijven dus mogelijk’. Doordat de paardenbak met paddock en plantenkas gerealiseerd wordt op het stuk grond dat binnen de bestemming agrarisch valt en doordat deze een agrarische bestemming blijft behouden, is de realisatie mogelijk. Daarnaast doordat de planlocatie voor een groot deel paardenweides betreft, welke behouden blijven, zijn de effecten op kernwaarde van het Belangrijke weidevogelgebied minimaal. Daarnaast worden er maatregelen getroffen om verstoring op broedende weidevogels te voorkomen (werken buiten broedseizoen). Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep.

De beoogde ontwikkeling betreft de inpandige renovatie van de schuren naar woonappartementen en de realisatie van een paardenbak met toebehoren. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Naar verwachting zal er enkel sprake zijn van een minimalen toename in stikstofemissie in de gebruiksfase. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). Gezien de afstand (3,6 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en in de gebruiksfase sprake is van een zeer beperkte toename in stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet van toepassing.

13

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland of de Strategische reservering natuur, wel bevindt deze zich midden in een Belangrijk weidevogelgebied. Echter gezien de bestemming en aard van de werkzaamheden geldt er geen compensatieplicht. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Aerius-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn kapwerkzaamheden voorzien. Derhalve is het maken van een melding in het kader van de Wet natuurbescherming niet van toepassing.

-

+/-

-

-

-

-

+

-

+/-

n

n

n

n

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

insecten en ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

+

+/-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

+/-

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

3,6 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

1,7 km

geen

n.v.t.

Belangrijk weidevogelgebied

0 km

geen

n.v.t.

Strategische reservering natuur

15,5 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

nee

n.v.t.

Bomen

ja

nee

n.v.t.

n

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (n het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De ontwikkeling aan de Minkeloos 26 te Noordeloos is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

14

Vervolgstappen De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarde (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de aanleg van de paardenbak ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond.

De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (c.q. de huismus en algemene (weide)broedvogels) (maart t/m eind augustus). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

15

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

16

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

17

Bijlage 1 Fotografische impressie

18

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Minkeloos 26 te Noordeloos en betreft een boerenerf met als functie een woon- en zorgboerderij. Hier de achterliggende weide waar de paardenbak met paddock en plantenkas zal worden gerealiseerd.

Figuur 2

De westzijde van de schuren B en C.

19

Figuur 3

De speelweide met links de schuur B.

Figuur 4

De westgevel van de monumentale woning met op de achtergrond de schuur C.

Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van ongeveer 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik een lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen en hebben een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).

Gedrag De rugstreeppad is een typische pionierssoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. De voortplanting vindt plaats in de periode april - september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen De geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamische omgeving met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat. De voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden.

Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en wateren zonder vegetatie, waar weinig tot geen sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in de bodem of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor de winterhabitat is dat deze locatie vorstvrij dient te zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatieomvang en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locaties specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een gezonde populatie uit minimaal 100 - 200 dieren bestaat en dat deze in verbinding staat met andere populaties (BIJ12 Kennisdocument Rugstreeppad, 2017).

20

Stikstofdepositieonderzoek Ontwikkeling Minkeloos 26/26a Noordeloos

Van den Heuvel Milieuadvies Adres: Postcode + plaats: Telefoon: Email: Website:

Lekdijk 44 2967 GB Langerak 0184-600240 info@vandenheuvelbv.eu www.vandenheuvelbv.eu

Titel document: Referentie: Versie: Datum:

Stikstofdepositieonderzoek Ontwikkeling Minkeloos 26/26a Noordeloos 19101 1.2 27 augustus 2021

AERIUS-kenmerk:

RmTZAmFFCnJf

Pagina 2 van 16

Inhoudsopgave 1. Inleiding ................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ...................................................................................................................................... 4 1.2 Bestaande situatie en plangebied ................................................................................................. 4 1.3 Nieuwe situatie.............................................................................................................................. 5 1.4 Ligging plangebied in relatie tot stikstofgevoelige habitats .......................................................... 6 2. Beleidskader............................................................................................................................. 7 2.1 Wet natuurbescherming ............................................................................................................... 7 2.2 Besluit natuurbescherming ........................................................................................................... 7 2.3 Regeling natuurbescherming ........................................................................................................

7 2.4 Wet stikstofreductie en natuurverbetering .................................................................................. 7 3. Uitgangspunten ........................................................................................................................ 8 4.1 Aanlegfase ..................................................................................................................................... 8 4.2 Gebruiksfase .................................................................................................................................. 8 4. Emissiebepaling ...................................................................................................................... 11 4.1 Gebruiksfase ................................................................................................................................ 11 4.2 Gebouwinvloed ........................................................................................................................... 13 5. Wijze van meten ..................................................................................................................... 14 6. Rekenresultaat en conclusie.................................................................................................... 15

Bijlage – AERIUS export .............................................................................................................. 16

Pagina 3 van 16

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Het perceel Minkeloos 26/26a te Noordeloos betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Een deel van de voormalige agrarische bebouwing wordt thans gebruikt door een aannemers- en verhuurbedrijf. De omliggende bebouwing wordt gebruikt als opslag van goederen. Middels het plan wordt het perceel in de toekomst gebruikt als zorgboerderij. De huidige woonboerderij wordt verbouwd tot logeerverblijf en de omliggende bebouwing worden verbouwd tot zorgappartementen, ontvangstruimte, dagbesteding en een keuken. Om de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats vanwege deze ontwikkeling te berekenen is Van den Heuvel Milieuadvies gevraagd om een stikstofdepositieonderzoek op te stellen.

1.2 Bestaande situatie en plangebied Het plangebied is gelegen aan het einde van de Minkeloos ten noordoosten van de kern Hoornaar. Het plangebied betreft de kadastrale percelen 690, 691 en 692. Het plangebied wordt thans gebruikt voor woondoeleinden en opslag.

Afbeelding 1: Luchtfoto plangebied

Pagina 4 van 16

Afbeelding 2: Situatietekening bestaande situatie

1.3 Nieuwe situatie In de nieuwe situatie wordt het perceel gebruikt ten behoeve van een zorgboerderij. De huidige bebouwing is dan functioneel gewijzigd tot zorgappartementen, ontvangstruimte, dagbesteding en een keuken.

Afbeelding 3: Ontwerptekening nieuwe situatie

Pagina 5 van 16

1.4 Ligging plangebied in relatie tot stikstofgevoelige habitats Het plangebied is op een minimale afstand gelegen van circa 3,7 km tot een stikstofgevoelige habitat binnen een Natura 2000-gebied. Het betreft een habitattype in het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’. Verder zijn op een afstand van circa 7,3 km, 7,4 km, 8,7 km en 9,3 km stikstofgevoelige habitats binnen Natura2000-gebieden gelegen. Het betreffen habitats binnen de Natura2000-gebieden ‘Uiterwaarden Lek’, ‘Zouweboezem’, ‘Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem’ respectievelijk ‘Biesbosch’. Binnen het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’ zijn geen stikstofgevoelige habitats aanwezig.

7,3 km 7,4 km

3,7 km

9,3 km

8,7 km

Afbeelding 4: Afstand plangebied t.o.v. stikstofgevoelige habitats

Pagina 6 van 16

2. Beleidskader 2.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. Bij significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing op basis van de Wnb verleend kan worden.

2.2 Besluit natuurbescherming In titel 2 van het Besluit natuurbescherming (Bnb) is de Programmatische aanpak stikstof opgenomen. Daarin is aangegeven dat er een programma aanpak stikstof wordt vastgesteld met welke doelstellingen, hoe de vaststelling plaatsvindt, voor hoe lang en door wie. PAS-partijen stellen voor 6 jaar een programma vast. De gebiedsanalyses die per Natura 2000-gebied worden opgesteld zijn een verplicht onderdeel van het PAS. Deze maken ook onderdeel uit van de passende beoordeling van het programma. Deze zijn nodig om aan Europeesrechtelijke verplichtingen van de Habitatrichtlijn te voldoen. In het Bnb is in artikel 2.12 de hoogte van de zogenoemde grenswaarde vastgesteld op twee verschillende manieren. De eerste waarde betreft een generieke waarde van depositie op een habitat van 1,00 mol per hectare per jaar. Deze waarde wordt voor een Natura 2000-gebied van rechtswege verlaagd naar 0,05 mol per hectare per jaar op het moment dat blijkt dat nog maar 5% van de hoeveelheid depositieruimte resteert die voor dit Natura 2000-gebied hiervoor is vastgesteld. De tweede waarde is van toepassing voor infrastructurele activiteiten en betreft een afstand in kilometers. Afhankelijk van de type activiteit waarbij het hier om gaat, is de afstand 3 of 5 km.

Deze grenswaarde voor infrastructurele activiteiten is beperkt tot de activiteiten die zijn opgenomen op de prioritaire lijst. Indien de grenswaarden door een activiteit niet worden overschreden, dan valt deze activiteit onder de uitzondering van de vergunningplicht.

2.3 Regeling natuurbescherming In de Wnb en Bnb is bepaald dat een aantal zaken nader bij ministeriële regeling wordt uitgewerkt en vastgesteld, zoals dat de AERIUS Calculator gebruikt dient te worden als rekenmodel voor de bepaling van de depositie en de vrijstelling van beweiden en bemesten welke in provinciale verordeningen is vastgelegd.

2.4 Wet stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De wet regelt dat er artikels worden toegevoegd aan de Wnb. In de toegevoegde artikels zijn de doelstellingen opgenomen met betrekking tot de reductie van de stikstofdepositie. Om de doelen te realiseren worden maatregelen genomen welke worden opgenomen in het programma stikstofreductie en natuurverbetering. Deze wet voorziet hierin. Daarnaast is de partiële vrijstelling van de Natura 2000vergunningplicht voor activiteiten in de bouwsector toegevoegd. Dit betekent onder andere dat de tijdelijke gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de Wnb-vergunning. Deze vrijstelling geldt alleen voor de aanlegfase, niet voor de gebruiksfase. Bouw-, sloop- en aanlegwerkzaamheden tijdens de aanlegfase hoeven daardoor niet meer beoordeeld te worden op het aspect stikstofdepositie.

Pagina 7 van 16

3. Uitgangspunten Om de stikstofdepositie als gevolg van zowel de aanleg- als de gebruiksfase in kaart te brengen is uitgegaan van de volgende uitgangspunten.

4.1 Aanlegfase De aanlegfase voorziet in tijdelijke sloop-, bouw- en/of aanlegwerkzaamheden. Conform artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming worden deze activiteiten in het kader van stikstofdepositie buiten beschouwing gelaten. Derhalve wordt in voorliggende voortoets niet meer ingegaan op de aanlegfase.

4.2 Gebruiksfase Met betrekking tot de gebruiksfase is in het kader van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden de verkeersgeneratie als gevolg van de nieuwe zorginstelling alsmede de stikstofuitstoot door stookinstallaties in de gebouwen relevant.

4.2.1 Zorginstelling De zorgappartementen met dagbesteding worden voorzien van een nieuwe oven, koeling, ventilatie en kooktoestellen. Deze gebruikstoestellen worden elektrisch aangevoerd. Hierdoor zal geen sprake zijn van stikstofemissies tijdens de gebruiksfase.

4.2.2 Stalemissies Op de zorgboerderij worden dieren gehouden welke zorgen voor emissies. Volgens informatie van de initiatiefnemer worden in de nieuwe situatie de volgende landbouwdieren gehouden. • 5 koeien; • 6 paarden/ezels; • 6 pony’s. Uit wordt gegaan dat er geen additionele technieken, emissie reducerende technieken en/of voer- en managementmaatregelen worden toegepast. De eigenaar van de zorgboerderij heeft aangegeven dat de landbouwdieren jaarrond buiten staan en dat bij extreem weer de koeien, paarden/ezels en pony’s in de gepotdekselde stal ten zuidoosten van de zorgboerderij worden gestald.

Pagina 8 van 16

Gepotdekselde stal waarin de paarden en koeien worden gestald bij extreem weer

Afbeelding 5: Ligging gepotdekselde stal

Afbeelding 6: Ingang/ventilatieopening stal

Pagina 9 van 16

4.2.3 Af- en aanrijdend verkeer De zorginstelling zal extra verkeer aantrekken. Conform informatie van de initiatiefnemer zal op een drukke dag maximaal 25 zorgvragers met 12 begeleiders aanwezig zijn op het perceel voor de dagbesteding en/of logeren. Op grond hiervan voorziet de zorginstelling op de drukste dag in maximaal 37 verkeersbewegingen per dag. In het voorliggende onderzoek wordt worstcase uitgegaan dat de zorginstelling elke dag 37 verkeersbewegingen genereerd. De verkeersbewegingen worden verdubbeld, gezien het verkeer heen en weer rijd. In het onderzoek is derhalve uitgegaan van 74 ritten per dag.

Pagina 10 van 16

4. Emissiebepaling 4.1 Gebruiksfase 4.1.1 Zorginstelling De zorgappartementen met dagbesteding worden voorzien van een nieuwe oven, koeling, ventilatie en kooktoestellen. Deze gebruikstoestellen worden elektrisch aangevoerd. Hierdoor zal geen sprake zijn van stikstofemissies tijdens de gebruiksfase. De zorgboerderij is derhalve niet opgenomen in de Calculator.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=8d7a4a9a-9d3f-4385-a500-3310c1547c4a