Bijlage 2 Bijlagen bij de toelichting bestemmingsplan ‘Goudriaan, Zuidzijde 125'
Tekst van het document
In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: laatvlieger, ruige dwergvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; verspreidingsatlas NDFF, 20102018). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende pannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Het gebouw vooraan het perceel bestaat uit enkele opstaande muren, waarvan de achterste muur ontbreekt. De nog bestaande muren zijn opgebouwd uit een gemetselde stenen muur, waarbij een spouwmuur aanwezig is. De buitenkant van de muur is bekleed met damwandplaten. Het dak geraamte is nog aanwezig, maar de verdere dakbeschot en dakbedekking is afwezig. Een spouwmuur zou voor vleermuizen mogelijk een geschikte rust- of verblijfplaats kunnen bieden.
Zo’n verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. Een geschikt macroklimaat is hier niet aanwezig. De damwandplaten zorgen ervoor dat weersomstandigheden veel invloed hebben op de ruimte tussen de muur en de platen. Zo koelt de ruimte snel af bij koudere weersomstandigheden en warmt het snel op als de zon erop schijnt. Daarnaast ligt de spouwmuur grotendeels open, doordat de muren aan de achterkant ontbreken (figuur 3). Dit zorgt ervoor dat er een tochtstroom in de spouwmuur ontstaat en dat de spouwmuur
5
niet geschikt is als vaste rust- en/of verblijfplaats door het ontbreken van een geschikt microklimaat.
Figuur 3
Een schets van de beoogde ontwikkelingen op de planlocatie.
Het gebouw achteraan het perceel is opgetrokken uit betonblokken, een spouwmuur en stootvoegen zijn hier afwezig. Tevens zijn er geen andere openingen aanwezig die leiden naar achterliggende wegkruipruimtes (c.q. ruimtes waar vleermuizen kunnen verblijven). Dit gebouw bezit geen potentiële vaste rust- en/of verblijfruimtes voor gebouw bewonende vleermuizen. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Hoewel het uit te sluiten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Ten gevolge van de beoogde ontwikkelingen worden deze niet aangetast. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones.
Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast of de werkzaamheden dienen tussen zonsopkomst en zonsondergang plaats te vinden. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De planlocatie is omringd door een sloot. In de omgeving is de aanwezigheid bekend van: ringslang, gewone pad, rugstreeppad, kleine watersalamander, kamsalamander, bastaardkikker en heikikker (Creemers & Van Delft, 2009; verspreidingsatlas NDFF 2010-2018). Voor de ringslang, rugstreeppad, kamsalamander en heikikker geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De overige soorten zijn niet beschermd onder de Wet natuurbescherming of daarvoor geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
6
Ringslangen jagen langs het water en zonnen op open, rustige plekken en is erg gevoelig voor verstoring. Op relatief vochtige plaatsen, zoals in bladhopen, mesthopen, vermolmde boomstobben en opgeworpen broeihopen, worden eieren gelegd. De slang overwinterd op droge plaatsen in holen, compost- en bladhopen, houtstapels, onder oude boomstammen en in dichte struiken. Ringslangen kunnen goed zwemmen en grote afstanden afleggen. Voor het broedbiotoop is het van belang dat er in geruime mate broeihopen van organisch materiaal aanwezig zijn. Grote oppervlaktes met laaggelegen gebieden worden gemeden aangezien de soort daar niet alle stadia van zijn levenscyclus kan doorlopen. In polders vormen met name de ontwikkeling van eieren en de overwintering een probleem (Ravon ringslang, 2018). De houtstapel op de planlocatie kan een mogelijke overwinteringsplaats zijn. Echter ontbreekt er aan functioneel leefgebied op de planlocatie. Op het perceel naast de planlocatie treedt veel menselijke verstoring op. Daarnaast zijn er weinig schuilmogelijkheden in de omgeving. De planlocatie en de omliggende percelen hebben een hoog kwaliteitsbeeld. Door de afwezigheid van functioneel leefgebied van de ringslang, wordt de aanwezigheid van de ringslag op de planlocatie niet verwacht.
De rugstreeppad (habitatrichtlijn) is een typische pionierssoort en een lastige soort ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Het optimale habitat bestaat uit een dynamische zandig gebied met een natuurlijk of door de mens veroorzaakt pionierskarakter (Creemers & Van Delft, 2009; kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Het voortplantingswater van de soort bestaat bij voorkeur uit tijdelijke ondiepe wateren zoals regenplassen (kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De planlocatie biedt thans voor de rugstreeppad geen relevant leefgebied. Er zijn geen geschikte overwinteringslocaties en/of voortplantingslocaties aanwezig. Tijdens de ontwikkeling kan wel geschikt leefgebied ontstaan. Derhalve wordt geadviseerd maatregelen te treffen om vestiging van de soort te voorkomen. De kamsalamander wordt waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen of struweel. Veelal wordt het gekenmerkt door kleinschaligheid in de directe omgeving van het voortplantingswater. Het voortplantingsbiotoop bestaat voornamelijk uit stilstaande matig tot voedselrijke wateren welke vis vrij zijn en waarbij een goed ontwikkelde onderwatervegetatie aanwezig moet zijn. De samenhang van geschikte land habitats en geschikte watersystemen zijn essentieel voor de geschiktheid van een gebied en de verspreiding van de soort.
De watergang rondom het plangebied bevat onderwatervegetatie, maar de aanwezigheid van vissen, zoals de roofblei, kolblei en verschillende soorten voornen zijn bekend. Dit maakt de watergang ongeschikt als voortplantingshabitat en de aanwezigheid van de kamsalamander wordt dan ook niet verwacht op de planlocatie. De heikikker is erg kritisch ten aanzien van zijn leefgebied. De drie habitattypen waar de soort gebruik van maakt dienen op zeer korte afstand tezamen voor te komen. Hierdoor wordt de heikikker vaak waargenomen in kleinschalige afwisselende landschappen welke worden gekenmerkt door schrale, ruige en vochtige omstandigheden. Watersystemen zijn ondiep, voedselarm en enigszins zuur, vaak betreffen dit vennen of moerasgebieden. Het landhabitat waar de heikikker gedurende de actieve periode aanwezig is dient ruig en te allen tijde vochtige te zijn. Veelal betreffen dit vochtige heidelandschappen of vochtig half-natuurlijke graslanden. Overwintering vindt veelal plaats in afgetrapte slootkanten of bosjes. De heikikker overwintert van oktober tot eind februari op vorstvrije plekken op het land buiten bereik van het grondwater (BIJ12 kennisdocument Heikikker, 2017). De heikikker overwintert (nagenoeg) niet in het water. Op de planlocatie zijn niet alle habitattypen aanwezig voor de heikikker.
De watergangen rondom de planlocatie (matig) voedselrijk en kunnen niet als voortplantingshabitat bieden, mede door de aanwezigheid van vis. Derhalve wordt de aanwezigheid van de heikikker op de planlocatie niet verwacht. Reptielen worden niet verwacht op de terreindelen waar de werkzaamheden plaatvinden, aangezien deze over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Rondom de planlocatie vindt met regelmaat verstoring plaats door menselijke activiteit. Eveneens in ter plaatse van de werkzaamheden geen geschikt habitat aanwezig. De werkzaamheden leiden derhalve niet tot afname van essentieel leefgebied of anderszins negatieve effecten op reptielen. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten.
7
Vissen In de omgeving is de aanwezigheid bekend van: brasem, kolblei, pos, grote modderkruiper, baars, ruisvoorn en zeelt (Creemers & Van Delft, 2009; verspreidingsatlas NDFF 2010-2018). Voor de grote modderkruiper geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De andere soorten zijn niet beschermd onder de Wet natuurbescherming. De grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren, zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders (BIJ12 kennisdocument Grote modderkruiper, 2017). De soort is vooral tijdens de schemering en ’s nachts actief. Overdag houdt de grote modderkruiper zich schuil in dichte vegetatie of in de modder. De aanwezige sloot rondom de planlocatie heeft op verschillende plaatsen een dichte vegetatie (figuur 4). In de beoogde ontwikkelingen zal er een deel van de sloot gedempt worden en zal op een andere plaats gecompenseerd worden door de realisatie van een nieuwe sloot. Door de realisatie van een nieuwe sloot wordt het functioneel leefgebied van de grote modderkruiper gecompenseerd met de te dempen sloot. Het is niet uit te sluiten dat er negatieve effecten optreden ten opzichte van de grote modderkruiper doordat de aanwezigheid bekend is in de omgeving.
Hiervoor zal eerst een aanvullend onderzoek plaats moeten vinden om de aan- of afwezigheid van de grote modderkruiper vast te stellen. Dit kan door middel van het verzamelen van environmetal DNA (eDNA). De methode (eDNA) is gebaseerd op het achterhalen van stukken DNA via feces, urine en huidcellen. Door het unieke oplossende vermogen van het water worden deze stukjes DNA verspreid over een groot oppervlak. Door watermonsters te verzamelen en te analyseren op de aanwezigheid van DNA kan het voorkomen van een doelsoort zoals de grote modderkruiper aangetoond worden. Het verzamelen van eDNA is het gehele jaar mogelijk. Mogelijk bestaat er een kans dat er geluids- en/of trillingseffecten optreden gedurende de werkzaamheden. Deze effecten kunnen bijvoorbeeld optreden bij eventuele heiwerkzaamheden en zijn over het algemeen van relatief korte duur. Tijdens deze werkzaamheden kunnen aanwezige vissen zich tijdelijk ophouden buiten de verstoringszone, waar ruim voldoende kwalitatief gelijkwaardig habitat aanwezig is. Bij de werkzaamheden om een gedeelte van de bestaande watergang te dempen, moet het water eerst vrij gewaard worden van vis. Dit om te blijven voldoen aan de algemene zorgplicht. Gedurende de overige werkzaamheden worden er geen effecten verwacht.
Figuur 4
8
De sloot rondom de planlocatie, wegens een koude periode dichtgevroren.
Insecten, libellen en andere ongewervelden In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: spreeuw, stadsduif, kauw, wilde eend, kleine mantelmeeuw, blauwe reiger en holenduif. De planlocatie heeft aannemelijk geen essentiële functie voor de waargenomen soorten. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Op de planlocatie zijn geen (grote, oude) bomen met horsten, holtes en/of oude nesten aanwezig van of die geschikt zouden kunnen zijn voor roofvogels en uilen. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als sperwer, ransuil en torenvalk kan uitgesloten worden. De voormalige garage biedt toegang voor soorten die gebruik maken van bebouwing zoals de kerkuil of steenuil.
Tijdens het veldbezoek is de bebouwing van binnenuit geïnspecteerd. Hierbij zijn geen sporen (o.a. veren, uitwerpselen, braakballen, prooiresten en krijtsporen) aangetroffen die duiden op de aanwezigheid dan wel functioneel gebruik van uilen of andere roofvogels. Het is derhalve uit te sluiten dat de bebouwing een essentiële betekenis heeft voor soorten die gebruik maken van bebouwing, zoals de steenuil en kerkuil. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig. Gedurende het veldbezoek is de huismus niet waargenomen. Het voorkomen van de huismus wordt niet verwacht door het ontbreken van habitatkenmerken. Zo zijn er geen jaarrond groene heggen en potentiële nestlocaties aanwezig door het ontbreken van de dakgoot en dakbedekking. Bovendien is de bebouwing ongeschikt door het ontbreken van kruipruimtes. Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ontwikkelingen leiden tot zeer beperkte aantasting van groene delen. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake.
De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Het ontbreken van de dakbedekking, en dus geen geschikte kruipruimtes, zorgt ervoor dat er geen invliegopeningen of potentiële nestlocaties aanwezig zijn. Daarnaast ligt de planlocatie in een landelijk gebied waarbij het voorkomen van de gierzwaluw vrij zeldzaam is. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen, bebouwing en agrarische percelen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.
Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
9
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 4,6 km ligt het Natura 2000-gebied de Zouweboezem (figuur 5). De planlocatie ligt op een afstand van circa 840 m ten oosten van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6). Op een afstand van circa 10 m ten zuiden van de planlocatie ligt een Belangrijk weidevogelgebied (figuur 7). Op een afstand van 8,5 km ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een Strategisch gereserveerd natuurgebied (figuur 8).
10
Figuur 5
De planlocatie (rood omcirkeld) ligt op een afstand van 4,6 km tot het Natura 2000-gebied Zouweboezem (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 6
De planlocatie (rood omcirkeld) ligt op een afstand van circa 840 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 7
De planlocatie (rood omkaderd) ligt op een afstand van circa 10 m tot het Belangrijk weidevogelgebied (bron: nationaal Georegister PDOK).
Figuur 8
De planlocatie (rood omcirkeld) ligt op een afstand van circa 8,5 km tot het dichtstbijzijnde Strategische reservering natuur (bron: nationaal Georegister PDOK).
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 15 woningen, wat leidt tot een beperkte verkeerstoename. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en beperkte toename in stikstofdepositie (projecteffect). In de toekomst zal in geval van nieuwbouw mogelijk sprake zijn van een relatief lage(re) uitstoot (hogere isolatiewaarden en een hoogrenderende stookinstallatie gezien deze aan de nieuwste bouweisen moeten voldoen). Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Echter leert de ervaring dat het projecteffect bij soortgelijke en grotere projecten en de afstand tot kwetsbare habitats, de stikstofdepositie onder de drempelwaarde van 0,05 mol/hectare blijft. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Op basis van de Europese vogel- en habitatrichtlijn geldt voor projecten en andere handelingen de verplichting om aan te tonen dat er geen significant effecten optreden als gevolg van stikstofdepositie. De algemene richtlijn hiervoor is dat voor ieder project of handeling, middels de
11
rekentool Aerius, een berekening gemaakt dient te worden om aan te tonen of er wel of geen sprake is van een meldings- of vergunning plichtige stikstofdepositie op omliggende Natura 2000gebieden met stikstofgevoelige habitats. Of er sprake kan zijn van overschrijding van de drempelwaarde is afhankelijk van een aantal factoren. Vaak betreft dit een combinatie van de kwetsbaarheid van een gebied, de terreinomstandigheden, ligging van het project en overheersende windrichting. Ondanks dat er geen effecten verwacht worden kan het, ten behoeve van een feitelijke rekenkundige onderbouwing, door het bevoegd gezag wenselijk worden geacht een Aerius berekening uit te voeren. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan melding- of vergunning plichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming.
Het kappen van bomen is niet melding- en/of vergunning plichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. Volgens de beoogde ontwikkelingen vinden er geen kapwerkzaamheden plaats. Mochten er toch kapwerkzaamheden op de planlocatie plaatshebben, vallen deze onder type b. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet melding- en/of vergunning plichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming.
Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
12
Conclusies Samenvatting In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen bebouwingen hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels, maar ook voor de grote modderkruiper en rugstreeppad. Voorafgaan aan de werkzaamheden aan en nabij watergang dient te worden vastgesteld of de grote modderkruiper gebruik maakt van de planlocatie. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort -
-
+/-
+/-
-
+/-
n
n
j1
+/-
-
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat andere soort
-
+/-
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek/ Aerius
Natura2000
4,6 km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
840 m
geen
n.v.t.
Belangrijk weidevogelgebied
10 m
geen
n.v.t.
Strategisch reservering natuur
8,5 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding/ vergunning
Struiken
nee
nee
n.v.t.
Bomen
Ja
nee
n.v.t.
n
+/-
broedvogels (j)
vissen
reptielen
amfibieën
vleermuizen
zoogdieren
- = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)
vaatplanten
Legenda
broedvogels (a)
Tabel 2 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap.
-
n
n
1. Verblijfplaatsen van eventueel aanwezige soorten (grote modderkruiper) zijn goed te compenseren. Het is dan ook de reële verwachting dat bevoegd gezag (provincie Zuid-Holland) bij het treffen van de juiste mitigerende en compenserende maatregelen ontheffing zal verlenen voor het verwijderen van verblijfplaatsen (indien deze aanwezig zijn).
Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden (met voorbehoud ten aanzien van de grote modderkruiper en de rugstreeppad) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de grote modderkruiper aanwezig is in de watergang rondom de planlocatie. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van rugstreeppad, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
13
Conclusie De ontwikkeling van woningen aan de Zuidzijde 125 te Goudriaan uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie, bodemmateriaal (takken, stronken) of andere hopen met puin gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). • Ten aanzien van de grote modderkruiper dient aanvullend onderzoek te worden verricht om de aan- dan wel afwezigheid van de soort uit te sluiten. Het onderzoek vindt plaats d.m.v. eDNA. Hierbij zullen er watersamples genomen worden. Het inventariseren d.m.v. eDNA kan het gehele jaar plaatsvinden.
• De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. • Gedurende de werkzaamheden dient het terrein ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen.
14
Literatuur Bang, P. & P. Dahlström, 2005. Tierspuren. Fährten, Fraβspuren, Losungen, Gewölle und andere. BLV Buchverlag GmbH & Co. KG, München. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Grote modderkruiper Misgurnus fossilis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden.
Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5 e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.pzh.b3p.nl/viewer/app/NNN www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdierenvereniging.nl
15
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen.
Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. C.J. Blom Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Ecologie rugstreeppad
© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46 - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
16
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Zuidzijde 125 te Goudriaan. Het betreft 2 gebouwen van een voormalige garage.
Figuur 2
Op de planlocatie zijn woning voorzien, het gehele terrein is braakliggend.
17
Figuur 3
Het gebouw aan de achterzijde van de planlocatie bestaat uit gemetselde betonblokken met een damwandplaten dak.
Figuur 4
Het gebouw aan de voorzijde van de planlocatie bestaat uit een gemetselde (spouw)muur, welke bekleed is met damwandplaten, met een dak geraamte. Enkele muren ontbreken net zoals de dakbedekking en dakbeschot
18
Bijlage 2
Ecologie rugstreeppad
Herkenning De rugstreeppad (Epidalea calamita) is een middelgrote pad met een lengte van circa 4,5 - 7 cm. De pad heeft vrij korte poten en heeft op de rug een karakteristieke lichtgele lengtestreep. Verder is de rug grijsbruin met groenige vlekken en heeft de buik lichtgrijze kleur met grijszwarte vlekken. De ogen zijn geelgroen met een horizontale pupil. Mannetjes zijn in de paartijd te onderscheiden van vrouwtjes door een paars/blauwe verkleuring van de keel. Gedurende het voortplantingsseizoen is tijdens de kooractiviteiten een typische en harde roep te horen die over een afstand van 1 - 3 km is waar te nemen (Creemers & Van Delft, 2009). De larven van rugstreeppad zijn maximaal 2,5 cm lang en zwart van kleur. Oudere larven hebben een lichte keelvlek en soms een streep over de rug (Diepenbeek & Creemers, 2006).
Gedrag De rugstreeppad is een typische pionierssoort die opportunistisch profiteert van tijdelijke gunstige omstandigheden. Veranderingen in weersomstandigheden als vocht en temperatuur vormen in sterke mate een trigger voor migratie, voortplanting en dergelijke. Onderstaande periodes zijn dan ook indicatief. Bij het koloniseren van nieuwe gebieden kunnen jonge rugstreeppadden afstanden tot wel 5 km afleggen (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). De overwintering vindt plaats van oktober/november tot en met maart. De eerste dieren kunnen vanaf begin maart de overwinteringslocatie verlaten om vervolgens al dan niet direct door te trekken naar de voortplantingslocaties. Mannetjes komen hier doorgaans eerder aan dan de vrouwtjes (Creemers & Van Delft, 2009). De voortplanting vindt plaats in de periode april september met een hoogtepunt rond half april - mei. Het vaststellen van afwezigheid van rugstreeppadden kan middels drie gerichte (avond)veldbezoeken in de periode 15 april – juli (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017). Habitat en verblijfplaatsen Het geprefereerde habitat van de rugstreeppad bestaat uit een dynamisch milieu met vergraafbaar zand of fijne grond. De verblijfplaatsen van de soort kunnen worden onderverdeeld in voortplantings-, zomer- en overwinteringshabitat.
Het voortplantingshabitat is aquatisch en na de voortplanting zijn rugstreeppadden hoofdzakelijk op het land te vinden. Het functionele leefgebied bestaat ook uit het gebied tussen deze habitats (migratieroutes). De eitjes worden afgezet in veelal tijdelijke, ondiepe en vegetatie loze wateren, waar weinig sprake is van concurrentie of predatie. Voorbeelden hiervan zijn greppels, rijsporen, regenplassen en geschoonde sloten. De zomer en- en winterlocaties bevinden zich op het land in hoogwatervrije terreinen. Voor de overwintering gebruikt de rugstreeppad bestaande (muizen)holletjes, graaft deze zich in of kruipt de rugstreeppad onder materialen als: stenen, boomstammen, banden en houtstapels. Voorwaarde voor het winterhabitat is dat deze locaties vorstvrij moeten zijn. Populatieomvang Rugstreeppadden verspreiden zich in diverse richtingen waardoor de minimale populatie omvangen en bijbehorend oppervlakte voor de gunstige staat van instandhouding locatie specifiek is. Als vuistregel wordt gehanteerd dat een populatie minimaal uit 50 - 200 dieren bestaat en in verbinding staat met andere populaties (RVO, 2011).
19
Bijlagen bij toelichting
bestemmingsplan “Goudriaan, Zuidzijde 125” Bijlage 3 - Notitie grote modderkruiper
Notitie MEERKERK BOUWPROJECTEN B.V.
T.a.v. dhr. A.A. Meerkerk Abbekesdoel 8 2971 VA Bleskensgraaf
Datum
8 augustus 2019
Kenmerk
BE/2018/663/n
Onderwerp
eDNA onderzoek Grote modderkruiper aan de Zuidzijde 125 te Goudriaan
Auteur(s)
K.J. Rebergen
Collegiale toets
C.J. Blom
Op het perceel aan de Zuidzijde 125 te Goudriaan is een voormalig autobedrijf gesitueerd. Meerkerk Bouwprojecten B.V. is voornemens de bestaande bebouwing te saneren en woningen te ontwikkelen op de locatie. In het kader van de ontwikkeling wordt bij de ontwikkeling tevens een watergang gedempt en een nieuwe watergang gerealiseerd. De aanwezigheid van grote modderkruiper kon niet worden uitgesloten tijdens het veldbezoek. Door het dempen van de sloot, kunnen er mogelijk negatieve effecten (sterfte, afname leefgebied en verstoring) ten aanzien van grote modderkruiper optreden. De grote modderkruiper heeft een wettelijke beschermde status onder de Wet natuurbescherming (§ 3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn). Ingrepen in het leefgebied zijn niet zonder meer toegestaan. Meerkerk Bouwprojecten B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht om de aan- dan wel afwezigheid van grote modderkruiper op het plangebied aan te tonen.
Figuur 1
De planlocatie (rood kader) is gelegen naast de Zuidzijde 125 te Goudriaan. De oranje gearceerde sloten zullen gedempt worden (bron kaart: google.com/maps).
Figuur 2
De situatieschets. In de beoogde ontwikkeling zal een sloot gedempt worden en een nieuwe sloot afgraven.
Figuur 3
De aanwezigheid van grote modderkruiper in de kavelsloten kan niet uitgesloten worden.
Figuur 4
De grote kavelsloot aan de zuidzijde van het plangebied is minder geschikt als functioneel leefgebied voor de grote modderkruiper. Echter is de sloot met het eDNA als extra controle meegenomen in de analyse.
Environmental DNA (eDNA) Alle dieren laten middels urine, uitwerpselen, huidcellen, haar of geslachtscellen hun DNA achter in de omgeving waarin ze leven. Dit DNA kan worden geëxtraheerd uit milieumonsters zoals bodem, water, uitwerpselen, etc. Op basis van deze DNA sporen kunnen soorten worden gedetecteerd. De environmental DNA methode (afkorting: eDNA methode) is een relatief nieuwe benadering om de verspreiding van soorten te inventariseren, ongeacht levensstadium of geslacht.
2
Methode eDNA kan worden aangetoond in bodem-, feces- of watermonsters. Afhankelijk van de grootte van het plangebied en de grootte van het aanwezige functioneel leefgebied. De monsters dienen altijd ten minste in duplo genomen te worden. Bij het nemen van de monsters is het belangrijk dat er steriel wordt gewerkt, om besmetting van de monsters te voorkomen. De monsters worden vervolgens verstuurd naar een deskundig laboratorium, waar het DNA van de doelsoort wordt geïsoleerd en vermenigvuldigd. Middels deze methode (qPCR, oftewel kwantitatieve PCR) kan de aanwezig- dan wel afwezigheid binnen het plangebied worden aangetoond. Deze methode is gebaseerd op het achterhalen van stukken DNA via feces, urine en huidcellen. Door het unieke oplossende vermogen van water worden deze stukjes DNA verspreid over een groot oppervlak. Door watermonsters te verzamelen en te analyseren op de aanwezigheid van DNA kan het voorkomen van een doelsoort zoals de grote modderkruiper worden aangetoond. Op 18 juni 2019 is het veldbezoek betreft het verzamelen van mogelijk eDNA uitgevoerd. Hierbij zijn trajecten van ca. 50 m gelopen, waarbij elke 2,5 meter een subsample werd genomen. In totaal zijn 3 van zulke trajecten uitgevoerd (zie figuur 2).
Figuur 5
De 3 onderzochte trajecten op eDNA grote modderkruiper
De samples zijn vervolgens door Datura; molecule solutions in ecology (zie bijlage voor rapportage) geanalyseerd. Resultaat gaf aan dat in geen van de samples sporen van eDNA aangetroffen. Intepretatie en conclusie De resultaten van de eDNA tonen aan dat de grote modderkruiper in geen van de watergangen binnen het plangebied en in de directe omgeving voorkomen. De watergangen leken in eerste instantie geschikt voor deze soort. De afwezigheid van eDNA van grote modderkruiper binnen het oppervlakte water kan verschillende oorzaken hebben: (i) De grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren zoals sloten, vennen, plassen en oude afgesneden meanders. De sloot aan de zuidzijde bevat een zichtbaar zeer sterke stroming. Hierdoor is het lastig voor de soort om in de aanliggende kavelsloten te raken. (ii) In de omgeving zijn veel van dergelijke, op het oog geschikte, kavelsloten aanwezig met een geschikt leefgebied voor adulte dieren een overwinteringshabitat met dikke modderlaag en een paai- en opgroeihabitat. Dit kan betekenen er voldoende functioneel
3
leefgebied voor de soort aanwezig is. Gezien het aantal waarnemingen van deze soort in de omgeving is er (alhoewel de blokken niet volledig, vlakdekkend onderzocht zijn, kan het voorkomen dat er slechts een kleine populatie grote modderkruiper in de omgeving voorkomt. Door de aanwezigheid van grote delen functioneel leefgebied, is het voor de soort onnodig om uit te wijken en nieuwe gebieden te koloniseren. Het dempen van delen van de sloot aan de ZuidZijde 125 te Goudriaan leidt momenteel niet tot het ongeschikt raken van functioneel leefgebied van de grote modderkruiper, gezien deze soort niet voorkomt binnen het plangebied en in de directe omgeving. Negatieve effecten ten aanzien van de grote modderkruiper zijn uitgesloten.. De beoogde ontwikkelingen leiden derhalve niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming.
Wij hopen u met deze notitie voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., K.J. Rebergen
Bijlage 1
Rapportage analyse eDNA grote modderkruiper door Datura
ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
4
Bijlagen bij toelichting
bestemmingsplan “Goudriaan, Zuidzijde 125” Bijlage 4 - Verkennend (water)bodemonderzoek en verkennend asbest-ingrondonderzoek
BK Ingenieurs B.V. Daltonstraat 30D Postbus 3064 3301 DB Dordrecht
Verkennend (water)bodemonderzoek en verkennend asbest-in-grondonderzoek Zuidzijde 125 te Goudriaan
088 321 25 10 info@bkingenieurs.nl www.bkingenieurs.nl BANK NL12ABNA0580551261 KVK 34082755 BTW NL801876497B01 Gecertificeerd volgens ISO 9001
IJmuiden en Udenhout
Opdrachtgever:
Meerkerk Bouwprojecten de heer A. Meerkerk Abbekesdoel 8 2971 VA Bleskensgraaf
Projectnummer:
183317
Versienummer:
1.0
Plaats, datum:
Dordrecht, 21 november 2018
Auteur:
ing. W.R. van Wolferen
Paraaf:
Controleur:
ing. K. Feenstra
Paraaf:
BK ingenieurs pagina 2 van 19
Inhoudsopgave
pagina
1
Inleiding ............................................................................................................................................................................................................ 3 1.1 Indeling van de rapportage............................................................................................................................................................ 4 2 Vooronderzoek .............................................................................................................................................................................................. 5 2.1 Historische en actuele gegevens van de onderzoekslocatie............................................................................................ 5 2.2 Voorgaand bodemonderzoek ....................................................................................................................................................... 6 2.3 Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit ................................................................................................................. 7 2.4 Regionale bodemopbouw en geohydrologie ........................................................................................................................
7 2.5 Onderzoekshypothese en -strategie .......................................................................................................................................... 7 2.5.1 Verkennend bodemonderzoek ................................................................................................................................................ 7 2.5.2 Verkennend asbest-in-grondonderzoek ............................................................................................................................. 8 2.5.3 Waterbodemonderzoek ............................................................................................................................................................. 8 3 Uitgevoerd bodemonderzoek ................................................................................................................................................................. 9 3.1 Uitgevoerd onderzoeksprogramma ........................................................................................................................................... 9 3.1.1 Bodemonderzoek ..........................................................................................................................................................................
9 3.1.2 Asbestonderzoek ........................................................................................................................................................................... 9 3.1.3 Waterbodemonderzoek .......................................................................................................................................................... 10 4 Resultaten ......................................................................................................................................................................................................11 4.1 Ondiepe bodemopbouw en/of zintuiglijke waarnemingen .......................................................................................... 11 4.2 Normering .......................................................................................................................................................................................... 12 4.3 Samenvatting toetsingsresultaten ............................................................................................................................................ 13 4.4 Interpretatie van de analyseresultaten bodemonderzoek .............................................................................................
17 4.5 Interpretatie asbestonderzoek ................................................................................................................................................... 17 4.6 Interpretatie waterbodemonderzoek ...................................................................................................................................... 17 5 Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................................................................................18 5.1 Conclusies ........................................................................................................................................................................................... 18 5.2 Vervolg en aanbevelingen ........................................................................................................................................................... 18
Bijlagen 1
Tekeningen 1.1 Topografische ligging 1.2 Overzichtstekening 1.3 Kadastrale kaart 1.4 Locatiefoto’s 2 Boorprofielen 3 Analyserapporten 3.1 Analyserapport grond 3.2 Analyserapport grondwater 3.3 Analyserapporten asbestanalyses 3.4 Analyserapport waterbodemanalyses 4 Getoetste analyseresultaten en toetsingstabellen 4.1 Getoetste analyseresultaten en toetsingstabellen grond 4.2 Getoetste analyseresultaten en toetsingstabel grondwater 4.3 Getoetste analyseresultaten en toetsingstabel waterbodem 5 Toetsingskader waterbodem 6 Omgevingsrapportage 7 Verklarende woordenlijst 8 Verklaring onafhankelijkheid conform eisen Bbk en BRL SIKB 2000
Zuidzijde 125 te Goudriaan Verkennend (water)bodemonderzoek en verkennend asbest-in-grondonderzoek | 183317 | 21 november 2018
BK ingenieurs pagina 3 van 19
1
Inleiding
In opdracht van Meerkerk Bouwprojecten heeft BK Ingenieurs B.V. (BK ingenieurs) in oktober 2018 een verkennend (water)bodemonderzoek en een verkennend asbest-in-grondonderzoek uitgevoerd op de locatie Zuidzijde 125 te Goudriaan. De aanleiding van het onderzoek is de voorgenomen locatie-ontwikkeling (en aanvraag Omgevingsvergunning). Aangezien bij het voorgaande bodemonderzoek (in 2010) bijmengingen met puin in de grond zijn aangetroffen, zal tevens een verkennend asbest-in-grondonderzoek worden uitgevoerd. Met betrekking tot een te dempen sloot zal het aanwezige slib worden onderzocht. Het doel van het verkennend (water)bodemonderzoek is het vaststellen van de huidige milieuhygiënische (water)bodemkwaliteit op de locatie. Het doel van het verkennend asbest-in-grondonderzoek is om met een relatief geringe onderzoeksinspanning na te gaan of sprake is van met asbest verontreinigde grond. Erkenning Conform het Besluit bodemkwaliteit (hoofdstuk 2) is erkenning verplicht voor personen of bedrijven die (kritische) werkzaamheden met verontreinigde grond en/of baggerspecie uitvoeren en begeleiden. De erkenning voor deze werkzaamheden wordt verleend aan een persoon of instelling door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. BK Ingenieurs B.V.
is voor de BRL SIKB 2000 ‘Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek’ in het bezit van het procescertificaat met nummer VB-075 afgegeven door SGS INTRON Certificatie B.V. Voor het uitvoeren van (het milieuhygiënisch veldwerk bij) bodemonderzoek beschikt BK Ingenieurs B.V. over erkenning afgegeven door de afdeling Bodem+ van de directie RWS Leefomgeving. Deze erkenning is van toepassing op de BRL SIKB 2000 protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018. BK Ingenieurs B.V. beschikt over personeel dat geregistreerd staat onder deze erkenning. Onafhankelijkheid In deze context verklaart BK dat hij tot de opdrachtgever in geen andere relatie staat dan die van opdrachtnemer opdrachtgever. In bijlage 8 verklaren de veldwerkers, betrokken bij de uitvoering van het bodemonderzoek op de locatie, dat alle kritische functies onafhankelijk van de opdrachtgever zijn uitgevoerd conform de eisen van de BRL SIKB 2000 en de daarbij horende protocollen. Uitgangspunten van het bodemonderzoek Hieronder zijn de uitgangspunten van het onderzoek genoemd. • Het vooronderzoek voldoet aan de Nederlandse Norm 5725 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek” (NEN 5725 uit 2017) en de Nederlandse norm 5717 "Bodem waterbodem- strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek" (NEN 5717 uit 2009).
• Het bodemonderzoek voldoet aan de Nederlandse Norm “Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond” (NEN 5740+A1 uit 2016). • Het verkennend onderzoek asbest in grond voldoet aan de Nederlandse norm “Bodem – Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond” (NEN 5707+C2 uit 2017). • Het verkennend onderzoek asbest in puin voldoet aan de Nederlandse norm “Inspectie en monsterneming van asbest in bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat” (NEN 5897+C2 uit 2017). • Het waterbodemonderzoek voldoet aan de Nederlandse Norm “Bodem - Waterbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van waterbodem en baggerspecie” (NEN 5720 uit 2017). • Het onderzoek moet, voor zover mogelijk of noodzakelijk, een relatie leggen tussen de oorzaken/bronnen en de geconstateerde verontreiniging aan de hand van de historische en actuele gegevens.
Zuidzijde 125 te Goudriaan Verkennend (water)bodemonderzoek en verkennend asbest-in-grondonderzoek | 183317 | 21 november 2018
BK ingenieurs pagina 4 van 19
•
• • •
1.1
Het (water)bodemonderzoek, het veldwerk en rapportage zijn onafhankelijk van de opdrachtgever uitgevoerd conform de eisen van de BRL SIKB 2000 - veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek en de bijbehorende protocollen 2001, 2002, 2003 en 2018. De bemonstering van de puinlagen valt niet onder deze BRL en de protocollen. De boorprofielen zijn beschreven conform de NEN 5104 en alleen van toepassing op bodemonderzoek. De zintuiglijke waarnemingen tijdens de uitvoering van het veldwerk zijn vermeld conform NEN 5706. De tekening in bijlage 1.2 is alleen geschikt voor maatvoering van (water)bodemonderzoek. De analyses zijn uitgevoerd door de laboratoria van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam en de laboratoria van Kiwa Inspection & Testing te Rotterdam, die geregistreerd staan in het RvA-register. De voorbehandeling voor de grond- en grondwatermonsters is conform AS3000 uitgevoerd.
Indeling van de rapportage
Het bodemonderzoek bestaat uit vijf hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het vooronderzoek beschreven. Het uitgevoerde onderzoek wordt beschreven in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 behandelt de resultaten van het veldwerk, de analyses en de toetsing aan de normering. De conclusies en aanbevelingen van het onderzoek worden weergegeven in hoofdstuk 5.
Zuidzijde 125 te Goudriaan Verkennend (water)bodemonderzoek en verkennend asbest-in-grondonderzoek | 183317 | 21 november 2018
BK ingenieurs pagina 5 van 19
2
Vooronderzoek
Het vooronderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van het opstellen van een hypothese over de milieuhygiënische bodemkwaliteit ten behoeve van het uit te voeren bodemonderzoek. De gegevens van het vooronderzoek zijn verkregen door informatie van een voorgaand bodemonderzoek uit 2010 en van Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (OZHZ, contactpersoon de heer C.E. Hoek). Daarnaast zijn gegevens geïnterpreteerd van www.bodemloket.nl, Cyclomedia, www.topotijdreis.nl, topografische- en geohydrologische kaarten en Bodemkwaliteitskaart van de regio Zuid-Holland Zuid. Tevens is een terreinverkenning uitgevoerd.
2.1
Historische en actuele gegevens van de onderzoekslocatie
De algemene gegevens van de onderzoekslocatie staan vermeld in tabel 1. De topografische ligging van de locatie is weergegeven in bijlage 1.1. Een overzichtstekening van de onderzoekslocatie is opgenomen in bijlage 1.2. Een kadastrale kaart is opgenomen als bijlage 1.3. In bijlage 1.4 is een foto-overzicht van de locatie opgenomen. tabel 1: gegevens onderzoekslocatie Adres
Zuidzijde 125 te Goudriaan
Kadastrale aanduiding
gemeente Goudriaan, sectie D, nummers 81 en 552 (ged.)
Oppervlakte
Circa 6.800 m2
Afbakening geografisch gebied (onderzoekslocatie)
de afbakening van de onderzoekslocatie staat aangegeven op de situatietekening in bijlage 1.2. In het verticale vlak wordt de actuele contactzone (tot 0,5 m -mv) en de ondergrond (tot 2,0 m -mv) beschouwd. Deze grens is voldoende om een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de locatie te verkrijgen.
In tabel 2 staan de historische, huidige en toekomstige gegevens over de locatie vermeld. tabel 2: historische, huidige en toekomstige bodemgebruik onderzoekslocatie Historisch Gebruik locatie
De locatie was tot eind jaren ‘90 in gebruik als tankstation (straatzijde). Daarnaast is tot enkele jaren geleden sprake geweest van een onderhoudswerkplaats voor auto’s. Voorheen had het terrein een agrarische bestemming. Voormalige bodembedreigende Tankstation en onderhoudswerkplaats voor auto’s aan straatzijde, met boven- en/of onactiviteiten dergrondse brandstoftanks. Wasplaats direct ten westen van de voormalige showroom. Huidig Terreinverkenning
Gebruik locatie Bebouwing
Terreinverharding Bodembedreigende activiteiten Asbest aanwezig geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig Watertype en oevertype Sedimentatie en erosie Kribben, infrastructurele werken en kunstwerken
De terreinverkenning is, voorafgaand aan het veldwerk, op 29 oktober 2018 uitgevoerd door de heer A. van Wijnen. De situatie komt grotendeels overeen met wat op basis van het vooronderzoek werd verwacht. Wel is op het oostelijke deel van de onderzoekslocatie, naast een voormalige kippenschuur (inmiddels gesloopt) een puinpad aanwezig. De locatie is momenteel niet in gebruik. De locatie is bebouwd met een voormalige garage en een voormalige showroom. Een deel van de bebouwing is in het verleden gesloopt (kippenschuur in 2017 en woning met achterliggende schuur in 2009). Het maaiveld is grotendeels onverhard. Een deel is verhard met puin (puinpad), beton en klinkers. Niet meer aanwezig. Mogelijk aanwezig, In een voorgaand verkennend bodemonderzoek zijn in de grond bijmengingen met puin aangetroffen. Geen kadastrale registratie. Lijnvormig; oever betreft gras Gemiddeld Geen
Toekomstig Gebruik locatie Bodembedreigende activiteiten
Wonen Geen
Zuidzijde 125 te Goudriaan Verkennend (water)bodemonderzoek en verkennend asbest-in-grondonderzoek | 183317 | 21 november 2018
BK ingenieurs pagina 6 van 19
In 1999/2000 heeft een bodemsanering aan de straatzijde van de locatie plaatsgevonden van een olie/aromatenverontreiniging, die ontstaan was door lekkages of morsingen ten tijde van de aanwezigheid van het tankstation. In 2001 heeft Provincie Zuid-Holland ingestemd met het evaluatierapport van de sanering.
2.2
Voorgaand bodemonderzoek
Op de locatie zijn van 1993 tot 1997 meerdere bodemonderzoeken verricht door IGN B.V. Naar aanleiding hiervan heeft in 1999/2000 op de locatie een bodemsanering plaatsgevonden. Verder is in januari 2010 op de locatie een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De gegevens zijn opgenomen in tabel 3. tabel 3: bodemonderzoek onderzoekslocatie Adres
Onderzoek (soort, kenmerk, datum, bureau)
Bijzonderheden/conclusie
Bodemonderzoek op de onderzoekslocatie Zuidzijde 125 te Goudriaan
Meerdere bodemonderzoeken, saneringsplannen en saneringsevaluaties, IGN B.V./Fugro Ecolyse B.V., 1993-2001
In de jaren ’90 zijn door IGN B.V. meerdere bodemonderzoeken op de locatie verricht, waarbij een verontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten ter plaatse van het voormalige tankstation aan de straatzijde is aangetoond. In 1997 is door IGN B.V. een saneringsplan opgesteld en onder begeleiding van Fugro Ecolyse B.V. is in 1999 en 2000 een bodemsanering uitgevoerd op dit terreindeel, waarbij de verontreiniging volledig verwijderd is. Aanvulling heeft plaatsgevonden met schone grond (zand). Er is geen restverontreiniging achtergebleven. In 2001 heeft de provincie Zuid-Holland ingestemd met het evaluatierapport van de sanering.
Verkennend bodemonderzoek, BM/15202-09, januari 2010, Bakker Milieuadviezen Waalwijk
Op de onderzoekslocatie is een autogarage met een showroom aanwezig geweest. Aan de straatzijde bevond zich een tankstation en op het middenterrein een wasplaats, direct ten westen van de voormalige showroom. Het bodemprofiel bestaat over het algemeen uit klei. Plaatselijk is zand in de boven- en/of ondergrond aangetroffen. Ter plaatse van het gesaneerde terreindeel, aan de straatzijde, bestaat het bodemprofiel tot de geboorde einddiepte van 2,1 m -mv uit zand. In de bovengrond zijn tot een diepte van 1,0 m -mv bijmengingen met puin en/of kolen waargenomen. Op het oostelijke terreindeel bevond zich onder de klinkerbestrating een harde puinlaag. In de bovengrond van het westelijke deel van de locatie zijn licht verhoogde gehaltes voor lood, kobalt, koper, kwik, zink en PAK aangetoond. De bovengrond op het oostelijke deel bevat een licht verhoogd gehalte kwik. In de kleiige ondergrond zijn licht verhoogde gehaltes voor barium, kwik en lood vastgesteld. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties voor barium, koper, molybdeen, nikkel en zink gemeten. Ter plaatse van de voormalige wasplaats zijn geen verhoogde concentraties voor minerale olie of vluchtige aromaten aangetoond in de grond of het grondwater.
Ter plaatse van de voormalige autoherstelwerkplaats, direct ten zuiden van het gesaneerde terreindeel, is in de ondergrond een zwakke tot matige olie-waterreactie waargenomen. Uit analyse is gebleken dat hier licht verhoogde gehaltes voor minerale olie zijn vastgesteld. In de grond en het grondwater ter plaatse van het gesaneerde terreindeel zijn geen verhoogde concentraties voor minerale olie en aromaten aangetoond. Het bevoegd gezag heeft geconcludeerd dat er geen bezwaar bestaat om de bouwvergunning te verlenen.
Zuidzijde 125 te Goudriaan Verkennend (water)bodemonderzoek en verkennend asbest-in-grondonderzoek | 183317 | 21 november 2018
BK ingenieurs pagina 7 van 19
2.3
Verwachting ten aanzien van de bodemkwaliteit
Volgens de Bodemkwaliteitskaart (BKK) opgesteld door Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid is de locatie gelegen in bodemfunctieklasse “Wonen”. Op de ontgravingskaart van de boven- en ondergrond is de locatie gelegen in een gebied met kwaliteitsklasse “Industrie Heterogeen”. Op de toepassingskaart is de locatie gelegen in zone “Wonen” (boven- en ondergrond). Er is geen waterbodem kwaliteitskaart bekend van de locatie. De locatie bevindt zich in zone 1 van de PFOA-contour volgens de Herziene handreiking toepassing van PFOAhoudende grond Zuid-Holland Zuid, van 13 juni 2018.