Bijlage 2 Bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 7a-8’
Tekst van het document
Toelichting bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 7a-8’
Toelichting bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 7a-8’
Identificatie NL.IMRO.1978.BPabbekesdoel7aBKG-VG01 Datum 24-10-2023 Planstatus Vastgesteld
2
Inhoud 1.
2
3
4
Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1
Inleiding ..................................................................................................... 5
1.2
Kader .......................................................................................................... 7
1.3
Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 8
1.4
Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 9
1.5
Economische uitvoerbaarheid ..................................................................... 9
1.6
Communicatie .......................................................................................... 10
1.7
Realisatie .................................................................................................. 10
1.8
Leeswijzer................................................................................................. 10
Planbeschrijving .................................................................................................................... 11 2.1
Bestaande situatie ..................................................................................... 11
2.2
Nieuwe situatie ......................................................................................... 13
Beleidskader............................................................................................................................ 20 3.1
Rijksbeleid ................................................................................................ 20
3.2
Provinciaal beleid ...................................................................................... 23
3.3
Regionaal beleid ....................................................................................... 29
3.4
Gemeentelijk beleid .................................................................................. 30
3.5
Conclusie .................................................................................................. 32
Sectorale aspecten ................................................................................................................ 33 4.1
Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 33
4.2
Watertoets ................................................................................................ 35
4.3
Geluid ....................................................................................................... 42
4.4
Luchtkwaliteit ........................................................................................... 44
4.5
Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 46
4.6
Externe veiligheid ..................................................................................... 50
4.7
Kabels en leidingen................................................................................... 52
4.8
Ecologie .................................................................................................... 53
4.9
Stikstofdepositie ....................................................................................... 54
4.10 Bodem ...................................................................................................... 56 4.11 Archeologie .............................................................................................. 58 4.12 Duurzaamheid & klimaatverandering ........................................................ 63 5
Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 64 5.1
Inleiding ................................................................................................... 64
5.2
Systematiek van de regels ......................................................................... 64
5.3
Bestemmingen .......................................................................................... 64 3
5.4
Aanduidingen ........................................................................................... 65
Bijlage Omschrijving 1 Situatietekening 2 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai 3 Quickscan Wet natuurbescherming 4 Voortoets stikstofdepositie 5 Verkennend bodemonderzoek en asbest-in-grond onderzoek 6 Archeologisch onderzoek 7 Nota Zienswijzen
Auteur Architektenburo Bikker Adromi B.V.
Referentie 1532 S202146
Datum 24-01-2023 18-03-2022
Blom Ecologie B.V.
2022-0541
17-05-2022
Van den Heuvel Milieuadvies Adromi B.V.
18089
11-10-2022
B202131
13-05-2022
ADC ArcheoProjecten
5721
14-12-2022
Gemeente Molenlanden
-
23-08-2023
4
1.
Inleiding
1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding Op de percelen Abbekesdoel 7a-8 te Bleskensgraaf zijn een bedrijfslocatie (milieucategorie 2.0) en een agrarische bedrijfslocatie (melkveehouderij) gelegen. Er vinden geen volwaardige (agrarische) bedrijfsmatige activiteiten meer plaats en deze zullen geheel worden beëindigd in de nabije toekomst. De bedrijfsmatige functie zal dus verloren gaan en de opstallen leeg komen te staan. Daarnaast is er in Bleskensgraaf sprake van een concrete woningbehoefte. In het dorp hebben lange tijd, mede vanwege de beperkte beschikbare bouwgrond, geen woningbouwontwikkelingen plaatsgevonden. Om in te spelen op de concrete woningbehoefte is de gemeente Molenlanden op zoek naar geschikte woningbouwlocaties. Het onderhavige plangebied is door het beëindigen van de bedrijfsmatige activiteiten (toekomstige leegstand) en de ligging in het cultuurhistorische lint aan de rand van de kern van Bleskensgraaf als geschikte woningbouwlocatie aangewezen. Het plan is om alle voormalige bedrijfsbebouwing op nr. 8 zowel voor als achter de wetering te slopen en de gronden voor de wetering te herontwikkelen naar een woonlocatie. De bebouwing op nr. 7a blijft behouden (juridisch-planologische wijziging). Het doel is een gedifferentieerd woningaanbod te creëren middels 18 wooneenheden (zie paragraaf 2.2).
Het voornemen is een boerenerf te creëren passend in de omgeving, aangevuld met passende volumes langs het cultuurhistorische lint. Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ uit 2012 en de herzieningen hierop (‘Herziening Dorpskernen Graafstroom’ uit 2015). Op gronden met de enkelbestemming ‘Bedrijf’ & ‘Agrarisch’ is het realiseren van burgerwoningen niet toegestaan. Op 3 april 2019 is een principeverzoek ingediend bij de gemeente Molenlanden ten behoeve van het onderhavige plan. Op 15 juni 2021 heeft het college van de gemeente besloten in principe medewerking te verlenen aan het plan middels een bestemmingsplanprocedure. 1.1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen langs het cultuurhistorische lint het Abbekesdoel, met ten noorden de Graafstroom (zie afbeelding 1). Ten oosten is de kern van Bleskensgraaf gelegen en richting het westen loopt het cultuurhistorische lint verder door. Ten zuiden is het open polderlandschap gelegen. Het plangebied wordt ingeklemd tussen reeds aanwezige woonpercelen. Kadastraal bestaat het plangebied uit de volgende percelen: BKG00 – E – 605, 606, 958, 971 en 972.
5
Afbeelding 1: Uitsnede luchtfoto plangebied (indicatief)
1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan ruimtelijke ontwikkelingen wanneer er sprake is van een aangetoonde verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de individuele, bedrijfs-, maatschappelijke en overige belangen in de directe omgeving niet nadelig worden beïnvloed. Inspelen op de woningbehoefte in Bleskensgraaf In het dorp Bleskensgraaf is er sprake van een concrete woningbehoefte. In het dorp hebben lange tijd, mede vanwege de beperkte beschikbare bouwgrond, geen woningbouwontwikkelingen plaatsgevonden. Om in te spelen op de concrete woningbehoefte is de gemeente Molenlanden op zoek naar geschikte woningbouwlocaties. Het onderhavige plangebied is door het beëindigen van de bedrijfsmatige activiteiten (toekomstige leegstand) en de ligging in het cultuurhistorische lint aan de rand van de kern van Bleskensgraaf als geschikte woningbouwlocatie aangewezen. Middels het onderhavige plan kan daarom worden ingespeeld op de concrete woningbehoefte en kan een welkom gedifferentieerd woningaanbod worden gecreëerd in het dorp. Nieuwe functie voormalige (agrarische) bedrijfslocaties en borging van de ruimtelijke kwaliteit De voormalige (agrarische) bedrijfslocaties langs het cultuurhistorische lint ter plaatse beëindigen de bedrijfsactiviteiten. Hierdoor ontstaat leegstand en een onwenselijke planologische situatie.
In de toekomst kan daarmee verpaupering optreden op de locatie. Middels het onderhavige plan wordt dit alles voorkomen en wordt een passende nieuwe invulling gegeven aan deze vrijkomende locatie. Het plan voorziet daarom tevens aan een verbetering en het behoud van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. 6
Verbetering van het woon- en leefklimaat Door het verwijderen van de (agrarische) bedrijfslocaties, zullen bedrijfsmatige activiteiten en de zware verkeersbewegingen hierbij verdwijnen. Volwaardige (agrarische) bedrijfsactiviteiten worden in de toekomst uitgesloten. Het woon- en leefklimaat ter plaatse en langs het cultuurhistorische lint wordt daarom verbeterd.
1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ (vastgesteld op 13 februari 2012) (zie afbeelding 2). Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Agrarisch; • Bedrijf; • Water.
Afbeelding 2: Uitsnede vigerende bestemmingsplankaart (plangebied indicatief)
De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 1; • Waarde – Archeologie – 2; • Waarde – Archeologie – 4; • Waterstaat – Waterkering;
En de maatvoeringen/aanduidingen: • Bouwvlakken; 7
• • • • •
Functieaanduiding: bedrijfswoning; Maatvoering: maximum goothoogte: 4 m & 6 m; Maatvoering: maximum bebouwingspercentage terrein: 30%; Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – molenbiotoop 400m; Gebiedsaanduiding: geluidszone – industrie;
Bestemmingsplan ‘Herziening Dorpskernen Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Herziening Dorpskernen Graafstroom’ (vastgesteld op 15 september 2015). In de herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen binnen de gemeente, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dit de aanpassing / actualisatie van de regelgeving. Op de bedrijfswoning nr. 7a is de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’ gelegd. Parapluherziening Parkeren Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren’, vastgesteld op 27 oktober 2020 door gemeenteraad van de gemeente Molenlanden. Het doel van deze parapluherziening is het bieden van een eenduidige regeling ten aanzien van het aspect ‘parkeren’ in de gemeente Molenlanden. Dit paraplubestemmingsplan vormt de juridische vertaling van het parkeerbeleid. In de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020” zijn de parkeernormen opgenomen die van toepassing zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren Molenlanden’ regelt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden voldaan aan de beleidsregel “Nota Parkeernormen Molenlanden 2020” (zie paragraaf 2.2.2).
Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten Het plangebied valt binnen de contouren van het ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’, vastgesteld op 26 oktober 2021 door gemeenteraad van de gemeente Molenlanden. Binnen eerdere bestemmingsplannen waren te weinig sturingsmogelijkheden om huisvesting van arbeidsmigranten binnen de bestemmingen ‘wonen’, ‘woongebied’, ‘centrum’ of ‘gemengd’ te kunnen reguleren. Er was bijvoorbeeld geen begripsdefinitie opgenomen inzake ‘wonen’ en daarmee was het langdurige verblijf van een ongelimiteerd aantal arbeidsmigranten per woning toegestaan. Dit past niet binnen het doel van de gemeente Molenlanden om te voorzien in passende en kwalitatieve goede huisvesting op de juiste plek, waarbij tevens een goed woon- en leefklimaat voor omwonenden kan worden gewaarborgd. Met het paraplubestemmingsplan is onder andere een nieuwe begripsdefinitie gekomen van ‘het wonen’, waardoor het niet meer mogelijk is om met meer dan één huishouden te verblijven in een woning. Huisvesting van arbeidsmigranten voor de shortstay (logies) en midstay is uitsluitend toegestaan door een vergunning aan te vragen die voldoet aan de eisen uit de Beleidsnotitie Arbeidsmigranten.
1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van dit bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt om voor de wetering 18 woningen te realiseren (zie paragraaf
8
2.2). De mogelijkheid tot bouwen van agrarische opstallen achter de wetering wordt weggenomen.
1.4 Maatschappelijk draagvlak Participatie Alvorens de start van de procedure ten behoeve van onderhavig bestemmingsplan zijn alle direct omwonenden persoonlijk benaderd en/of geïnformeerd. De volgende adressen zijn geïnformeerd: Abbekesdoel 6, 7, 9 & 10; Meester Markusse Plein 9 & 11; Molen De Vriendschap. Tijdens dit contact zijn voornamelijk positieve berichten naar voren gekomen. Enkele zaken zijn noemenswaardig. Abbekesdoel 9 heeft te kennen gegeven de vrijstaande woning direct naast hen, graag op gelijke hoogte te realiseren als hun woning. Deze nieuwe woning stond eerst dichterbij de weg ingetekend. In overleg is bepaald om de voorgevel van deze woning gelijk te stellen met de bestaande woning van Abbekesdoel 9, naar wens van deze buren. Abbekesdoel 10 ziet graag het trottoir doorgetrokken naar ter hoogte van hun woning. In de huidige situatie stopt het trottoir ter hoogte van nr. 6. Deze opmerking wordt ter kennisgeving aangenomen door de gemeente Molenlanden, maar maakt geen onderdeel uit van het onderhavige bestemmingsplan. De Molen De Vriendschap heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben op het plan. Wel benadrukt men dat de regelgeving omtrent de molenbiotoop moet worden nageleefd. Zie hiervoor paragraaf 4.13.
Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners van de gemeente. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben gedurende zes weken ter inzage gelegen, waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd kon ook een mondelinge zienswijze gegeven kunnen worden. Tijdens de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan zijn er 3 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn binnen de daarvoor geldende termijn ingediend. In deze Nota Zienswijzen (in de bijlage van deze toelichting) worden de voornoemde ingediende zienswijzen inhoudelijk behandeld en van antwoord voorzien. Daarbij is tevens aangegeven of deze hebben geleidt tot aanpassingen in het bestemmingsplan.
1.5 Economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Waarbij wordt opgemerkt dat het ‘boerenerf’ (/de openbare ruimte) in eigendom en beheer van de 9
gemeente Molenlanden komt. Ter zekerheid voor de gemeente is er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
1.6 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via internet en de Staatscourant).
1.7 Realisatie Wanneer er geen beroep wordt ingediend is het bestemmingsplan na de beroepstermijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor de realisatie van het plan kan dan worden aangevraagd.
1.8 Leeswijzer Deze toelichting van het bestemmingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: • Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; • Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskaders; • Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; • Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.
10
2
Planbeschrijving
2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis Bleskensgraaf Het dorp Bleskensgraaf is ontstaan als lintbebouwing langs de Graafstroom. Vanuit de lintbebouwing is er rondom de kerk een buurtschap ontstaan. Vanuit dit buurtschap is het dorp Bleskensgraaf ontstaan. Mede door de verbetering van de wegen en de toename van transport over de weg (voorheen over water) is het dorp Bleskensgraaf in de loop der tijd gegroeid. De groei vond met name plaats in de dorpskern. In de Tweede Wereldoorlog is de dorpskern van Bleskensgraaf nagenoeg volledig verwoest als gevolg van een bombardement. Thans is nog slechts een beperkt deel van het oorspronkelijke buurtschap zichtbaar. Na de Tweede Wereldoorlog is het dorp wederopgebouwd. De laatste fase van de wederopbouw werd afgerond met de opening van het gemeentehuis op 12 mei 1955. In de jaren daarna heeft Bleskensgraaf, net zoals de meeste dorpen in de Alblasserwaard een grote groei doorgemaakt, welke is terug te zien in de seriematige uitbreidingswijken rondom de oorspronkelijke kern van het dorp. 2.1.2 Huidige status/gebruik Het perceel Abbekesdoel 7a te Bleskensgraaf betreft een voormalige bedrijfslocatie met daarop een bedrijfswoning, enkele schuren en veel terreinverharding / buitenruimte. Ter plaatse zijn milieucategorie 2.0 bedrijven toegestaan.
Het perceel Abbekesdoel 8 te Bleksensgraaf betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie met daarop een boerderijgebouw, met daarachter en daaraan de vroegere stal en daarnaast het e.e.a. aan bedrijfsopstallen voor en achter de wetering. Op onderstaande afbeeldingen is de bestaande situatie van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 3: Bestaande situatie (zonder bebouwing aan de overkant van de wetering)
11
Afbeelding 4: Uitsnede luchtfoto plangebied (indicatief)
Afbeelding 5: Vooraanzicht Abbekesdoel 7a Bleskensgraaf
Afbeelding 6: Vooraanzicht Abbekesdoel 8 Bleskensgraaf
12
2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Het plan aan de Abbekesdoel 7a-8 te Bleskensgraaf bestaat uit een aantal componenten (zie in de bijlage situatietekeningen en uitsneden op onderstaande afbeeldingen): • Het juridisch-planologisch wijzigen van de bestaande bebouwing aan de Abbekesdoel 7a naar een burgerwoning (met bijgebouwen); • Het verwijderen van alle bebouwing en verharding aan de Abbekesdoel 8 voor de wetering, én ter vervanging het realiseren van een gedifferentieerd woningaanbod met in totaal 18 wooneenheden; • Het saneren van alle bebouwing en verharding over de wetering, én het terugbrengen van deze gronden naar agrarisch grasland; • Bij dit alles worden de agrarische en bedrijfsbestemming gewijzigd in een woonbestemming. Hiermee worden volwaardige (agrarische) bedrijfsactiviteiten uitgesloten. Het nieuwe woonaanbod aan de Abbekesdoel 7a-8 te Bleskensgraaf is weergegeven in de bijlage en op onderstaande afbeeldingen. Het aanbod bestaat (excl. de bestaande woning nr. 7a) uit de volgende 18 wooneenheden: • 4 vrijstaande woningen (2 achterop het boerenerf & 2 langs het cultuurhistorische lint); • 2 twee-onder-een-kapwoningen langs het cultuurhistorische lint; • Eén volume op het boerenerf met 4 tussen/hoek woningen; • Eén boerderijvolume met 1 hoekwoning (voorhuis) en 7 senioren/starters appartementen.
Afbeelding 7: Nieuwe situatie (indicatief)
13
Afbeelding 8: Mogelijke plattegronden begane grond en verdieping boerderijvolume (indicatief)
2.2.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting De Abbekesdoel 7a te Bleskensgraaf bezit in de huidige situatie een brede dubbele oprit, welke zich uitsplitst naar de woning en naar het achtererf ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten. De Abbekesdoel 8 te Bleskensgraaf bezit in de huidige situatie tevens meerdere opritten. Een brede dubbele oprit ten oosten van de boerderij, welke zich uitsplitst naar het achtererf en naar de boerderij. Een tweede dubbele oprit ten westen van de boerderij, welke zich tevens uitsplitst naar het achtererf en naar voor de boerderij. In de nieuwe situatie wordt dit aantal ontsluitingen en met name de breedte ervan teruggebracht (zie afbeelding 9; gele vlakken aan de weg). In totaal blijven/worden vier opritten gehandhaafd/gerealiseerd. Eén ten behoeve van de bestaande woning nr. 7a en één nieuwe vrijstaande woning, één ten behoeve van de twee-onder-eenkapper, één ten behoeve van het boerenerf en één voor een nieuwe vrijstaande woning. Parkeren Voor de berekening van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. Dit parkeerbeleid is gebaseerd op de CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). In het CROW-beleid wordt uitgegaan van een bandbreedte van een minimale tot een maximale parkeernorm. In 14
de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020' wordt uitgegaan van het gemiddelde. De gemeente Molenlanden valt qua stedelijkheidsgraad – in zijn geheel - in de categorie ‘niet stedelijk’. Het plangebied is gelegen in het gebiedstype ‘buitengebied’. In onderstaande tabellen is de parkeerbehoefte van dit plan uiteengezet. Bij parkeren op eigen terrein is er sprake van een theoretisch en een berekend aantal parkeerplekken (conform Parkeernota tabel 2.4). Tabel 1: Totale parkeerbehoefte nieuwe woningen
Tabel 2: Berekende parkeercapaciteit plangebied
•
•
•
(*) De twee vrijstaande woningen op het boerenerf hebben in theorie elk twee parkeerplekken op eigen erf wat resulteert in een berekend aantal van 1 parkeerplek (1x lange oprit zonder garage a 1,0 pp). Voor restant van de parkeerbehoefte is er capaciteit op de openbare weg ingecalculeerd. (**) Voor de hoekwoning op de kop van het ‘boerderij volume’ is er een enkele oprit op eigen terrein meegenomen. In theorie is dit één parkeerplek maar het berekend aantal hiervan is 0,8pp. (***) In theorie hebben de vrijstaande- en twee-onder-een-kap woningen langs de weg drie parkeerplekken wat resulteert in een berekend aantal van 2,5 parkeerplekken (1x dubbele oprit a 1,7pp + 1x enkele oprit a 0,8pp = 2,5pp).
15
Afbeelding 9: Nieuwe situatie parkeren
Het parkeren wordt volledig binnen het plangebied opgelost. Uit bovenstaande wordt geconcludeerd dat er een theoretische parkeerbehoefte is van 35,8 parkeerplaatsen in totaal en dat in deze behoefte wordt voorzien middels 36,8 parkeerplaatsen in theorie. Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijk parkeerbeleid zoals gesteld in de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'. 2.2.3 Molenwaards Kookboek Om te komen tot een stedenbouwkundig passende inpassing van de woningen in de omgeving en de ruimtelijke kwaliteit te waarborgen is een stedenbouwkundige analyse uitgevoerd middels de stappen van het ‘Molenwaards Kookboek’. Hetgeen onderstaand stapsgewijs uiteengezet. Geschiedenis Op onderstaande afbeelding is de directe omgeving van het plangebied vanaf 1950 weergegeven. In 1950 is de Graafstroom en daarlangs het cultuurhistorische lint al duidelijk zichtbaar. De bebouwingsdichtheid is laag en de bebouwing concentreert zich tussen de Graafstroom en de wetering. Tot 1975 neemt de bebouwingsdichtheid verder toe. De start van de uitbreiding van de kern in noordelijke richting is al zichtbaar en ook de realisatie/uitbreiding van de zuivelfabriek over de wetering. Richting het jaar 2000 neemt de bebouwingsdichtheid verder toe. De kern van het dorp en (agrarische) bedrijven in het lint breiden zich verder uit. Ook is de aanplant van enkele kavels bomen/beplanting zichtbaar.
Richting 2021 zet de trend van uitbreiding door. Al blijft de bebouwing voornamelijk voor de wetering gelegen.
16
1950
1975
2000
2021
Afbeelding 10: Geschiedenis in beeld (topotijdreis)
Kenmerken omgeving / erf Het plangebied is gelegen ten westen van de dorpskern aan het begin van het cultuurhistorische lint langs het Abbekesdoel langs de Graafstroom (zie onderstaande afbeeldingen). De cultuurhistorische lintbebouwing kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) boerderijen en (kleinere) arbeiders/knechtenhuisjes. Hier en daar is de traditionele bebouwing vervangen door nieuwbouw (vrijstaande woningen) en hebben de bestaande boerderijen de agrarische functie verloren en zijn volledig in gebruik als woonfunctie. De traditionele bebouwing is overwegend haaks op de weg in de eerste bebouwingslijn gesitueerd. De vervangende nieuwbouw is zowel haaks als parallel op de weg gebouwd. De hoofdvolumes (zowel traditioneel als nieuwbouw) zijn hoofdzakelijk rechthoekig opgebouwd uit bakstenen gevels met een gebakken pan of riet als dakbedekking. De vervangende nieuwbouwwoningen hebben doorgaans een modernere bouwstijl dan de traditionele (woon)boerderijen en de arbeidershuisjes welke meer klassiek zijn vormgegeven. De gebruikte materialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de nieuwbouw overwegend traditioneel (streekeigen). De gebruikte kleuren zijn ingetogen en zijn in harmonie met het omliggende slagenlandschap.
17
Afbeelding 11: Straatbeeld Abbekesdoel richting het dorp
Afbeelding 12: Straatbeeld Abbekesdoel uit het dorp
Kwaliteiten & Ontwerpuitgangspunten • Behouden / versterken van water, slotenpatroon en natuurlijke oevers; • Behouden / versterken doorzichten; • Behouden / versterken agrarische en dorpse karakter in het cultuurhistorische lint; • Behouden / versterken streekeigen beplanting; • Concentreren van bebouwing voor de wetering; • Behouden / versterken gemengde samenstelling qua bouwvolumes; • Gebruik van gebiedseigen bouwstijl; • Aansluiten op de maat, schaal en vormgeving in het lint en de kavel; • Aansluiten qua kleur, materiaalgebruik, vorm en detaillering; • Waar mogelijk nieuwe woningen inpassen op een bestaand / boerenerf; • Nieuwbouw heeft een rechthoekige opzet, is opgetrokken uit baksteen en voorzien van een gebakken pan (of een afgeleide daarvan); • Aansluiten op het verkavelingspatroon en de verkavelingsrichting; • Bebouwing ondergeschikt maken aan de boerderijen in het lint; • Parkeren op eigen terrein en waar mogelijk aan het zicht onttrekken.
18
Afbeelding 13: Indicatie nieuwe situatie
Uitwerking nieuwe situatie Middels bovengenoemde kwaliteiten en ontwerpuitgangspunten is het onderhavige plan nader uitgewerkt en is een voorlopig planontwerp opgesteld. In de bijlage is deze toegevoegd en op bovenstaande afbeelding is deze weergegeven. Hiermee is zoveel mogelijk aangesloten bij de ontwerpuitgangspunten. Zo worden nieuwe watergangen gerealiseerd haaks op de wetering en worden er tussen de bouwvolumes doorzichten gecreëerd naar het achtergelegen land. Het plan sluit zich aan in het cultuurhistorische lint en het agrarische dorpse karakter daarin. Dit door de woningen in de eerste bebouwingslijn te realiseren en daarnaast een boerenerf te creëren. Hierdoor wordt een balans gevonden in een gemengde samenstelling van bouwvolumes. Het geheel wordt waar en zoveel als mogelijk groen ingepast met streekeigen beplanting, maar er wordt tegelijkertijd een balans gezocht in openheid. Waarmee tevens het parkeren zoveel als mogelijk aan het zicht kan worden onttrokken. Alle bebouwing achter de wetering wordt gesaneerd en het plan concentreert zich voor de wetering. Waarbij rekening wordt gehouden met het verkavelingspatroon en de richting ervan. De nieuwbouw heeft een rechthoekige opzet, sluit zich aan qua maat, schaal en vormgeving in het lint.
Bij de verdere uitwerking wordt ook qua kleur en materiaalgebruik aangesloten bij de directe omgeving en de gebiedseigen bouwstijl. Het plan sluit met dit alles op de ontwerpuitgangspunten van het Molenwaards Kookboek, waarmee de ruimtelijke kwaliteit wordt geborgd.
19
3
Beleidskader
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuwe strategisch beleid. De grote en complexe opgave zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio’s; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal zowel de boven- als de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt 20
gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Het plan voorziet in de realisatie van 18 woningen. Hiermee is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking noodzakelijk is. Concrete woningbehoefte Bleskensgraaf Het plan betreft een kleinschalige nieuwbouwontwikkeling dat inspeelt op de concrete woningbehoefte in Bleskensgraaf. Het plan voorziet in een gedifferentieerd woningaanbod bestaande uit 18 woningen, waarvan 4 vrijstaande, 2 twee-onder-eenkap, 5 hoek-/rijwoningen, 2 seniorenappartementen en 4 startersappartementen. Het woningbouwprogramma van het plan is zorgvuldig afgewogen. Het plan sluit aan op de strategie van de woonvisie middels het creëren van aanbod voor kleine huishoudens, starters, senioren, doorgroeiers én tevens het sociale segment.
De grotere woningen zijn geschikt voor doorstromers, er is aanbod voor middeninkomens en er zijn woningen in het plan die geschikt zijn voor starters en senioren. Door de ontwikkeling zullen ook andere woningen in het dorp vrijkomen middels doorstroming. In het dorp Bleskensgraaf hebben lange tijd, mede vanwege de beperkte beschikbare bouwgrond, geen woningbouwontwikkelingen plaatsgevonden. Met het onderhavige plan kan in de concrete behoefte worden voorzien die zich de afgelopen jaren heeft opgebouwd. Hetgeen wordt bevestigd door de interesse die er is getoond tot nu toe. Tot op heden hebben 208 mensen zich officieel ingeschreven als geïnteresseerde in de woningen. Het plan voldoet aan de regionale en gemeentelijke woonvisie (zie paragraaf 3.3.2 & 3.4.2). Alternatieven binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) Het plangebied is gelegen net buiten het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Wel is het plangebied gelegen in de dorpsrand, zie onderstaande afbeelding. De stadsen dorpsrand is de zone op de grens van bebouwd gebied en landschap. Het is het deel van stad of dorp met potentie voor een hoogwaardig en geliefd woonmilieu, doordat hier de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar komen; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied.
De relatie tussen bebouwd gebied en landschap is afhankelijk van de karakteristieken van de bebouwingsrand en die van het aangrenzende landschap. Bebouwd gebied en landschap zijn verbonden door zichtbare en begaanbare doorlopende structuren, zoals wegen, paden, dijken, lanen, linten of waterlopen. De structuur die stad en land verbindt, kan een herkenbare landschappelijke onderlegger hebben als een strandwal of rivier. In andere situaties is het kavelpatroon doorlopend. Stad en ommeland blijven beide in hun eigen hoedanigheid herkenbaar en onderscheidend, maar worden in staat gesteld in elkaar 21
door te dringen. Deze soort overgang is typisch voor dorpen of buitenwijken, waarbij de stedenbouwkundige opzet bijvoorbeeld geënt is op het oorspronkelijke landschappelijke (kavel)patroon. Plangebied
Stads- en dorpsrand
Bestaand stads- en dorpsgebied Afbeelding 14: Plangebied t.o.v. bestaand stads- en dorpsgebied (BSD)
In de kern van het dorp zijn er te weinig geschikte inbreidingslocaties beschikbaar om in de concrete woningbehoefte (in dit geval de realisatie van 18 woningen) te voorzien van het dorp. Hierdoor moet worden uitgeweken aan passende woningbouwlocaties aan de rand van het dorp of in het cultuurhistorische lint. Het plangebied betreft een voormalige (agrarische) bedrijfslocatie in het cultuurhistorische lint net buiten de kern. Hetgeen betreft daarmee een geschikte inbreidingslocatie in Bleskensgraaf. De bebouwingscontour op de locatie neemt niet toe, maar neemt juist af doordat de bebouwing achter de wetering wordt verwijderd. Hierdoor wordt niet enkel in de concrete woningbehoefte voorzien, maar wordt tevens de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse verbeterd. Conclusie Het plan voldoet aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. De woningen worden gemeld in het regionaal overleg en wordt meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030.
22
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale Staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Per 1 april is het Omgevingsbeleid in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.
Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen BSD gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op BSD of in bebouwingslinten. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten BSD dient de Ladder voor duurzame verstedelijking te worden doorlopen en dient het plan te voldoen aan het provinciaal beleid voor ruimtelijke kwaliteit.
Stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare buiten BSD dienen eerst door Provinciale Staten worden afgewogen en worden op de kaart ‘woningbouwlocaties, bedrijventerreinen en andere stedelijke ontwikkelingen’ (ook wel genoemd: ‘3 ha kaart’) gezet. Het plangebied is gelegen in het de contour ‘stads- en dorpsrand’, zie paragraaf 3.1.3. 23
Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit. De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen.
De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Het plangebied is gelegen in het ‘veenweidelandschap’ en de ‘linten’, zie afbeelding 15 en onderstaande alinea’s. Het onderhavige plan volgt de richtpunten van deze gebieden. Mede middels deze richtpunten is het plan verder uitgewerkt, zie paragraaf 2.2.3. Veenweidegebied De ruimtelijke structuur in het veenweidegebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veenweidelandschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen.
Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.
24
Linten Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.
Plangebied
Afbeelding 15: Plangebied t.o.v. cultuur- en natuurlandschappen
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie.
25
Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c.
Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Het plan kan worden geschaard onder de categorie ‘inpassen’. Het plan past binnen de bestaande gebiedsidentiteit en voorziet niet in wijzigingen op structuurniveau. De structuur ter plaatse van het cultuurhistorisch lint blijft ongewijzigd. Het plan past naar aard en schaal binnen het gebied, zo neemt de bebouwingscontour af door de bebouwing over de wetering te saneren. Daarnaast voldoet het plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart van Zuid-Holland. Stedelijke ontwikkelingen (ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.
De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het plan is getoetst en voldoet aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’, zie paragraaf 3.1.3.
26
3.2.3 Molenbiotoop Het plangebied valt binnen de beschermingszones van de molen De Vriendschap. In het gebied rondom deze molen is een molenbiotoop vastgesteld met een straal van 400 meter vanuit het middelpunt van de molen. In het kader van de bescherming van de windvang van deze molen is de nieuwbouw van de woningen relevant. In artikel 6.25 ‘Bescherming molenbiotoop’ van de omgevingsververordening zijn regels opgenomen ter bescherming van molenbiotopen. In het plan is in het kader van de nieuwe bebouwing rekening gehouden met de windvang van de molen. Ter bescherming van de molenbiotoop is in het vigerend bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400m’ opgenomen. Ten aanzien van het realiseren van bebouwing en/of beplanting binnen deze zone gelden de volgende richtlijnen: 1. Binnen de straal van 100 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen, vermeerderd met 1/100 van de afstand van deze grens tot het middelpunt van de molen. 2. Binnen de straal van 100 tot 400 meter gerekend vanuit het middelpunt van de molen, mag de maximale hoogte van bebouwing niet meer bedragen dan 1/100 van de afstand tussen de bebouwing en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek.
Het plangebied waar nieuw wordt gebouwd is gelegen op een afstand van circa tussen de 118 en 268 meter. De nokken van de nieuwe woningen zijn gelegen op een afstand van tussen de 149 en 231 meter. Het onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen is gelegen op 6,28 meter NAP. Dit betekent dat er voor de woningen een maximale bouwhoogte geldt van tussen de 7,77 en 8,59 meter NAP. Het bouwpeil betreft -0,94 NAP (zomerpeil -2,24 meter NAP plus 1,3 meter drooglegging bouwpeil; zie waterparagraaf). Vanaf het bouwpeil mag de nok van de vrijstaande woning het dichtstbij de molen dus 8,71 meter hoog zijn vanaf het bouwpeil (0,94m + 7,77m). De nok van de woning het verst weg betreft dan 9,53 meter vanaf het bouwpeil (0,94m + 8,59m). Zie onderstaande afbeelding.
Afbeelding 16: Globale weergave mogelijke maximale hoogtes t.o.v. molen
Om deze maximale hoogtes ten opzichte van de molen te borgen wordt de aanduiding ‘Vrijwaringszone – molenbiotoop 400 m’ opgenomen in het bestemmingsplan. Bovenstaande berekening en daarmee de maximale bouwhoogte wordt daarmee geborgd. Ten behoeve van de omgevingsvergunning voor de woningen dient daarmee een gelijksoortige berekening en weergave te worden
27
overlegd met de gemeente. Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect molenbiotoop geen belemmeringen en visa versa.
28
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. Het plan speelt in op de concrete woningbehoefte in Bleskensgraaf. Het plan draagt bij aan het behoud van de leefbaarheid in de kern Bleskensgraaf. Daarnaast wordt er een toekomstbestendige situatie gecreëerd op een voormalige (agrarische) bedrijfslocatie. Hiermee wordt leegstand en verpaupering van de locatie voorkomen, de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt daarmee verbeterd.
Het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio blijft gewaarborgd naar de toekomst doen. Het plan is in overeenstemming met het regionaal beleid. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen. Bleskensgraaf is aangeduid als een voorzieningendorp. Bleskensgraaf heeft hiermee een bovenlokale functie in wonen en voorzieningen. Binnen het dorp is er sprake van een concrete woningbehoefte, zie paragraaf 3.1.3 & 3.4.2 voor een nadere onderbouwing.
Het plan is daarmee in overeenstemming met het regionaal woonbeleid en dient te worden afgestemd in het regionaal overleg.
29
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenlanden De Toekomstvisie Molenlanden 2030 ‘Eigenheid in verbondenheid’ houdt de gemeente op koers tot 2030 door dialoog, nabijheid en ambitie. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn: • Inclusieve samenleving: in onze samenleving staat gezondheid voorop en zijn alle inwoners even belangrijk; • Leefomgeving: de omgeving waarin we wonen voelt veilig en is zo ingericht dat we grote gevolgen van klimaat op kunnen vangen. Er staan genoeg woningen in onze gemeente waar vraag naar is; • Economie: Molenlanden is een gemeente waar innovatie een belangrijke plek heeft en ondernemen vanzelfsprekend is; • Recreatie en Toerisme: het toerisme in Molenlanden is in balans; • Klimaat en energie: we werken samen aan een circulair, energieneutraal, klimaatbestendig en schoon Molenlanden met aandacht voor een eerlijke voedselketen waarin afval wordt gezien als grondstof; • Bereikbaarheid: Inwoners van Molenlanden ervaren met verschillende vervoersmiddelen dat onze dorpen, de vestingstad en de regio veilig en goed bereikbaar zijn.
Het plan heeft betrekking op verschillende van bovenstaande onderwerpen. Een (agrarische) bedrijfslocatie wordt beëindigd en er wordt op een duurzame wijze een nieuwe bestemming gerealiseerd ter plaatse. Leegstand van (agrarische) bedrijfsbebouwing wordt voorkomen en de nieuwe woningen worden conform de huidige bouweisen geïsoleerd en duurzaam gerealiseerd. De gemeente wenst de identiteit van de dorpen in stand te houden. Door de locatie op een karakteristieke wijze om te zetten ten behoeve van kleinschalige woningbouw, wordt bijgedragen aan een inclusieve samenleving, voldoende woningen en duurzaam omgaan met de bebouwde ruimte. Het plan is in overeenstemming met de gemeentelijke toekomstvisie. 3.4.2 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 – 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. • De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen.
• De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnelt de
30
•
•
•
gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed).
Bleskensgraaf is aangeduid als een voorzieningendorp. Bleskensgraaf heeft hiermee een bovenlokale functie in wonen en voorzieningen. Binnen en buiten het dorp is er sprake van een concrete woningbehoefte, zie paragraaf 3.1.3. Er wordt een bijdrage geleverd aan voldoende woningen tot 2029, het woningbouwprogramma voorziet in woningen voor iedere doelgroep, de woningen voldoen minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik én de locatie betreft een passende transformatieplek van bestaand leegstand vastgoed. Daarbij komt 40% van de wooneenheden op de sociale woningmarkt. Het plan is daarmee in overeenstemming met het gemeentelijk woonbeleid.
31
3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • Het plan voldoet aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’; • Het plan speelt in op de concrete woningbehoefte in Bleskensgraaf en voorziet in aanbod voor iedere doelgroep, waarmee doorstroming binnen het dorp wordt gestimuleerd; • Het plan voorziet in een verbetering van het woon- en leefklimaat én de ruimtelijke kwaliteit.
32
4
Sectorale aspecten
4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van 18 woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling, waarbij een voormalige (agrarische) bedrijfslocatie wordt gesaneerd en er woningen worden gerealiseerd. Er is daarmee geen directe m.e.rplicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een directe m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden.
In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om een voormalige (agrarische) bedrijfslocatie te herontwikkelen ten behoeve van 18 woningen. Hiermee worden volwaardige bedrijfsactiviteiten ter plaatse juridisch-planologisch uitgesloten, waarmee eventuele hinder voor de directe omgeving afneemt. Behoudens de toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. De productie van afvalstoffen wordt aanzienlijk verminderd, er vindt enkel nog productie van huishoudelijk afval plaats (geen afvalstoffen van bedrijven meer). Er zijn geen risico’s voor zware ongevallen, rampen of risico’s voor de menselijke gezondheid. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd Natuurmonument, NatuurNetwerk Nederland, Wetland, Nationaal Park. Het betreft een bestaand bebouwd perceel, waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande bebouwde ruimte en contour (deze wordt zelfs verkleind, door sloop bebouwing achter de wetering). Gezien deze ligging en het karakter van het plan is er geen sprake van invloed op kwetsbaar milieu of kwetsbare gebieden. Leegstand en daarmee verpaupering van de voormalige bedrijfsopstallen wordt voorkomen.
Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Gezien het karakter van het plan, woningbouw in plaats van volwaardige (agrarische) bedrijven, heeft het plan positieve effecten op de directe omgeving. Als gevolg van 33
het plan neemt de hoeveelheid afvalstoffen aanzienlijk af. Het aantal zware verkeersbewegingen (tractoren, landbouwvoertuigen, vrachtwagens etc.) neemt tevens af. Het plan zal daarmee geen significante negatieve effecten hebben op het milieu en de directe omgeving. Conclusie Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.
34
4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.