Bijlage 2.1 Toelichting BP Bleskensgraafabbekesdoel 7a8
Tekst van het document
Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, verbinden, vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit.
Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur 35
is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek
Afbeelding 17: Uitsnede Legger Wateren
Watergangen Binnen en rondom het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen, zie bovenstaande afbeelding. Ten noorden van het plangebied is de A-watergang 001196-112797, de Graafstroom gelegen. De wetering betreft de A-watergang 112052. Daarnaast de C-watergangen 067608, 067725 voor de wetering en enkele C-watergangen achter de wetering. De C-watergang op de westelijke grens wordt ingekort en er worden aan de wetering enkele nieuwe watergangen gegraven als zijnde perceelscheidingen, zie situatietekening. Ten behoeve van de plan inpassing 36
(afstand vrijstaande woningen tot de wetering) worden er aanpassingen aan de wetering gedaan (zie onderstaande afbeelding). Zodat de nieuwe woningen op min. 5m afstand tot de wetering zullen worden gerealiseerd. Eventuele dempingen zullen meer dan 100% gecompenseerd worden aan de overzijde van de wetering. De balans dempen en toevoegen van de wetering is weergegeven op afbeelding 17. Ten behoeve van de demping en het graven van nieuwe watergangen, én indien binnen de beschermingszone van bestaande watergangen bouw- of sloopwerkzaamheden plaatsvinden dient een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland te worden aangevraagd.
Afbeelding 18: Wijziging wetering
Peilgebied Het plangebied is gelegen in het peilgebied NDW014. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,24 meter NAP en een winterpeil van -2,34 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Waterberging en -compensatie Naast de eventuele volumecompensatie, kan het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond tevens effecten hebben voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dien zoveel mogelijk benut te worden. Schoon daken terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van 37
waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Plangebied
Afbeelding 19: Uitsnede peilgebiedenkaart
Het plangebied is bijna volledig verhard en bebouwd. Op afbeelding 19-20 is de verharding van de bestaande en beoogde situatie weergegeven. In de bestaande situatie is er 6.293 m2 verharding (2.279 m2 bebouwd + 4.014 m2 erfverharding) aanwezig. In de nieuwe situatie betreft de verharding 3.408 m2 (1.450 m2 + 1.958 m2). De verharding neemt daarmee af met in totaal 2.885 m2 af. Hierdoor zijn er geen watercompenserende maatregelen noodzakelijk ten behoeve van het plan. Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.
38
Afbeelding 20: Verharding bestaande situatie
Afbeelding 21: Verharding nieuwe situatie
Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen
39
per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woningen worden aangesloten op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. Een rioolplan zal worden overlegd met de gemeente Molenlanden ten tijden van de omgevingsvergunning. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het plan is gelegen in de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering, zie onderstaande afbeelding. Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering.
Afbeelding 22: Uitsnede legger waterkeringen
De bouw- en sloopwerkzaamheden zijn deels gelegen binnen de beschermingszone van de waterkering. Voor deze werkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. De woningen dienen buiten het Profiel Van Vrije Ruimte (PVVR) te worden gerealiseerd.
40
Ter bescherming van de waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Op basis van de Barro (2012) wordt voor de beschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen beschermen de waterkering voor de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming. Wegbeheer De Abbekesdoel 7a te Bleskensgraaf bezit in de huidige situatie een brede dubbele oprit, welke zich uitsplitst naar de woning en naar het achtererf ten behoeve van de bedrijfsactiviteiten. De Abbekesdoel 8 te Bleskensgraaf bezit in de huidige situatie tevens meerdere opritten. Een brede dubbele oprit ten oosten van de boerderij, welke zich uitsplitst naar het achtererf en naar de boerderij. Een tweede dubbele oprit ten westen van de boerderij, welke zich tevens uitsplitst naar het achtererf en naar voor de boerderij. In de nieuwe situatie wordt dit aantal ontsluitingen en met name de breedte ervan teruggebracht (zie afbeelding 9; gele vlakken). In totaal blijven/worden vier opritten gehandhaafd/gerealiseerd. Eén ten behoeve van de bestaande woning nr. 7a en een nieuwe vrijstaande woning, één ten behoeve van de twee-onder-een-kapper, één ten behoeve van het boerenerf en één voor een nieuwe vrijstaande woning.
Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor het plan dient wel een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland (demping/graven watergangen & beschermingszone waterkering).
41
4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wgh kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is.
De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, deze bronnen kunnen derhalve buiten beschouwing worden gelaten. Het plangebied is wel gelegen binnen de invloedssfeer van enkele wegen. Door Adromi B.V. is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, welke is bijgevoegd in de bijlage van deze toelichting. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: ‘(…) de geluidbelasting vanwege de Abbekesdoel op de gevels van de vrijstaande woningen 1 en 4, de hoekwoning, tussenwoning 1 en de twee-onder-éénkapwoningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschrijdt. De maximaal te ontheffen waarde van 53 dB wordt niet overschreden. Dit betekent dat het aanvragen van hogere waarden in beginsel mogelijk is. De geluidbelasting vanwege zowel de Heulenslag alsmede de Wijngaardseweg blijven onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
42
De cumuleerde geluidbelasting Lcum van alle in het onderzoek betrokken wegen tezamen bedraagt ten hoogste 59 dB. Gezocht dient te worden welke geluidsbeperkende maatregelen mogelijk zijn om de geluidsbelasting vanwege de Abbekesdoel te reduceren naar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. (…) Opgemerkt wordt dat reeds een geluidscherm in het overdrachtsgebied zal worden geplaatst om de geluidbelasting vanwege de Abbekesdoel op de geprojecteerde woningen te reduceren. Om de geluidbelasting terug te brengen naar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, dient het scherm dermate hoog te zijn dat dit zal stuiten op bezwaren van verkeerskundige en stedenbouwkundige aard. (…) De besluitvorming over het al dan niet verlenen van de ontheffing is voorbehouden aan het college van burgemeester en wethouders.
Bij de besluitvorming kan het college gebruik maken van de volgende motivatie en overwegingen: 1) De maximaal toelaatbare geluidsbelasting volgens artikel 83 lid 1 van de Wet geluidhinder wordt niet overschreden; 2) De hogere waarden zijn nodig, omdat maatregelen om de geluidsbelasting terug te brengen tot de voorkeurswaarde bezwaren van stedenbouwkundige, financiële en verkeerskundige aard ontmoeten; 3) De woningen zullen beschikken over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte, en voldoen daarmee aan het gemeentelijk geluidbeleid.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen, wel dient er ten behoeve van enkele van de woningen een hogere waarden besluit te worden genomen.
43
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie 2,5 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2021 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 15,2 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 15,9 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 8,7 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met
44
niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft luchtkwaliteit geen belemmeringen.
45
4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om de voormalige (agrarische) bedrijfslocatie te saneren en woningen te realiseren. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden of dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning en/of dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan mogelijk is. De 46
richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstype rustige woonwijk of rustig buitengebied. Indien de omgeving kan worden aangemerkt als gemengd gebied, dan kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor gemengde gebieden mogen één afstandstrap worden verlaagd ten opzichte van de richtafstanden die betrekking hebben op de omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied. Om de richtafstanden van omliggende milieubelastende functies te bepalen, is eerst van belang om te bepalen of het plangebied is gelegen in een rustige woonwijk en rustig buitengebied, of in een gemengd gebied. Conform de VNG-Handreiking wordt onder een rustige woonwijk en rustig buitengebied verstaan: ‘Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer.’ En voor een gemengd gebied wordt de volgende beschrijving gegeven: ‘Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven.
Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden geschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.’ Het plangebied maakt onderdeel uit van de lintbebouwing langs de Abbekesdoel. De lintbebouwing is gelegen in het buitengebied met naast woonfuncties tevens (agrarische) bedrijvigheid. Gelet op de beschrijving uit de VNG-Handreiking kan geconcludeerd worden dat de omgeving van het plangebied getypeerd kan worden als gemengd gebied. Gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar zijn gerechtvaardigd. Inventarisatie Om de milieubelastende functies in de omgeving te inventariseren wordt gebruik gemaakt van de verbeeldingen van de vigerende bestemmingsplannen. Daarbij wordt gekeken welke bedrijfscategorie planologisch mogelijk is op omliggende bedrijfspercelen. In en op onderstaande tabel en afbeelding zijn de bedrijfsfuncties in de directe omgeving weergegeven. In de tabel zijn de onderzochte locaties weergegeven met de milieucategorie die volgens de vigerende bestemmingsplannen mogelijk is. Daarbij is de zwaarste richtafstand die hoort bij het omgevingstype ‘gemengd gebied’ aangegeven. De afstand is gemeten vanaf de bedrijfsbestemmingen tot aan de uiterste gevel van de nieuwe woningen.
De bestaande bedrijfswoning Abbekesdoel 7a die juridisch-planologisch wordt gewijzigd naar een burgerwoning wordt buiten beschouwing gelaten. In het kader van bedrijven- en milieuhinder wat betreft deze woning immers sprake van een gelijkblijvende situatie. Uit de tabel en afbeelding is af te leiden dat enkel voor de zuivelfabriek niet wordt voldaan aan de richtafstand. Er wordt opgemerkt dat er tussen het plangebied en de zuivelfabriek én rondom de zuivelfabriek al vele woningen aanwezig zijn die het bedrijf in de bestaande situatie reeds beperken. Hierdoor zal het onderhavige plan 47
de bedrijfsactiviteiten van de zuivelfabriek niet verder beperken dan in de huidige situatie het geval. De nieuwe woningen komen veel verder van de zuivelfabriek dan de bestaande woningen Abbekesdoel 1 t/m 7, de woningen aan de Meester Markusseplein 1 t/m 11, daarnaast vele woningen aan de Heulenslag, de Kerkstraat en de Dorpsstraat. Tabel 4: Omliggende bedrijven Adres Functie
Abbekesdoel 1 Abbekesdoel 2 Abbekesdoel 16 Dorpstraat 18 Heulenslag 10 Heulenslag 15a Heulenslag 16a
Agrarisch bedrijf Autobedrijf Zuivelfabriek Agrarisch bedrijf Schildersbedrijf Wormenkwekerij
Milieucategorie 2.0 3.2 2.0 5.1 3.2 2.0 3.2
Richtafstand (gemengd gebied) 10 meter 50 meter 10 meter 300 meter 50 meter 10 meter 50 meter
Afstand tot nieuwe woning 190 meter 147 meter 141 meter 202 meter 65 meter 121 meter 115 meter
Nr.16a Nr.16a
Nr.1 Nr.15a
Nr.16
Plangebied Nr.2
Nr.18
Afbeelding 23: Plangebied t.o.v. omliggende functies
Daarnaast is het plangebied volledig buiten de geluidszone, zie oranje contour rondom de zuivelfabriek op bovenstaande afbeelding. Om deze reden kan vooraf worden geconcludeerd dat het plan ter plaatse passend is uit geluidsoogpunt industrielawaai van de zuivelfabriek. Waardoor gemotiveerd kan worden afgeweken van de richtafstand van het bedrijf, gezien de maximale richtafstand betrekking heeft op het aspect geluid. De daarna maximale richtafstand voor geur, betreft 100 meter in gemengd gebied. Aan deze richtafstand wordt ruimschoots voldaan. Door
48
dit alles kan worden aangenomen dat de bedrijfsvoering van de zuivelfabriek niet zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat aldaar. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven en milieuhinder geen belemmeringen.
49
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Uit de risicokaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied enkel een zuivelfabriek gelegen, zie onderstaande afbeelding. Er is ter plaatse een ammoniak koelinstallatie aanwezig. Het plaatsgebonden risico hiervan is echter kleiner dan 10-6, waardoor er richting plangebied geen risico’s aanwezig zijn. Een groepsrisicoverantwoording hiervoor is niet nodig, omdat voor deze inrichting geen invloedsgebied geldt waarvoor het groepsrisico moet worden verantwoord. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van andere Bevi-inrichtingen of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor de externe veiligheid relevante buisleidingen gelegen.
50
Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Plangebied
Zuivelfabriek Afbeelding 24: Uitsnede risicokaart externe veiligheid
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
51
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen.
52
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: huismus en vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De sloop van meerdere gebouwen en de realisatie van 15 nieuwe woningen aan de Abbekesdoel 7a en 8 te Bleskensgraaf is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen. Wel dient voor de sloop van de boerderij met aangebouwde schuren een aanvullend onderzoek naar de vleermuis en huismus te worden uitgevoerd.
53
4.9 Stikstofdepositie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.
Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop en eenmalige aanleg activiteiten. Dit wordt de ‘bouwvrijstelling’ genoemd. Eventuele stikstofdepositie vanwege de realisatie-/ bouwfase is dan ook vrijgesteld van vergunningplicht. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstof depositie onderzoek uitgevoerd, deze is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. De conclusie luidt als volgt: ‘Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorziet in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
De invoergegevens en het rekenresultaat zijn opgenomen in de bijlage van dit rapport. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is
54
geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft stikstofdepositie geen belemmeringen.
55
4.10 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen voor het beoogde gebruik is door Adromi B.V. een verkennend onderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: • • • • • •
‘De puinhoudende bovengrond, ter plaatse van boringen 01 en 15, is sterk verontreinigd met PAK; De puinhoudende bovengrond, ter plaatse van boring 02, is matig verontreinigd met PAK; De puinhoudende bovengrond is verder over de gehele locatie licht verontreinigd met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie; Het grondwater is licht verontreinigd met barium en/of zink; In het monster ABmm01 en ABmm02 is asbest aangetoond. Het betreft in beide monsters plaatmateriaal en bestaat uit hechtgebonden chrysotiel; In het monster ABmm03 en ABmm04 is geen asbest aangetoond.
De hypothese verdacht wordt bevestigd vanwege het aantreffen van sterke tot lichte verontreinigingen met PAK en lichte verontreinigingen met metalen, PCB en minerale olie in de grond en lichte verontreinigingen met barium en zink (metalen) in het grondwater. De sterke tot matige verontreiniging met PAK in de grond, ter plaatse van boringen 01, 02 en 15, kan een belemmering vormen voor de voorgenomen herinrichting van de locatie. Aanbevolen wordt om in overleg met het bevoegd gezag te bespreken of aanvullend onderzoek benodigd is. De overige lichte verontreinigingen met zware metalen, PAK, PCB en minerale olie vormen geen belemmering voor de voorgenomen bestemmingswijziging en/of nieuwbouw van woningen. In het grondmengmonster van boringen 01, 02, 04, 05, 13 en het grondmengmonster van boringen 06, 07, 10, 11, 12 en 14 is asbest aangetoond in de vorm van plaatmateriaal (hechtgebonden chrysotiel). Ook hiervoor wordt aanbevolen om in overleg met het bevoegd gezag te bespreken of aanvullend onderzoek benodigd is. Bij het overleg moeten de (definitieve) nieuwbouwplannen worden meegenomen.
56
Indien bij herinrichtingswerkzaamheden grond vrijkomt welke niet ter plaatse kan worden hergebruikt, gelden hiervoor restricties ten aanzien van het hergebruik.’
Afbeelding 25: Boorpuntenkaart bodemonderzoek
Conclusie Ten behoeve van het plan dient er aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd om de sterkte en omvang van de verontreinigingen vast te stellen.
57
4.11 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met voornamelijk een middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd (zie afbeelding 23). Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het plan gaat deze grenswaarden te boven. Ten behoeve van het plan is daarom door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek zijn hieronder uiteengezet.
58
Afbeelding 26: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart
‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De natuurlijke ondergrond van het plangebied wordt gevormd door een pakket oeverafzettingen bestaande uit uiterst siltige tot matig zandige klei, vermoedelijk te relateren aan de Schoonrewoerdse stroomgordel, met daarop een pakket mineraalarm bosveen. Het veenpakket wordt afgedekt door een 110 tot 190 cm dik, ophogingspakket bestaande uit baksteenhoudende, humeuze klei. Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De natuurlijke bodemopbouw lijkt in het noordwesten van het plangebied nog intact te zijn. In het oosten van het plangebied is een relatief diep reikend (170 cm –mv) pakket recent opgebrachte grond aangetroffen. In het zuiden van het plangebied kon de natuurlijke bodemopbouw en de intactheid daarvan niet bepaald worden omdat de hier geplande boring gestuit is op een puinlaag in het recente ophogingspakket. Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? De oeverafzettingen van de Schoonrewoerdse stroomgordel in de ondergrond zijn ongerijpt en kalkrijk. Ze worden daarom niet als archeologisch relevant beschouwd.
In het noordwesten van het plangebied is een relatief dik (110 tot 190 cm) humeus kleipakket boven het veenpakket aanwezig. Dit pakket wordt doorspekt met baksteenfragmenten. Het betreft hier waarschijnlijk een pakket erfophogingslagen. In deze lagen kunnen archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en/of de Nieuwe tijd aanwezig zijn. 59
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Het pakket met ophogingslagen begint op sommige locaties al direct onder het maaiveld (elders is het pakket afgedekt door een 40 tot 50 cm dikke recente ophogingslaag van lichtgrijs zand) en reikt tot 110 á 190 cm –mv (2,25 tot 2,74 m – NAP). Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? In het humeuze kleipakket in de bovengrond zijn baksteenfragmenten en houtresten aangetroffen. Deze indicatoren voor een vindplaats uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd kunnen niet verder gedetermineerd worden. Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? In het humeuze kleipakket dat tot 110 a 190 cm –mv reikt (2,25 tot 2,74 m – NAP). Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? De archeologisch kansrijke pakketten bevinden zich in het noordwesten van het plangebied. Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? De indicatoren kunnen niet nader gedateerd worden dan de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd.
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? Voor het noordwesten van het plangebied kan de middelmatige verwachtingswaarde voor de Late Middeleeuwen of de Nieuwe tijd bijgesteld worden naar een hoge tot zeer hoge archeologische verwachtingswaarde. In het oosten van het plangebied worden op basis van de bodemopbouw geen archeologische resten verwacht en daarom kan hier de middelmatige verwachtingswaarde bijgesteld worden naar een lage verwachtingswaarde. In het zuiden van het plangebied kon geen inzicht in de bodemopbouw verkregen worden en daarom zal de hoge archeologische verwachtingswaarde hier gehandhaafd moeten blijven. In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? De boerderij met bijgebouwen zullen gesloopt worden en daarna zullen verspreid over het plangebied nieuwe panden worden gerealiseerd. Omdat direct onder het maaiveld mogelijke archeologische resten aanwezig kunnen zijn, is het niet mogelijk deze resten bij bouwwerkzaamheden in situ te behouden. Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? In het noordwesten van het plangebied worden nog archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd verwacht (afb. 12).
Daarom wordt geadviseerd om in het noordwestelijke deel van het plangebied, op de locaties waar gebouwd gaat worden, een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uit te voeren. De werkwijze van het onderzoek dient 60
vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE).
Afbeelding 27: Uitsnede afb. 12 archeologisch onderzoek
Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert in het westelijk deel van het plangebied (Abbekesdoel 8 en 8a), na de bovengrondse sloop van de aanwezige bebouwing, een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een proefsleuven (IVO-P) uit te voeren. Het doel van dit onderzoek is het vaststellen van de aanwezigheid van archeologische resten alsook de gaafheid, omvang, datering en conservering daarvan. Indien waardevolle archeologische resten aan het licht komen, dient de sloop of het verwijderen van de funderingen en de mestkelder onder archeologische begeleiding plaats te vinden. De exacte invulling van de werkzaamheden dient voorafgaand aan het veldwerk te worden vastgelegd in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). In het oostelijk deel van het plangebied (Abbekesdoel 7a) zijn geen graaf- of grondroerende werkzaamheden voorzien. In het zuidelijk deel (ten zuiden van de Achterwetering) zal de aanwezige bebouwing worden gesloopt. Omdat deze op het maaiveldniveau is gefundeerd, zal de sloop niet leiden tot (verdere) verstoring van de bodem. Zowel in het oostelijk als het zuidelijk deel van het plangebied wordt daarom (vooralsnog) geen aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk geacht. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen.
Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht deze zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.’
61
Conclusie Ten behoeven van het plan dient er een aanvullend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd.
62
4.12 Duurzaamheid & klimaatverandering Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Het plan speelt hier bewust op in door een (agrarische) bedrijfslocatie te verwijderen en de nieuwe woningen conform de huidige bouw- en duurzaamheidseisen te realiseren (bijvoorbeeld isolatie). Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen) en maatregelen in het kader van energiebesparing. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem.
Rondom het plangebied is voldoende oppervlakte water aanwezig om zware regenbuien op te vangen. Daarbij komt dat de verharding ter plaatse afneemt, doordat de gronden achter de wetering worden teruggebracht naar grasland. Hiermee wordt het plangebied zachter en zal het water meer/beter in de bodem infiltreren als voorheen. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De nieuwe woningen worden buiten het profiel van vrije ruimte (Pvvr) van de waterkering gerealiseerd. De woningen worden op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. De installaties in de woning worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. De te kiezen beplantingen moeten ook erosie van het terrein terugdringen. Het plangebied wordt waar en zoveel als mogelijk groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen. 63
5
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 7a-8’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 7a-8’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 7a-8’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ (13 februari 2012), de ‘Parapluherziening Parkeren’ (27 oktober 2020) en het ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ (26 oktober 2021). De regels van het bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 7a-8’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmings-regels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Agrarisch De gronden achter de wetering worden teruggebracht naar agrarisch grasland. Het bouwvlak ter plaatse wordt daarom verwijderd, zodat de bouw van agrarische opstallen wordt uitgesloten. De bestemming ‘Agrarisch’ blijft behouden. Tuin Conform het moederbestemmingsplan worden de gronden voor de voorgevels van de woningen bestemd met de bestemming ‘Tuin’. Water De bestemming ‘Water’ ter plaatse van de wetering blijft behouden en wordt iets gewijzigd (zie waterparagraaf). De hoeveelheid water / wetering wordt vergroot. Wonen De gronden ter plaatse van de nieuwe woningen worden bestemd met de bestemming ‘Wonen’. Hierin worden specifieke bouwvlakken opgenomen ten 64
behoeve van elk bouwvolume. Aan-, uit-, bijgebouwen en overkappingen zijn buiten het bouwvlak (achter de voorgevel) toegestaan. Waarde – Archeologie – 2 & 4 De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie – 2 & 4' zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem. Waterstaat – Waterkering De dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering' is mede bestemd voor de bescherming van de waterkering aldaar.
5.4 Aanduidingen • • • • • •
Bouwvlakken; Maatvoering: maximum goothoogte: 6 m; Maatvoering: maximum aantal wooneenheden; Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – molenbiotoop 400m; Gebiedsaanduiding: geluidzone – industrie; Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – dijk – 1.
65