Bijlage 1c Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
Westeinde 23A Wijngaarden
Locatiecode
AA069301948
Locatienaam
HBB: Westeinde 23A-23B WIJNGAARDEN ZH
Plaats
Molenlanden
Locatiecode bevoegd gezag WBB
ZH069301948
Status Vervolg WBB
Uitvoeren historisch onderzoek
Beoordeling
Status rapporten
Beschikking
Status besluiten
Status asbest
Pot. verontreinigd
Is van voor 1987
Uitgevoerde onderzoeken Geen gegevens beschikbaar
Beschikbare documenten per onderzoek Geen gegevens beschikbaar
Verontreinigende activiteiten Activiteit
Start
hbo-tank (ondergronds)
1975
Einde 9999
Vervallen
Benoemd
Verontreinigd
Nee
Nee
Onbekend
Geconstateerde verontreinigingen Geen gegevens beschikbaar
Beschikbare documenten Geen gegevens beschikbaar
Besluiten Geen gegevens beschikbaar
Sanering Geen gegevens beschikbaar
Saneringscontouren Geen gegevens beschikbaar
Zorgmaatregelen Geen gegevens beschikbaar
Pagina 3 van 7
-
09-12-2021
Spoed
Voldoende onderzocht Onbekend
Inrichtingen
Pagina 4 van 7
-
09-12-2021
Disclaimer Deze rapportage betreft een geautomatiseerde samenvatting van de op het moment van aanvragen aanwezige gegevens in de informatiesystemen van OZHZ. De basisgegevens uit de informatiesystemen zijn in de regel door derden aangeleverd. Er kan niet worden uitgesloten dat elders relevante informatie aanwezig is, die niet in de informatiesystemen van OZHZ en dus in deze samenvatting is opgenomen. Ook is het vanzelfsprekend mogelijk dat na het moment van aanvragen aanvullende gegevens door OZHZ worden verkregen, of dat recent verkregen informatie nog niet in het informatiesysteem is ingevoerd. Deze rapportage dient derhalve te worden gezien als een momentopname. Vanwege het mobiele karakter van sommige bodemverontreinigingen kan ook niet worden uitgesloten dat de verontreinigingssituatie sinds het uitvoeren van een bodemonderzoek is gewijzigd. Aangezien het invoeren van gegevens mensenwerk is, kan evenmin worden uitgesloten dat bij het invoeren invoer- en/of interpretatiefouten zijn gemaakt. OZHZ is niet aansprakelijk voor enige directe schade dan wel enige andere indirecte incidentele of gevolgschade als blijkt dat in de praktijk de verontreinigingssituatie anders is dan in dit rapport is vermeld.
In het geval van koop/verkoop adviseert OZHZ om bij twijfel aan de representativiteit van de in dit rapport vermelde gegevens alsnog bodemonderzoek op de betreffende locatie te laten uitvoeren. Deze rapportage kan in de regel niet worden gebruikt bij meldingen of vergunningsaanvragen waarvoor een bodemonderzoek is vereist. Kopieën van de in deze rapportage vermelde rapporten kunnen hier mogelijk wel voor worden gebruikt. Dit is afhankelijk van de onderzoekseisen vanuit de melding/vergunning en de aard, ouderdom en kwaliteit van het betreffende onderzoek. Graag uw aandacht voor het volgende: De omgevingsrapportage zoals deze nu voor u ligt bevat helaas nog niet alle bij OZHZ bekende tankinformatie. Het kan daarom zijn dat er brandstoftanks ontbreken. Er wordt aan gewerkt om ook het laatste informatiesysteem aan deze rapportage toe te voegen. In de tussentijd kunt u aanvullende tankinformatie kosteloos opvragen via de website van OZHZ onder het thema "Bodem". Onze excuses voor het ongemak.
Indien er bij de in deze rapportage vermelde locaties ook documenten met links zijn vermeld kunnen deze documenten vanuit deze rapportage gedownload worden. Deze documenten zijn zo zorgvuldig mogelijk geanonimiseerd. Desondanks kan het voorkomen dat deze documenten toch nog persoonsgegevens bevatten. Op verzoek zullen wij deze gegevens alsnog uit het document verwijderen.
Pagina 5 van 7
-
09-12-2021
Bijlage 5
Quickscan flora en fauna
77
Quickscan Wet natuurbescherming Westeinde 22 te Wijngaarden Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2022-0032
Datum:
20 januari 2022
Samensteller:
ing. B.C.E. Vleeshouwers
Collegiale toets:
ing. G. Fairhurst
Opdrachtgever:
H. Ruitenbeek
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
9
2.4
Houtopstanden
10
3 Beoordeling
11
3.1
Soortenbescherming
11
3.2
Gebiedsbescherming
17
3.3
Houtopstanden
19
4 Samenvatting
20
4.1
Soortenbescherming
20
4.2
Gebiedsbescherming
21
4.3
Houtopstanden
21
5 Conclusie
22
5.1
Conclusie
22
5.2
Uitvoerbaarheid
22
5.3
Vervolgstappen
22
5.4
Te treffen maatregelen
22
1 Inleiding Aan de Westeinde 22 te Wijngaarden is een boerenerf met woning en tweetal schuren gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de kleinste schuur te slopen en opnieuw op te bouwen. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Henk Ruitenbeek heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden.
• Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
Het plangebied is gelegen te Westeinde 22 te Wijngaarden.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Westeinde 22 te Wijngaarden en bestaat uit een woonhuis en tweetal schuren (figuur 1.2). Dit rapport heeft betrekking op de kleinste schuur. Hierdoor zijn het woonhuis en de andere schuur niet meegenomen in het rapport. De schuur is opgebouwd uit zwarte potdekselplanken met rieten dak. Er is geen spouw en dakbeschot aanwezig. De binnenzijde van schuur bestaat uit een open spantconstructie. Aan de. Zuidzijde van de schuur is een gazon gelezen met struikvegetatie. Aan de noordzijde van de schuur is een schapenweide gelegen. De schuur wordt momenteel gebruikt voor opslag van vervoersmiddelen. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Westeinde 22 Wijngaarden. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische percelen, boerderijen en het Alblasserbos op circa 700 m ten westen van de planlocatie. Aan de zuidzijde van het perceel is de Achterwetering gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied is de ‘Biesbosch’ op circa 3,6 km ten zuiden van planlocatie.
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het slopen van de schuur en nieuwbouwen van de schuur. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
6
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 12 januari 2022 en is uitgevoerd door ing. B.C.E. Vleeshouwers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 5 Celsius en windkracht 0-1 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
7
Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c.
vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van Zuid-Holland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Zuid-Holland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Meerkikker
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Hermelijn
Veldmuis
Bunzing
Huisspitsmuis
Vos
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Wezel
Dwergspitsmuis
Konijn
Woelrat
Egel
8
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland, onderverdeeld in bestaande en nieuwe natuur, waternatuur en ecologische verbindingen, geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden significant beperken, of leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden.
Mocht een ontwikkeling wel negatieve gevolgen hebben op de bovengenoemde aspecten, is deze ontwikkeling alleen mogelijk als er geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarde, oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. Voor dergelijke ontwikkelingen dient tevens een ontheffing voorhanden te zijn. In de provincie Zuid-Holland valt het Natuurnetwerk Nederland onder beschermingscategorie 1. Bescherming van de ruimtelijke kwaliteit Provincie Zuid-Holland heeft gebieden aangewezen met speciale bescherming van de ruimtelijke kwaliteit. Deze bescherming is opgedeeld in beschermingscategorie 1 en beschermingscategorie 2. Beschermingscategorie 1 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot een wijziging van de bestaande gebiedsidentiteit op structuurniveau, of welke leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden.
De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 1 betreffen Natuurnetwerk Nederland en Beschermd grasland in de Bollenstreek. Beschermingscategorie 2 Een bestemmingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling die leidt tot het transformeren van de bestaande gebiedsidentiteit, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een in het Programma ruimte uitgezonde ruimtelijke ontwikkeling of een zwaarwegend algemeen belang en voort wordt voldaan aan gestelde voorwaarden. De gebieden met betrekking tot natuur binnen beschermingscategorie 2 betreffen Belangrijk weidevogelgebied en de Groene buffer.
9
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
10
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2012-2022). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: buxus, gewone braam, hondsdraf, kleine brandnetel en klimop. Op de muren van de bebouwing is geen beschermde muurvegetatie aangetroffen. In de beoogde ontwikkeling worden geen bomen/struiken verwijdert. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht.
Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter en steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land, namelijk moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De aanwezigheid van goed bereikbare bomen en struiken op de oever is een vereiste (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017). Op de planlocatie zijn er geen bomen en/of wateroppervlaktes aanwezig. Het wateroppervlakte aan de zuidzijde van de planlocatie wordt niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. Door het ontbreken van geschikte habitat elementen kan de aanwezigheid van bever binnen de planlocatie uitgesloten worden. De boommarter komt voor in aaneengesloten bossen.
De planlocatie is gelegen in agrarisch gebied met individuele bomen er omheen gelegen. Er worden geen bomen gekapt t.b.v. de ontwikkelingen. De dichtstbijzijnde waarneming van de boommarter is circa 1,5 km ten westen van de planlocatie in het Alblasserbos (NDFF, 2012-2022). Er zijn geen bosgebieden en/of bomenlanen die de planlocatie in verbinding zet met het leefgebied van de boommarter. Tevens worden er geen groenstructuren weggehaald in de beoogde ontwikkeling. Hierdoor kunnen negatieve effecten en de aanwezigheid van de boommarter worden uitgesloten. Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes.
11
Tevens huist de steenmarter regelmatig in bebouwing (Zoogdiervereniging steenmarter, 2021). De schuur is grondig geïnspecteerd op sporen, zoals latrines, uitwerpselen of prooien, deze zijn niet gevonden tijdens het veldbezoek. Tevens zijn er rondom de schuur ook geen sporen gevonden. Van essentieel habitat is geen sprake; deze soorten geven de voorkeur aan een structuurrijke omgeving met voldoende schuilmogelijkheden en de aanwezigheid van water. Soortgelijke habitatten zijn veel voorkomend in de directe omgeving. Negatieve effecten op steenmarter en essentieel leefgebied zijn uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, egel, konijn en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10).
Er is wat betreft beschermde zoogdieren geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of voortplantingsplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of voortplantingsplaatsen. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2012-2022). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Er worden geen bomen gehakt in de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.
Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De schuur is opgebouwd met zwarte potdeksel planken zonder spouw en een rietdakbedekking zonder dakbeschot. Tevens bezit de schuur over een open spantconstructie. Wegens het ontbreken van muren met spouw en een dak met dakbeschot is het voor bepaalde vleermuissoorten onmogelijk om in de bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de schuur op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. De gewone grootoorvleermuis is echter een soort die de voorkeur geeft aan open (dak en zolder) ruimtes met vrij hangende houten balken en voldoende lichtverduistering. Tijdens het veldbezoek zijn vlindervleugels waargenomen van meerdere soorten vlinders, zoals dagpauwoog, kleine vos en roesje.
Het aantreffen van dergelijke sporen kan een indicatie geven van aanwezigheid van een rustplaats van de gewone grootoorvleermuis. Daarnaast biedt de schuur meerdere openingen en een zeer geschikt habitat doormiddel van houten balken, donkere ruimtes met weinig verstoring. In de periode april t/m september 2021 is door Blom Ecologie onderzoek uitgevoerd naar gewone grootoorvleermuis uit dit onderzoek bleek dat in de omgeving van Wijngaarden de gewone grootoorvleermuis aanwezig is.
12
Door de aangetroffen sporen in de schuur en aanwezigheid van geschikte structuren voor een rustplaats kan de aanwezigheid van de gewone grootoorvleermuis niet uitgesloten worden. Hierdoor is het mogelijk dat de beoogde ruimtelijke ingreep resulteert in het wegnemen van verblijfplaatsen van de gewone grootoorvleermuis (tabel 3.1). Om aan- of afwezigheid van vleermuizen vast te stellen dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels 4 veldbezoeken in de periode april-september (zie H5.3). Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de directe omgeving van de schuur liggen meerdere alternatieven structuren die gebruikt kunnen worden als foerageergebied en/of vliegroute. Tevens zal de bebouwing teruggeplaatst worden in de beoogde ontwikkelingen. Daarnaast worden er geen groen- of waterstructuren aangetast. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze structuren niet aangetast. Tabel 3.1
Samenvatting van de beoordeling op mogelijke overtreding Wnb voor verschillende vleermuissoorten, essentiële vliegroute en foerageergebied.
Vleermuissoort
Potentie
Onderbouwing
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Planlocatie ligt in agrarisch gebied, waargenomen sporen en geschikt habitat met zeer weinig lichtverstoring
Gewone dwergvleermuis
Nee
Gebrek aan spouwmuur en dakbeschot in de schuur
Ruige dwergvleermuis
Nee
Gebrek aan spouwmuur en dakbeschot in de schuur
Laatvlieger
Nee
Gebrek aan spouwmuur en dakbeschot in de schuur
Vleermuizen algemeen
Potentie
Onderbouwing
Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis)
Nee
Afwezigheid hoge bebouwing met bufferende vermogen
Essentiële vliegroute
Nee
Geen aantasting van lijnvormige structuren
Essentieel foerageergebied
Nee
Geen aantasting van houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Tabel 3.2
Samenvatting van de potentie voor vleermuissoorten op de planlocatie.
Vleermuissoort
Zomer
Kraam
Paar
Winter
Gewone grootoorvleermuis
Ja
Ja
Ja
Nee
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2012-2022). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker, poelkikker en rugstreeppad. Amfibieën leven in zowel op het land als in het water. Hier wordt gebruikgemaakt van voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. De heikikker en poelkikker zijn niet erg kritisch ten aanzien van hun leefgebied. De soorten komen van nature voornamelijk voor in vennen, poelen en watergangen in heidegebieden, hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Tegenwoordig worden ze steeds vaker waargenomen in agrarische gebieden.
13
Het voortplantingswater dient ondiep, voedselarm en zonbeschenen te zijn (BIJ12 kennisdocument Heikikker, 2017; BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017). Tevens ontbreek het aan wateroppervlakte en geschikte schuilmogelijkheden op de planlocatie waardoor negatieve effecten op de heikikker en poelkikker zijn uitgesloten. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt in zandige gebieden met vergraafbare grond. De soort komt derhalve vaak voor op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). Momenteel wordt het voorkomen van rugstreeppad op de planlocatie niet verwacht wegens het ontbreken van functioneel leefgebied in de vorm van vergraafbaar zand, ondiepe poeltjes of geschikte overwinteringslocaties. De aanwezigheid van rugstreeppad op de planlocatie kan uitgesloten worden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen.
Er is wat betreft beschermde amfibieën geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of voortplantingsplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of voortplantingsplaatsen. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2012-2022). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is wat betreft beschermde reptielen geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of voortplantingsplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of voortplantingsplaatsen. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde vissoorten: grote modderkruiper (NDFF 2012-2022). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater.
Ten aanzien van beschermde vissen is er geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of voortplantingsplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of voortplantingsplaatsen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: bosbeekjuffer en gevlekte witsnuitlibel (NDFF 2012-2022). De bosbeekjuffer komt voor in beschaduwde, koele en zuurstofrijke beken die gekenmerkt worden door een natuurlijke morfologie. Op de planlocatie zijn geen wateroppervlaktes aanwezig. Het voorkomen van de bosbeekjuffer is hierdoor uitgesloten. De gevlekte witsnuitlibel komt vooral voor in laagveenmoerassen en vegetatierijke vennen en duinplassen (Vlinderstichting gevlekte witsnuitlibel, 2021). Gezien de planlocatie niet voorziet in het geschikte habitat voor de gevlekte witsnuitlibel kan het voorkomen van de soort derhalve uitgesloten worden.
14
Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is wat betreft beschermde insecten en andere ongewervelden geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of voortplantingsplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of voortplantingsplaatsen. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, groene specht, houtduif, huismus, kauw, koolmees, merel, Turkse tortel en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn huismussen aangetroffen. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels bekend, waaronder huismus, kerkuil en steenuil (NDFF 2012-2022). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien.
Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Tijdens het veldbezoek waren er meerdere individuen van huismussen waargenomen op de grens van de planlocatie en het naastgelegen perceel. Op de grens van de planlocatie en het naastgelegen perceel is een jaarrond groene heg gesitueerd hier waren alle individuen waargenomen, tevens blijft de heg behouden in de beoogde ontwikkeling. Op de planlocatie is geen geschikt leefgebied aanwezig voor huismussen. Door het gebrek aan spouw en dakbeschot zijn er geen geschikte nestlocaties aanwezig in de schuur. Hierdoor kunnen nestlocaties van gierzwaluw en huismus uitgesloten worden op de planlocatie. Tevens worden er geen groenstructuren verwijdert in de beoogde ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling resulteert niet in afname van essentieel leefgebied van huismus.
Van aantasting van nestlocaties van huismus en gierzwaluw en essentieel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. In de bebouwing zijn geen sporen, zoals krijtsporen, veren en/of prooiresten, van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. Tevens zijn er geen geschikte invliegopeningen aanwezig voor kerkuil en steenuil. De beoogde ontwikkeling is van beperkte omvang en de directe omgeving van de schuur wordt niet aangetast, hierdoor wordt het foerageergebied van bovengenoemde uilen niet aangetast. Er worden geen bomen gekapt ten aanzien van de ontwikkelingen, tevens zijn er geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De planlocatie wordt niet aangetast, hierdoor is er geen sprake van aantasting van essentieel leefgebied van roofvogelsoorten. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of onder bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig.
Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen.
15
Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De bebouwing vormt voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geen geschikte nestlocaties. De sloopwerkzaamheden mogen worden opgestart in het broedseizoen.
16
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 3,6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 3,6 km tot het Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de renovatie/sloop van de schuur ten behoeve van het wederopbouwen van de schuur. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase.
Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a). De juridische status van deze partiële vrijstelling kan in de toekomst wijzigen. Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen.
17
Gezien er sprake is van een grote afstand (3,6km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied en Groene buffer). Op een afstand van circa 700 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.2). Op een afstand van circa 50 km ligt beschermd grasland in de Bollenstreek en op circa 4 km ligt het Kroonjuweel cultureel erfgoed. Op een afstand van circa 1,2 km ligt Belangrijk weidevogelgebied (figuur 3.3). Op een afstand van circa 6,9 km ligt de Groene buffer en op circa 3 km ligt het recreatiegebied. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 700 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: ruimtelijkeplannenzuidholland.nl).
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,2 km tot het Belangrijk weidevogelgebied (bron: ruimtelijkeplannenzuidholland.nl). 18
3.3 Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.
19
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de gewone grootoorvleermuis. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
art. 3.5
Ja
Mogelijke functie planlocatie
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Gewone grootoorvleermuis
Verblijfplaats
Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (Algemeen en cat. 5)
20
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS-calculator, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
3,6 km
Geen
N.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
700 m
Geen
N.v.t.
Belangrijk weidevogelgebied
1,2 km
Geen
N.v.t.
Groene buffer
6,9 km
Geen
N.v.t.
Beschermd grasland in de Bollenstreek
50 km
Geen
N.v.t.
Recreatiegebied
3 km
Geen
N.v.t.
Kroonjuweel cultureel erfgoed
4 km
Geen
N.v.t.
4.3 Houtopstanden Er worden geen bomen gekapt in de beoogde ontwikkeling.
21