Bijlage 1b Toelichting
Tekst van het document
WIJNGAARDEN, WESTEINDE 22 bestemmingsplan
Wijngaarden, Westeinde 22 bestemmingsplan
Vastgesteld
Projectleider Bouw Dhr. C. de Ruijter Adviseur Ruimtelijke Ordening Dhr. K. Oostendorp
Datum: 19 maart 2024
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding voor het plan 1.2 Planlocatie 1.3 Geldende bestemmingsplannen 1.4 Leeswijzer Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Gewenste situatie Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid Hoofdstuk 4 Ruimtelijke- en milieuaspecten 4.1 Milieu 4.2 Ecologie 4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.4 Verkeer en parkeren 4.5 Wateraspecten Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 5.3 Handhaving Hoofdstuk 6 Wijze van bestemmen 6.1 Doel en reikwijdte 6.2 Onderdelen van een bestemmingsplan 6.3 Voorliggend bestemmingsplan
3 4 4 5 5 6 8 8 10 13 13 15 18 19 21 21 30 34 35 36 39 39 39 40 41 41 41 43
2
T oelichting
3
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding voor het plan
Voorliggend plan betreft een gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied Graafstroom" en de parapluherzieningen daarop van gemeente Molenlanden ten behoeve van het demonteren en herbouwen van een monumentaal pand aan de Westeinde 22 te Wijngaarden, waarbij dit pand van het agrarisch bedrijf wordt afgesplitst en wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Bij de herbouw en afsplitsing zal het monumentale karakter van het betreffende pand zoveel mogelijk in stand worden gehouden. In het hoofdstuk "Planbeschrijving" (hoofdstuk 2) wordt het initiatief verder toegelicht, daar is ook een situatietekening van de nieuwe situatie opgenomen. De voorgenomen ontwikkeling is noodzakelijk om een aantal redenen. De initiatiefnemer voert ter plaatse momenteel een agrarisch melkrundveehouderijbedrijf uit. De zoon van de initiatiefnemer woont momenteel nog in huis en zoekt een zelfstandige woonruimte om zijn activiteiten als ZZP-er in installatiewerk (bijv. airco en zonnepanelen) en eenvoudige bouwkundige zaken te kunnen uitvoeren met voldoende ruimte en privacy. Het betreffende pand is een voormalige veestal die nu buiten gebruik is en niet meer functioneel is. Het gebouw staat op een gedeelte ondergrond wat privé-eigendom is en geen onderdeel uitmaakt van de bedrijfsoppervlakte.
Het pand is uitgevoerd in houtskeletbouw en voorzien van een gevelbekleding in potdekseldelen en heeft een rieten dakbedekking. De bouwkundige staat van het pand is slecht. In het houtskelet en de gevelbekleding zijn houtworm en houtrot aanwezig. Verder is de dakbedekking volledig op en voor nood opgelapt. Er ontstaat door deze teruggang van het pand een gevaarlijke situatie. Het renoveren en terugbrengen in de originele staat brengt hoge kosten mee zonder dat daarmee een functioneel gebouw ontstaat en is om die reden niet haalbaar. De inwonende zoon van de initiatiefnemer wil graag zelfstandig wonen. Door het betreffende pand om te schakelen naar een woning ontstaat de mogelijkheid voor de zoon om zelfstandig te wonen, maar wel dichtbij de initiatiefnemer om deze voldoende te kunnen ondersteunen. De zoon kan op deze manier meehelpen met de zwaardere taken in de bedrijfsvoering van het melkrundveehouderijbedrijf die voor de initiatiefnemer niet meer goed uitvoerbaar zijn. Met de eigen woonruimte heeft de zoon echter voldoende privacy en ruimte om zijn activiteiten als ZZP-er ongestoord te kunnen uitvoeren. De initiatiefnemer kan hem daarbij, omdat zij nog wel dichtbij de zoon wonen, in voldoende mate ondersteunen. Er ontstaat daarmee voor beide partijen een win-win situatie. Met de demontage en herbouw zal zorgvuldig worden omgegaan.
Het nieuwe pand zal in dezelfde unieke stijl worden teruggebouwd, waarmee de karakteristieke waarde voor de gemeenschap behouden blijft. Het alternatief is een verdere verpaupering van het betreffende pand en de uiteindelijke onvermijdelijke demontage of het tenietgaan van het pand door een calamiteit, waarmee een waardevol pand verloren zal gaan. De ontwikkeling borgt met de herbouw het behoud van het historische aanzicht. Tevens zal het nieuwe pand energieneutraal worden opgericht, waarmee wordt bijgedragen aan de klimaatdoelstellingen van de overheid. De ontwikkeling zal daarmee bijdragen aan een verduurzaming van de samenleving. Met de gewenste ontwikkeling zal een kwaliteitswinst worden behaald in de omgeving. Niet alleen wordt een pand dat in een zeer slechte bouwkundige staat verkeerd opgeknapt, maar er worden tevens kwaliteitsverbeterende maatregelen getroffen ten behoeve van de ontwikkeling. Een oude reeds aanwezige schuur achterop het kavel zal worden gesloopt. Daarmee wordt gebiedsontsierende bebouwing gesloopt en zal de ruimtelijke kwaliteit verbeteren. Daarnaast zal het asbest van de aanwezige stal en loods worden vervangen door asbestvrije dakbedekking. Verder worden de voortuinen van de beide woningen onder achtitectuur aangepast naar een passend ensemble.
Tevens zal ter plaatse worden voorzien in een passende en goede landschappelijke inpassing, waarmee eveneens een bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit en beleving van het gebied. Ten slotte heeft de gewenste ontwikkeling een meerwaarde voor de maatschappij. Niet alleen zal sprake 4
zijn van een bijdrage aan de verduurzaming en een versterking van de ruimtelijke kwaliteit, er zal eveneens sprake zijn van een bijdrage aan de vitaliteit van het dorp door het toevoegen van een wooneenheid voor een jonge ondernemer. De gewenste ontwikkeling past niet binnen het bepaalde in het geldende bestemmingsplan. De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen met de voorgenomen ontwikkeling, mits hiervoor een partiële herziening op het bestemmingsplan wordt opgesteld conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voorliggend document dient als toelichting waarin nader wordt gemotiveerd waarom de ontwikkeling mogelijk kan worden gemaakt en deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.2
Planlocatie
De planlocatie is gelegen aan de Westeinde 22 te Wijngaarden en ligt aan de westkant van Wijngaarden in het landelijk gebied van gemeente Molenlanden. De locatie is kadastraal bekend onder gemeente Wijngaarden, sectie A, nummers 465, 466 en 512. In de volgende figuur is de topografische ligging van de locatie weergegeven.
Uitsnede topografische kaart locatie. Bron: J.W. van Aalst, www.opentopo.nl.
1.3
Geldende bestemmingsplannen
Ter plaatse is het bepaalde uit het bestemmingsplan "Buitengebied Graafstroom" van de gemeente Molenlanden, zoals vastgesteld door de gemeenteraad op 25 januari 2010, onverkort van toepassing. Zoals te zien in de volgende figuur is ter plaatse de bestemming 'Agrarisch met waarden' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' toegekend. Tevens zijn ter plaatse de aanduidingen 'bouwvlak', 'cultuurhistorische waarden', 'wro-zone - aanlegvergunning overgangsgebied' en 'wro-zone wijzigingsgebied dorpslint' van toepassing.
5
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen de bepalingen uit het geldende bestemmingsplan. In het geldende bestemmingsplan is eveneens geen afwijkingsmogelijkheid en/of wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Om deze reden is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan gedeeltelijk te herzien met een partiële herziening (ook wel postzegelbestemmingsplan genoemd). De gemeente heeft aangegeven in principe medewerking te willen verlenen, mits wordt aangetoond dat de ontwikkeling niet zal leiden tot bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak. Middels voorliggende toelichting wordt de ontwikkeling nader gemotiveerd en wordt aangetoond dat deze niet zal leiden tot onevenredige bezwaren op ruimtelijk en/of milieutechnisch vlak.
1.4
Leeswijzer
Deze toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en gewenste situatie en bevat een beschrijving van de situatie ter plaatse zoals momenteel bekend en de gewenste situatie ter plaatse na realisatie van de plannen van de initiatiefnemer. Hoofdstuk 3 gaat in op de vigerende beleidskaders. Hierin worden de plannen van de initiatiefnemer getoetst aan het ruimtelijk beleid van het rijk, de provincie en de gemeente. Hoofdstuk 4 gaat in op de toetsing van het plan aan de aspecten milieu, ecologie, archeologie en cultuurhistorie, verkeer en parkeren en water. Hierin worden verschillende bureaustudies beschreven en, indien van toepassing, uitgevoerde aanvullende onderzoeken beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de uitvoerbaarheid van het plan. Hierin worden de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan getoetst en wordt kort ingegaan op het aspect handhaving. Hoofdstuk 6 bevat de wijze van bestemmen. Hierin wordt nader gespecificeerd welke onderdelen een bestemmingsplan hoort te bevatten en welke bijzondere bepalingen ten aanzien van voorliggend plan van toepassing zijn. 6
7
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
De locatie is gelegen in het landelijk gebied van gemeente Molenlanden. De omgeving van de locatie bestaat voornamelijk uit agrarische landbouw- en weidegronden aan de achterzijde van een dorpslint. De verkavelingsstructuur betreft een strokenverkaveling, met een relatief grootschalige opzet. De onderlinge kavels worden gescheiden door kavelsloten en/of lijnen in het landschap. In de nabije omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen en enkele agrarische bedrijven gelegen. De locatie behoort momenteel bij het agrarisch melkrundveehouderijbedrijf van de initiatiefnemer en is in het bestemmingsplan voorzien van een koppelteken met dit bedrijf. Echter is de locatie gelegen op gronden in privé-eigendom welke geen relatie meer hebben met het agrarisch bedrijf. Het betreffende pand is in het verleden in gebruik geweest als stalruimte, maar dit pand wordt al geruime tijd niet meer als stal gebruikt. Door de staat waarin het pand zich bevindt is agrarisch gebruik van het pand ook niet langer mogelijk. Ter plaatse is een gekoppeld bouwvlak toegekend. Het gekoppelde bouwvlak is in totaal ongeveer 0,95 hectare groot. Het deel van het bouwvlak waarop het betreffende pand is gelegen en dat dus eigenlijk geen deel meer uitmaakt van het bedrijf is ongeveer 0,18 hectare groot. In de volgende figuur is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie.
8
Luchtfoto huidige situatie ter plaatse. Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl.
9
2.2
Gewenste situatie
2.2.1 Ruimtelijke structuur De initiatiefnemer is voornemens ter plaatse het betreffende pand af te splitsen van het agrarisch bedrijf en om te schakelen naar een burgerwoning. Omdat het pand in een dusdanig slechte staat verkeerd en renovatie niet tot de haalbare mogelijkheden behoort is het daarnaast de wens van de initiatiefnemer om het betreffende pand te demonteren en te herbouwen. Gezien de monumentale status van het pand zal de herbouw in dezelfde unieke stijl plaatsvinden. Tevens zal de aanwezige kenmerkende houten hoofddraagconstructie worden geïntegreerd in het plan. Daarmee blijft de historische waarde zoveel mogelijk behouden. Voor de gewenste ontwikkeling zal eveneens een omgevingsvergunning voor het wijzigen van een monument worden aangevraagd. Het deel van de gronden waarop het betreffende pand staat is geregistreerd als privé-eigendom en maakt geen deel meer uit van het bedrijf. Daarnaast is agrarisch gebruik van het pand door de staat waarin het verkeert niet langer mogelijk. Gezien de ligging in een lint met burgerwoningen ligt de voorgenomen omschakeling naar een burgerwoning voor de hand. De initiatiefnemer is reeds op leeftijd (65+).
De zoon van de initiatiefnemer woont nog bij de initiatiefnemer in huis en is op zoek naar een eigen woonruimte waarbij hij voldoende privacy heeft en voldoende ruimte en gelegenheid om zijn activiteiten als ZZP-er verder uit te voeren en te ontwikkelen. Met het omschakelen van het pand naar een woning wordt de zoon van de initiatiefnemer in de gelegenheid gesteld om zelfstandig te wonen. Door de korte afstand tot de woning van de initiatiefnemer ontstaat een win-win situatie, waarbij de zoon de initiatiefnemer kan helpen bij het uitvoeren van de zwaardere taken in het melkrundveehouderijbedrijf en waarbij de initiatiefnemer de zoon kan ondersteunen waar nodig. Met de gewenste ontwikkeling zal daarnaast worden voorzien in maatregelen ten behoeve van de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit, de milieusituatie en de duurzaamheid. Het betreffende pand zal worden gedemonteerd en in dezelfde unieke waardevolle stijl worden teruggebouwd, met zoveel mogelijk behoud van de bestaande structuur en oude elementen. Daarmee zal de beeldkwaliteit ter plaatse verbeteren. Het betreffende pand zal daarnaast volledig energieneutraal worden opgericht, waarmee wordt bijgedragen aan de klimaatdoelstellingen van de overheid en aan de verduurzaming van de samenleving en de omgeving.
Verder zal ter plaatse worden voorzien in een bij het gebied passende landschappelijke inpassing, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit en de beleving van het gebied. Tevens zal een oude schuur achterop het bedrijfskavel worden gesloopt. Hiermee wordt gebiedsontsierende bebouwing gesloopt. Dit bevordert de beeldkwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Ten slotte zullen de huidige asbesthoudende daken op het bedrijf worden gesaneerd en worden vervangen door daken zonder asbest. Dit zal de milieusituatie in de omgeving verbeteren. Tevens zal het niet langer als agrarisch in gebruik kunnen nemen van het deel van het bedrijf waarop het pand gelegen is zorgen voor een vermindering van de mogelijke milieudruk op de omliggende burgerwoningen. Het om te schakelen en terug te bouwen pand wordt opgericht op ongeveer 51 meter van het bouwvlak van het veehouderijbedrijf. Daarmee wordt aan de wettelijk vereiste afstanden voldaan. In de volgende figuur is de gewenste situatie in een situatietekening weergegeven. Een volledige situatietekening op schaal is als bijlage 1 bij deze onderbouwing opgenomen.
10
Situatietekening gewenste situatie. Bron: DLV Advies.
2.2.2 Landschappelijke inpassing Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving niet verloren gaat maar, als mogelijk, juist wordt versterkt. Tevens is vanuit het ruimtelijke beleid een goede landschappelijke inpassing een vereiste. Om te onderzoeken of de ontwikkeling mogelijk kan bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving is door een landschapsdeskundige een tekening opgesteld waarop is aangegeven hoe de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk zal worden ingepast. Deze tekening is in de volgende figuur weergegeven.
11
Tekening landschappelijke inpassing. Bron: JansBos Landschap & Advies. Deze tekening maakt onderdeel uit van een landschappelijk inrichtingsplan dat ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is opgesteld. In dit landschappelijk inrichtingsplan is opgenomen op welke manier de voorgenomen ontwikkeling landschappelijk wordt ingepast en welke soorten beplanting daarvoor worden toegepast. Voor het gehele landschappelijk inrichtingsplan wordt verwezen naar bijlage 2 van deze onderbouwing. Hiermee kan worden gesteld dat ter plaatse wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing.
12
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Rijksbeleid
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 heeft de Rijksoverheid de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een aantal urgente maatschappelijke opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal en internationaal spelen. Grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. Nederland heeft echter een lange traditie van aanpassen. Deze opgaven worden dan ook benut om vooruit te komen en tegelijkertijd het mooie van Nederland te behouden voor de volgende generaties. Met de NOVI wordt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken geboden, om samen het land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. Omgevingskwaliteit is het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. Met inachtneming van maatschappelijke waarden en inhoudelijke normen voor bijvoorbeeld gezondheid, veiligheid en milieu. In dat samenspel van normen, waarden en collectieve ambities, stuurt de NOVI op samenwerking tussen alle betrokken partijen. Met de ambities van het Rijk wordt veel gevraagd van de leefomgeving.
De ambities vragen meer ruimte dan er eigenlijk beschikbaar is. Derhalve wordt de volgende conclusie gesteld: niet alles kan en niet alles kan overal. De vraag daarbij is hoe kansen kunnen worden verzilverd en eventuele bedreigingen het hoofd geboden kunnen worden. Het Rijk moet en wil in dit proces het voortouw nemen. Schaarste betekent immers dat moet worden gekozen. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen wordt gewerkt aan de prioriteiten van de overheid: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio's en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze prioriteiten zijn voor zowel de korte als lange termijn maatregelen nodig die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen. Daarbij staan de volgende maatregelen centraal: 1.
Klimaatbestendige inrichting in 2050: Hierbij is het van belang dat het watergebruik beter wordt afgestemd op het beschikbare water en dat water langer wordt vastgehouden, dat functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving moeten meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem en dat de energietransitie naar een volledig duurzame energiewinning verder wordt gestimuleerd en ontwikkeld. 2. Duurzame en circulaire economie: Hierbij is het van belang dat de gevolgen voor de economie, mede door de COVID-19 pandemie, zoveel mogelijk worden beperkt en dat bij de locaties van kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra, naast de vraag van bedrijven en economische vitaliteit, aansluiting wordt gehouden op het verkeers en vervoersnetwerk, het elektriciteitsnetwerk en rekening wordt gehouden met de aantrekkelijkheid en kwaliteit van stad en land. Daarbij wordt ingezet op actieve clustering van (grootschalige) logistieke functies op logistieke knooppunten langs (inter)nationale corridors en worden investeringen gedaan in het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening in samenhang met het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. 3.
Ontwikkeling Stedelijk Netwerk Nederland: Hierbij is het van belang dat wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden met een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's, dat de woningbouw een nieuwe, stevige impuls wordt gegeven en dat zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied wordt ontwikkeld, klimaatbestendig en natuurinclusief. Daarbij behouden grote open ruimten tussen de steden het groene karakter, wordt het aanbod en de kwaliteit van groen in de stad versterkt en wordt de aansluiting op het groene gebied buiten de stad verbeterd. 4. Geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied: Hierbij is het van belang dat de biodiversiteit wordt verbeterd, dat steeds meer richting wordt gegeven 13
aan een duurzame kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap en dat wordt bijgedragen aan een landelijk gebied waarin het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland. Vanuit de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor zowel nationale als decentrale keuzes. Let wel: het Rijk eigent zich geen centraliserende rol toe. Integendeel, de verantwoordelijkheid ligt bij alle partijen gezamenlijk. Vanuit het Rijk wordt gestreefd naar regie op het samenspel en regie bij het bewaken van de nationale belangen. Dilemma's worden niet uit de weg gegaan, maar er worden kansen gecreëerd, juist door samen met de ambities aan de slag te gaan. Kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. En zo ook kansen om sociale samenhang en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een duurzame en circulaire samenleving, stevig te verankeren in de manier van leven en werken. Het Rijk benoemt wel duidelijk de nationale belangen, maakt nationale keuzes, geeft richting aan decentrale afwegingen én werkt gebiedsgericht. Met de NOVI wil de Rijksoverheid in concrete gebieden tot keuzes komen.
Daarbij wil het Rijk doen wat goed is voor heel Nederland en wat tegelijkertijd recht doet aan de eigenheid van de regio's. Dit vergt een goed samenspel tussen Rijk, provincie, waterschappen en gemeenten, maar ook tussen overheden en bedrijven, maatschappelijke instellingen en burgers. Vanuit al deze partijen is daarom al intensief meegedacht bij de totstandkoming van de NOVI. Bij de uitvoering van de NOVI wordt deze samenwerking voortgezet. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond. Het gaat daarbij om 'omgevingsinclusief' beleid. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden. Het rijk geeft daarbij voorkeursvolgorden voor bepaalde ontwikkelingen mee aan de provincies en gemeenten. Zo lang geen sprake is van een nationaal belang en zo lang de ambities van het Rijk niet worden tegengewerkt geeft het Rijk de beoordeling en uitvoering van ontwikkelingen zoveel mogelijk aan provincies en gemeenten.
De nationale belangen zijn juridisch verankerd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). In het Barro is aangegeven welke gebieden, of projecten, van nationaal belang zijn en aanvullende toetsing behoeven. Om te bepalen of sprake is van strijdigheid met de nationale belangen dient daarom verder te worden getoetst aan het Barro. Deze toetsing is opgenomen in de paragraaf "Besluit algemene regels ruimtelijke ordening" (paragraaf 3.1.2). De verdere toetsing van ontwikkelingen aan ruimtelijke en milieutechnische belangen vindt plaats aan het provinciaal beleid.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 17 december 2011 is de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) Ruimte gedeeltelijk in werking getreden. Deze nieuwe AMvB Ruimte heeft de eerdere ontwerp AMvB Ruimte 2009 vervangen. Juridisch wordt de AMvB Ruimte aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro is op 1 oktober 2012 geactualiseerd en is vanaf die datum geheel in werking getreden. Met de inwerkingtreding van het Barro naast het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), is de juridische verankering van de uitgangspunten uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte compleet. In het Barro zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Het Barro is deels opgebouwd uit hoofdstukken afkomstig van de ontwerp AMvB Ruimte die eind 2009 is aangeboden en deels uit nieuwe onderwerpen. Per onderwerp worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het besluit bepaalt tevens: "Voor zover dit besluit strekt tot aanpassing van een bestemmingsplan dat van kracht is, stelt de 14
gemeenteraad uiterlijk binnen drie jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit een bestemmingsplan vast met inachtneming van dit besluit." Volgens de toelichting bij dit artikel geldt als hoofdregel, dat de regels van het Barro alleen van toepassing zijn wanneer na inwerkingtreding van het Barro een nieuw bestemmingsplan voor het eerst nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt binnen de aangegeven projectgebieden. Alleen wanneer het Barro expliciet een aanpassing van bestemmingsplannen vergt, omdat een reeds bestaand bestemmingsplan binnen een of meerdere van de projectgebieden is gelegen, dan moet dat binnen drie jaar gebeuren. Het Barro draagt bij aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang en "vermindering van de bestuurlijke drukte". Belemmeringen die de realisatie van de genoemde projecten zouden kunnen frustreren of vertragen worden door het Barro op voorhand onmogelijk gemaakt. Daar staat tegenover dat de regelgeving voor lagere overheden weer wat ingewikkelder is geworden. Gemeenten die een bestemmingsplan opstellen dat raakvlakken heeft met een of meerdere belangen van de projecten in het Barro, zullen nauwkeurig de regelgeving van het Barro moeten controleren. Het Barro vormt daarmee een nieuwe, dwingende checklist bij de opstelling van bestemmingsplannen.
In het Barro zijn de projecten van nationaal belang beschreven. Deze projecten zijn in beeld gebracht in de bij het Barro behorende kaarten. De locatie is niet in een van de aangewezen projectgebieden gelegen. Hiermee zijn de bepalingen uit het Barro niet van toepassing op de planlocatie en is geen sprake van strijdigheid met de nationale belangen.
3.1.3 Ladder duurzame verstedelijking Ingevolgde artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de zogenaamde Ladder voor duurzame verstedelijking, dient de toelichting bij een bestemmingsplan, waarin een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt maakt, een beschrijving te bevatten van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Een stedelijke ontwikkeling is als volgt gedefinieerd: "ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Aan de hand van deze definitie kan gesproken worden van een stedelijke ontwikkeling. Op basis van jurisprudentie (uitspraken ABRvS 28 juni 2017, 201608869/1/R3, Dongeradeel) is echter bepaald dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt.
Er is bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake van het oprichten van meer dan 11 woningen die als één woningbouwlocatie kunnen worden aangemerkt. Hiermee kan worden gesteld dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dat daarmee verdere toetsing aan de Ladder duurzame verstedelijking niet is vereist.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland De provincie heeft haar beleid eenvoudiger, transparanter en toegankelijker gemaakt voor initiatiefnemers in Zuid-Holland. Met het samenbrengen van verschillende beleidsplannen voor de fysieke leefomgeving tot 1 integraal Omgevingsbeleid sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. De Omgevingswet verplicht provincies om een Omgevingsvisie en een Omgevingsverordening te maken. De Zuid-Hollandse Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is per 1 april 2019 in werking getreden. De Omgevingsvisie geeft de beleidsuitgangspunten op hoofdlijnen weer. De Omgevingsvisie is niet juridisch bindend. De juridische borging van de Omgevingsvisie vindt plaats in de Omgevingsverordening, 15
waarin de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie in regels zijn vastgelegd. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Een deel van die vraag past qua kwaliteit niet daarbinnen. Daarnaast kunnen er kwantitatieve beperkingen zijn. Een randvoorwaarde bij beter benutten is namelijk dat de leefkwaliteit in de bebouwde ruimte behouden blijft en waar mogelijk wordt versterkt. Ook kan de kwaliteit van de groene ruimte aanleiding zijn om een kwaliteitsverbetering te realiseren door middel van het toevoegen van stedelijke functies. Stedelijke ontwikkelingen die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied gerealiseerd kunnen worden en kleinschalige stedelijke ontwikkelingen, kunnen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten. De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats in aansluiting op een bestaand bebouwingslint en betreft een kleinschalige verstedelijking. Zoals nader omschreven in de paragraaf "Ladder duurzame verstedelijking" (paragraaf 3.1.3) is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling kan daarmee binnen het landelijk gebied mogelijk worden gemaakt als daar voldoende aanleiding toe is.
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt, naast het creëren van een maatschappelijke win-win situatie voor de initiatiefnemer en diens zoon, een ruimtelijke kwaliteitswinst behaald. Deze wordt enerzijds behaald door het verbeteren van de beeldkwaliteit ter plaatse door het demonteren en herbouwen van het in zeer slechte staat verkerende monnumentale pand, waarbij het pand in dezelfde unieke stijl wordt teruggebouwd om de monumentale waarde ervan te behouden, en anderzijds door het realiseren van een goede, bij het gebied passende landschappelijke inpassing die de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse versterkt. Tevens zal ook nog een verouderde schuur op de locatie worden gesloopt waarmee gebiedsontsierende bebouwing wordt gesloopt. Ook dit draagt bij aan de beeldkwaliteit en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse en in de omgeving. Daarnaast zal met de voorgenomen ontwikkeling worden bijgedragen aan het behalen van de klimaatdoelstellingen van de overheid en de verdere verduurzaming van de samenleving. Het te demonteren en herbouwen pand zal namelijk geheel energieneutraal worden opgericht, waarmee de energiebehoefte op de locatie zal afnemen, op duurzame wijze in energie wordt voorzien en geen sprake is van uitstoot van schadelijke broeikasgassen. Ten slotte zal met de voorgenomen ontwikkeling een milieuwinst worden behaald.
Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt namelijk een (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw met agrarische mogelijkheden omgeschakeld naar een burgerwoning. Een burgerwoning heeft geen onevenredige milieuhinder tot gevolg aan de omgeving. Een agrarisch bedrijfsgebouw mogelijk wel. De eventuele milieuhinder aan de omgeving zal daarmee afnemen. Daarnaast zal milieuwinst worden behaald door het saneren van de huidige asbesthoudende daken. Deze zullen worden vervangen door daken zonder asbesthoudende materialen. De voorgenomen ontwikkeling draagt daarmee bij aan een verbetering van de beeldkwaliteit, de ruimtelijke kwaliteit, de duurzaamheid en de klimaatdoelstellingen van de overheid. Daarmee is de voorgenomen kleine verstedelijking in het landelijk gebied voorstelbaar. Verder streeft de provincie naar het behoud en een versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij geeft de provincie richting aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. In de gehele provincie, zowel in het stedelijk gebied als in het landelijk gebied, beoogt het kwaliteitsbeleid een zogenaamde 'ja, mits-beleid': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit).
Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en ruimtelijke ontwikkelingen naar mate van impact op de omgeving. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen twee uitgangspunten: een kleinschalige ontwikkeling heeft in beginsel minder ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten dan een grootschalige ontwikkeling en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid; hoe hoger en specifieker de kwaliteit van een gebied is, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: 16
1. Inpassing: Dit betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit. 2. Aanpassing: Dit betreft een ontwikkeling die aansluit bij de huidige identiteit van een gebied, maar op structuurniveau wijzigingen of aanvullingen voorziet. Een voorbeeld is de aanleg of verbreding van een provinciale weg, een beperkt aantal nieuwe woningen in het buitengebied of een nieuw landgoed. Bewoners en gebruikers uit de bestaande omgeving merken duidelijk invloed van de nieuwe ontwikkeling. De rol van de provincie zal zich, afhankelijk van het type gebied en het type ontwikkeling, vooral richten op het toewerken naar een kwalitatief zo gunstig mogelijk resultaat.
Omdat in deze gevallen niet aan (alle) richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, zijn ontwerpoptimalisatie, inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen nodig om de ruimtelijke kwaliteit te behouden of te verbeteren. 3. Transformatie: Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat er een nieuw landschap of stedelijk gebied ontstaat. Er ontstaat een nieuwe toekomst voor het gebied met een nieuwe gebiedsidentiteit. De impact van deze plannen op een gebied is groot. Dit is bijvoorbeeld het geval bij uitleglocaties voor woningbouw en bedrijventerrein of de aanleg van grootschalige recreatiegebieden. Gelet op de wezenlijke verandering van het gebied is het reëel om aan te nemen dat niet aan alle richtpunten van de kwaliteitskaart kan worden voldaan, maar dat door middel van een nieuw integraal ontwerp er een nieuwe ruimtelijke kwaliteit ontstaat die nog niet is ondervangen in de richtpunten. In de meest verregaande vorm van transformatie is van de huidige identiteit niets meer zichtbaar. In alle gevallen is het belangrijk om aansluiting te zoeken bij structuren en patronen aan de rand van de omgeving, bijvoorbeeld een bosrand, waterloop of woonlint. Het ontwerp kan gepaard gaan met inpassingsmaatregelen of aanvullende ruimtelijke maatregelen in de omgeving.
Gelet op de omvang van de ontwikkeling kunnen dergelijke maatregelen – eenvoudiger dan bij aanpassing – onderdeel uitmaken van hetzelfde plan. Bij transformatie-opgaven is bijna altijd een provinciaal doel of belang in het geding en zal de betrokkenheid van de provincie zich richten op een actieve behartiging van provinciale doelen, een kwalitatief optimaal resultaat inclusief een maatschappelijke tegenprestatie. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een woning in een bestaand lint. Daarnaast zal de structuur van het lint en van het landschap nagenoeg niet wijzigen. Er is reeds sprake van een bestaand pand en er zal een soortgelijk pand worden teruggebouwd. Alleen het gebruik wijzigt. Omdat geen sprake is van een aanpassing van de structuur en sprake is van een kleinschalige ontwikkeling, zijnde een woning in een bestaand lint, is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van inpassing. Naast het generieke kwaliteitsbeleid, dat geldt voor de gehele provincie, wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ook ontwikkelingen mogelijk zijn, maar waar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid extra voorwaarden van toepassing zijn. In gebieden met beschermingscategorie 1 zijn ruimtelijke ontwikkelingen in beginsel alleen mogelijk voor zover ze bijdragen aan het behoud of de ontwikkeling van de specifieke waarden.
In gebieden met beschermingscategorie 2 zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, maar met inachtneming van het instandhouden van de specifieke waarden. De locatie is niet in een gebied gelegen waarvoor een beschermingscategorie is vastgesteld. Er is daarmee geen sprake van aanvullende voorwaarden. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie Zuid-Holland van de provincie Zuid-Holland. 17
3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De Omgevingsverordening bevat de juridische vertaling van de beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie, welke tegelijkertijd met de Omgevingsverordening is opgesteld. De beleidsuitgangspunten uit de Omgevingsvisie zijn in regels vertaald en vastgelegd in de Omgevingsverordening. De meest recente versies van zowel de Omgevingsvisie als de Omgevingsverordening zijn op 1 april 2019 in werking getreden. Vanuit de omgevingsverordening zijn nieuwe woningen in het buitengebied formeel uitgesloten.Hierop gelden echter een aantal uitzonderingen, waaronder woningen in bebouwingslinten, ruimte-voor-ruimte woningen en bedrijfswoningen die als burgerwoningen worden gebruikt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van een woning in een reeds bestaand bebouwingslint. In het lint zijn al diverse burgerwoningen gelegen, waarmee de ontwikkeling goed aansluit op het betreffende lint. Er is daarmee sprake van een ontwikkeling die past binnen de mogelijkheden die worden geboden in de verordening. Naast specifieke regels voor ruimtelijke ontwikkelingen gelden vanuit de Omgevingsverordening ook algemene regels ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit. Daarbij is het van belang te kijken naar de impact van een ontwikkeling op het landschap en de omgeving.
Zoals nader uitgewerkt in de paragraaf "Omgevingsvisie Zuid-Holland" (paragraaf 3.2.1) is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van een ontwikkeling waarbij de structuur van het lint en van het landschap nagenoeg niet wijzigen. Er is reeds sprake van een bestaand pand en er zal een soortgelijk pand worden teruggebouwd. Alleen het gebruik wijzigt. Omdat geen sprake is van een aanpassing van de structuur en sprake is van een kleinschalige ontwikkeling, zijnde een woning in een bestaand lint, is met de voorgenomen ontwikkeling sprake van inpassing. Tevens is de locatie niet in een gebied gelegen waarvoor een beschermingscategorie is vastgesteld. Er is daarmee geen sprake van een ontwikkeling met een onevenredige impact op het landschap. Tevens wordt met de voorgenomen ontwikkeling bijgedragen aan de ruimtelijke kwaliteit, de beeldkwaliteit en de duurzaamheid ter plaatse en in de omgeving. Er is daarmee sprake van een verbeterde ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de voorschriften zoals zijn opgenomen in de Omgevingsverordening Zuid-Holland van de provincie Zuid-Holland.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1 Regionale structuurvisie 'Open voor elkaar' In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. Door de demontage en herbouw van het in zeer slechte staat verkerende pand, waarbij de unieke stijl en monumentale waarde van het pand wordt behouden zal de beeldkwaliteit worden verbeterd. Door de sloop van een oude vervallen schuur achterop het kavel zal de beeldkwaliteit eveneens toenemen en zal sprake zijn van een verbeterd doorzicht naar het achterliggende landschap.
Hiermee wordt het autentieke karakter en de cultuurhistorische waarden van de regio behouden. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de voorschriften zoals zijn opgenomen in de regionale structuurvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden. 18
3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden (AV) een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: Stedelijk gebied; Voorzieningendorpen; Woondorpen. De huidige afspraak is een netto toevoeging van maximaal 3.364 woningen netto in totaal voor de regio voor de periode 2015-2025. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 0,7% huishoudensgroei per jaar. Bij de voorgenomen ontwikkeling vindt uitbreiding plaats betreft woonbestemmingen op een bestaand bebouwingslint. Door het toevoegen van een burgerwoning in een bebouwingslint wordt ingespeeld op de grote woonbehoefte in de regio.
Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de voorschriften zoals zijn opgenomen in de regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Gemeentelijke structuurvisie Op 29 maart 2011 heeft de voormalige gemeente Graafstroom, welke inmiddels is opgegaan in de gemeente Molenlanden, de Structuurvisie Graafstroom vastgesteld. Deze structuurvisie bevat het ruimtelijk beleid van de gemeente op hoofdlijnen met een doorkijk naar de lange(re) termijn. De structuurvisie is niet juridisch bindend, maar biedt het ruimtelijk kader bij het opstellen van bestemmingsplannen, waarin de beleidsuitgangspunten worden vastgelegd. Vanuit de structuurvisie is de locatie gelegen in een bestaand lint. De linten en kernen kennen een grote mate van functiemenging en dynamiek. Herstructurerings- en intensiveringsprocessen zijn in beginsel dan ook overal binnen de bestaande linten en kernen denkbaar, waarbij geldt dat inbreiding voor uitbreiding gaat. Uiteraard moet hierbij worden aangesloten op de kwaliteiten en mogelijkheden van dat woongebied en de omgeving. Waar mogelijk streeft de gemeente naar herstel van oorspronkelijke doorzichten en waterstructuren, die door stedenbouwkundige uitbreidingen zijn teniet gedaan. Ook moeten mogelijkheden om de bestaande overgangen van het landelijk gebied naar de dorpskernen te verbeteren, worden aangegrepen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van herstructurering van een locatie. Het bouwvolume en de structuur van het kavel zal met de voorgenomen ontwikkeling nagenoeg niet wijzigen.
Door de demontage en herbouw van het in zeer slechte staat verkerende pand, waarbij de unieke stijl en monumentale waarde van het pand wordt behouden zal de beeldkwaliteit worden verbeterd. Door de sloop van een oude vervallen schuur achterop het kavel zal de beeldkwaliteit eveneens toenemen en zal sprake zijn van een verbeterd doorzicht naar het achterliggende landschap. Tevens draagt de voorgenomen ontwikkeling, door realisatie van een goede landschappelijke inpassing die passend is in het gebied, bij aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Door het volledig energieneutraal oprichten van het nieuwe pand zal eveneens worden bijgedragen aan de klimaatdoelstellingen van de overheid en de verdere verduurzaming van de samenleving en de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarmee een zeer positief effect op de omgeving en is daarmee 19
passend in het bestaande lint. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de uitgangspunten zoals zijn opgenomen in de Structuurvisie Graafstroom van de voormalige gemeente Graafstroom, welke inmiddels deel uitmaakt van de gemeente Molenlanden.
3.4.2 Woonvisie 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnelt de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen.
Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed). Bij de voorgenomen ontwikkeling vindt uitbreiding plaats betreft woonbestemmingen op een bestaand bebouwingslint. Door het toevoegen van een burgerwoning in een bebouwingslint wordt ingespeeld op de grote woningvraag in gemeente Molenlanden. Met het toevoegen van een woonbestemming voor de zoon van de initiatiefnemer wordt een betaalbare woning gecreëerd voor een starter. Hiermee wordt voorkomen dat een woningzoekende naar andere gemeenten uitwijkt. Tevens draagt de voorgenomen ontwikkeling, door realisatie van een goede landschappelijke inpassing die passend is in het gebied, bij aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Door het volledig energieneutraal oprichten van het nieuwe pand zal eveneens worden bijgedragen aan de klimaatdoelstellingen van de overheid en de verdere verduurzaming van de samenleving en de omgeving. Gezien het voorgaande past de voorgenomen ontwikkeling binnen de voorschriften zoals zijn opgenomen in de woonvisie van gemeente Molenlanden.
20
Hoofdstuk 4 4.1
Ruimtelijke- en milieuaspecten
Milieu
4.1.1 Milieuzonering Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie, te weten: geur, stof, geluid en gevaar. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen met daarin de aan te houden richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstand afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het zo scheiden van milieubelastende en -gevoelige functies dient twee doelen: 1. het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige functies (bijvoorbeeld woningen); 2. het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. In de VNG handreiking zijn richtafstanden opgenomen op het gebied van geur, stof, geluid en gevaar. Indien niet aan de in de handreiking opgenomen afstanden wordt voldaan is mogelijk sprake van milieuhinder aan de betreffende gevoelige functies.
De genoemde afstanden betreffen echter geen harde normen maar richtafstanden waarvan, mits goed gemotiveerd, kan worden afgeweken. Dit houdt in dat wanneer niet aan de afstanden wordt voldaan een nadere motivatie noodzakelijk is waaruit blijkt dat geen onevenredige hinder wordt veroorzaakt. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het demonteren en herbouwen van een monumentaal pand, waarbij het wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Een burgerwoning veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Er zijn daarom ook geen richtafstanden opgenomen in de VNG handreiking voor burgerwoningen. Omdat een woning niet zal leiden tot een onevenredige hinder aan de omgeving zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige milieuhinder aan de omgeving. Door de omschakeling van een (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw met agrarische mogelijkheden naar een burgerwoning zal eerder sprake zijn van een verminderde hinder aan de omgeving. Naast het feit dat een ruimtelijke ontwikkeling geen onevenredige hinder aan gevoelige objecten in de omgeving mag veroorzaken mag deze ook niet leiden tot beperkingen van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven, functies en bestemmingen. Dit is echter vooral van belang wanneer sprake is van het oprichten van nieuwe gevoelige objecten.
Bij de voorgenomen ontwikkeling zal een monumentaal (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw worden gedemonteerd en worden herbouwd, waarbij het wordt omgeschakeld naar een burgerwoning. Dit betreft een gevoelig object. In de omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Burgerwoningen hebben geen onevenredige milieuhinder aan de omgeving en worden niet beperkt door de komst van een nieuw gevoelig object. De omliggende burgerwoningen zullen dan ook niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. Aan de Westeinde 26, 26a en 26b is een agrarisch bedrijf gelegen. Dit betreft een melkrundveehouderij. Tevens is aan de Westeinde 18-19 een agrarisch bedrijf gelegen. Ook dit betreft een melkrundveehouderij. Voor melkrundveehouderijen zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen: Geur: 100 meter. Stof: 30 meter. Geluid: 30 meter. Gevaar:0 meter. Het betreffende bedrijf aan de Westeinde 18-19 is, gemeten van bouwvlak tot het deel van het bouwvlak waarop de gewenste woning is gepland, gelegen op een afstand van ongeveer 171 meter. Hiermee wordt ruimschoots aan de gestelde richtafstanden voldaan, waarmee geen sprake zal zijn van een beperking van 21
de ontwikkelingsmogelijkheden van het betreffende bedrijf. Het betreffende bedrijf aan de Westeinde 26, 26a en 26b is, eveneens gemeten van bouwvlak tot het deel van het bouwvlak waarop de gewenste woning is gepland, gelegen op een afstand van ongeveer 124 meter. Ook ten aanzien van dit bedrijf wordt ruimschoots aan de richtafstanden voldaan, waarmee het betreffende bedrijf eveneens niet in de ontwikkelingsmogelijkheden zal worden beperkt. Het eigen bedrijf, zijnde de melkrundveehouderij van de initiatiefnemer aan de Westeinde 22, mag eveneens niet in de ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt. De afstand tussen de herbouwen en af te splitsen woning tot aan het dichtstbijzijnde punt van het bouwvlak van de eigen melkveehouderij waarop bedrijfsgebouwen (stallen) mogen worden opgericht, bedraagt ongeveer 51 meter. Daarmee wordt aan de richtafstanden, behalve aan die voor geur voldaan. Voor het aspect geur is derhalve een aanvullende motivatie nodig. Het eigen bedrijf van de initiatiefnemer betreft een nelkveehouderij. Voor melkrundvee en het bijbehorend jongvee zijn geen geuremissiefactoren vastgelegd. Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient, wanneer sprake is van dieren zonder geuremissiefactoren, te worden voldaan aan de in de Wgv opgenomen vaste afstanden.
Omdat de locatie buiten de bebouwde kom is gelegen bedragen deze 50 meter tussen de gevel van het gevoelig object en het dichtstbijzijnde emissiepunt van een dierenverblijf van de veehouderij en 25 meter tussen de gevel van het gevoelig object en de gevel van een dierenverblijf van de veehouderij. Gezien de afstand van de te herbouwen en te splitsen woning tot aan het bouwvlak van de eigen melkveehouderij waarop bedrijfsgebouwen mogen worden opgericht ongeveer 51 meter bedraagt wordt aan de vaste afstanden voldaan en is geen sprake van een (verdere) belemmering van de eigen melkveehouderij.
4.1.2 Geur De Wet geurhinder veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. Het tijdstip van inwerkingtreding van de wet is vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 12 december 2006. Op 18 december 2006 is de Wet geurhinder en veehouderij gepubliceerd. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Wet geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. Hiervoor dienen de minimale afstanden van 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom, en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom te worden aangehouden. Deze afstanden gelden van emissiepunt van het dierenverblijf tot de gevel van het gevoelige object. Tussen de gevel van het dierenverblijf en de gevel van het gevoelige object geldt een minimale afstand van 50 meter bij objecten binnen de bebouwde kom en 25 meter bij objecten buiten de bebouwde kom. Bij gemeentelijke geurverordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen en afstanden.
De gemeente Molenlanden heeft een geurverordening vastgesteld. Daarin is afgeweken van de wettelijke vaste afstanden. Voor objecten die op of na 19 maart 2000 opgehouden zijn te behoren bij een veehouderij gelden de wettelijke vaste afstanden. Voor gevoelige objecten ten aanzien van de eigen voormalige inrichting gelden geen minimale afstanden meer. Voor overige gevoelige objecten zijn de wettelijke afstanden gehalveerd. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het demonteren en herbouwen van een monumentaal pand, zijnde een (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw, waarbij dit zal worden omgeschakeld naar een burgerwoning. Een burgerwoning veroorzaakt geen geurhinder aan de omgeving. Hiermee zal de voorgenomen ontwikkeling niet leiden tot een toename van de geurbelasting aan gevoelige objecten in de omgeving. Naast het feit dat een ontwikkeling niet mag leiden tot een onevenredige toename van de geurhinder aan de omgeving dient, wanneer sprake is van nieuwe gevoelige objecten, te worden aangetoond dat ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur. Bij de voorgenomen ontwikkeling is sprake van het omschakelen van een (voormalig) agrarisch bedrijfsgebouw naar een burgerwoning. Er is daarbij sprake van een nieuw gevoelig object. In de nabije 22
omgeving van de locatie zijn voornamelijk burgerwoningen gelegen. Burgerwoningen veroorzaken geen geurhinder aan de omgeving, waarmee deze geen invloed hebben op de geurbelasting ter plaatse van het gewenste nieuwe gevoelige object. Verder zijn in de nabije omgeving van de locatie twee agrarische bedrijven gelegen. Beide betreffen melkrundveehouderijen. Voor melkrundveehouderijen geldt dat er geen geuremissiefactoren zijn vastgelegd, waarmee melkrundveehouderijen geen bijdrage hebben aan de achtergrondbelasting op het gebied van geur. Voor dieren zonder geuremissiefactor dient te worden voldaan aan de vaste afstanden. Wanneer aan deze afstanden wordt voldaan is geen sprake van een onevenredige geurbelasting en is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Beide van de betreffende melkrundveehouderijen zijn op meer dan 100 meter van de locatie gelegen (gemeten van bouwvlak tot bouwvlak). Ten slotte moet aan de afstanden ten aanzien van het eigen agrarisch bedrijf worden voldaan. Het om te schakelen en te herbouwen pand wordt gebouwd op ongeveer 51 meter van het bouwvlak van het eigen agrarisch bedrijf. Daarmee wordt aan de vaste afstanden voldaan en is geen sprake van een onevenredige geurbelasting ter plaatse van de gewenste woning. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het gebied van geur.
4.1.3 Luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de Wet milieubeheer (Wmb) goedgekeurd (Stb. 2007, 414) en vervolgens is de wijziging op 15 november 2007 in werking getreden. Met name paragraaf 5.2 uit Wmb is veranderd. Omdat paragraaf 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe paragraaf 5.2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). De Eerste Kamer is op 9 oktober 2007 akkoord gegaan met het wetsvoorstel over luchtkwaliteitseisen. Projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) aan de luchtverontreiniging, hoeven volgens het wetsvoorstel niet meer afzonderlijk getoetst te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht. Het Besluit NIBM omschrijft het begrip nader: een project dat minder dan 3% van de grenswaarden bijdraagt is NIBM. Dit komt overeen met 1,2 microgram per kubieke meter lucht (µg/m³) voor fijnstof en stikstofoxiden (NO2).
Projecten die wel 'in betekenende mate' bijdragen, zijn vaak al opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is erop gericht om overal de Europese grenswaarden te halen. Daarom is ook een pakket aan maatregelen opgenomen: zowel (generieke) rijksmaatregelen als locatiespecifieke maatregelen van gemeenten en provincies. Dit pakket aan maatregelen zorgt ervoor dat alle negatieve effecten van de geplande ruimtelijke ontwikkelingen ruim worden gecompenseerd. Bovendien worden alle huidige overschrijdingen tijdig opgelost. In het NSL worden de effecten van alle NIBM-projecten verdisconteerd in de autonome ontwikkeling. Het NSL omvat dus alle cumulatieve effecten van (ruimtelijke) activiteiten op de luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling betreft geen grootschalige infrastructurele of industriële ontwikkeling en geen ontwikkeling van een veehouderij. De uitstoot van fijnstof zal met de voorgenomen ontwikkeling niet in onevenredige mate toenemen, waarmee sprake is van een zogenaamde NIBM-ontwikkeling. Gezien sprake is van een NIBM-project zal bij de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden.
Naast het feit dat geen sprake mag zijn van een onevenredige toename van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van wijzigingen in de inrichting dient ook de uitbreiding van het aantal verkeersbewegingen meegenomen te worden. Zoals nader aangetoond in de paragraaf "Verkeersbewegingen" (paragraaf 4.4.2) zal met de voorgenomen ontwikkeling geen sprake zijn van een onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen. Hiermee is de uitstoot van fijnstof en stikstofoxiden als gevolg van het aantal verkeersbewegingen verwaarloosbaar en valt onder de noemer NIBM, waarmee geen sprake zal zijn van een onevenredige toename van de 23