Bijlage 1 - Toelichting omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22a Bodem’
Tekst van het document
TAM-OMGEVINGSPLAN HOOFDSTUK 22A BODEM Molenlanden TAM-omgevingsplan
Toelichting
1/2
DATUM KENMERK
27-06-2025 NL.IMRO.1978.TAMOPBodem-VG01
PROJECT PROJECTLEIDER
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Bodem M. Kegler
OPDRACHTGEVER Gemeente Molenlanden PROJECTNUMMER 20241260 AUTEUR STATUS
2/2
L. Slikker Ter vaststelling
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Preambule Dit plan beoogt de regels voor het thema bodem te wijzigen voor het ambtsgebied van Molenlanden. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Molenlanden. De in dit omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als afdelingen van hoofdstuk [22a] van het omgevingsplan van de gemeente Molenlanden. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22a' gelezen worden. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening Omgevingsloket.nl Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
7
1.3
Toepassingsbereik
7
1.4
Procedure
8
1.5
Leeswijzer
8
Uitgangspunten voor de wijziging van de regels
9
2.1
Kader
9
2.2
Doel en algemene uitgangspunten
9
2.3
Uitgangspunten voor nieuwe regels
11
Beleidskader
15
3.1
Inleiding
15
3.2
Rijk
15
3.3
Provincie
16
3.4
Gemeente
17
Beoordelingsregels waaronder instructieregels
19
4.1
Inleiding
19
4.2
Beschermen van de waterbelangen
19
4.3
Bodemkwaliteit
21
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
25
Participatie
25
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
27
Hoofdstuk 7
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
29
Hoofdstuk 8
Artikelsgewijze toelichting
31
8.1
Algemene bepalingen bodem
31
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 4
Hoofdstuk 5 5.1
3/102
TOELICHTING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan en de rijksregels m.b.t. bodem die per 1 januari 2024 gelden zijn niet in lijn met de recente ontwikkelingen op het gebied van bodemkwaliteit en met het regionale bodembeleid. Zo is het bijvoorbeeld op basis van deze bodemregels niet mogelijk om bouwen op met PFOA verontreinigde grond te voorkomen of te reguleren. In feite zijn er vanaf 1 januari 2024 ongewenste hiaten in de bodemregelgeving ontstaan. Daarom zijn voorbeschermingsregels vastgesteld die gelden sinds 1 januari 2024. Aangezien deze voorbeschermingsregels op grond van artikel 4.14 van de Omgevingswet na 1,5 jaar vervallen, dienen binnen deze periode bodemregels te worden opgenomen in het omgevingsplan. Verder staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving van het Rijk regels die verplicht moeten worden opgenomen in het omgevingsplan. De Bruidsschat geeft hier tijdelijk een invulling aan. Bij de definitieve invulling wordt rekening gehouden met de regionale bodemopgaven. Ook de provincie verplicht de gemeenten om regels op te nemen in hun omgevingsplan (ZuidHollandse Omgevingsverordening en Voorbereidingsbesluit Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2022 grondwaterkwaliteit).
In de bodembeheernota van 2010 (welke gaat over het toepassen van grond en baggerspecie) staan oude regionale regels die moeten worden heroverwogen en op basis van de nieuwe regelgeving opgenomen moeten worden in het omgevingsplan. Daarnaast is beleidsvernieuwing wenselijk gezien de ontwikkelingen op gebied van PFAS, lood, ecologie, duurzaamheid, circulariteit en digitalisering. Bovenstaande wijziging van de regels is in dit TAMomgevingsplan verwerkt. Dit TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a betreft het gehele grondgebied van Molenlanden en is een aanvulling op de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied betreft het gehele ambtsgebied van de gemeente Molenlanden.
1.3
Toepassingsbereik
De regels in dit TAM-omgevingsplan vervangen de Bodembeheernota uit 2010, de voorbeschermingsregels bodem van de gemeente Molenlanden (voorbereidingsbesluit bodem) en de voorbeschermingsregels van de provincie ZuidHolland (voorbereidingsbesluit grondwaterkwaliteit). De regels in dit TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22a gelden in voorrang op de regels van het tijdelijke deel omgevingsplan van de gemeente Molenlanden, zoals deze op het moment van inwerkingtreding van dit plan is vastgesteld. Met de bodemregels wordt de landbodem opnieuw in bodemfunctieklassen ingedeeld.
7/62
1.4
Procedure
Het wijzigingsbesluit wordt op basis van artikel 16.30 Omgevingswet (Ow) en afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter inzage gelegd. De kennisgeving van de terinzagelegging van het ontwerpwijzigingsbesluit wordt gedaan via digitale weg in het Gemeenteblad en in het Kontakt. Het ontwerpTAMomgevingsplan wordt zes weken ter inzage gelegd en binnen deze termijn kan een ieder zienswijzen bij de gemeente indienen. De ingediende zienswijzen worden voor zover nodig/mogelijk verwerkt in het te nemen wijzigingsbesluit. Nadat het wijzigingsbesluit is genomen door de gemeenteraad ligt het vastgestelde wijzigingsbesluit zes weken ter inzage en kunnen diegenen die een zienswijze hebben ingediend en belanghebbende zijn, een beroepschrift bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State indienen. Tevens kan een verzoek om een voorlopige voorziening bij de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden ingediend. Er is gekozen om met het wijzigen van het omgevingsplan gebruik te maken van het format TAM-IMRO. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan in een later stadium overgezet kan worden naar het omgevingsplan in STOP-TPOD sluit de structuur van dit TAM-plan aan op de structuur van het omgevingsplan zoals Molenlanden dat voor ogen heeft in STOP-TPOD.
1.5
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk worden in hoofdstuk 2 de uitgangspunten voor de wijziging van de regels besproken. In hoofdstuk 3 wordt de wijziging van de regels getoetst aan het beleid van rijk, provincie en gemeente. In hoofdstuk 4 worden de relevante instructieregels van het Rijk en de provincie getoetst. De maatschappelijke- en financiële haalbaarheid komen vervolgens in hoofdstuk 5 en 6 aan de orde. In hoofdstuk 7 leest u de conclusie of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies en of het plan bijdraagt aan een gezonde leefomgeving. In hoofdstuk 8 is de artikelsgewijze toelichting opgenomen.
8/62
Hoofdstuk 2 2.1
Uitgangspunten voor de wijziging van de regels
Kader
Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Het thema bodem is geregeld in verschillende onderdelen van de Omgevingswet, waaronder het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de bruidsschat. Ook is het Besluit- en de Regeling bodemkwaliteit gewijzigd. In de Omgevingswet is bepaald dat een gemeente in haar omgevingsplan alle regels opneemt voor activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Onderwerpen als het doen van bodemonderzoek, het saneren van de bodem en toepassen van bouwstoffen zijn op basisniveau geregeld in de Omgevingswet en de uitwerking ervan wordt geregeld in het omgevingsplan. De bodemregels zijn over het algemeen een aanvulling op of afwijking van de regels uit het Bal en geven invulling aan de instructieregels van het Bkl.
2.2
Doel en algemene uitgangspunten
Doel wijziging regels thema bodem De oogmerken waar vanuit we regels voor bodem stellen om de geconstateerde gaten in de regelgeving te dichten, zijn gezondheid en veiligheid. Het thema bodemkwaliteit betreft de volgende onderwerpen en waarvoor lokale regels opgesteld zijn: 1. Toepassen van grond en baggerspecie 2. Toepassen van bouwstoffen 3. Opslaan van grond en baggerspecie 4. Graven in de bodem 5. Saneren van de bodem (grond en grondwater) 6. Nazorg na sanering 7. Historisch bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico 8. Bouwen van een bodemgevoelig en/of grondwatergevoelig gebouw (grond en grondwater) De onderwerpen 1 tot en met 5 betreffen milieubelastende activiteiten (MBA's) uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) waarvoor maatwerkregels worden gesteld. Op de onderwerpen 6 tot en met 8 zijn regels gesteld die voort vloeien uit instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en instructieregels van de provinciale omgevingsverordening. Instructieregels zijn juridische regels van het Rijk of de provincie aan een ander bestuursorgaan, waaronder gemeenten, welke aangeven hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. De gemeente is verplicht deze regels op te volgen.
Algemene uitgangspunten In het algemeen streeft de gemeente Molenlanden ernaar te zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving, waarbij het gebruik en de bescherming van de bodem en de ondergrond in balans zijn. Een duurzaam gebruik van de bodem (grond en grondwater) dient mogelijk te zijn. Dit zowel voor de huidige generatie als voor toekomstige generaties.
9/62
De bestaande chemische kwaliteit van de bodem mag op gebiedsniveau niet verslechteren en dient aan te sluiten bij de functie van de locatie. Bij het bepalen van de kwaliteitsdoelstelling van bodem en ondergrond spelen zowel gezondheidseffecten als ecologische effecten een belangrijke rol. Het voormalige regionale bodembeleid (Bodembeheernota 2010) is heroverwogen wordt vervangen door de regels van dit TAM-plan. Daarnaast is een lokale invulling gegeven aan de instructieregels van het Rijk en zijn de instructieregels van de provincie Zuid-Holland opgevolgd. Verder zijn de regionale bodemopgaven en ontwikkelingen meegenomen in de lokale regels. Dit betreft de onderwerpen PFAS, lood, ecologie, duurzaamheid, circulariteit en digitalisering. De nieuwe lokale regels zoals opgenomen in deze handreiking zijn gebaseerd op: Omgevingswet; Omgevingsbesluit; Invoeringsbesluit Omgevingswet; Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet; Besluit activiteiten leefomgeving; Besluit kwaliteit leefomgeving; Besluit bodemkwaliteit; Regeling bodemkwaliteit; Zuid-Hollandse Omgevingsverordening; Voorbereidingsbesluit Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening 2022 grondwaterkwaliteit; Adviezen RIVM en GGD; Regionale onderzoeken ten aanzien van PFAS; Bodembeheernota Zuid-Holland Zuid (2010) Voor een aantal onderdelen moeten verplicht regels worden opgenomen in het omgevingsplan.
Dit zijn instructies uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en uit de provinciale Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (zie Hoofdstuk 4). Voor een aantal onderdelen zijn lokale regels opgenomen: Het toepassen van thermisch gereinigde grond en aandachtsbouwstoffen is verboden zonder omgevingsvergunning. Voor het toepassen van grond en bagger zijn afwijkende kwaliteitseisen opgenomen. Er gelden afwijkende eisen voor wegbermen buiten de bebouwde kom, industrie- en bedrijventerreinen en locaties nazorg Omgevingswet. Er zijn afwijkende eisen voor woongebieden in de hele regio voor nikkel, lood, asbest en PFOA. Bij de activiteit graven, saneren en bouwen is PFOA ook als mogelijk verontreinigende stof opgenomen, zodat de regels bij die activiteiten ook gelden voor PFOA-verontreinigingen. Er zijn net als voor lood, lokaal afwijkende grenswaarden vastgesteld. Voor saneringen is ook de voorbeschermingsregel voor het saneren van vluchtige stoffen overgenomen en worden ook afwijkingen op de standaardsaneringsregels toegestaan die nu al de praktijk zijn. Ook zijn er regels die het efficiënt en risicogestuurd afhandelen van VTH-taken en wet Basis Registratie Ondergrond mogelijk maken en die de initiatiefnemer niet of nauwelijks extra belasten.
10/62
2.3
Uitgangspunten voor nieuwe regels
Voor de nieuwe regels zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: 2.3.1 Regeldruk Er is gekozen voor heldere regels 1. Het tijdelijk uitnemen van grond met een bodemkwaliteit onder de interventiewaarde is nader toegelicht; 2. Er zijn normen gesteld voor de zuurgraad (pH) en het gehalte barium voor grond die wordt toegepast. Deze normen staan niet in de Rijksregels, maar volgen wel uit de algemene zorgplicht. Dit voorkomt vragen en onduidelijkheden; 3. Bij saneren van vluchtige (uitdampende) stoffen is in plaats van verregaande, ingewikkelde aanvullende maatregelen gekozen om de saneringsaanpak; 'verwijderen van verontreiniging' te verplichten; 4. Voor het toepassen van thermisch gereinigde grond en aandachtsbouwstoffen is gekozen voor een simpel verbod. Afwijken kan met maatwerk of een vergunning. Er is gekozen voor minder regels als dat kan 1. De regels voor kleinschalig graven uit de bruidsschat worden niet overgenomen. Kleinschalige graafwerkzaamheden hebben een beperkte impact op het milieu. Het Rijk heeft dit dan ook niet aangewezen als milieubelastende activiteit. Daarnaast geeft het een grote hoeveelheid meldingen, waar vervolgens weinig informatie in staat (enkel datum en locatie van graven). Omdat de milieu-impact klein is zal in de praktijk een toezichthouder er ook weinig prioriteit aan geven.
De huidige praktijk wijst ook uit dat er vrijwel nooit iets aan de hand is. Daarnaast geldt voor alle werkzaamheden de zorgplicht. Op basis hiervan kan bij voorkomende gevallen opgetreden worden. 2. De bruidsschatregels ten aanzien van historische bodemverontreiniging (zonder risico's) worden niet overgenomen. De regels zijn overbodig. Het betreft locaties waar vóór 1 januari 2024 een beschikking is genomen op een verontreiniging of uit nader onderzoek blijkt dat er een verontreiniging is. Als dat zo is dan kan het bevoegd gezag bij een milieubelastende activiteit ambtshalve maatwerkvoorschriften opleggen. Verlangd kan bijvoorbeeld worden dat sanerende maatregelen worden getroffen. De maatregelen mogen geen onevenredige belasting zijn voor de initiatiefnemer. Wij kunnen geen situatie bedenken waarbij het redelijk is om sanerende maatregelen te verlangen, als ze niet al verlangd kunnen worden vanuit de Omgevingswet en als ze niet al onder de Wet bodembescherming aangepakt zijn.
2.3.2 Efficiënt werken Er is gekozen voor informatie die efficiënt werken mogelijk maakt Bij de meeste meldingen wordt extra informatie gevraagd. Het gaat om informatie die bij de aanvrager/melder bekend is en die voor handen is. Met die informatie kan onze ambtelijke organisatie veel efficiënter werken: 1. Het gaat om inhoudelijk informatie, waarmee direct en digitaal de risico's van het werk inzichtelijk zijn. 2. Het gaat ook om een digitaal bestand van een bodemonderzoek (in xml-formaat), zodat die automatisch ingelezen kan worden in het landelijke registratiesysteem. Die registratie is verplicht op basis van de Wet Basisregistratie Ondergrond.
11/62
2.3.3 Milieu en bescherming Er is voor gekozen om daar waar nodig te beschermen 1. De bodemkwaliteitskaart werd al nauwelijks gebruikt als kwaliteitsbewijs voor grond. Nu kiezen we ervoor het gebruik van de kaart als bewijs voor de kwaliteit van de grond niet meer toe te staan, omdat de kaart niet de daadwerkelijke kwaliteit van de grond aangeeft. Wij kiezen ervoor een bodemonderzoek te vereisen. 2. Bescherming van milieu tegen thermisch gereinigde grond (dit is verbrande grond) en aandachtsbouwstoffen (zoals staalslakken of AVI-bodemas) door een vergunningplicht. Dit is nodig omdat er een hoog risico is op milieuschade bij deze toepassingen. Enkel middels een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit kan hiervan worden afgeweken. Nadere motivering van de keuze voor vergunningplicht is opgenomen in Bijlage 1. 3. Daar waar het nodig zijn normen verruimd zoals voor nikkel. Deze stof komt in heel het beheergebied in verhoogde concentraties voor en heeft geen gezondheidsrisico's. Deze grond is goed herbruikbaar. 4. Bij het saneren van industrieterreinen is een leeflaag van 1 meter dikte niet nodig, omdat het gebruik van de bodem weinig gevoelig is. De blootstelling aan de verontreiniging kan hier ook prima worden beperkt met een leeflaag van 0,5 meter dikte.
2.3.4 Milieu en gezondheid Er is gekozen voor gezond, veilig en duurzaam bodemgebruik In grond die wordt toegepast mogen volgens de Rijksregels veel bodemvreemde bijmengingen zitten. Dit is niet wenselijk in een woonwijk, volkstuin of buitengebied waar de bodem (chemisch en fysisch) schoon hoort te zijn. Wij kiezen er daarom voor om: 1. De regels ten aanzien van het percentage bijmengingen aan te scherpen (waaronder asbestverdacht materiaal). 2. Voor de volksgezondheid strenge normen voor lood, barium, asbest en PFOA te stellen. 3. Strengere normen te stellen van lood, PFOA en vluchtige (uitdampende) stoffen bij het saneren. 4. Bij de beoordeling van een omgevingsvergunning bouw beoordelingsruimte in te bouwen en een strengere toelaatbare bodemkwaliteit voor lood en PFOA op woonlocaties te hanteren. De gehalten lood en PFOA volgen uit de adviezen die het RIVM hierover geeft voor een duurzaam bodemgebruik bij de functie wonen. Toelichting lood Bij bouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet bij het overschrijden van de toelaatbare bodemkwaliteit worden gesaneerd. Het Rijk hanteert voor lood de oude interventiewaarde van 530 mg/kg als norm. De norm is reeds achterhaald door het onderzoek en advies van het RIVM (2015 en 2017) en de GGD (2016).
Hierdoor worden de gebruiksfuncties en de bodemkwaliteit niet optimaal op elkaar afgestemd en dit kan een negatief effect hebben op de volksgezondheid. De provincie adviseert in haar handelingskader op basis van de rapporten van RIVM en GGD een maximaal gehalte van 370 mg/kg ds. Dit gehalte nemen wij over in ons regionaal beleid. De bodemkwaliteit wordt daarmee afgestemd op de gebruiksfunctie. Toelichting PFOA Het Rijk heeft in 2021 een INEV (indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging) van 60 µg/kg (0,060 mg/kg) vastgesteld voor PFOA. Via de voorbeschermingsregels wordt deze waarde nu nog aangehouden als saneringsgrenswaarde bij nieuwbouw van woningen. Deze waarde sluit echter niet aan bij de gebruiksfunctie. Het RIVM (2021) adviseert een maximale waarde voor duurzaam bodemgebruik van 30 µg/kg (0,030 mg/kg). Dit gehalte nemen wij over in ons regionaal beleid. De bodemkwaliteit wordt daarmee afgestemd op de gebruiksfunctie. Reden dat RIVM een lager gehalte adviseert is omdat de gemiddelde Nederlander een relatief hoge hoeveelheid PFAS
12/62
binnenkrijgt via onder andere voedsel en drinkwater ("achtergrondblootstelling"). Dit geldt niet voor overige stoffen. De kans dat er voor een woningbouwproject saneringsmaatregelen worden geëist neemt hiermee toe. Dit zal statistisch gezien alleen spelen in zone 17 van de PFOA-verwachtingskaart (kernzone PFOA depositie). De kans van overschrijding neemt hier toe van 4 naar 13%. Verder zijn de overige PFAS in deze regio niet zodanig diffuus verhoogd, dat sprake is van gezondheidsrisico's of geen sprake is van duurzaam bodemgebruik. Als het nodig is kan de beoordelingsruimte die we inbouwen in de bodemregels ook gebruikt worden om per geval te beoordelen of de bodemkwaliteit toelaatbaar is. 2.3.5 Milieu en ecologie Er is gekozen voor een kwaliteit grond die past bij ecologische ambities 1. Voor de ecologie is het heel belangrijk dat de zuurgraad (pH) van de bodem niet verandert; daarom zijn er normen gesteld voor de pH bij het toepassen van grond. De pH moet aansluiten bij de pH die in deze regio normaal is. 2. Wegbermen buiten de bebouwde kom worden tegenwoordig als ecologisch interessant beschouwd en daarom worden strengere normen gehanteerd voor de grond die daar mag worden toegepast. Wegbermen werden ingedeeld in de bodemfunctieklasse Industrie. Dit wordt nu bodemfunctieklasse Wonen. Deze bodemfunctieklasse sluit beter aan bij de ecologische ambities.
Voor sommige industrieterreinen die schoon zijn, geldt hetzelfde. Wat schoon is en waar een ecologische ambitie is, moet het schoon blijven. 3. Sommige gebieden zijn al wat vuiler dan andere. Dan is goed beheer nodig. Dit beheer was al geregeld in de bodembeheernota en wordt overgenomen. 4. Bij bodemsanering wordt soms gekozen om de verontreinigde grond niet volledig te verwijderen, maar deze af te dekken met een laag die voorkomt dat de verontreiniging zich verder verspreidt of dat mensen ermee in aanraking komen. Dit is vaak een goedkopere en praktische oplossing. Normaal gesproken wordt er een ondoordringbare laag gebruikt, zoals asfalt of beton, om de grond volledig af te sluiten. Dit wordt gedaan om te voorkomen dat regenwater in de grond kan sijpelen en de verontreiniging kan verspreiden. Wij kiezen ervoor het werken met een halfopen verharding, zoals klinkers met voegen of andere materialen die waterdoorlatend zijn hier aan toe te voegen. Onder deze verharding is een laagje schone grond aangebracht. Hierdoor kan regenwater in de bodem infiltreren, terwijl de verontreiniging nog steeds wordt afgedekt en ingesloten. 2.3.6 Duurzaam Circulaire economie: hergebruik van primaire grondstoffen en minder afvalstoffen Uitgangspunt is het zoveel mogelijk hergebruiken van grond en baggerspecie, zodat minder materiaal wordt gestort en minder primaire grondstoffen worden gewonnen.
Maar dit mag niet leiden tot achteruitgang van de gebiedskwaliteit. Daarom wordt gestreefd naar een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen (duurzaam bodembeheer). Doel is het mogelijk maken van ontwikkelingen zonder de bodem of het oppervlaktewater te schaden. Met dit oogmerk zijn daar waar mogelijk de normen voor hergebruik van gebiedseigen grond en baggerspecie versoepeld en is er mogelijkheid tot maatwerk. Zoals bij het hergebruik van nikkel of PFAS-houdende grond. Maar ook toepassing van grond op nieuwe bedrijventerreinen en lokaal verontreinigde gebieden. Met dit oogmerk is er een verbod op het toepassen van thermische gereinigde grond en aandachtsbouwstoffen, maar bestaat er wel de mogelijkheid tot een buitenplanse omgevingsvergunning.
13/62
14/62
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Inleiding
Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Paragraaf 3.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 3.3. Tot slot wordt in paragraaf 3.4 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.
3.2
Rijk
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: a. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; b. Duurzaam economisch groeipotentieel; c. Sterke en gezonde steden en regio's; d. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: a. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; b.
Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; c. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Hergebruiksbeleid PFAS versus Handelingskader PFAS Het landelijke Handelingskader PFAS van december 2021 stelt generieke regels voor toepassing/hergebruik van PFAS houdende grond. Deze regels gelden voor heel Nederland, dus ook voor gebieden zonder verhoogde PFAS gehalten in de grond. De in het Handelingskader opgenomen normen zijn niet gebaseerd op gezondheidsrisico's. De normen zijn gebaseerd op de risico's voor uitspoeling van PFAS uit opgebrachte grond naar de ontvangende bodem en op een hoog ecologisch beschermingsniveau. Voor woonwijken, industrie en infrastructuur is een hoog ecologisch beschermingsniveau in algemene zin niet noodzakelijk. In het Handelingskader is opgenomen dat soepeler
15/62
lokaal/regionaal beleid is toegestaan in gebieden met een hogere achtergrondwaarden. Het voorgenomen hergebruiksbeleid voor ZHZ geeft hier invulling aan. In gebieden met een hogere achtergrondwaarden is mogelijke uitspoeling minder beperkend, omdat de ontvangende bodem al PFAS bevat. Bij het bepalen van de soepeler normen voor hergebruik is expliciet rekening gehouden met gezondheidsrisico's. Het risicomodel van het RIVM (C-Soil) is hierin leidend (zie opmerkingen onder tabel 2). Indien er in de toekomst strengere gezondheidsnormen voor PFAS in grond komen, zal het hergebruiksbeleid hierop worden aangepast. De in het voorgenomen beleid opgenomen perceelsmatching waarborgt standstill. Hierdoor nemen de ecologische risico's niet toe ten opzichte van de bestaande situatie, maar meestal juist af. Toetsing en conclusie De beoogde wijziging van de regels voor bodem voldoet aan het Rijksbeleid omdat ze afwentelen voorkomen en bijdragen aan het bestendig houden van de bodem voor toekomstige generaties.
3.3
Provincie
3.3.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerde versie 1 april 2023) De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. Het beleid beschrijft hoe de provincie werkt aan een goede leefomgeving, welke plannen daarvoor zijn, welke regels daarbij gelden en welke inspanningen de provincie daarvoor levert. De provincie heeft zeven vernieuwingsambities vastgelegd. Met deze zeven ambities maakt de provincie ruimte voor belangrijke ontwikkelingen rond participatie, bereikbaarheid, energie, economie, natuur, woningbouw en gezondheid en veiligheid. De zeven ambities zijn: 1. Samen werken aan Zuid-Holland 2. Bereikbaar Zuid-Holland 3. Schone energie voor iedereen 4. Een concurrerend Zuid-Holland 5. Versterken natuur in Zuid-Holland 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland 7. Gezond en veilig Zuid-Holland Toetsing en conclusie De wijziging van de regels voor bodem dragen bij aan de ambities versterken natuur in Zuid-Holland en een gezond en veilig Zuid-Holland. Het beschermen van de kwaliteit van de bodem draagt bij aan een gezonde natuur en behoud van de biodiversiteit. Verder dragen de regels bij aan het beschermen van de milieukwaliteit, de waterkwaliteit en gezond voedsel en een gezonde leefomgeving.
De beoogde wijziging van de regels past daarmee binnen het provinciaal beleid beschreven in de Omgevingsvisie Zuid-Holland.
16/62
3.4
Gemeente
3.4.1 Omgevingsvisie Molenlanden 2040 (vastgesteld 22 oktober 2024) De gemeenteraad heeft op 22 oktober 2024 de omgevingsvisie Molenlanden 2040 vastgesteld. De omgevingsvisie gaat over de inrichting van de fysieke leefomgeving. In de omgevingsvisie Molenlanden 2040 schetsen we de kracht en de kwaliteiten van Molenlanden die we willen koesteren. We schetsen de belangrijke ontwikkelingen in het fysieke domein en de daarbij horende uitdagingen. Vaak gaat dat om opgaven die een ruimtelijke claim doen. Door de toenemende druk op de ruimte moeten keuzes gemaakt worden om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, leven en werken in Molenlanden. Om daarvoor te zorgen, stellen ambities op allerlei vlakken. Die ambities vormen het strategisch kader voor de fysieke leefomgeving. De ambities staan niet op zichzelf. Ze kunnen elkaar versterken of met elkaar op gespannen voet staan. Onze ambities voor een leefbare toekomst zijn: 1. Levendige kernen met een eigen karakter 2. Een gezonde, inclusieve en samenredzame samenleving 3. Een vitaal en toekomstbestendig landelijk gebied: bodem en water sturend 4. Een optimaal ondernemersklimaat voor passende bedrijvigheid 5. Een klimaatrobuuste, circulaire en energieneutrale gemeente 6.
Een veilig en duurzaam bereikbare gemeente Toetsing en conclusie Deze ambities zijn vertaald naar de uitgangspunten voor de regels voor bodem zoals beschreven in Hoofdstuk 2. Daarmee past de beoogde wijziging binnen het gemeentelijk beleid beschreven in de Omgevingsvisie Molenlanden 2040.
17/62
18/62
Hoofdstuk 4 4.1
Beoordelingsregels waaronder instructieregels
Inleiding
Voor het voorliggend wijzigingsbesluit gelden verschillende beoordelingsregels. In dit hoofdstuk worden (onder andere) de instructieregels van het Rijk en de provincie behandeld. De instructieregels van het Rijk staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over: Waarborgen van de veiligheid; Beschermen van de waterbelangen; Beschermen van de gezondheid en van het milieu; Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed; Behoud van ruimte voor toekomstige functies; Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten; Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In het Bkl zijn met betrekking tot het aspect bodem instructieregels opgenomen waarmee bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening gehouden moeten worden. De instructieregels van het Bkl hebben betrekking op: 1. Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie (paragraaf 5.1.4.5.1 Bkl). 2. Nazorg (paragraaf 5.1.4.5.2 Bkl). 3. Aanwijzing bodembeheergebieden en indeling landbodem in bodemfunctieklassen (paragraaf 5.1.4.5.3 Bkl). 4. Aanwijzing bodembeheergebieden (paragraaf 5.1.4.5.3 Bkl).
De instructieregels van de provincie Zuid-Holland staan in de omgevingsverordening. Alle instructieregels van het Rijk en de provincie Zuid-Holland zijn geanalyseerd. In onderstaande paragrafen wordt alleen getoetst aan de voor dit TAM-omgevingsplan relevante instructieregels.
4.2
Beschermen van de waterbelangen
4.2.1 Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.3 instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Op basis van artikel 5.37 Bkl dient in een omgevingsplan rekening gehouden te worden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken.
19/62
4.2.2 Toetsing Effecten op oppervlaktewaterkwaliteit binnenwater (sloten, vaarten, plassen) Effecten van grondtoepassingen op de kwaliteit van het binnenwater lopen via het volgende watertraject: Neerslag --> infiltratie water in nieuw toegepaste bovengrond --> uitzakken water naar ondergrond --> opname in grondwater --> uittreden grondwater naar oppervlaktewater --> afvoer oppervlaktewater naar grotere sloten, vaarten en via gemalen naar de rivieren. In de eerste stappen van dit traject zal het grondwater onvermijdelijk PFAS opnemen. Dit omdat PFAS redelijk goed oplosbaar zijn. Dit houdt in dat de grondkwaliteit de oppervlaktewaterkwaliteit beïnvloedt. Echter, ook zonder toepassing van PFAS houdende grond treedt beïnvloeding van de oppervlaktewaterkwaliteit door uittredend grondwater op. Immers, de sterker verontreinigde grond in zone B bevat al verhoogde concentraties aan PFAS en deze zitten ook in het grondwater. Dit is ook de reden dat er in zone B in het oppervlaktewater PFAS worden aangetroffen. Door een strikte hantering van perceelsmatching voor toepassingen met concentraties PFAS die hoger zijn dan wat het landelijke beleid toestaat, zal het effect van die toepassingen op het oppervlaktewater minimaal zijn. Immers, de toegepaste grond bevat altijd vergelijkbare of lagere gehalten aan PFAS dan de ontvangende bodem.
Effecten op oppervlaktewaterkwaliteit buitenwater (grote rivieren) Beïnvloeding van het buitenwater door toepassing van PFAS houdende grond kan plaatsvinden via het volgende traject: Neerslag --> infiltratie in nieuw toegepaste bovengrond --> uitzakken naar ondergrond --> opname in grondwater --> uittreden grondwater naar buitenwater. Bovenstaand is aangegeven dat het effect van dit traject voor binnenwater minimaal zal zijn. Om dezelfde redenen geldt dat ook voor buitenwater. Afvoer van binnenwater via gemalen naar de rivieren. Bovenstaand is aangegeven dat het effect van onderhavig beleid op de totale kwaliteit van het binnenwater minimaal zal zijn. Daarom zal ook het effect van onderhavig beleid op de kwaliteit van het door gemalen te spuien binnenwater minimaal zijn. Bovendien behoren herkomstlocatie en toepassingslocatie in bijna alle gevallen tot dezelfde "gemaalgebied". Indien de toepassing in een ander gemaalgebied plaatsvindt lozen beide gemalen nog wel op hetzelfde riviersysteem. Effecten op drinkwaterkwaliteit Drinkwater in de regio wordt deels geproduceerd uit diep grondwater, deels uit rivierwater en deels uit oevergrondwater. Dit laatste is rivierwater dat infiltreert in de oevers en daaruit wordt opgepompt. De inname van rivierwater voor de drinkwaterproductie ligt bovenstrooms van de regio Zuid-Holland Zuid.
Het toepassen van PFAS houdende grond in Zuid-Holland Zuid heeft daarom geen effect op drinkwater dat wordt geproduceerd uit rivierwater. Bovendien is bovenstaand al aangegeven dat het onderhavig beleid geen effect heeft op de kwaliteit van het rivierwater.
20/62
Het voorgestelde hergebruiksbeleid voor PFAS houdende grond zal ook geen effect hebben op de kwaliteit van de diepe grondwaterpakketten waaruit drinkwater wordt geproduceerd. Dit om de volgende redenen: 1. In de grondwaterbeschermingsgebieden mag alleen grond met lage concentraties aan PFAS worden toegepast. Deze toepassingen voldoen aan de voorwaarden in het landelijke handelingskader PFAS (2021) en de provinciale milieuverordening Zuid-Holland (2021). Er is in de grondwaterbeschermingsgebieden dus geen sprake van regionale versoepeling van het hergebruiksbeleid. Effecten van op de kant zetten van natte bagger In polders is het op de kant zetten van bagger een gebruikelijke manier om de poldersloten op diepte te houden. In het voorgenomen beleid zijn hiervoor aparte regels opgenomen. Uit ervaring blijkt dat de baggerspecie in de poldersloten gewoonlijk minder PFAS bevat dan de naastgelegen landbodem. Dit dient echter wel met onderzoek te worden bevestigd. Bagger bevat veel aanhangend water, dat mogelijk ook PFAS bevat. Dit zal via het grondwater terugstromen naar de sloten, als onderdeel van de watercyclus (zie boven: uitzakken water naar ondergrond à opname in grondwater à uittreden grondwater naar oppervlaktewater).
Gezien de eisen die worden gesteld aan het op de kant zetten van baggerspecie, wordt niet verwacht dat dit een nadelig effect heeft op de bodemkwaliteit of de oppervlaktewaterkwaliteit. Verhouding hergebruiksbeleid ZHZ tot Kader Richtlijn Water (KRW) Door deskundigen van de provincie Zuid-Holland is tijdens de feedbackfase aangegeven dat het voorgenomen hergebruiksbeleid voor ZHZ, net als het landelijke Handelingskader (zie boven) niet zodanig strijdig is met de KRW dat het geen doorgang kan vinden. 4.2.3 Conclusie De voorgenomen wijziging houdt rekening de effecten op waterkwaliteit en de gevolgen hiervan voor het watersysteem.
4.3
Bodemkwaliteit
4.3.1 Algemeen Besluit kwaliteit leefomgeving Met deze wijziging van het omgevingsplan worden ook regels gesteld voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De nieuw te bouwen woning en bijbehorende bouwwerken (de laatste voor zover groter dan 50 m2), kwalificeren als een bodemgevoelig gebouw (artikel 5.89g Bkl). Op deze activiteit zijn de instructieregels van paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl van toepassing. Deze instructieregels verplichten tot de volgende zaken: In het omgevingsplan opnemen van waarden voor de toelaatbare kwaliteit (artikel 5.89i Bkl); Het omgevingsplan bepaalt dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen is toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl);
21/62
Als in het omgevingsplan is bepaald dat het bouwen van een bodemgevoelig gebouw vergunningplichtig is, worden in het omgevingsplan regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Tevens wordt in het omgevingsplan bepaald dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning resultaten van bodemonderzoek en gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen (artikel 5.89ka Bkl); Voor zover het bouwen van een bodemgevoelig gebouw niet vergunningplichtig is, bepaalt het omgevingsplan dat het verboden is een bodemgevoelig gebouw te bouwen op een bodemgevoelige locatie zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden (artikel 5.89l Bkl); Een omgevingsplan bepaalt dat bij overschrijding van een waarde als bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid, een bodemgevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een bodemgevoelige locatie alleen in gebruik wordt genomen na de bouwactiviteit nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in
artikel 5.89k, zijn getroffen (artikel 5.89m Bkl).
Omgevingsverordening In de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) zijn in paragraaf 7.3.5.1 specifieke instructieregels met betrekking tot het thema grondwaterkwaliteit. Deze paragraaf is van toepassing omdat voorzien wordt in regels voor een grondwatergevoelig gebouw, als bedoeld in artikel 7.27 van de omgevingsverordening. Voorbeschermingsregels provincie Zuid-Holland Uit de toelichting van de voorbeschermingsregels grondwaterkwaliteit van de Provincie Zuid-Holland blijkt dat de voorbeschermingsregels ertoe strekken dat locaties waarvoor het omgevingsplan regels bevat niet minder geschikt worden voor de verwezenlijking van het doel van de instructieregels omtrent activiteiten in de fysieke leefomgeving ter bescherming van de grondwaterkwaliteit die zijn opgenomen in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Er zijn voorbeschermingsregels voor activiteiten met betrekking tot bouwwerken, open erven & terreinen en voor milieubelastende activiteiten. De voorbeschermingsregels bevatten een voorrangsbepaling die ervoor zorgt dat, voor zover er elders in dit omgevingsplan regels staan die strijdig zijn met de voorbeschermingsregels, die voorbeschermingsregels gelden. Er is alleen bij uitzondering sprake van strijdigheid met de voorbeschermingsregels in dit tijdelijke deel van het omgevingsplan.
Er is geen sprake van strijdigheid met de regels die via de bruidsschat aan hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan zijn toegevoegd. De voorbeschermingsregels sluiten juist aan bij de regels in hoofdstuk 22. 4.3.2 Toetsing Met de regels in dit TAM-omgevingsplan wordt invulling gegeven aan zowel de instructieregels van het Bkl als die van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Deze regels worden gesteld in voorrang op de in hoofdstuk 22 (de bruidsschat) opgenomen regels, omdat deze met een TAM-omgevingsplan technisch gezien niet kunnen vervallen. Juridisch gezien vervallen deze.
22/62
Instructie
Regel TAM-omgevingsplan
artikel 5.89i Bkl
Artikel 3 Algemene bepalingen bodem
artikel 5.89k Bkl
Artikel 12 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw
artikel 5.89ka Bkl
Artikel 12 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw
artikel 5.89l Bkl
Artikel 12 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw
artikel 5.89m Bkl
Artikel 12 Bouwen van een bodemgevoelig gebouw
POV, paragraaf 7.3.5.1.
Artikel 13 Bouwen van een grondwatergevoelig gebouw
Nadat de gemeenteraad dit wijzigingsbesluit heeft genomen moet ook provinciale staten de voorbeschermingsregels grondwaterkwaliteit schrappen.
23/62
24/62
Hoofdstuk 5 5.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Participatie
In het kader van het wijzigingsbesluit heeft participatie en vooroverleg plaatsgevonden. Het verslag hiervan is opgenomen in Bijlage 2 bij de toelichting. Het wijzigingsbesluit heeft ook ter inzage gelegen. De reacties op het wijzigingsbesluit zijn opgenomen in de nota zienswijzen welke is opgenomen in Bijlage 3.
25/62
26/62
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
De financiële uitvoerbaarheid van het TAM omgevingsplan hoofdstuk 22a wordt gewaarborgd doordat de ambtelijke kosten die nodig zijn voor de vervaardiging van het TAM omgevingsplan hoofdstuk 22a worden gedekt uit de algemene middelen van de gemeente. Ingevolge artikel 8.13 Omgevingsbesluit is hier geen sprake van een aangewezen kostenverhaalsactiviteit. Dit betekent dat er geen kosten verhaald moeten worden en er zijn daarom geen kostenverhaalsregels noodzakelijk of een anterieure overeenkomst op grond van artikel 13.13 lid 1 Omgevingswet. Ook is er geen sprake van nadeelcompensatie. Het voorliggende TAM-omgevingsplan voldoet aan alle wet- en regelgeving en er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het voorliggende plan is daarmee een juridisch haalbaar plan.
27/62
28/62
Hoofdstuk 7
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
In dit hoofdstuk wordt onderbouwd of er is sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het relevante beleidskader en de relevante omgevingsaspecten en andere thema's zijn onderzocht. In Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 zijn de toetsing aan het beleidskader en de relevante beoordelingsregels beschreven. Hieruit volgt dat de wijziging van de regels voor het thema bodem bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
29/62
30/62
Hoofdstuk 8 8.1
Artikelsgewijze toelichting
Algemene bepalingen bodem
Artikel 4 Algemeen 4.1 Oogmerken bodem Dit artikel geeft aan welk oogmerk, oftewel aan welk(e) doel(en) de regels voor de activiteit toepassen van grond of baggerspecie moeten bijdragen. Achter het oogmerk zit een afweging tussen het zoveel mogelijk hergebruiken van primaire grondstoffen en het beschermen van de bodem op gebiedsniveau. Bij duurzaam bodembeheer wordt gestreefd naar een balans tussen de bescherming van de bodem voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Doel is het mogelijk maken van ontwikkelingen zonder de bodem (onevenredig) te schaden. 4.2 Maatwerkvoorschriften bodem Dit artikel geeft aan dat maatwerk mogelijk is met betrekking tot de regels in dit hoofdstuk. In dit artikel is vastgelegd dat het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift kan opstellen of een verzoek tot maatwerkvoorschrift door een initiatiefnemer gedaan kan worden. Een maatwerkvoorschrift is vergelijkbaar met een vergunningvoorschrift. Het is een apart besluit waarin in specifieke gevallen specifieke regels worden gesteld (vaak voor onvoorziene lokale omstandigheden) in aanvulling of afwijking van de algemene regel. De beleidsregel hergebruik PFOA houdende grond en baggerspecie Molenlanden 2025 biedt een kader voor de beoordeling van (verzoeken tot) maatwerkvoorschriften voor het hergebruik van PFOA houdende grond en baggerspecie.
Artikel 5 Toepassen van grond of baggerspecie 5.1 Toepassingsbereik toepassen van grond of baggerspecie Dit artikel geeft aan over welke activiteit de regels in deze paragraaf gaat. 5.2 Oogmerken toepassen grond of baggerspecie Zie de toelichting bij artikel 4.1 Oogmerken bodem 5.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen thermisch gereinigde grond Dit artikel bepaalt dat voor het toepassen van thermische gereinigde grond een vergunningplicht geldt. Voor het toepassen van deze bouwstoffen moet eerst een omgevingsvergunning aangevraagd worden om het te kunnen toepassen. 5.4 Aanvraagvereisten vergunning thermisch gereinigde grond De aanvraagvereisten zijn nodig bij het beoordelen, opstellen en afgeven van een omgevingsvergunning. De gegevens zijn ook nodig voor het uitvoeren van toezicht- en handhavingstaken door het bevoegd gezag.
31/62
In lid a en b wordt gevraagd om de verwachte begintijd van de activiteit en een planning hiervan. De planning wordt mede gevraagd om te beoordelen of aan de zorgplicht wordt voldaan. Bijvoorbeeld een lange tussentijdse opslag van de thermisch gereinigde grond voordat deze wordt toegepast/verwerkt in het werk (als gevolg van bijvoorbeeld een zomervakantie) kan onnodige risico's voor het milieu opleveren. Met de gegevens gevraagd in lid c kan mede gecontroleerd worden of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In lid d wordt gevraagd om de ligging, omvang en locatietekeningen van het toe te passen materiaal. Op basis hiervan bijvoorbeeld worden beoordeeld of de toepassing herkenbaar en beheersbaar is door voldoende schaalgrootte. Daarnaast kan de ligging op basis hiervan ook worden geregistreerd. Aan de hand van de leden e, f en g kan beoordeeld worden of het materiaal in de aanlegfase en in de gebruiksfase geen nadelige gevolgen heeft voor veiligheid, gezondheid en milieu, waaronder de bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. Uit de gevraagde beschrijving moet blijken dat vooraf nagedacht is over de invulling van de zorgplicht tijdens het werk.
Voor bijvoorbeeld de kritische aspecten, zoals stofvorming, contact materiaal met water en beïnvloedding oppervlaktewater, dient aangegeven te worden hoe hier in de aanlegfase mee omgegaan wordt. Op basis van de in lid h en il opgegeven toepassingshoogte kan worden beoordeeld of wordt voldaan aan de eis dat de toepassing vanaf het begin van de activiteit tot aan het buiten gebruik stellen van het werk boven de grondwaterstand (GHG) liggen en niet in contact komen met het grond- en oppervlaktewater. De leden j, k en l geven inzicht in wie verantwoordelijk is tijdens de aanlegfase, gebruiksfase en buiten gebruik stelling van het werk. Deze gegevens zijn nodig voor vergunningverlening, toezicht en eventuele handhaving. Met de gegevens uit de leden kunnen verder ook de nog niet benoemde aspecten uit de beoordelingsregels worden beoordeeld 5.5 Beoordelingsregels thermisch gereinigde grond Een omgevingsvergunning wordt verleend als de toepassing past bij de functie van een locatie en omgeving en als in voldoende mate rekening wordt gehouden met de zorgplicht. Allereerst (lid a) wordt gecontroleerd of de toepassing voldoet aan de eisen uit paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving. In deze paragraaf staan algemeen geldende regels voor het toepassen van thermisch gereinigde grond.
Zo wordt bijvoorbeeld getoetst of sprake is van een nuttige en functionele toepassing in een werk; bijvoorbeeld als fundatie onder infrastructuur of bouwwerk en wordt de kwaliteit van de toe te passen grond gecontroleerd. Daarnaast (lid b) wordt ook beoordeeld of de zorgplicht tijdens en na het toepassen wordt gewaarborgd. Bij de indieningsvereisten worden gegevens gevraagd over specifieke aspecten die vaak voorkomen bij het werk. Deze gegevens worden in ieder geval beoordeeld in dit kader.
32/62
Het belang zoals in lid c en d wordt omschreven is afkomstig uit de instructieregel in de Zuid Hollande Omgevingsverordening (artikel 7.39g) voor milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen. Dit belang is overgenomen aangezien de toepassing van thermisch gereinigde grond gevolgen kan hebben voor watersystemen. In lid e, f en i wordt overwogen of de toepassing bij de gebruiksfunctie van de locatie en omgeving past. De toepassing past bijvoorbeeld bij locaties gelegen op bedrijfs- of industrieterreinen of grootschalige infrastructuur. Toepassing in woon-, grondwaterbeschermings-, landbouw- of natuur- gebieden past minder goed bij de functie van het gebied. Indien sprake is van hergebruik op plaats van vrijkomen is dit wel weer te overwegen. Toepassing in grootschalige werken (lid g) zoals een (snel)weg of viaduct is passend, maar in een kleinschalig werk zoals een fietspad of een kleine brug is toepassing minder voor de hand liggend. Het is van belang dat als na toepassing graafwerkzaamheden plaatsvinden dat dan de aanwezigheid van de grond herkend wordt. In lid g en h staan maatregelen om uitspoeling van stoffen naar de bodem en oppervlaktewater te voorkomen. Het doel van de afdekking en hoge ligging is het voorkomen van contact van de toepassing met water. Op die manier wordt uitspoeling voorkomen.
Getoetst wordt of de grond boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand wordt aangelegd en deze ook na zetting tijdens de gebruiksfase blijft liggen. Daarnaast wordt getoetst of de toepassing wordt afgedekt met een gesloten verharding. Een gesloten verharding betreft bijvoorbeeld een asfaltverharding en een vergelijkbare afdekking kan bijvoorbeeld een kleilaag in combinatie met folie zijn. Indien afgeweken wordt van de criteria in dit omgevingsplan, dan is het is mogelijk om een buitenplanse omgevingsvergunning voor afwijking op het omgevingsplan (BOPA) aan te vragen. Buiten de scope van de beoordeling van de omgevingsvergunning vallen mogelijk andere van toepassing zijnde regelgeving, zoals bijvoorbeeld regels, zoals artikel 3.41 ZHOV ten aanzien van grondwaterbeschermingsgebieden (Zuid-Hollandse Omgevingsverordening). Op basis van deze regelgeving kan het verplicht zijn om een omgevingsvergunning bij (Omgevingsdienst Haaglanden namens) de provincie aan te vragen. 5.6 Bodemvreemd materiaal in toe te passen grond of baggerspecie In dit artikel staat dat in gebieden die volgens de bodemfunctiekaart de functieklasse Landbouw/natuur of Wonen hebben, geen grond of baggerspecie mag worden toegepast met meer dan 5 gewichtsprocent steenachtig materiaal of hout.
Dit in tegenstelling tot de in het Besluit activiteiten leefomgeving genoemde 20 gewichtsprocent in artikel 4.1271 lid 1 onder a. Alleen bij een partijkeuring wordt het percentage bodemvreemd materiaal daadwerkelijk aangegeven bij de keuring door de veldwerker. Dit is niet zo bij (water)bodemonderzoeken. Dit is ook niet in het protocol hiervoor vastgelegd (protocol 2001). Hier wordt praktisch mee omgegaan. Matig, sterk of uiterst steenachtig of houtachtig materiaal houdend wordt ingeschat als meer dan 5%. Sporen en licht steenachtig of houtachtig materiaal houdend wordt ingeschat als minder dan 5%.
33/62
Reikwijdte Dit artikel is van toepassing op grond en baggerspecie die wordt toegepast in gebieden met de functie landbouw/natuur of wonen. 5.7 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen grond of baggerspecie 5.7.1 A In dit artikel is in lid 1 aangegeven welke kwaliteitseisen strenger zijn in het beheergebied dan de landelijke regels (artikel 4.1272 uit het Besluit activiteiten leefomgeving). Dit geldt voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem die zowel uit of buiten het beheergebied afkomstig is. pH (zuurgraad): Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied moet de pH-waarde van de toe te passen grond of bagger tussen de 5 en 9 liggen. Toepassing van grond met een andere pH-waarde is niet toegestaan. In het beheergebied komt over het algemeen een pH van tussen de 5 en 9 voor, hetgeen aansluit bij het natuurlijke ecologische systeem. Vreemde gronden (zure gronden of antropogene gronden) worden weleens aangeboden, maar zijn vanuit ecologisch oogpunt niet wenselijk. De toepassing van deze gronden wordt hiermee uitgesloten. Chloride: Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied mag de grond of bagger niet zilt of zout zijn. Van zilte of zoute grond is sprake bij een chloridegehalte van 200 mg/kg of hoger. Deze norm is ontleend aan de eisen die gesteld worden aan ontzilt zeezand.
Het toepassen van zilte of zoute gronden is niet wenselijk, omdat dit negatief effect heeft op de flora en fauna in ons gebied. De toepassing van deze gronden wordt hiermee uitgesloten. Er is wel maatwerk mogelijk voor bijzondere situaties. Barium: Bij toepassing van grond of baggerspecie in het beheergebied geldt een maximale waarde van 920 mg/kg droge stof (standaard bodem). Voor barium is geen toetsingswaarde opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit bij indeling van grond en baggerspecie in een kwaliteitsklasse. In ons beheergebied komen van nature gehalten tot de voormalige interventiewaarde van 920 mg/kg droge stof voor. Barium wordt standaard meegenomen in de analyse van de grond of baggerspecie en kan ook een antropogene verontreiniging zijn. Het gehalte barium boven de voormalige interventiewaarde kan duiden op een sterke antropogene verontreiniging. Hergebruik van grond met een sterke verontreiniging wordt hiermee uitgesloten. Lood: In gebieden met de functie wonen geldt voor lood een maximale waarde van 90 mg/kg droge stof (standaard bodem) en voor moes- en volkstuinen (loodgevoelige locatie) een maximale waarde van 50 mg/kg droge stof (standaard bodem).
Deze ten opzichte van het landelijke beleid (Regeling bodemkwaliteit) strengere waarden vloeien voort uit het provinciale handelingskader voor lood (2020) dat is opgesteld naar aanleiding van advies van het RIVM (2015 en 2017) en de GGD (2016). De waarden sluiten gezondheidsrisico's uit en bij deze waarden is de bodem duurzaam geschikt voor de beoogde bodemfunctie.
34/62
Asbest: Op asbestgevoelige locaties geldt voor asbest een maximale waarde van 10 mg/kg droge stof (gewogen gehalte). Dit verkleint de kans op het aantreffen van asbesthoudend materiaal in opgebrachte grond. Asbestgevoelige locaties zijn openbare kinderspeelplaatsen, achtertuinen bij woningen, volkstuinen, tuinen en verhardingen die horen bij een school en openbare plantsoenen in woonwijken. 5.7.2 B In dit artikel is in lid 2 aangegeven welke kwaliteitseisen soepeler zijn in het beheergebied dan de landelijke eisen (artikel 4.1272 uit het Besluit activiteiten leefomgeving). Met het versoepelen van de kwaliteitseisen zorgen we ervoor dat meer grond en baggerspecie kan worden hergebruikt, zonder dat de risico's voor de gezondheid of de bodemkwaliteit toenemen. Dit geldt voor het toepassen van grond en baggerspecie op landbodem afkomstig uit het beheergebied. Grond die van elders komt dient aan de landelijke eisen te voldoen. Nikkel: Voor toepassen van grond of baggerspecie in een gebied met gebruiksfunctie wonen geldt een maximaal gehalte nikkel van 56 mg/kg droge stof (standaard bodem). In het beheergebied komen gehalten voor tot 56 mg/kg droge stof. Dit is de P95 (95ste percentiel) van ons beheergebied. Deze waarden leiden niet tot gezondheidsrisico's.
Reikwijdte De kwaliteitseisen ten aanzien van pH, barium, chloride, lood en asbest gelden voor alle grond of baggerspecie die in het beheergebied wordt toegepast. De soepele kwaliteitseisen ten aanzien van nikkel geldt voor grond die vrijkomt en wordt toegepast binnen het beheergebied. 5.8 Afwijkende kwaliteitseisen voor toepassen van baggerspecie Bij verspreiden van baggerspecie in het beheergebied mag de bagger niet zilt of zout zijn. Van zilte of zoute grond is sprake bij een chloridegehalte van 200 mg/kg of hoger. Deze norm is ontleend aan de eisen die gesteld worden aan ontzilt zeezand. Het verspreiden van zilte of zoute bagger in zoetwatersystemen is niet wenselijk, omdat dit negatief effect heeft op de flora en fauna. Omdat bagger ook van nature (door kwel) zilt of zout kan zijn, wordt wel toegestaan dat de bagger nabij de locatie van vrijkomen op de kant wordt gezet of op locaties wordt verspreid waar tevens sprake is van nature zilte/zoute omstandigheden. Op deze manier wordt invulling gegeven aan de zorgplicht. 5.9 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor wegbermen buiten bebouwde kom De kwaliteit van wegbermen is de laatste decennia beter geworden, vanwege schonere voertuigen, kwaliteit van het wegdek en wegonderhoud. Wegbermen vormen een steeds belangrijker groenvoorziening en bron voor biodiversiteit. Dat blijkt o.a.
uit beleid van de provincie Zuid-Holland en een veranderend groenbeheer in gemeenten. Er zijn aantoonbaar negatieve effecten van enkele zware metalen en bestrijdingsmiddelen op planten, insecten en bodemfauna. Deze hopen zich op in de voedselketen. Wegbermen betreffen 'Groen met natuurwaarden' met 'gemiddelde generieke bescherming'. Dit komt overeen met de bodemkwaliteitsklasse "wonen". Om het milieu te beschermen is in dit artikel opgenomen dat alleen grond van de kwaliteitsklasse wonen of schoner (landbouw/natuur) mag worden toegepast in wegbermen.
35/62
Reikwijdte Het betreft het toepassen van grond en baggerspecie vanuit de regio en van buiten de regio in wegbermen. Het is niet van toepassing op grootschalige toepassingen. Bij tijdelijke uitname van grond gelden de regels uit paragraaf 3.2.21 (Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit) van het Besluit activiteit leefomgeving. 5.10 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie voor bedrijventerreinen De grond die op een industrie- of bedrijventerrein groter dan 2 hectare mag worden toegepast, mag van de kwaliteit industrie (en schoner) zijn. Met deze regel wordt niet gekeken naar de bestaande bodemkwaliteit, maar alleen naar de gebruiksfunctie van de locatie. Dit is een verruiming van de mogelijkheden voor hergebruik van de grond, zonder dat hierdoor risico's voor de gezondheid of de bodemkwaliteit ontstaan (lid 1). Dit beleid is overgenomen uit de bodembeheernota van 2010. Reikwijdte Dit betreft alleen grond uit het beheergebied die wordt toegepast in het beheergebied op een industrie- of bedrijventerreinen, met uitzondering van terreinen waar de gemeente andere ambities heeft ten aanzien van de bodemkwaliteit.
5.11 Afwijkende kwaliteitseisen toepassen grond of baggerspecie PFAS In de regio Zuid-Holland Zuid komt een omvangrijke diffuse bodemverontreiniging met PFOA voor met concentraties die aanzienlijk hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarde. Om hergebruik mogelijk te maken zijn lokale normen nodig. We willen grond en baggerspecie zo veel mogelijk hergebruiken, omdat dan storten van grond en winning van nieuwe grondstoffen (primair materiaal) minder nodig zijn. Dit is een invulling van het rijksbeleid voor duurzaam bodembeheer (Besluit bodemkwaliteit en Handelingskader PFAS 2021). Ten behoeve van het lokale hergebruiksbeleid is een zone A en B gedefinieerd. In zone A worden over het algemeen gehalten PFAS (P95) verwacht die liggen onder de landelijke achtergrondwaarden. Daarom gelden hier geen afwijkende kwaliteitseisen. In zone B komen gehalten voor die hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarden voor PFOA en in mindere mate ook PFOS. Zie figuur 1.
36/62
Figuur 1: PFAS zonekaart Zuid-Holland Zuid
In onderdeel a van dit artikel staat aangegeven dat de grond voor de andere stoffen dan PFOA en PFOS aan de kwaliteitseisen moet voldoen. In onderdeel b staat dat het gaat om grond afkomstig uit zone B en toegepast wordt in zone B van de PFAS-zonekaart. Voor de gebruiksfunctie landbouw/natuur en voor moestuinen en volkstuinen zijn afwijkende (soepelere) eisen gesteld voor de stof PFOA en PFOS. Voor de gebruiksfunctie wonen en industrie zijn de landelijke normen wat ruimer. De grond die nu aangeboden wordt in die gebieden voldoet in de meeste gevallen aan de landelijke norm, een regionale norm is hier niet nodig. In grondwaterbeschermingsgebieden gelden ook eisen vanuit de Zuid-Hollandse omgevingsverordening. Op dit moment voldoen de eisen ook aan de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. In onderdeel c van dit artikel staan de lokale normen voor PFOA en PFOS voor de gebruiksfuncties landbouw/natuur en voor moestuinen en volkstuinen. De normen zijn een balans tussen de bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én ruimte voor maatschappelijke ontwikkelingen. Gezondheidsrisico's zijn hierbij uitgesloten.