CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 Toelichting BP Ottoland B 42

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan B 42/ B 46, Ottoland14.437 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting Bestemmingsplan ‘Ottoland, B 42’

Gemeente Molenlanden Toelichting Bestemmingsplan ‘Ottoland, B 42’

Identificatie

Planstatus

Identificatiecode: NL.IMRO.1978.BPb42OTL-ON01

Datum: 01-10-2020

Status: 2.0

Projectnummer: 863977

2

Inhoud 1.

2

3

4

5

6

Inleiding............................................................................................................ 5 1.1

Inleiding ..................................................................................................... 5

1.2

Kader .......................................................................................................... 7

1.3

Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 8

1.4

Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 8

1.5

Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 8

1.6

Communicatie ............................................................................................ 9

1.7

Realisatie .................................................................................................... 9

1.8

Leeswijzer................................................................................................... 9

Planbeschrijving .............................................................................................. 10 2.1

Bestaande situatie ..................................................................................... 10

2.2

Nieuwe situatie ......................................................................................... 12

Samenvatting beleidskader.............................................................................. 18 3.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 18

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 18

3.3

Regionaal beleid ....................................................................................... 19

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 19

3.5

Conclusie .................................................................................................. 19

Samenvatting sectorale aspecten ..................................................................... 20 4.1

Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 20

4.2

Watertoets ................................................................................................ 20

4.3

Geluid ....................................................................................................... 21

4.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 22

4.5

Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 22

4.6

Externe veiligheid ..................................................................................... 22

4.7

Kabels en leidingen................................................................................... 23

4.8

Ecologie .................................................................................................... 23

4.9

Bodem ...................................................................................................... 23

4.10

Archeologie ........................................................................................... 24

Juridische planbeschrijving .............................................................................. 25 5.1

Inleiding ................................................................................................... 25

5.2

Systematiek van de regels ......................................................................... 25

5.3

Bestemmingen .......................................................................................... 25

5.4

Aanduidingen ........................................................................................... 26

Verantwoording beleidskader .......................................................................... 27 3

7

6.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 27

6.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 29

6.3

Regionaal beleid ....................................................................................... 33

6.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 35

6.5

Conclusie .................................................................................................. 37

Verantwoording sectorale aspecten ................................................................. 38 7.1

Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 38

7.2

Watertoets ................................................................................................ 41

7.3

Geluid ....................................................................................................... 46

7.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 48

7.5

Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 50

7.6

Externe veiligheid ..................................................................................... 52

7.7

Kabels en leidingen................................................................................... 55

7.8

Ecologie .................................................................................................... 56

7.9

Bodem ...................................................................................................... 58

7.10

Archeologie ........................................................................................... 60

Bijlage 1

Omschrijving Landschappelijk beplantingplan Digitale watertoets

2 3 4 5 6

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Aanvulling akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Verkennend bodemonderzoek incl. asbestonderzoek Nota Inspraak en Overleg

Auteur Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten Waterschap Rivierenland Voortman Ingenieurs

Referentie LTL21091

Datum 22-03-2018

20181217-919452 R-JVO/1392

17-12-2018

Voortman Ingenieurs

R-/JVO/1394

25-01-2019

Linge Milieu B.V.

19-2008

08-02-2019

Gemeente Molenlanden

Versie 1.0

01-10-2020

16-01-2019

4

1.

Inleiding

1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding Het perceel B 42 te Ottoland betreft een agrarisch perceel, waarop een karakteristieke boerderij en een schuur op het achtererf zijn gebouwd. De boerderij is opgenomen in het monumentenregister als gemeentelijk monument. De agrarische activiteiten op het perceel zijn geruime tijd gelegen gestaakt, waardoor het perceel thans een woonfunctie heeft. Door de zeer beperkte hoeveelheid agrarische grond en bouwmogelijkheden zal in de toekomst geen agrarisch bedrijf vestigen op het perceel. Er is dus sprake van een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De initiatiefnemer is voornemens om de agrarische bestemming op het perceel om te zetten in een woonbestemming, waardoor het huidige gebruik positief bestemd zal worden. Daarnaast zal middels het onderhavige plan het juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt om de karakteristieke boerderij te splitsen in twee wooneenheden en op het achtererf een vrijstaande woning te realiseren met een ondergeschikte uitstraling ten opzichte van de boerderij. Het voormalige agrarische bedrijfsgebouw op het achtererf zal hierbij gesloopt worden. Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen’, onherroepelijk vastgesteld op 13 februari 2013 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het perceel heeft de bestemming ‘Agrarisch’.

Op gronden met deze agrarische bestemming is het niet toegestaan om burgerwoningen te realiseren. Op 28 maart 2018 is een principeverzoek voor het plan ingediend. In een schriftelijke beantwoording d.d. 24 september 2018 heeft de voormalige gemeente Molenwaard aangegeven medewerking te willen verlenen. 1.1.2 Plangebied Het plangebied is kadastraal bekend OTL01 – C – 415 en 416 en bestaat uit twee deelgebieden. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de B en een watergang. Ten oosten wordt het perceel begrensd door het naastgelegen perceel B 38 en een agrarisch weiland behorende bij het perceel B 32. Het achtergelegen open slagenlandschap zorgt voor de zuidelijke begrenzing en het perceel B 50 voor de westelijke begrenzing van het plangebied. Deelgebied 1 betreft het perceel B 42 te Ottoland, deelgebied 2 betreft het naastgelegen perceel B 46.

5

Deelgebied 2: B 46 Ottoland

Deelgebied 1: B 42 Ottoland

Afbeelding 1: Begrenzing plangebied

1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied wanneer er sprake is van een aangetoonde verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de individuele, bedrijfs- en maatschappelijke belangen en overige belangen in de directe omgeving niet nadelig worden beïnvloed. Het onderhavige plan past binnen de beleidsuitgangspunten van de gemeente Molenlanden. Het plan zorgt voor een aanzienlijke verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Middels de splitsing van de karakteristieke boerderij wordt bewoning en onderhoud en daarmee instandhouding van de monumentale boerderij verzekerd. De nieuwe vrijstaande woning op het achtererf zal ondergeschikt aan de boerderij gerealiseerd worden als schuurwoning, conform de richtlijnen van het ruimtelijk kwaliteitskader van de gemeente; het ‘Molenwaards Kookboek’. Tevens zal het plan zorgen voor een verbetering van het woon- en leefklimaat in de directe omgeving door het wegnemen van de agrarische bestemming. Door het wegenemen van de agrarische bestemming is tevens het plan ‘Het Hooge Huys’ volledig uitvoerbaar. Voor dit plan loopt thans een bestemmingsplanprocedure. De geprojecteerde vrijstaande woningen zijn thans niet realiseerbaar vanwege het aspect bedrijven- en milieuzonering door de agrarische bestemming op het perceel B 42.

Met het wijzigen van deze bestemming is het plan ‘Het Hooge Huys’ wel volledig uitvoerbaar. Om in een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te voorzien is aan Bureau Lagendijk tuin & landschapsarchitecten uit Bergambacht gevraagd een landschappelijk inrichtingsplan op te stellen. Middels dit inrichtingsplan zal het perceel B 42 worden aangeplant met streekeigen beplanting. Het parkeren zal achter 6

de boerderij plaatsvinden, waardoor het parkeren ten behoeve van de nieuwe vrijstaande woning aan het zicht wordt onttrokken vanaf de openbare weg. Tenslotte voorziet het onderhavige plan, met de sloop van de verouderde schuur, in het voorkomen van verdere veroudering, verpaupering en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. Het onderhavige plan is een passende ontwikkeling voor de gemeente Molenlanden.

1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’, onherroepelijk vastgesteld op 13 februari 2012 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Agrarisch; • Tuin; • Wonen De dubbelbestemmingen: • Leiding – Riool’; • Waarde – Archeologie – 2; • Waarde – Archeologie – 6. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Bouwaanduiding ‘karakteristiek’; • Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – straalpad’; • Maatvoering ‘maximaal aantal wooneenheden: 1’; • Maatvoering ‘maximum bouwhoogte (m): 39’; • Maatvoering ‘maximum goothoogte (m): 6’.

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Dorpskernen’

7

1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het onderhavige bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt om ter plaatse van het perceel B 42 te Ottoland de boerderij te splitsen in twee burgerwoningen en op het achtererf een schuurwoning te realiseren.

1.4 Maatschappelijk draagvlak Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Vooroverleg In het kader van het vooroverleg is het plan besproken met de Provincie ZuidHolland en het Waterschap Rivierenland. De Provincie Zuid-Holland heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben op het plan. Het waterschap heeft aangegeven dat de toelichting tekstueel aangepast moet worden met betrekking tot het omgaan met hemelwater en het Besluit Lozing buiten inrichtingen de toelichting. De opmerkingen van het waterschap zijn verwerkt. Inspraak en overleg Gelijktijdig met het vooroverleg heeft het voorontwerpbestemmingsplan vanaf 6 september 2019 zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad nr. 219354), waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om een inspraakreactie in te dienen. Tijdens deze periode is één inspraakreactie binnengekomen. De inspraakreactie is beantwoord in de Nota Inspraak en Overleg welke is toegevoegd in de bijlage van deze toelichting. Naar aanleiding van de ingediende inspraakreactie is het perceel B 46 (deelgebied 2) toegevoegd aan het plangebied. Binnen deelgebied 2 zijn de woonbestemming en het bijbehorend bouwvlak vergroot.

Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken worden gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd zal ook een mondelinge zienswijze gegeven kunnen worden.

1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente wordt er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

8

1.6 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via internet en de Staatscourant).

1.7 Realisatie Wanneer geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de beroepstermijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor het plan kan dan worden aangevraagd. De initiatiefnemer is voornemens om na enkele jaren na het onherroepelijk worden van het onderhavige bestemmingsplan de schuur te slopen en een vrijstaande woning te realiseren.

1.8 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van de planontwikkeling zijn beschreven: • • • • • •

Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Samenvatting beleidskader; Hoofdstuk 4: Samenvatting sectorale aspecten; Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving; Hoofdstuk 6: Verantwoording beleidskader; Hoofdstuk 7: Verantwoording sectorale aspecten.

9

2

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur Rond de 12e en 13e eeuw is men voor bewoning het uitgestrekte natte veengebied van de Alblasserwaard ingetrokken. Daarbij kwamen de in het veen zichtbare donken en stroomruggen van riviertjes als de Alblas en Goudriaan het eerst voor permanente bewoning in aanmerking. Zo is ook het huidige dorp Ottoland omstreeks 1250 als lintbebouwing ontstaan langs de natuurlijke waterloop van de Graafstroom. Vanaf de stroomruggen langs de Graafstroom werden haaks op deze stroomruggen sloten gegraven. Ook ging men over tot de aanleg van min of meer parallel aan de riviertjes gelegen voor- en (achter)weteringen en kaden. Deze kaden dienden onder meer om wateroverlast vanuit het achterliggende nog onontgonnen veengebied te voorkomen. De gronden die het dichtst bij de woningen lagen werden aanvankelijk gebruikt voor akkerbouw en hennepteelt, de daarachter gelegen gronden als weiland en hooiland. Het dorp Ottoland kenmerkt zich oorspronkelijk door een eenvoudige lineaire plattegrond met een plaatselijke verdichting in de omgeving van een brug of de kerk. Vanuit de lintbebouwing is er een buurtschap ontstaan, van waaruit het dorp na de Tweede Wereldoorlog een grote groei heeft gekend. Na de Tweede Wereldoorlog heeft er op twee plaatsen in het historische lint uitbreiding van het dorp plaatsgevonden.

Het plangebied is gelegen in de historische lintbebouwing van de dorpskern Ottoland. De lintbebouwing langs de B-even kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) klassieke (woon)boerderijen, vervangende vrijstaande nieuwbouwwoningen en (kleinere) voormalige arbeidershuisjes met daartussen landschappelijke doorzichten. Ten noorden en ten zuiden van de cultuurhistorische lintbebouwing kenmerkt het gebied zich door de langgerekte slagenverkaveling omringd door watergangen en weteringen.

Afbeelding 3: Straatbeeld ter hoogte van het plangebied

10

2.1.2 Huidige status/gebruik Het perceel B 42 te Ottoland betreft een voormalig agrarische bedrijfslocatie. Op het perceel is een karakteristieke boerderij gebouwd welke is opgenomen in het gemeentelijk monumentenregister als gemeentelijk monument. Daarnaast is op het achtererf een schuur gerealiseerd welke thans wat verouderd is. Het perceel wordt thans ontsloten middels een in- en uitrit op de B. Het perceel B 46 te Ottoland betreft een woonperceel. Hierop is een burgerwoning gerealiseerd, voorzien van enkele gebouwen op het achtererf.

11

2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Het perceel B 42 te Ottoland betreft een agrarisch perceel, waarop een karakteristieke boerderij en een schuur op het achtererf zijn gebouwd. De boerderij is opgenomen in het monumentenregister als gemeentelijk monument. De agrarische activiteiten op het perceel zijn geruime tijd gelegen gestaakt, waardoor het perceel thans een woonfunctie heeft. Door de zeer beperkte hoeveelheid agrarische grond en bouwmogelijkheden zal in de toekomst naar alle waarschijnlijkheid geen agrarisch bedrijf zich vestigen op het perceel. Er is dus sprake van een voormalige agrarische bedrijfslocatie. De initiatiefnemer is voornemens om de agrarische bestemming op het perceel om te zetten in een woonbestemming, waardoor het huidige gebruik positief bestemd zal worden. Daarnaast zal middels het onderhavige plan de mogelijkheid gecreëerd worden om de karakteristieke boerderij te splitsen in twee wooneenheden en op het achtererf een vrijstaande woning met een ondergeschikte uitstraling ten opzichte van de boerderij te realiseren. Het voormalige agrarische bedrijfsgebouw op het achtererf zal hierbij gesloopt worden. Daarnaast zal het perceel landschappelijk worden ingericht, teneinde tot een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te komen. Wat betreft de bouwregels zal worden aangesloten bij de regels van het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen’.

Afbeelding 4: Schets nieuwe situatie

12

Naar aanleiding van een ingediende inspraakreactie is het perceel B 46 te Ottoland toegevoegd aan het plangebied. Binnen dit perceel wordt de woonbestemming en bijbehorend bouwvlak vergroot. 2.2.2 Ontsluiting en parkeren Ontsluiting De percelen worden thans ontsloten middels één in- en uitrit op de B. Middels het onderhavige plan zal deze situatie niet wijzigen. Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernorm is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. Uitgaande van de types ‘koop, vrijstaand’ en ‘koop, twee-onder-een-kap’ liggend in ‘niet stedelijk gebied’ in het ‘buitengebied’ wordt uitgegaan van een gemiddelde parkeernorm van 2,4 respectievelijk 2,2 parkeerplaatsen per woning (waarvan 0,3 parkeerplaatsen per woning voor bezoekers). Dit resulteert in een benodigde parkeerbehoefte van 7 parkeerplaatsen voor de drie woningen. De benodigde parkeerbehoefte wordt volledig opgelost op eigen terrein. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde parkeernorm.

Afbeelding 5: Nieuwe parkeersituatie

2.2.3 Landschappelijk inpassingsplan/Molenwaards Kookboek Middels de sloop van de voormalige agrarische schuur, de splitsing van de monumentale en karakteristieke boerderij en de realisatie van een schuurwoning is sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Om een optimale ruimtelijke kwaliteitswinst te bereiken is de initiatiefnemer voornemens het perceel B 42 op een passende en verantwoorde wijze landschappelijk in te richten. Bureau Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten is gevraagd op grond van het ruimtelijke kwaliteitskader van de gemeente; het ‘Molenwaards Kookboek’ een landschappelijk kader te stellen voor de landschappelijke inrichting van het plangebied. 13

Geschiedenis

De kaart van 1900 laat individuele boerderijen zien langs het lint. Ter plaatse van het plangebied is sprake van enige vorm van clustering, waardoor gesteld kan worden dat er sprake is van een kleine kern. Tussen de boerderijen in het lint is veel ruimte aanwezig, waardoor sprake is van brede landschappelijke doorzichten. 50 jaar later laat de kaart een verdichting in het lint zien, waardoor enkele landschappelijke doorzichten plaats hebben moeten maken voor bebouwing. Tussen de twee bebouwingslinten is de bebouwing zeer minimaal. Weer 50 jaar later heeft er verdere verdichting plaatsgevonden en heeft de kern zich fors uitgebreid. Daarnaast valt op dat de grootte van de agrarische bedrijfslocaties zijn uitgebreid als gevolg van de schaalvergroting welke in de agrarische sector heeft plaatsgevonden. In het jaar 2017 is op enkele uitbreidingen na niet veel veranderd ten opzichte van het jaar 2000. Kenmerken lint en omgeving Ottoland is een dorpskern in de gemeente Molenlanden. Ottoland kenmerkt zich door lintbebouwing met daarin twee kleine kernen (kleinschalige uitbreidingswijken). Het plangebied staat in een van de twee dorpskernen van Ottoland (Laagblokland), tegenover de uitbreidingswijk en aan de westzijde van de Jacobsbrug. De lintbebouwing kenmerkt zich door oude monumentale boerderijen,

14

afgewisseld door vrijstaande (nieuwbouw)woningen. Het is van belang om deze iconen in de lintbebouwing te behouden, aangezien de lintbebouwing daar zijn identiteit aan ontleent. Kenmerken erf Op het perceel B 42 is een herkenbare indeling tussen voor- en achtererf. Op het perceel is een monumentale en karakteristieke boerderij gebouwd en is op het achtererf een schuur gerealiseerd met een ondergeschikte uitstraling ten opzichte van de boerderij. De schuur is wat verouderd. Daarnaast is een deel van het terrein verhard. Rondom het perceel is sprake van het oorspronkelijk slotenpatroon.

Afbeelding 6: Vooraanzicht op het perceel B 42

Ontwerpuitgangspunten • Creëren boerderijensemble en behoud van monumentale boerderij; • Behoud karakter van historische boerderij met tuin; • Bijgebouwen/nieuwe woning ondergeschikt qua vorm en schaal aan het hoofdgebouw. • Behouden en versterken van groene en kleinschalige karakter ter plekke van het plangebied. • Behoud en versterking van sloten- en slagenpatroon; • Voldoende parkeerruimte uit het zicht; • Het terrein en de nieuwe bebouwing op een passende en verantwoorde wijze groen inpassen en inrichten middels streekeigen erfbeplanting (behoud voortuin); • Ontsluiting van boerderijcluster over de bestaande in- en uitrit; Landschappelijk beplantingsplan Op basis van de ontwerpuitgangspunten is door bureau Lagendijk tuin- en landschaps- architecten uit Bergambacht het onderstaande landschappelijk beplantingsplan opgesteld. Het landschappelijk beplantingsplan is uitvergroot

15

toegevoegd in de bijlage. Het landschappelijke beplantingsplan is middels een voorwaardelijke verplichting juridisch verankerd in de regels van het voorliggende bestemmingsplan. In de nieuwe situatie wordt de boerderij gesplitst en daarachter een vrijstaande schuurwoning gerealiseerd, ondergeschikt aan de boerderij. Het perceel zal aangevuld worden met streekeigen beplanting en het parkeren voor de achterste twee woningen zal aan het zicht van de openbare weg worden onttrokken. Hierdoor zal het parkeren volledig op het eigen terrein opgelost worden. Het oorspronkelijke slotenpatroon en de goed onderhouden voortuin blijven behouden. De woningen zullen middels één in- en uitrit ontsloten worden.

Afbeelding 7: Landschappelijk beplantingsplan

Afbeelding 8: Referentiebeelden nieuwe vrijstaande woning

16

2.2.4 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De eigenaar van het perceel B 42 is bewust van deze gemeentelijke ambitie. Het plan is om de nieuwe woning te voorzien van zonnepanelen. In het kader van de energiebesparing wordt de woning op een goede wijze geïsoleerd (conform de huidige bouweisen). De nieuwe percelen zullen groen worden ingericht.

17

3

Samenvatting beleidskader

In dit hoofdstuk zijn de conclusies vanuit de beleidsaspecten weergegeven. De uitgebreide verantwoording van het beleidskader staat beschreven in hoofdstuk 6.

3.1 Rijksbeleid Op rijksniveau zijn op ruimtelijk gebied de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) de meest bepalende beleidsdocumenten. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. Toetsing aan ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ In het onderhavige plan worden per saldo twee wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied Het plangebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), maar binnen de contouren van de ‘bebouwde ruimte’. Binnen het gebied ‘bebouwde ruimte’ (systeem van kernen en linten) streeft de provincie Zuid-Holland naar het beter benutten van deze ruimte voor een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied door het stimuleren en faciliteren van verdichting, herstructurering en transformatie. Het plan zorgt voor een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de individuele, bedrijfs- en maatschappelijke belangen en overige belangen in de directe omgeving worden niet nadelig beïnvloed. Ruimtelijke kwaliteit Het onderhavige plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. De ontwikkeling is gebiedseigen en passend bij de schaal en aard van het gebied. Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie ZuidHolland. Het plan sluit aan bij de karakteristieken van het lint langs de B.

18

3.3 Regionaal beleid Op regionaal niveau is op ruimtelijk gebied de regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ en de ‘Regionale woonvisie’ de meest bepalende beleidsdocumenten. De regionale structuurvisie ‘Open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuur- historische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Middels het onderhavige plan wordt (langdurige) leegstand en daarmee verpaupering van een monumentale boerderij voorkomen. De nieuwe vrijstaande woning wordt op een passende wijze vormgegeven (ondergeschikt aan de boerderij) en landschappelijk ingepast. Het plangebied wordt verder landschappelijk ingericht middels streekeigen erfbeplanting. Het onderhavige plan draagt daarmee bij aan de versterking van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van het landschap en is derhalve in overeenstemming met het regionaal beleid. Ottoland is in de regionale woonvisie benoemd als woondorp (kleine kern met beperkte voorzieningen). Het meest voorkomende mentality-milieu is ‘Traditionele Burgerij’. Om flexibel in te kunnen spelen op de behoefte is van belang dat kleinere plannen tot ontwikkeling te brengen. Dit plan, dat uit slechts twee extra woningen bestaat, voldoet aan die behoefte en is daarmee passend in de regionale woonvisie.

De twee woningen worden gemeld in het regionaal overleg en worden meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 20202030.

3.4 Gemeentelijk beleid Met de ontwikkeling van het voorgenomen plan wordt voorzien in de gemeentelijke doelstellingen zoals opgenomen in de structuurvisie Graafstroom en de Toekomstvisie. Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen’, onherroepelijk vastgesteld op 13 februari 2013 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom. Het perceel heeft de bestemming ‘Agrarisch’. Op gronden met deze agrarische bestemming is het niet toegestaan om burgerwoningen te realiseren.

3.5 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het vigerende bestemmingsplan, maar is wel in overeenstemming met het ruimtelijk beleid.

19

4

Samenvatting sectorale aspecten

Sectoraal aspect:

Belemmering:

Nadere voorwaarden:

4.1 Milieueffectrapportage 4.2 Watertoets 4.3 Geluid 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Bedrijf-milieuhinder 4.6 Externe veiligheid 4.7 Kabels en leidingen 4.8 Ecologie

Extern onderzoek uitgevoerd: Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee Nee

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee

4.9 Bodem 4.10 Archeologie

Ja Ja

Nee Nee

Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee Voorwaarde bij sloopmelding Nee Nee

4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling, het plangebied geen deel uitmaakt van beschermde gebieden of locaties en geen sprake is van (een significante toename van) het aantal verkeersbewegingen, etc. kan – met inachtneming van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, redelijkerwijs worden verwacht dat er geen sprake is van ernstige milieugevolgen gerelateerd aan de ruimtelijke ontwikkeling en kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. kan worden volstaan met een onderbouwing van de diverse milieuaspecten in de volgende hoofdstukken.

4.2 Watertoets Voor het onderhavige plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20181217-9-19452). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW001. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,73 meter NAP en een winterpeil van –1,83 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen. Watergangen In de directe omgeving van het plangebied zijn watergangen gelegen. De bouw- en sloopwerkzaamheden zullen plaatsvinden buiten de beschermingszones van enig watergang, waardoor voor de geplande werkzaamheden het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland niet is vereist dan wel noodzakelijk is. Waterberging en -compensatie Het onderhavige plan resulteert in een afname aan verharding met 257 m2. Op basis hiervan zijn watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk.

20

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De extra woningen zullen aangesloten worden op het gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. Ten noordwesten van het plangebied ligt een rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Op dan wel nabij de persleiding zal niet gebouwd worden. De dubbelbestemming ‘Riool – Waterleiding’ zal worden overgenomen uit het moederplan. Waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en/of (buiten)beschermingszone van een waterkering. Wegbeheer Binnen de bebouwde kom is de gemeente Molenlanden verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de B ter hoogte van het plangebied. Het perceel wordt thans ontsloten middels een in- en uitrit op de B. Deze in- en uitrit blijft behouden en zal toegankelijk worden gemaakt voor het autoverkeer voor de twee nieuwe woningen. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.3 Geluid Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van de B (60 km/h). Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, waardoor deze bronnen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Het onderhavige plan betreft de toevoeging van twee wooneenheden. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van het toevoegen van nieuwe geluidsgevoelige objecten en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Voortman Ingenieurs. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Voor de onderzochte woning hoeft geen hogere grenswaarde te worden vastgesteld omdat de voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai niet wordt overschreden.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

21

4.4 Luchtkwaliteit Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Op basis van deze toetsing kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.

4.6 Externe veiligheid Invloed van stationaire bronnen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan. Invloed transport gevaarlijke stoffen Buisleidingen In en om het plangebied zijn geen relevante buisleidingen aanwezig. Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

22

4.7 Kabels en leidingen Ten noordwesten van het plangebied ligt een rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Op dan wel nabij de persleiding zal niet gebouwd worden. De dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ zal worden overgenomen uit het moederplan. Er kan derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan.

4.8 Ecologie Onderzoek Het onderhavige plan betreft de splitsing van de boerderij, de sloop van een schuur en de realisatie van een vrijstaande woning. Met de sloop van de schuur is sprake van werkzaamheden die in het kader van ecologie bedreigend kunnen zijn voor verblijfplaatsen van beschermde plant- en diersoorten. De initiatiefnemer is echter niet voornemens om op korte termijn (niet eerder dan 2 jaar) de schuur te saneren en de vrijstaande woning te realiseren. Het uitvoeren van een ecologisch onderzoek heeft hierom geen nut, omdat in de tussenliggende tijd de schuur eventueel bewoond kan worden door beschermde diersoorten. Een ecologische quickscan zal daarom als voorwaarde worden opgenomen bij de sloopmelding voor de schuur. Ten aanzien van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden vanwege de realisatie van de nieuwe woning (welke gasloos wordt gerealiseerd) kan worden gesteld dat het plan zeer kleinschalig is, de afstand tot een Natura2000-gebied te groot is en derhalve geen negatieve effecten te verwachten zijn. Het plangebied is op een afstand gelegen van 4,9 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied ‘Donkse Laagten’. Daarbij geldt dat dit gebied niet gevoelig is voor stikstofdepositie. Voor wat betreft de aanleg- en gebruiksfase kan verwacht worden dat het plan niet voorziet in negatieve effecten op Natura2000-gebieden.

Een stikstofonderzoek is derhalve achterwege gelaten. Conclusie Een ecologische quickscan wordt als voorwaarde opgenomen bij de sloopmelding voor de schuur. Voor wat betreft de nieuwe woning ondervindt het plan met betrekking tot stikstofdepositie geen belemmeringen.

4.9 Bodem Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is door Linge Milieu een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) en asbestbodemonderzoek (NEN 5707) uitgevoerd. De resultaten uit de onderzoeken luiden: ‘Licht verhoogde gehaltes zijn volgens de bodemkwaliteitskaart gebruikelijk langs de lintbebouwing in het buitengebied van Ottoland en zijn geen risico voor de volksgezondheid. Conclusie van het onderzoek is dat de kwaliteit van grond en grondwater geen belemmeringen zijn voor de voorgenomen ontwikkeling van de locatie. Bevoegd gezag bij de beoordeling van de resultaten van het onderzoek is Omgevingsdienst ZHZ, namens Gemeente Molenlanden.’

23

Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.

4.10 Archeologie De splitsing van de boerderij voorziet niet in bodemingrepen, waardoor een archeologisch onderzoek voor deze ontwikkeling niet noodzakelijk is. Voor de realisatie van de vrijstaande woning geldt wel dat er bodemingrepen gedaan moeten worden. Indien de realisatie van de woning voorziet in ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Wanneer dit het geval is dient voorafgaand aan de werkzaamheden van de bouw van de vrijstaande woning een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek wordt als voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunning wanneer de bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm zijn. Conclusie Indien de realisatie van de woning voorziet in ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm is een archeologisch onderzoek noodzakelijk. Wanneer dit het geval is dient voorafgaand aan de werkzaamheden van de bouw van de vrijstaande woning een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het archeologisch onderzoek wordt als voorwaarde opgenomen in de omgevingsvergunning wanneer de bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm zijn. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk eventuele archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.

24

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Ottoland, B 42’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Ottoland, B 42’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Ottoland, B 42’ is aangesloten bij het bestemmingsplannen ‘Dorpskernen’ en ‘Herziening Dorpskernen Graafstroom’. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Tuin Ten behoeve van de voortuin wordt de bestemming ‘Tuin’ opgenomen. Wonen Ter plaatse van de te splitsen boerderij en de nieuwe vrijstaande woning wordt de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ gewijzigd naar ‘Wonen’. Wonen – 1 Ten behoeve van het vergroten van de woonbestemming en bouwvlak op het perceel B 46 wordt een nieuwe woonbestemming gebruikt. Binnen deze bestemming gelden dezelfde relevante regels als de bestemming ‘Wonen’. Hierdoor geldt de voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke beplanting voor het perceel B 42 niet voor het perceel B 46. Hiermee wordt voorkomen dat het perceel B 46 niet voor woondoeleinden kan worden gebruikt als op het perceel B 42 het landschappelijke beplantingsplan niet (in hoofdlijnen) wordt aangelegd of in stand wordt gehouden. Leiding – Riool De dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ is mede bestemd voor de rioolpersleiding. 25

Waarde – Archeologie 2 en 6 De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2 en 6' zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem.

5.4 Aanduidingen • • • • • •

Bouwvlakken; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m): 4’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum goothoogte (m): 6’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – straalpad’.

26

6

Verantwoording beleidskader

6.1 Rijksbeleid 6.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Het Rijk streeft naar een Nederland dat concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Dit wil zij doen met een krachtige aanpak, die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om deze nieuwe aanpak vorm te geven. Daarnaast geven nieuwe politieke accenten, veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen aanleiding voor herziening van het rijksbeleid. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.

Het Rijk geeft aan dat landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten identiteit geven aan een gebied en culturele voorzieningen en cultureel erfgoed bovendien van groeiend belang zijn voor de concurrentiekracht van Nederland. In de nieuwe structuurvisie is aangegeven dat het Rijk verantwoordelijk blijft voor het cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed (inclusief de voorlopige lijst), kenmerkende stadsen dorpsgezichten, rijksmonumenten en het maritieme erfgoed. Het beleid ten aanzien van landschap is echter niet langer een Rijksverantwoordelijkheid en laat het Rijk over aan de provincies. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. 6.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen.

Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk 27

waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmings- plannen aan moeten voldoen. Het onderhavige plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro. 6.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren. Per 1 juli 2017 is artikel 3.1.6 van de Bro op een aantal punten gewijzigd. In het geval in het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dient de toelichting een beschrijving te bevatten van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmings- plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’.

Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt: ‘De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013: 2471).

Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).’ Toetsing aan ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ In het onderhavige plan worden per saldo twee wooneenheden toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ en is toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.

28

6.2 Provinciaal beleid 6.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie ZuidHolland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.

Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stads- en dorpsgebied. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Het plangebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), maar binnen de contouren van de ‘bebouwde ruimte’. Binnen het gebied ‘bebouwde ruimte’ (systeem van kernen en linten) streeft de provincie Zuid-Holland naar het beter benutten van deze ruimte voor een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied door het stimuleren en faciliteren van verdichting, herstructurering en transformatie. Het plan zorgt voor een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en de individuele, bedrijfs- en maatschappelijke belangen en overige belangen in de directe omgeving worden niet nadelig beïnvloed.

Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke 29

ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Middels de splitsing van de karakteristieke boerderij wordt bewoning en onderhoud en daarmee instandhouding van de monumentale boerderij verzekerd. De nieuwe vrijstaande woning op het achtererf zal ondergeschikt aan de boerderij gerealiseerd worden als schuurwoning, conform de richtlijnen van het ruimtelijk kwaliteitskader van de gemeente; het ‘Molenwaards Kookboek’. Tevens zal het plan zorgen voor een verbetering van het woon- en leefklimaat in de directe omgeving door het wegnemen van de agrarische bestemming. Om in een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te voorzien is een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld. Middels dit inrichtingsplan zal het perceel B 42 worden aangeplant met streekeigen beplanting.

Het parkeren zal achter de boerderij plaatsvinden, waardoor het parkeren ten behoeve van de nieuwe vrijstaande woning aan het zicht wordt onttrokken vanaf de openbare weg. Tenslotte voorziet het onderhavige plan, met de sloop van de verouderde schuur, in het voorkomen van verdere veroudering, verpaupering en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. Kwaliteitskaart De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. In de Visie ruimte en mobiliteit heeft de provincie de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen vastgelegd op de kwaliteitskaart. Het onderhavige plangebied is gelegen in de gebieden ‘veenweidelandschap’ en ‘linten’. De ruimtelijke structuur in het veenweidegebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veenweidelandschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen.

Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.

30

Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Visie Ruimte en Mobiliteit en daarmee richtpunten voor ontwikkelingen in de gebieden ‘veenweidelandschap’ en ‘linten’. Voor de inrichting van het plangebied is door een landschapsarchitect een landschappelijk beplantingsplan opgesteld (paragraaf 2.2.3).

6.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9).

Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen;

31

c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Het onderhavige plan kan worden geschaard binnen de categorie ‘inpassen’. De ontwikkeling is gebiedseigen en passend bij de schaal en aard van het gebied. Het onderhavige plan sluit aan bij de kwaliteitskaart van de Omgevingsvisie ZuidHolland. Het plan sluit aan bij de karakteristieken van het lint langs de B. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen (artikel 6.10).

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a) De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b) Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het onderhavige plan betreft een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stadsen dorpsgebied (BSD). Het onderhavig plan betreft vanuit jurisprudentie geen stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame ontwikkeling’ is daarmee niet vereist dan wel noodzakelijk (paragraaf 6.1.3).

32

6.3 Regionaal beleid 6.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en worden de beleidskeuzes bepaald met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Middels het onderhavige plan wordt (langdurige) leegstand en daarmee verpaupering van een monumentale boerderij voorkomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=b6b80408-9521-4f98-b9a2-c3c8a39c2c34