CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan ‘Streefkerk, Nieuwe Veer 21’

Raadsvergadering 22 februari 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Nieuwe Veer 21, Streefkerk12.392 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan ‘Streefkerk, Nieuwe Veer 21’

Toelichting bestemmingsplan ‘Streefkerk, Nieuwe Veer 21’

Identificatie: NL.IMRO.1978.BPNieuweVeer21SKK-VG01 Datum: 22-02-2022 Planstatus: Vastgesteld Versie: 3.0

2

Inhoud 1.

2.

3.

Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1

Inleiding ..................................................................................................... 5

1.2

Kader .......................................................................................................... 7

1.3

Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 9

1.4

Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 9

1.5

Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid.............................. 9

1.6

Communicatie (omwonenden) ................................................................... 10

1.7

Realisatie .................................................................................................. 10

1.8

Leeswijzer................................................................................................. 10

Planbeschrijving .................................................................................................................... 11 2.1

Bestaande situatie ..................................................................................... 11

2.2

Nieuwe situatie ......................................................................................... 14

Verantwoording beleidskader ......................................................................................... 18 3.1 Rijksbeleid ................................................................................................... 18

4.

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 20

3.3

Regionaal beleid ....................................................................................... 24

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 25

3.5

Conclusie .................................................................................................. 26

Verantwoording sectorale aspecten ............................................................................. 27 4.1

Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 27

4.2

Watertoets ................................................................................................ 28

4.3

Geluid ....................................................................................................... 34

4.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 36

4.5

Bedrijven en milieuhinder ......................................................................... 38

4.6

Externe veiligheid ..................................................................................... 40

4.7

Kabels en leidingen................................................................................... 44

4.8

Molenbiotoop ........................................................................................... 45

4.9

Ecologie .................................................................................................... 47

4.10 Bodem ...................................................................................................... 50 4.11 Archeologie .............................................................................................. 51 4.12 Duurzaamheid en klimaatadaptatie ........................................................... 53 5 Juridische planbeschrijving .................................................................................................. 55 5.1

Inleiding ................................................................................................... 55

5.2

Systematiek van de regels ......................................................................... 55

5.3

Bestemmingen .......................................................................................... 55 3

5.4

Aanduidingen ........................................................................................... 56

Bijlage Omschrijving 1 Nieuwe situatie/ landschappelijk inpassingsplan 2 Digitale watertoets 3 4 5 6 7

Verkennend bodemonderzoek (incl. asbest) Ecologische quickscan Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Archeologisch onderzoek Nota van Zienswijzen

Auteur Referentie Lagendijk tuin- en LTL21474 landschapsarchitecten

Datum 22-12-2020

Waterschap Rivierenland Bakker milieuadviezen

20201130-924921 BM/261612020

30-11-2020

Blom Ecologie B.V.

BE/2020/894/r

18-05-2021

Voortman Ingenieurs

R-JVO-1645

27-01-2021

ADC Archeoprojecten

Rapport 5509

17-08-2021

Gemeente Molenlanden

Versie 1

Jan. 2022

Feb. 2021

4

1.

Inleiding

1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding Het perceel Nieuwe Veer 21 te Streefkerk betreft een restant van een voormalig agrarisch perceel. De boerderij is als gevolg van de ruilverkaveling afgebroken. De voormalige varkensschuur is behouden gebleven. De varkensschuur verkeert in een zeer slechte bouwkundige staat en is voorzien van een asbestdak. Het plan is om de voormalige varkensschuur af te breken en in ruil daarvoor een nieuwe vrijstaande woning terug te bouwen. Het plan is strijdig met het huidige bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’ (vastgesteld op 20 februari 2018) en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’(vastgesteld op 26 maart 2013). Het perceel heeft de bestemming ‘Wonen’ met een bouwvlak en de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 8’. Dit bouwvlak met maatvoeringsaanduiding strekt zich uit over de percelen Nieuwe Veer 15 tot 25. In de huidige situatie zijn binnen het bouwvlak al 8 woningen gelegen, waardoor het toevoegen van een extra woning niet is toegestaan. Op 17 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenlanden besloten om medewerking te verlenen aan het plan. Om het juridisch-planologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen. 1.1.2 Plangebied Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Streefkerk, sectie E, nummer 77, aan de Nieuwe Veer te Streefkerk.

Aan de oost- en westzijde wordt het gebied begrensd door de perceelsgrenzen met naastgelegen percelen en aan de zuidzijde grenst het plangebied aan het open landschap.

Afbeelding 1: Begrenzing plangebied

5

1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan een plan wanneer het plan bijdraagt aan het behalen van gemeentelijke en/of regionale doelstellingen, een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit (of daar tenminste geen afbreuk aan doet) en overige belangen niet, of in ieder geval niet onevenredig nadelig worden beïnvloed. Het plan resulteert in verbetering van de ruimtelijke kwaliteit (landschap) Middels dit plan wordt een oude varkensschuur met asbestdak vervangen door een nieuwe vrijstaande woning. Het bouwvolume is overeenkomstig aan het volume van de huidige varkensschuur. Hiermee is sprake van een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Om tot een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te komen wordt de woning op een passende wijze in het landschap ingepast. Het voorerf wordt op een passende wijze, middels streekeigen beplanting, groen ingericht. De woning wordt op een passende wijze architectonisch vormgegeven. Hierbij wordt gedacht aan een landelijke uitstraling. Het doorzicht langs de linker zijgevel van de woning blijft hierbij behouden. Er is sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat en er worden geen bedrijven nadelig beïnvloed. Bij de uitwerking van het plan is bewust rekening gehouden met de bedrijfsvoering van het naastgelegen perceel, de theetuin (Nieuwe Veer 22a).

De woning wordt op voldoende afstand hiervan gerealiseerd, waardoor gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en de bedrijfsactiviteiten op het naastgelegen perceel niet nadelig worden beïnvloed. Het plan is een wenselijke ontwikkeling voor de gemeente Molenlanden.

6

1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld, vastgesteld op 26 maart 2013 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Molenwaard. Het plangebied heeft de bestemmingen: • Wonen; • Tuin. De dubbelbestemmingen: • Waarde – Archeologie – 2; • Waarde – Archeologie – 4; • Waterstaat – Waterkering. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Maatvoeringsaanduiding: Maximaal aantal wooneenheden: 8; • Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – molenbiotoop 400.

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’

Over de percelen Nieuwe Veer 15 tot 25 ligt één bouwvlak met de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 8’. Het toevoegen van een negende woning in het bouwvlak is strijdig met het vigerend bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’.

7

Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’ Op 20 februari 2018 is de ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’ vastgesteld. In de herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen van het buitengebied, evenals omissies en nieuw beleid. Voor het plan betekent dit de aanpassing/actualisatie van de regelgeving. Verder is op de verbeelding van het bestemmingsplan de gebiedsaanduiding: ‘wetgevingszone: wijzigingsgebied dorpslint’ toegevoegd. Bestemmingsplan ‘Parapluherziening Parkeren’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘parapluherziening parkeren’, vastgesteld op 27 oktober 2020 door gemeente Molenlanden. In deze parapluherziening is het parkeerbeleid van gemeente Molenlanden vastgesteld. Dit wordt uitgebreid uiteengezet in paragraaf 2.2.2. Huisvesting Arbeidsmigranten Het plangebied ligt tevens binnen de contouren van het voorbereidingsbesluit ‘Huisvesting Arbeidsmigranten’. Dit voorbereidingsbesluit is echter niet van toepassing op dit plan.

8

1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het bestemmingsplan wordt het juridisch-planologisch mogelijk gemaakt om een vrijstaande woning te realiseren op het perceel Nieuwe Veer 21 te Streefkerk.

1.4 Maatschappelijk draagvlak Participatie Vooruitlopend op de bestemmingsplanprocedure hebben de initiatiefnemers van het plan de buren op de hoogte gebracht van de plannen. De ontsluiting van het perceel betreft een stoep op de Nieuwe Veer. Op deze stoep is een ‘recht van overpad’ gevestigd (gedeeld gebruik met de eigenaren van het perceel Nieuwe Veer 22/22a). Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Er zijn afspraken gemaakt dat men met een gemotoriseerd voertuig gebruik mag maken van de stoep/het pad. Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de overlegpartners waaronder de Provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rivierenland. Het waterschap Rivierenland had enkele tekstuele opmerkingen. De opmerkingen zijn verwerkt in paragraaf 4.2 ‘Watertoets’ van de toelichting. Zienswijzen Het ontwerp-bestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf 4 november 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn twee zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn inhoudelijk behandeld en van een antwoord voorzien in een ‘Nota van Zienswijzen’. De ‘Nota van Zienswijzen’ is toegevoegd in de bijlage.

De zienswijzen hebben niet geleid tot wijzigingen van het bestemmingsplan.

1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers gesloten, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

9

1.6 Communicatie (omwonenden) Er is op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via internet en de Staatscourant).

1.7 Realisatie Wanneer er geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de ter inzage termijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor de bouw van de vrijstaande woning kan dan worden aangevraagd.

1.8 Leeswijzer Deze toelichting van het bestemmingsplan bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: • • • •

Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskaders; Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten; Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.

10

2.

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige structuur Rond de 12e en 13e eeuw is men voor bewoning het uitgestrekte natte veengebied van de Alblasserwaard ingetrokken. Daarbij kwamen de in het veen zichtbare donken en stroomruggen van riviertjes als de Alblas en Goudriaan het eerst voor permanente bewoning in aanmerking. Zo is ook het huidige dorp Streefkerk ontstaan. Op de in het landschap van nature aanwezige zanddonk is in de vroege middeleeuwen de eerste bewoning ontstaan. Recente archeologische vondsten doen zelfs vermoeden dat er door jagers zelfs gebruik is gemaakt van de Streefkerkse donk voor onze jaartelling. In de vroege middeleeuwen vestigden de eerste bewoners van deze streek zich op deze uit het veen oprijzende zandheuvel, om vandaar uit met de ontginning van het moerasland te beginnen. In de Gouden Eeuw begint in Streefkerk de welvaart toe te nemen, wat resulteert in de groei van het dorp. Met de bedijking van de Alblasserwaard neemt ook langzaam de bewoning langs de dijken toe. Zo ontstaat er een langgerekt dijkdorp met een compacte kern. Een ruimtelijke structuur die nog steeds kenmerkend is voor het dorp. De eerste uitbreiding van het dorp concentreerde zich in een compacte bebouwing rond de in 1495 gebouwde kerk, op de van nature aanwezige zanddonk.

Pas in de 20e eeuw kent Streefkerk een grotere uitbreiding en met name de naoorlogse wijken zijn hiervan een goed voorbeeld. Het centrum van het dorp is gelegen aan de Kerkstraat en Kerklaan. De commerciële en maatschappelijke functies zijn langs deze straten geconcentreerd. Doordat Streefkerk een kleine kern is, staat het draagvlak voor winkels onder druk. Een studie naar een passendere schaal en maat voor deze voorzieningen is momenteel gaande. Hierbij spelen zaken als kwaliteit en toekomstvastheid een belangrijke rol. Het plangebied is gelegen in de lintbebouwing langs de Lekdijk/Nieuwe Veer. Langs de dijk is door de tijd een langgerekt lint van min of meer samengegroeide gemengde bebouwing ontstaan. Het bebouwingslint typeert zich door een grote verscheidenheid in maat. Opvallend is het verschil tussen de bouwvolumes. Grote boerderijen en kleine woningen wisselen elkaar af en zorgen voor een gemêleerd beeld.

11

Afbeelding 3: Foto’s bestaande situatie Nieuwe Veer 21 Streefkerk

12

2.1.2 Huidige status/gebruik Het plangebied betreft een restant van een voormalig agrarisch perceel. De boerderij is als gevolg van de ruilverkaveling afgebroken. De voormalige varkensschuur is behouden gebleven. De varkensschuur verkeert in een zeer slechte bouwkundige staat en is voorzien van een asbestdak. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 1680 m2 en de voormalige varkensschuur is circa 400 m3.

Varkensschuur

Afbeelding 4: Bestaande varkensschuur Nieuwe Veer 21 Streefkerk

Afbeelding 5: Slechte bouwkundige staat varkensschuur

13

2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Middels dit plan wordt de voormalig agrarische varkensschuur met asbesthoudend dak gesloopt en hiervoor in de plaats wordt een vrijstaande woning gerealiseerd. De woning zal op minimaal 10 meter afstand van de schuur (keuken theetuin) op het perceel Nieuwe Veer 22a gerealiseerd worden. De bestaande varkensschuur heeft een inhoud van 400 m3. De woning zal overeenkomstig aan de varkensschuur inhoud een maximale inhoud hebben van 400 m3 met een maximale bouw- en goothoogte van 7,5 meter respectievelijk 4 meter. Het bouwvlak waarbinnen de woning dient te worden gerealiseerd, is buiten de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone molenbiotoop’ gelegd. Wat betreft de overige bouwregels wordt aangesloten bij de regels van het huidige bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’ (vastgesteld op 20 februari 2018).

Afbeelding 6: Schets nieuwe situatie

2.2.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het perceel wordt in de huidige situatie ontsloten via een stoep op de Nieuwe Veer. Op deze stoep is een ‘recht van overpad’ gevestigd (gedeeld gebruik met de eigenaren van het perceel Nieuwe Veer 22/22a). Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Parkeren Voor de vaststelling van de parkeernormering is gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. Voor het vaststellen van de parkeerbehoefte gaat de nota uit van de stedelijkheidsgraad ‘niet stedelijk’ en de stedelijke zone ‘(rest) bebouwde kom’. Voor wat betreft de vrijstaande woning wordt uitgegaan van de 14

categorie ‘koop, vrijstaand’. Hiervoor staat een parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per wooneenheid. Binnen het plangebied is ruim voldoende ruimte voor het parkeren van minimaal 3 auto’s. Daarmee kan worden gesteld dat de parkeerbehoefte volledig op het eigen terrein opgelost kan worden en het plan daarmee voldoet aan de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020.

Afbeelding 7: Parkeren

2.2.3 Landschappelijke inrichting Om in een optimale kwaliteitsverbetering te voorzien is het plan om het plangebied op een verantwoorde wijze landschappelijk in te passen. Bij de uitwerking van de landschappelijke inpassing is rekening gehouden met het ruimtelijk kwaliteitskader van de gemeente, het ‘Molenwaards Kookboek’. De stappen van het Kookboek zijn hieronder globaal uiteengezet. Geschiedenis In 1900 is de bebouwing binnen het plangebied reeds aanwezig. De woonboerderij en varkensschuur zijn dan al gebouwd. In 1950 is er weinig veranderd binnen het plangebied, er is enkel wat extra bebouwing rondom dit gebied aanwezig. In 2000 staat de huidige woonboerderij nog op het perceel. Tot 2019 veranderd er wederom weinig, alleen de boerderij in het plangebied is verdwenen. Wat door de tijd heen hetzelfde blijft is de bebouwing die vanaf 1900 al langs het lint gelegen is. het is vanaf het begin al een wat dicht bebouwd stuk lint langs de Nieuwe Veer. De omliggende percelen zijn altijd bebouwd gebleven.

15

1900

1950

2000

2019

Afbeelding 8: Geschiedenis in beeld

Kenmerken omgeving Het plangebied is gelegen in het cultuurhistorische dijklint aan de noordoostkant van het dorp Streefkerk. Het perceel ligt binnendijks aan de rivier de Lek. Het plangebied betreft een perceel in het karakteristieke slagenlandschap aan de weg Nieuwe Veer. De cultuurhistorische lintbebouwing kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) boerderijen en (kleinere) arbeiders-/knechtenhuisjes. Hier en daar is de traditionele bebouwing vervangen door nieuwbouw (vrijstaande woningen) en hebben de bestaande boerderijen de agrarische functie verloren en zijn volledig in gebruik als woonfunctie. De hoofdvolumes (zowel traditioneel als nieuwbouw) zijn hoofdzakelijk rechthoekig opgebouwd uit bakstenen gevels met een gebakken pan of riet als dakbedekking. De vervangende nieuwbouwwoningen hebben doorgaans een modernere bouwstijl dan de traditionele (woon)boerderijen en de arbeidershuisjes welke meer klassiek zijn vormgegeven. De gebruikte materialen zijn bij zowel de traditionele bebouwing als de nieuwbouw overwegend traditioneel (streekeigen). De gebruikte kleuren zijn ingetogen en zijn in harmonie met het omliggende slagenlandschap.

16

Landschappelijke inpassing Het perceel wordt op een passende wijze landschappelijk ingericht. Het landschappelijk inpassingsplan is uitvergroot toegevoegd in de bijlage. Het uitgangspunt daarbij is behoud dan wel versterken van de waardevolle landschappelijke elementen op het perceel. De bestaande landschappelijke doorzichten blijven behouden. Er worden geen ingrepen gedaan aan het verkavelings- en/of slotenpatroon. Hiermee is sprake van een goede landschappelijke inpassing van de nieuwe woning (en eventuele bijgebouwen) in het lint langs de Nieuwe Veer.

Afbeelding 9: Landschappelijk inpassingplan

17

3.

Verantwoording beleidskader

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; • Duurzaam economisch groeipotentieel; • Sterke en gezonde steden en regio's; • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat er zowel maatregelen op korte termijn als maatregelen op lange termijn nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven als de ondergrond. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen. Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen. Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro.

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen 18

stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie van stedelijke ontwikkeling opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Het Bro biedt geen verdere definitie van het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’.

Inmiddels is door jurisprudentie wel een verder beoordelingskader van dit begrip ontstaan: De bouw van één woning is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder (ABRvS 14 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:156). Ook een plan dat voorziet in de planologische inpassing van drie woningen is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 5 november 2014, ECLI:NL:RVS: 2014:3929). De ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ is tevens niet van toepassing op een ontwikkeling waarbij zes woningen mogelijk worden gemaakt (ABRVS 18 december 2013, ECLI: NL:RVS:2013: 2471). Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3). Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking Middels dit plan wordt één wooneenheid toegevoegd. Vanuit jurisprudentie is in dit geval geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is toetsing van het plan aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet noodzakelijk.

19

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie ZuidHolland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.

Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van het bestaand stadsen dorpsgebied (BSD). Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Tegelijkertijd is er het streven om de leef kwaliteit van de bebouwde ruimte te verbeteren. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Conform de Omgevingsvisie kunnen kleinschalige stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten (in de bebouwde ruimte). Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiekindustrieel systeem. De provincie Zuid-Holland zet in op het beter benutten van de bebouwde ruimte. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie.

Tegelijkertijd is het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren Het plangebied betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie in de lintbebouwing langs de Nieuwe Veer te Streefkerk waarvan de agrarische bestemming reeds is gewijzigd naar wonen. De locatie is gelegen binnen de bebouwde ruimte. Middels de 20

sloop en nieuwbouw is sprake van een betere benutting van de bestaande bebouwde ruimte. Het plan past binnen het streven van de provincie Zuid-Holland om de ‘bebouwde ruimte’ beter te benutten. Verbeteren Ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.

De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Het plangebied is gelegen in het ‘veenweidelandschap’, ‘rivierdijken’ en de ‘linten’.

Plangebied

Afbeelding 10: Kwaliteitskaart

21

Veenweidegebied De ruimtelijke structuur in het veen(weide)gebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veen(weide)landschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veen(weide)landschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar Rivierdijken Rivierdijken zijn lijnvormige, herkenbare structuurdragers in het landschap met als primaire functie het keren van water. De dijken worden periodiek aangepast aan de dan geldende veiligheidsnormen.

Indien mogelijk worden recreatieve routes gekoppeld aan het water en/of de dijk. Voor ontwikkelingen in de rivierdijken heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Behoud van maat en weidsheid van de poldereenheden. Eventuele nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen het bestaande dijklint en niet in de veenweidepolders. • Behouden van de doorzichten vanaf de dijk op het achterliggende landschap. • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud of herstel van de openbaarheid van oevers. Linten Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend. Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm.

Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht. 22

Het plan betreft de sloop van een voormalige varkensschuur en de realisatie van een vrijstaande woning in het lint langs de Nieuwe Veer te Streefkerk. Om tot een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te komen wordt de woning op een passende wijze in het landschap ingepast. Het voorerf wordt op een passende wijze, middels streekeigen beplanting, groen ingericht. De woning wordt op een passende wijze architectonisch vormgegeven. Hierbij wordt gedacht aan een landelijke uitstraling. Het doorzicht langs de linker zijgevel van de woning blijft behouden. Het plan sluit aan bij de kwaliteitskaart en daarmee richtpunten voor ontwikkelingen in de gebieden ‘veenweidelandschap’ en ‘linten’. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid.

Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie. Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit (artikel 6.9). Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a) De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b) Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c) Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: ▪ Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de

fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen. Gezien de schaal en aard kan het plan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Er vinden geen wijzigingen plaats op structuurniveau. Een nieuwe woning met een 23

bouwvolume overeenkomstig aan de bestaande schuur. Er worden geen wijzigingen gedaan in het verkavelings- en slotenpatroon. Het bestaande doorzicht langs de linkerzijgevel van de woning blijft behouden. Er wordt rekening gehouden met de molenbiotoop. De bestaande gebiedsidentiteit blijft ongewijzigd. Het plan is qua aard en schaal passend is in dit gebied. Stedelijke ontwikkelingen In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: • De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; • Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma Ruimte. Het plan betreft geen stedelijke ontwikkeling, waardoor toetsing aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ niet van toepassing is. Bescherming Molenbiotoop In artikel 6.25 ‘Bescherming molenbiotoop’ van de verordening zijn regels opgenomen ter bescherming van molenbiotopen.

In het plan is rekening gehouden met de windvang van de nabijgelegen molen ‘De Liefde’. In hoofdstuk 4.8 ‘Molenbiotoop’ is beschreven dat het plan niet leidt tot een beperking van de windvang van de molen ‘De Liefde’. Ter bescherming van de molenbiotoop wordt de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop’ overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. De opvolgende visie ‘open voor elkaar’ benadrukt het bijzondere cultuurhistorische landschap, de grote sociale cohesie en de innovatiekracht van het bedrijfsleven als kernwaarden. Het plan resulteert in landschappelijke verbetering. Middels dit plan wordt verrommeling van het landschap (door verval/verpaupering schuur) voorkomen. Het plan draagt bij aan de instandhouding van het open rustige en authentieke karakter van het landschap. Het plan is in overeenstemming met het regionaal beleid.

24

3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied en een dynamische stedelijke zone. Elke gemeente en kern heeft kwaliteiten en weet sommige groepen te binden, maar andere weer minder. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Door een jaarlijkse woonmonitor worden bereikte resultaten en de planning voor volgende jaren geregistreerd. In de actualisatie van de woonvisie zijn de afspraken rond het afstemmen opgenomen. Daarbij is gebruik gemaakt van de jongste demografische cijfers van de provincie Zuid-Holland. Van belang is dat er voldoende flexibel geprogrammeerd wordt.

Ook is besloten gebruik te blijven maken van de benadering waarbij woonmilieus en mentality milieus als handreiking. Streefkerk is aangeduid als woondorp. Dit zijn kleinere dorpen met hooguit enkele basisvoorzieningen. In deze dorpen is er sprake van een hoge mate van sociale cohesie. De te realiseren woning is voor eigen gebruik. De woning wordt gemeld in het regionaal overleg en wordt meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Woonvisie Molenlanden 2020-2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: •

•

•

•

•

Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren. Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnel de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen.

25

•

Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed).

Middels dit plan wordt voorzien in de eigen woningbehoefte. De woning voldoet aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Voor het dorp Streefkerk zijn er voldoende harde plannen om in de woningbehoefte te kunnen voorzien. De behoefte is vooral afkomstig van senioren en starters en zit met name in het goedkopere segment tot circa € 300.000 en het segment van € 300.000 tot € 450.000 Dit plan, een vrijstaande woning, valt in het duurdere segment en past daarmee minder goed in de behoefte. Kijkend naar de Woonvisie Molenlanden 2020-2024 is het plan, alhoewel zeer beperkt van omvang, niet passend in de kwantitatieve behoefte en kwalitatieve behoefte. De afweging is gemaakt om wel medewerking te verlenen aan dit plan door een doorslaggevende ruimtelijke kwaliteitsverbetering. Met dit plan verdwijnt een asbesthoudende, een in zeer slecht bouwkundige staat, varkensschuur.

3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • • •

•

Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; Het plan voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking; De extra woning wordt gemeld in het regionaal overleg en wordt meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor AlblasserwaardVijfheerenlanden 2020-2030; Het plan zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

26

4.

Verantwoording sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van een woning. Het plan betreft geen ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Er is geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Wel geldt de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om een woning te realiseren. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden.

Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. Het aantal motorvoertuigbewegingen als gevolg van het plan kan in voldoende mate worden afgewikkeld via de bestaande wegen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer. Op basis hiervan hoeft geen m.e.r.beoordelingsprocedure te worden gevolgd.

27

4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.

Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

28

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de water aanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode: 20201130-9-24921). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt.

C-watergang: 061277

C-watergang: 061283

C-watergang: 061282 Afbeelding 11: Uitsnede Legger wateren

29

Watergangen In de omgeving het plangebied zijn drie C-watergangen gelegen (061282, 061283 en 061277). Het plan betreft de sloop van een voormalig varkensschuur en de realisatie van een woning. Het plan voorziet niet in ingrepen aan de omliggende watergangen. Derhalve is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland niet vereist. Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW035. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,77 m NAP en een winterpeil van -1,82 m NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Plangebied

Afbeelding 12: Uitsnede peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in 30

het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Verhardingsbalans Voor het plan is een verhardingsbalans opgesteld (tabel 1). Het plan resulteert in een beperkte toename aan verharding. De toename aan verharding blijft onder de vrijstellingsgrens van 1.500 m2 in het landelijk gebied, waardoor het realiseren van watercompensatie niet noodzakelijk is. De initiatiefnemer van dit plan (de eigenaar van het perceel Nieuwe Veer 21) heeft nog niet eerder gebruik gemaakt van de particuliere vrijstelling. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze vrijstelling. Indien de initiatiefnemer geen gebruik meer kan maken van de eenmalige vrijstelling, is op het perceel voldoende ruimte beschikbaar om compenserend water te graven. Tabel 1: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Voormalig varkensschuur Terreinverharding

(circa) Oppervlakte m2 90 m2 150 m2

Totaal bestaande situatie

240 m2

Nieuwe situatie Vrijstaande woning Erfverharding

100 m2 400 m2

Totaal nieuwe situatie

500 m2

Verschil

260 m2 toename

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woning wordt aangesloten op het gescheiden riolerings31

stelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Primaire waterkering Het plangebied is gelegen in de kern-, beschermings- en buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Binnen de buitenbeschermingszone geldt dat de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. De sloopwerkzaamheden vallen binnen de beschermingszone van de waterkering. De woning wordt binnen de beschermingszone van de waterkering gerealiseerd (weliswaar verder van de dijk). Voor deze werkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. De woning wordt buiten het profiel van vrije ruimte (PVVR) gerealiseerd.

Ter bescherming van de waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Op basis van de Barro (2012) wordt voor de beschermings- en buitenbeschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ en ‘vrijwaringszone – dijk – 2’ opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduidingen beschermen de waterkering voor de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming.

32

Afbeelding 13: Uitsnede Legger waterkeringen

Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Nieuwe Veer. Ter plaatse van het plangebied is de Nieuwe Veer in beheer van het Waterschap Rivierenland. Het perceel Nieuwe Veer 21 wordt in de huidige situatie ontsloten door een stoep op de Nieuwe Veer. Op deze stoep is een ‘recht van overpad’ gevestigd (gedeeld gebruik met de eigenaren van het perceel Nieuwe Veer 22/22a). Dit blijft in de nieuwe situatie ongewijzigd. Het aanvragen van een watervergunning dan wel het indienen van een melding bij het Waterschap Rivierenland is niet vereist. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor het plan dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.

33

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.

Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, dus kan buiten beschouwing worden gelaten. Onderzoek Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en scheepvaartlawaai uitgevoerd. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: Wegverkeerslawaai • ‘De berekende geluidbelasting ten gevolge van het Nieuwe Veer ten hoogste 42 dB, incl. aftrekartikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Halfweg ten hoogste 28 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=dc1d35a0-412b-44e4-872c-2c646a1d7eb5