CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 – Toelichting bestemmingsplan Oud-Alblas, Peperstraat 28-29

Raadsvergadering 25 januari 2022, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Peperstraat 28-29, Oud-Alblas11.985 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, deze bronnen kunnen derhalve buiten beschouwing worden gelaten. Het plangebied is wel gelegen binnen de invloedssfeer van enkele wegen. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: •

• •

‘De berekende geluidbelasting op de woningen ten gevolge van de Peperstraat en Westeinde ten hoogste respectievelijk 47 en 35 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai; De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 47 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woning alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte beschikt en aan het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan. (…)

35

Voor de onderzochte woning hoeft geen hogere grenswaarden te worden vastgesteld.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

36

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 5: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie 2,5 Fijnstof (PM ) Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3

Geldig Vanaf 2015

40 µg/m3

Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2020 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 19,9 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,6 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,5 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met

37

niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.

38

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, gezien er sprake is van een bebouwingslint in het buitengebied met in de nabijheid enkele agrarische bedrijven. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd.

De richtafstanden voor gemengde gebieden mogen één afstandstrap worden verlaagd ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden of dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning en/of dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Middels de wijziging van de horecabestemming naar een woonbestemming zal het woon- en leefklimaat ter plaatse verbeteren. Een planologisch milieubelastende functie, een restaurant, wordt verwijderd en in de toekomst uitgesloten. Hiermee wordt (mogelijke) hinder/overlast welke afkomstig is van het restaurant naar de omliggende milieugevoelige objecten (woningen) weggenomen. Tabel 1: Bedrijf- en milieuhinder van omliggende bedrijven Adres Functie MilieuRichtafstand cat. conform VNG (gemengd gebied) Peperstraat 23a Autoschade Cat. 3.2 50 meter herstelbedrijf Peperstraat 23 Bedrijf cat. 2.0 Cat. 2.0 10 meter Peperstraat 24 Horeca Cat. 1.0 0 meter Peperstraat 31 Agrarisch bedrijf Cat. 3.2 50 meter – melkveehouder

Werkelijke afstand (bedrijf tot plangebied) 65 meter 40 meter 15 meter 120 meter

39

In bovenstaande tabel en onderstaande afbeelding zijn omliggende bedrijven weergegeven ten opzichte van het plangebied (gemengd gebied). Hieruit kan worden geconcludeerd dat deze voldoen aan de gestelde richtafstanden van het NVG. Er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning en dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt.

Nr. 23a

Nr. 31 Nr. 23 Nr. 24

Afbeelding 13: Plangebied t.o.v. omliggende functies

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.

40

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Stationaire bronnen/risicovolle bedrijven Uit de risicokaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico nodig vanwege deze bronnen.

Indicatie plangebied

Afbeelding 14: Uitsnede externe veiligheidskaart

41

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen. In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

42

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

43

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan betreft uitsluitend een juridisch-planologische wijziging van een restaurant naar een burgerwoning. Er vinden geen fysieke werkzaamheden plaats, zoals uitpandige bouw- en/of sloopwerkzaamheden welke nadelige gevolgen kan hebben op beschermde flora en fauna, geen dempingen van watergangen, kappen van bomen en/of verwijderen van andere beplanting. De huidige tuinen bij de woningen worden structureel bijgehouden en onderhoud op gepleegd. Hiermee kan al worden gesteld dat de deze niet geschikt zijn voor beschermde flora en fauna. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het onderhavige plan in het kader van flora en fauna geen nadelige gevolgen heeft voor de verblijfsplaatsen van beschermde plant- en diersoorten en/of beschermde natuurgebieden.

Het uitvoeren van een ecologische quickscan is niet noodzakelijk. Wel geldt ten alle tijden de algemene zorgplicht voor beschermde plant- en diersoorten. Conclusie Het plan ondervindt geen belemmeringen voor wat betreft het aspect ecologie.

44

4.9 Stikstofdepositie Beleidskader Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is ondervangen in het onderdeel ‘gebiedsbescherming’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Bij mogelijke negatieve effecten op Natura 2000-gebieden geldt een ontheffingsplicht. Uit een passende beoordeling dient te blijken dat de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden niet aangetast worden door het plan voordat een ontheffing verleend kan worden. Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Hierom is een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig voor activiteiten welke voorzien in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Voorheen was toestemming hiervoor gebaseerd op het PAS, waarbij de drempelwaarde van 0,05 mol per hectare per jaar werd gehanteerd om effecten van ontwikkelingen te toetsen. De Raad van State heeft op 29 mei 2019 beoordeeld dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt.

Op basis van het PAS werd namelijk vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Een dergelijke toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunningplichtig en dient aangetoond te worden dat een ontwikkeling niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Het Rijk heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS uitgebracht. Met deze nieuwe rekentool kan de depositie op stikstofgevoelige habitats berekend worden. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop en eenmalige aanlegactiviteiten. Dit wordt de ‘bouwvrijstelling’ genoemd. Eventuele stikstofdepositie vanwege de realisatie-/ bouwfase is dan ook vrijgesteld van vergunningplicht. Onderzoek Het plan betreft de realisatie van twee burgerwoningen in een bestaand pand. Het plangebied is gelegen op ca. 7,2km van stikstofgevoelige habitat in Natura2000gebied.

Gelet op deze twee aspecten kan naar het stroomschema van de Omgevingsdienst Zuid-Holland-Zuid (beoordeling WABO-aanvragen bouw voor nieuwe initiatieven met stikstofdepositie (versie 5.1, 27 januari 2021)) worden uitgesloten dat het plan negatief effect heeft op stikstofgevoelig Natura2000gebied. Daarnaast geldt de ‘bouwvrijstelling’ voor de aanlegfase ook voor dit project.

45

7,2km

Afbeelding 15: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebied

Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft stikstofdepositie geen belemmeringen.

46

4.10 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Ten behoeve van het aspect bodem is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage bij de toelichting gevoegd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Bodemopbouw en veldwaarnemingen Bij het onderzoek zijn de volgende waarnemingen geconstateerd: • Zowel de boven- als ondergrond bestaat uit klei. Ter plaatse van verhardingen zijn meer zandige straatlagen aanwezig. • Ter plaatse van boring 01 en 09 is in de ondergrond bijmenging met riet en/of slib aangetroffen, waarschijnlijk betreft dit een voormalige watergang. In dat geval zijn de voormalige watergangen niet gedempt met bodemvreemde materialen.

• De bovengrond in de groenstroken bevat een zwakke bijmenging met metselwerkpuin. • De halfverharding op de locatie betreft een fundering van (menggranulaat) puin en/of slakken met een dikte van 20-50cm. Deze laag is doorboord met een betonboor. • Over het algemeen bevat de 1e bodemlaag onder de fundering een zwakke bijmenging met metselwerkpuin. • Boring 03 en 05 zijn in de ondergrond gestuit op een hard object. • Tijdens de uitvoering van het onderzoek zijn geen zintuigelijke waarnemingen gedaan aan de uitkomende grond die een aanwijzing zouden kunnen vormen voor bodemverontreiniging, anders dan de genoemde bijmenging. Analyseresultaten verkennend bodemonderzoek • De grond onder de funderingslaag is licht verontreinigd met verschillende zware metalen en/of PCB en PAK. Deze grond voldoet bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit aan klasse industrie. • De bovengrond in de groenstrook is sterk verontreinigd met lood en zink en licht verontreinigd met zware metalen en PAK. • De ondergrond ter plaatse van vermoedelijk voormalige watergangen met bijmenging aan slib is sterk verontreinigd met koper en licht verontreinigd met lood. • De onverdachte ondergrond is licht verontreinigd met kwik en lood en voldoet bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit aan klasse industrie.

47

•

Het grondwater is gelegen op ca. 0.75 m-mv en is licht verontreinigd met barium.

Analyseresultaten aanvullend bodemonderzoek In verband met de aangetroffen sterke verontreinigingen is een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijk het volgende: • De bovengrond ter plaatse van boring N15 en N16 is sterk verontreinigd met lood en zink. Dit gedeelte betreft de smalle groenstrook van de Peperstraat tot groenstrook met de speeltoestellen. De verontreiniging is over het grootste deel afgeperkt door de naastgelegen halfverharding en beslaat een oppervlakte van circa 25m2. De verontreinigde laag betreft de bovengrond tot een diepte van maximaal 50cm en heeft een volume van 12,5m3. De verontreiniging is ontstaan voor 1987 en betreft geen ernstig geval van bodemverontreiniging. • De overige grond is niet tot licht verontreinigd met koper, lood of lood en zink. • De sterke verontreiniging met koper is niet bevestigd. Vermoedelijk is een stukje kopermetaal de oorzaak van de eerder aangetroffen verhoogde gehalten. Analyseresultaten asbestbodemonderzoek In verband met de aangetroffen bijmenging in de bodem met metselwerkpuin is een asbestbodemonderzoek uitgevoerd. Hierbij is visueel geen asbest aangetroffen. Analytisch is 0,6 mg/kg/ds asbest aangetroffen. Hypothese De hypothese ‘verdacht’ is bevestigd gezien de aangetroffen lichte tot sterke verontreinigingen in grond -en grondwater.

De verhogingen zijn van die mate dat de resultaten van het onderzoek geen aanleiding vormen voor nader onderzoek. Voor de voorgenomen bestemmingsplan wijziging en de geplande aanpassing van de bedrijfsmatige bebouwing naar wonen vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering hoewel ter plaatse van de ‘smalle groenstrook’ aan de noordwestzijde van het terrein in de bovengrond een sterke lood- en zinkverontreiniging is aangetroffen. Gezien het geen ernstig geval van bodemverontreiniging betreft, is sanering niet noodzakelijk. Omdat het een minimale hoeveelheid grond betreft wordt geadviseerd om deze grond bij herinrichting te ontgraven en af te voeren naar een erkende verwerkingsinrichting. Rekening dient gehouden dat bij werkzaamheden in deze grond de maatregelen genomen moeten worden zoals vermeld in de regelgeving CROW400 omgang met verontreinigde grond.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat het aspect bodem geen belemmeringen.

48

4.11 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met: • Een zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Een hoge verwachting tussen 1,5 en 5 meter beneden maaiveld. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 150 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het onderhavige plan betreft enkel een juridisch-planologische wijziging, waarbij de bodem niet wordt geroerd. Daarmee is geen verkennend archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Indien eventuele toekomstige werkzaamheden bovengenoemde grenswaarden wel overschrijven dient verkennend archeologisch onderzoek plaats te vinden. Ter borging hiervan en ter bescherming van de eventuele archeologische

49

waarden ter plaatse worden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 1’ & ‘Waarde – Archeologie – 5’ overgenomen uit het moederbestemmingsplan.

Afbeelding 16: Archeologische verwachtingskaart (plangebied indicatief)

Cultuurhistorie Het plangebied is niet gelegen binnen een beschermd dorpsgezicht. Wel is het gelegen binnen het cultuurhistorische lint aan de Peperstraat langs De Alblas. Aan de ruimtelijke structuur van dit lint hangt een algemeen belang. Het lint en daarmee de boerderij bepalen daarmee mede het historische karakter van het dorp. Het pand ter plaatse betreft een karakteristieke boerderij uit ca. 1830. Deze boerderij betreft geen monument, maar heeft gezien de ligging en de historie wel een cultuurhistorische waarde. Het plan voorziet in de splitsing van de boerderij (van het restaurant) naar twee burgerwoningen. Hiermee draagt het plan bij aan de instandhouding van de boerderij en daarmee het behoud van het cultuurhistorische karakter. Leegstand en daarmee verpaupering wordt voorkomen en het kostbare onderhoud kan over meerdere huishoudens worden verdeeld. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie geen belemmeringen.

50

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Peperstraat 28-29’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Oud-Alblas Peperstraat 28-29’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Oud-Alblas, Peperstraat 28-29’ is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ (vastgesteld op 13 februari 2012). De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Tuin Tussen het restaurant en de openbare weg wordt de bestemming ‘tuin’ opgenomen. In de specifiek gebruiksregels is onder strijdig gebruik opgenomen dat deze bestemming voor maximaal 50% worden verhard. Ook in de beschermingszone van De Alblas wordt de bestemming tuin opgenomen. Wonen De bestemming horeca wordt omgezet in de bestemming ‘wonen’ ten behoeve van de bestaande burgerwoningen. Wonen - 1 De bestemming horeca wordt omgezet in de bestemming ‘wonen - 1’ ten behoeve van de nieuwe burgerwoningen in het voormalige restaurant. Waarde – Archeologie – 1 & 5 De aanwezige dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden in de bodem.

51

Waterstaat – Waterkering De aanwezige dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is mede bestemd voor de bescherming van de waterkering ter plaatse. Waterstaat – Waterbergingsgebied De aanwezige dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterbergingsgebied’ is mede bestemd voor de bescherming van het waterbergingsgebied ter plaatse.

5.4 Aanduidingen • • • • • • •

Bouwvlak; Maatvoering: maximum goothoogte: 4 m; Maatvoering: maximum bouwhoogte: 10 m; Maatvoering: maximum aantal wooneenheden: 1 & 2; Functieaanduiding: maximum verhardingspercentage: 50%; Specifieke bouwaanduiding: bijgebouwen; Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – dijk – 1.

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=902c24bb-5626-4683-9fd1-7dd708da4b64