Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Oud-Alblas, Noordzijde 16
Tekst van het document
Afbeelding 10: Legger Waterkeringen.
Wegbeheer Het perceel Noordzijde 16/17 te Oud-Alblas wordt thans ontsloten middels een drietal ontsluitingen, waarvan één verhard naar het erf en twee op het aangelegen grasland. De verharde ontsluiting blijft ongewijzigd. De meest oostelijke dam wordt voornemens in gebruik genomen ter ontsluiting van de beoogde vrijstaande woning. Hiervoor is een watervergunning noodzakelijk. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundig systeem ter plaatse. Voor de bouw- en sloopwerkzaamheden dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. 33
5.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het onderhavige plan betreft het behoud van de burgerwoningen in de boerderij en de realisatie van een vrijstaande woning. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van de toevoeging van nieuwe geluidsgevoelige objecten. Het plangebied is niet gelegen in de nabijheid van een spoorweg en/of gezoneerd industrieterrein. Onderzoek naar deze aspecten is daarmee niet noodzakelijk. Het plangebied is gelegen in de nabijheid van 60 km/h wegen, waardoor het uitvoeren van akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk is. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai uitgevoerd.
In het rapport is ook de boerderij onderzocht, echter is het planaspect om de boerderij verder te splitsen in drie wooneenheden komen te vervallen. Enkel de conclusies van dit onderzoek op de nieuwe vrijstaande woning hebben daarmee betrekking op dit plan, de boerderij kan buiten beschouwing worden gelaten. De conclusies van het onderzoek luiden:
34
•
• •
‘De berekende geluidbelasting op de woningen ten gevolge van de Noordzijde en het Oosteinde ten hoogste respectievelijk 40 en 42 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelasting is niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer; De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 45 dB, inclusief aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; Beide woningen beschikken over een geluidluwe gevel en buitenruimte, zodat aan het streven uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.
Voor de onderzochte woningen hoeven geen hogere waarden te worden vastgesteld.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor het aspect geluid geen belemmeringen.
35
5.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2021 voor het jaar 2022 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 19,9 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 16,8 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 9,5 µg/m3 PM2,5. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
36
•
Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
37
5.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven. Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Het onderhavige plan betreft het behouden van de burgerwoningen in de boerderij en de realisatie van een vrijstaande woning. Hiermee is sprake van het toevoegen van milieugevoelige objecten. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven als gevolg van het onderhavige plan en of er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woningen. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstanden mogen één afstandstrap worden verlaagd.
38
Op en in onderstaande afbeelding en tabel is de nieuwe woning ten opzichte van omliggende bedrijven weergegeven. Hieruit blijkt dat er ruim voldoende afstand is tussen de nieuwe woning en de omliggende bedrijven/functies conform de richtafstanden van het VNG.
Noordzijde 17a
Noordzijde 18
Noordzijde 13a
Afbeelding 11: Nieuwe woning t.o.v. omliggende bedrijven/functies
Tabel 4: Bedrijven en milieuhinder Adres Functie Noordzijde 13a Noordzijde 17a Noordzijde 18
Aannemersbedrijf
Milieu Richtafstand categorie conform VNG 3.1 30 meter
Werkelijke afstand (ca.) 56 meter
Agrarisch bedrijf
3.2
50 meter
63 meter
Reeds woonfunctie (woonboerderij)
----
----
----
Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat het voorgenomen plan de omliggende bedrijven/functies niet (verder) in hun bedrijfsvoering beperkt en dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
39
5.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen en/of voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig. Tevens vindt er in de directe omgeving van het plangebied geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats.
Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen
40
ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten.
Plangebied
Afbeelding 12: Externe veiligheidskaart
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
41
5.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen of straalpaden gelegen. Wat betreft de ten westen gelegen hoogspanningslijn is het plangebied op ruim voldoende afstand gelegen (ca. 320 meter), ruim buiten de indicatieve zone (150 meter). Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Ten behoeve van de aansluiting op het riool zal t.z.t. overleg plaatsvinden met de rioolbeheerder. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
42
5.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied en de Wet Natuurberscherming. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming van toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden om te bepalen wat de functie van de bebouwing en planlocatie is voor kerkuilen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. (…) Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Er dienen enkele (preventieve) algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor kerkuilen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
Conclusie De ontwikkeling aan de Noordzijde 16/17 te Oud-Alblas is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).’ 43
Stikstofdepositie In het kader van een goede ruimtelijke ordening en het milieu is een AERIUS berekening uitgevoerd om de eventuele gevolgen van het onderhavige plan voor Natura2000-gebieden vast te stellen. De conclusie uit de stikstofdepositieberekening luidt: ‘Uit de berekening blijkt dat zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van de ontwikkeling niet voorzien in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. (…) Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming op het onderdeel stikstofdepositie.’ Kerkuil Omdat uit de ecologische quickscan is gebleken dat er aanvullend onderzoek noodzakelijk was naar de kerkuil, is dat tevens uitgevoerd door Blom Ecologie. De conclusies uit dit onderzoek luidt als volgt: ‘In de periode februari – september 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aan- of afwezigheid van de kerkuil conform de bepalingen uit de kennisdocumenten (BIJ12, 2017). Rust- en nestplaatsen van de kerkuil zijn niet geconstateerd. Bij het saneren van de schuren is geen sprake van overtreding van de verbodsbepalingen van de wet natuurbescherming. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is voor het saneren van de schuren niet van toepassing.
Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). 2 • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (maart t/m september). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.
Als dit niet mogelijk is, dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen. 44
5.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen aan een goede bodemkwaliteit, welke geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten uit het onderzoek luiden: •
• •
•
• • •
‘De bovengrond in de te slopen werkplaats is licht verontreinigd met kwik, lood, koper, zink en PAK. Dit zijn gangbare lichte verhogingen, die geen belemmering vormen voor de bestemming wonen; De zandig kleiige bovengrond rondom de bestaande bebouwing bevat alleen een minimaal verhoogd gehalte aan PCB; De sterk humeuze kleiige bovengrond op het noordoostelijke grasland bevat een verwaarloosbaar verhoogd gehalte aan PAK. Deze grond (toekomstige tuin) is feitelijk dus nagenoeg schoon; De puinhoudende bovengrond ter plaatse van het noordwestelijke grasland bevat licht verhoogde gehalten aan zink, lood, molybdeen en PAK. Deze bovengrond is ook onderzocht op asbest, waarbij een asbestgehalte van slechts 1 mg/kgds is aangetroffen. Dit is verwaarloosbaar ten opzichte van de Interventiewaarde van 100 mg/kgds. De ondergrond op het oostelijke terreindeel is geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740-pakket. De ondergrond op het westelijke terreindeel bevat lichte verhogingen aan lood en zink. In het grondwater is het gehalte aan barium gelijk aan de tussenwaarde. Voor barium wordt standaard de streefwaarde overschreden en soms ook de tussenwaarde zonder aanwijsbare oorzaak. Een herbemonstering wordt niet zinvol en dus niet nodig geacht.
Aanbevelingen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de bestemming wonen en voor de herinrichting van het terrein. Aanbevolen wordt om te werken met een gesloten grondbalans.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.
45
5.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied voornamelijk is gelegen op gronden met: • Zeer hoge verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 30 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
46
Afbeelding 13: Archeologische verwachtingskaart
Het onderhavige plan voorziet in bodemingrepen groter dan de bovengenoemde grenswaarden. Door ADC Archeoprojecten is een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van booronderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •
‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De diepere ondergrond bestaat uit kalkrijke uiterst tot sterk siltige klei met zandlagen dat wordt geïnterpreteerd als oeverafzettingen van de Alblas. Hierboven liggen oevernabije- of komafzettingen en veen. In vier van de vijf boringen bestaat de bovenste 30 tot 50 cm uit een omgewerkt en/of opgebracht pakket. In één boring liggen de komafzetting aan het maaiveld. Zowel de kom als oeverafzettingen worden ingedeeld bij de Formatie van Echteld. Het veen wordt ingedeeld bij de Formatie van Nieuwkoop, het Hollandveen laagpakket.
•
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? Op basis van de boringen is de bodemopbouw, met uitzondering van een omgewerkte bouwvoor, intact. Ter plaatse van de bestaande bebouwing is de top van de bodem verstoord. Ter plaatse van de mestkelder is ook de diepere bodemopbouw verstoord.
47
•
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? In de boringen zijn geen archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aangetroffen. In de huisterp in het plangebied zijn geen boringen gezet. De terpophoging en een zone hieromheen wordt echter wel als archeologisch relevant beschouwd. Hier kunnen resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd aanwezig zijn. De baksteenfragmenten in het bovenste pakket is boring 4, die nabij de terpophoging is gezet, geven geen uitsluitsel over de aan- of afwezigheid van dergelijke resten.
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Resten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd kunnen vanaf het maaiveld aanwezig zijn.
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Er zijn concrete geen archeologische indicatoren aangetroffen.
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De verwachting voor resten uit Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd ter plaatse van de terpophoging en een zone hieromheen waar resten van het erf aanwezig kunnen zijn blijft gehandhaafd. De verwachting voor resten uit de Romeinse komt te vervallen.
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? De sloop en nieuwbouw is gepland ter plaatse van en nabij de huisterp. Hier kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Ter plaatse van het noorden en oosten van het plangebied is nader archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Ter plaatse van de terpophoging en een zone van ca. 20 m hieromheen is wel nader onderzoek noodzakelijk. De zone is aangegeven in afb. 15. Geadviseerd wordt om de geplande nieuwbouw buiten deze zone te realiseren. Indien dit niet mogelijk is dient aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd. Ook wordt geadviseerd om bij de sloop van de bestaande bebouwing de funderingen niet te verwijderen zodat geen nieuwe bodemverstoringen plaatsvinden.
Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om het noorden en westen van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Geadviseerd wordt om de geplande nieuwbouw buiten de terpophoging en een zone van 20 m hieromheen te realiseren. Indien toch bodemingrepen binnen de terpophoging en een zone van 20 m hieromheen plaatsvinden, dient aanvullend archeologisch onderzoek plaats te vinden. De invulling hiervan is afhankelijk van de aard, omvang en diepte van de bodemingrepen.’
48
Conclusie Ten behoeve van het onderhavige plan dient er een aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd in het geval de nieuwe woning in de zone van 20 m rondom de terpophoging komt. Hetgeen als voorwaarde wordt opgenomen in de vergunningsaanvraag. Tevens is n.a.v. deze resultaten de dubbelbestemming archeologie ter plaatse aangepast conform deze resultaten.
49
5.11 Duurzaamheid & klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De aanvrager is zich bewust van deze gemeentelijke ambitie. Het onderhavige plan voorziet in het behoud van de boerderij en de realisatie van een vrijstaande woning na sanering van een agrarisch bedrijf. Hiermee wordt op een duurzame wijze omgegaan met de bebouwde ruimte en is er sprake van inbreiding. De nieuwe woning wordt in het kader van het duurzaamheidsbeleid gasloos gerealiseerd en op een goede wijze geïsoleerd (conform de huidige bouweisen). Middels het toekomstbestendig maken van de locatie wordt op een duurzame manier gebruik gemaakt van de woonboerderij en de locatie. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaat adaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Het plan voorziet in een afname in verharding en bebouwing.
Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien op te kunnen vangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plan voorziet in een toename van zachte gronden waarmee hemelwater in de bodem kan infiltreren. Hiernaast is voldoende waterberging aanwezig om zware regenbuiten te kunnen opvangen. Het belang van groene tuinen wordt onder de aandacht gebracht. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. Het plan voorziet in het toevoegen van één woning. Echter neemt de verharding af waardoor er minder hittestress zal zijn in de toekomst. Het aspect hittestress is bij de initiatiefnemers onder de aandacht gebracht. Mogelijk dat in de nieuwe woning een installatie wordt geïnstalleerd die naast verwarmen ook kan koelen. Omdat het steeds droger wordt, zal de bodem sneller verdroogt raken. Door meer zachte gronden toe te passen en daardoor het versneld afvoeren van hemelwater te beperken kan dit worden tegengegaan.
50