bijlage 1 toelichting bestemmingsplan OttolandB 17
Tekst van het document
Plangebied
Afbeelding 13: Uitsnede Peilgebiedenkaart
Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het stedelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 500 m2. Het plan voorziet in een toename aan verhardoppervlak met 475 m2, zie tabel 1. De bestaande bebouwing en verharding blijft qua oppervlakte gelijk. Hierbij komt een nieuwe woning met schuur van 155 m2.
Rondom de nieuwe woning zal naar schatting van de initiatiefnemer 320 m2 aan verharding worden gerealiseerd. Deze oppervlakte is iets kleiner dan de vuistregel van het waterschap van 70% verhard
36
oppervlakte bij een gemiddelde vrijstaande woning in het buitengebied. Dit gezien de bestaande ontsluiting en een deel van de bestaande erfverharding van de B 17 in gebruik zal worden genomen bij de nieuwe woning. Tevens door de grootte van het erf van de nieuwe woning en het karakter van de locatie zal deze 70% verharding niet worden gehaald. De initiatiefnemer van dit plan zal voornemens gebruik maken van de eenmalige particuliere vrijstelling, waardoor watercompenserende maatregelen niet zijn vereist. De afdeling vergunningen van het waterschap zal bepalen of gebruik kan worden gemaakt van de vrijstelling. Indien de 500 m2 grens van een toename in verharding toch zal worden overschreden dient er watercompensatie te worden gegraven. Tabel 1: Verhardingsbalans Bestaande situatie Bestaande woning Bestaande schuur Overige bestaande erfverharding/ontsluiting
Oppervlakte m2 120 m2 80 m2 650 m2
Totaal bestaande situatie
850 m2
Nieuwe situatie Bestaande woning Bestaande schuur Overige bestaande erfverharding/ontsluiting Nieuwe woning met schuur Erfverharding bij nieuwe woning
120 m2 80 m2 650 m2 155 m2 320 m2
Totaal nieuwe situatie Verschil
1.325 m2 475 m2 toename
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • • • • • •
Het gebruiken van het hemelwater; Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.
Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen 37
per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woning wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel, welke onder de verantwoordelijkheid valt van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Primaire of regionale waterkering Het plangebied is niet gelegen in de kern- en/of beschermingszone van een regionale of primaire waterkering. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.
38
5.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, dus kan buiten beschouwing worden gelaten. Onderzoek Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd.
Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek is geconcludeerd dat: • ‘De gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van wegverkeerslawaai van alle wegen ten hoogste 38 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; • 30 km/h wegen hebben van rechtswege geen geluidzone en worden in het kader van de ruimtelijke ordening niet getoetst aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder; • De woning beschikt (alzijdig) over een geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte zodat aan het gemeentelijk beleid wordt voldaan; • Voor de woning geldt dat er ten aanzien van wegverkeerslawaai sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Voor de onderzochte woning hoeft geen hogere waarden te worden vastgesteld.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
39
5.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2020) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 15,56 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 17,83 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,03 µg/m3 PM2,5. Voor het plangebied kan worden gesteld dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
40
•
Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
41
5.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven. Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient getoetst te worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat voor de nieuwe woning en/of dat omliggende bedrijven niet in de bedrijfsvoering worden beperkt. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Gemengd gebied In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd.
42
Geurverordening gemeente Molenlanden 2020 Hiernaast heeft de gemeente Molenlanden een geurverordening vastgesteld. Hierin worden de richtafstanden voor geur voor een veehouderij tot een geurgevoelig object gereduceerd naar een afstand van 25 meter in een gemengd gebied. In de directe omgeving van het plangebied zijn onderstaande milieubelastende activiteiten gelegen. Tabel 4: Bedrijven en milieuhinder Adres Functie Richtafstand conform VNG B 20 Transportbedrijf 50 meter B 21 Agrarisch bedrijf 25 meter B 38a Bedrijven t/m 10 meter milieucategorie 2.0 Rioolgemaal Rioolgemaal 10 meter
Werkelijke afstand 120 meter 0 meter 100 meter 90 meter
Rioolgemaal
B 21
B 38a
B 20
Afbeelding 14: Plangebied t.o.v. omliggende bedrijven
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat, behoudens het agrarisch bedrijf op het perceel B 21 te Ottoland, wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Daarom is gekeken naar de daadwerkelijke situatie. Op afbeelding 15 is te zien dat op korte afstand van het agrarisch bedrijf thans woningen zijn gelegen, waaronder de woning B17 te Ottoland. Deze woningen zijn reeds bepalend voor de bedrijfsvoering en eventuele uitbreidingsplannen van het agrarisch bedrijf. Bovendien grenst het huidige bouwvlak van het perceel B 17 te Ottoland, waarbinnen een woning mag worden gerealiseerd, aan het agrarisch bouwvlak op het perceel B 21 te Ottoland. 43
Burgemeester Visserwerf 23 & 48
10m
Indicatie positie nieuwe woning
9m
10m Agrarisch bedrijf B 21
8m
B 17 Afbeelding 15: Woningen t.o.v. agrarisch bedrijf (B 21)
De nieuwe woning wordt op minimaal 10 meter van het agrarisch bouwvlak gerealiseerd. Ter bescherming van het agrarisch bedrijf wordt aan de westzijde van het plangebied een strook grond bestemd als ‘Tuin’, waarbinnen de bouwmogelijkheid beperkt zijn. Het bouwvlak op het perceel B 17 wordt daarmee terug gelegd, wat ten goede komt van de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat het agrarisch bedrijf niet in de bedrijfsvoering wordt beperkt (als gevolg van dit plan). In het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft er in een vroeg stadium (principeverzoekfase) overleg plaatsgevonden met de eigenaar van het naastgelegen agrarisch bedrijf (B 21 Ottoland). De initiatiefnemer van dit plan wil het agrarisch bedrijf niet beperken in de bedrijfsvoering. In goed overleg is een voor beide partijen werkbare situatie gevonden die voldoet aan wet- en regelgeving. De agrariër heeft aangegeven met dit plan niet beperkt te worden in de bedrijfsvoering. Vanaf de gevel van de nieuwe woning wordt er binnen de richtafstand van 25 meter geen vee gehouden en/of bedrijfsactiviteiten uitgevoerd welke wegens geur van belang zijn (bijvoorbeeld mestkelder, kuilplaten etc.) en negatieve gevolgen hebben voor het woon- en leefklimaat. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijf- en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
44
5.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen voor de externe veiligheid relevante buisleidingen gelegen. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader.
45
Tevens zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen spoorwegen en voor de beroepsvaart relevante vaarwegen gelegen.
Afbeelding 16: Uitsnede Risicokaart
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
46
5.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Ten zuiden van het plangebied (onder de B-even) is een rioolpersleiding gelegen. De rioolpersleiding wordt in het bestemmingsplan beschermd middels de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’. Aan weerzijden van rioolpersleiding is een beschermingszone opgenomen. De graafwerkzaamheden voor het plan vinden op ruime afstand van de rioolpersleiding plaats, waardoor de leiding geen belemmering vormt voor de uitvoering van het plan. Verder zijn er in het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
47
5.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Soortenbescherming Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels.
Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De beoogde ontwikkeling leidt, mits vooraf enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen aan de B 17 te Ottoland uitvoerbaar zijn.’ Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). 48
•
Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Mogelijke overwinteringslocaties van (algemene) amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.’
Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000-gebied en het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 5,6 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Donkse Laagten’. Op een afstand van 150 m ligt het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 300 m ligt het dichtstbijzijnde Belangrijk weidevogelgebied. Op een afstand van 8,7 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat valt onder de ‘Strategische reservering natuur’. Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op het plangebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden mogelijk sprake. Echter is middels het stromingsschema van OZHZ bepaald dat een Aeriusberekening niet nodig is. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.
Afbeelding 17: Plangebied t.o.v. Natura2000-gebied
49
Afbeelding 18: Plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie geen belemmeringen.
50
5.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen voor het beoogde gebruik is door Bakker Milieuadviezen een verkennend onderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Noordelijke onverharde terreindeel. • De bovengrond op het onverdachte onverharde noordelijke perceelsdeel bevat licht verhoogde gehalten aan kwik, lood en molybdeen. Deze geringe verhogingen vormen geen belemmering voor de bouw van 2 woningen op dit terreindeel; • De zintuiglijk onverdachte venige ondergrond bevat lichte verhogingen aan kobalt, molybdeen en nikkel. Uit diverse eerdere onderzoeken in de regio is al vaker gebleken dat specifiek deze 3 metalen in venige bodems verhoogd voorkomen. Deze verhogingen hebben geen consequenties.
• In de bovengrond op het noordelijke terreindeel zijn gehalten aan PFOA (13 ug) en PFOS (1.2 ug) aangetroffen die redelijk overeenkomen met de verwachtingswaarde volgens de zonekaart van de OZHZ; • Het grondwater uit peilbuis 1 bevat een matig verhoogd bariumgehalte en een licht verhoogde gehalte aan molybdeen. Aangezien er geen oorzakelijk verband is tussen barium in de (onder)grond en in het grondwater is er geen noodzaak tot een herbemonstering. Overige zuidelijke terreindeel (rondom bebouwing). • Ten noorden van de werkplaats/schuur ligt tegelbestrating en hieronder is in een aantal boringen een bodemlaag met bodemvreemde materialen aangetroffen, namelijk veel bijmengingen van sintels of fijne slakken. Bij de boringen 3 en 100 vertoonde deze bodemlaag tevens een oliegeur. Hier blijkt sprake van sterk verontreinigde grond van zowel olie als metalen (boringen 3 en 100) of alleen sterk verhoogde gehalten aan metalen (boringen 103 en 106). De omvang van deze sterke verontreiniging bedraagt ca 10 * 7 * 0.5 = 35 m3. De verontreiniging is rondom voldoende afgeperkt middels de boringen 101, 102, 107. Bij boring 108 is tot 50 cm diepte alleen opgebracht puingranulaat aangetroffen (ofwel niet de verdachte sintels) en deze boring (gegraven gat) wordt als afperking van de boringen 107 en 109 beschouwd.
• Tussen de beide panden (boring 2) en ter plaatse van de strook langs de oostzijde van de woning (boringen 5, 104 en 105) zijn sterk verhoogde
51
•
gehalten aan nikkel, lood en zink aangetroffen. Hier is sprake van een Lvormige sterke verontreiniging met een volume van 25 m3. In een separaat door Adcim BV uitgevoerd asbestonderzoek is geen asbest aangetroffen in de puinhoudende bovengrond rondom de bebouwing.
Aanbevelingen. Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit op alleen het noordelijke onverharde terreindeel geen belemmering voor de bouw van 2 woningen op dit deel. Ten aanzien van de 2 sterke verontreinigingen (samen 60 m3) rondom de bestaande bebouwing wordt aanbevolen deze (op termijn) te saneren middels ontgraving. Hiervoor dient een BUS-melding te worden opgesteld. Opgemerkt wordt dat behalve de berekende 60 m3 sterk verontreinigde grond ook nog grond afgegraven dient te worden waarvan de kwaliteit boven het niveau voor klasse wonen ligt.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de bodemkwaliteit voor de bouw van de woning achterop het perceel geen belemmeringen. (De insteek van het plan ten tijde van de uitvoering van het bodemonderzoek was twee woningen achterop het perceel. Wijziging van het plan naar één woning achterop het perceel heeft geen gevolgen voor de conclusies van het uitgevoerde bodemonderzoek.) Voor wat betreft de eventuele bouw- en sloopwerkzaamheden aan de bestaande woning en schuur is er een BUS-melding nodig, welke als voorwaarde wordt opgenomen in de omgevingsvergunning bij deze werkzaamheden.
52
5.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting dieper dan 5 meter beneden maaiveld. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 500 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk.
53
Plangebied
Afbeelding 19: Uitsnede archeologische verwachtingskaart
Voor het plan is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: •
‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? Het plangebied maakt deel uit van het Utrechts-Hollandse veengebied. De bodemopbouw van het plangebied bestaat uit een enkele meters dik veenpakket, dat (plaatselijk) wordt afgedekt door een dunne laag komklei (enkele decimeters). De kleilaag of (waar deze ontbreekt) het veen gaan naar boven toe over in een antropogeen geroerde laag.
•
Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De bodem in het plangebied is op verschillende plekken verstoord: o in boring 1 was de bodem tot een diepte van 85 cm -mv verstoord (en deels opgehoogd); o boring 2 werd op een eenzelfde diepte gestuit op ondoordringbaar puin; o in de boringen 5 en 6 is een gedempte sloot aangeboord, de diepte van de voormalige sloot is plaatselijk (boring 5) meer dan 2 meter. De omvang en ligging van de sloot is goed te herleiden aan de hand van de kadastrale minuut (afb. 8).
•
Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? Nee, deze zijn niet aangetroffen.
54
•
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? Niet van toepassing.
•
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Zo ja: o Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? o Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? o Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen. Evenmin zijn aanwijzingen gevonden voor aanwezigheid van archeologische cultuur- of ophooglagen.
•
In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode Laat Mesolithicum Vroeg/Midden Neolithicum had betrekking op dieper gelegen afzettingen van de Vuilendamstroomgordel. De desbetreffende afzettingen bevonden zich zoals verwacht - dieper dan 4,0 m -mv. Deze verwachting is dan ook feitelijk niet getoetst en blijft gehandhaafd. Vanwege de relatief grote diepteligging blijft dit archeologisch niveau echter buiten bereik van onderhavige plannen en ingrepen. Op basis van het bureauonderzoek gold ten aanzien van het plangebied een middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd (voorganger[s] van de huidige bebouwing). Het veldonderzoek heeft evenwel geen aanwijzingen opgeleverd voor cultuur- of ophooglagen die hiermee verband kunnen houden. Op grond hiervan kan de middelhoge verwachting naar laag worden bijgesteld voor de periode Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd..
•
In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat de voorgenomen plannen kunnen leiden tot aantasting van archeologische waarden.
•
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied is in het kader van de voorgenomen bodemingrepen voldoende onderzocht. Er wordt geen vervolgstap in het proces van de Archeologische MonumentenZorg (AMZ) noodzakelijk geacht.
55
Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is nooit volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen. (De insteek van het plan ten tijde van de uitvoering van het archeologisch onderzoek was twee woningen achterop het perceel. Wijziging van het plan naar één woning achterop het perceel heeft geen gevolgen voor de conclusies van het uitgevoerde archeologisch onderzoek.)
56
5.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De aanvrager is zich bewust van deze gemeentelijke ambitie. De nieuwe woning op het achtererf zullen de kaders van het duurzaamheidsbeleid volgen (conform de huidige bouweisen; gasloos; isolatie etc.). Tevens voorziet het onderhavige plan in de renovatie van een afgebrande monumentale woning, waarmee een duurzame toekomstbestendige situatie wordt gecreëerd voor het waardevolle monument. Verder kijkt de initiatiefnemer naar verdere mogelijkheden voor duurzame energiebronnen.
57