Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan ‘Ottoland, Lubbertjesweg 1-2
Tekst van het document
De richtafstanden voor gemengde gebieden mogen één afstandstrap worden verlaagd ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. Onderzoek Het onderhavige plan betreft het wijzigen van een bijgebouw naar burgerwoning en een burgerwoning naar een bedrijfswoning. De nieuwe burgerwoning betreft hiermee de toevoeging van een milieugevoelig object. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven als gevolg van het plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven en/of milieubelastende functies gelegen, met uitzondering van het autogaragebedrijf zelf. Het autogaragebedrijf en de nieuwe burgerwoning zijn op een afstand van 22 meter van elkaar gelegen (zie afbeelding 15). Met deze afstand tot het autogaragebedrijf wordt aan de VNG-richtafstand van een autobedrijf in gemengd gebied (cat. 2.0; 10 meter) voldaan. De bestaande burgerwoning wordt omgezet naar bedrijfswoning, maar gezien hier geen bedrijfsmatige activiteiten kunnen plaatsvinden heeft deze woning geen negatieve invloed op de burgerwoning.
Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat het bedrijf niet in de bedrijfsvoering wordt beperkt. Het onderhavige plan zorgt er zelfs voor dat er sprake is van een verbetering van het woon- en leefklimaat en minder belemmeringen voor het autogaragebedrijf. De huidige burgerwoning welke om 0 meter van het autogaragebedrijf is gelegen wordt gewijzigd naar de bedrijfswoning behorende bij het bedrijf. Waardoor deze woning 37
geen beperkende werking meer heeft. De afstand van het autogaragebedrijf tot het milieugevoelige object dat het dichtst bij het bedrijf is gelegen (de nieuwe burgerwoning) wordt vergroot van 0 naar 22 meter.
Uitsluitend bedrijfswoning
Burgerwoning
22 m
Afbeelding 15: Afstanden woning en bedrijf nieuwe situatie
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.
38
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).
Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden.
Afbeelding 16: Risicokaart externe veiligheid
39
Onderzoek Stationaire bronnen/risicovolle bedrijven Volgens de risicokaart bevindt zich ten noorden van het plangebied een tankstation. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor In de directe omgeving van het plangebied zijn geen water en/of spoorwegen gelegen welke in het kader van externe veiligheid relevant zijn. Volgens de risicokaart bevindt zicht en oosten van het plangebied een provinciale weg, de N216, waarover beperkt transport van geklasseerde stoffen plaatsvindt. Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van externe veiligheid relevant zijn. Verantwoording externe veiligheid Gezien in de nabijheid van het plangebied een N-weg en tankstation gelegen is, is aan DGMR gevraagd het groepsrisico te verantwoorden. In de bijlage van deze toelichting is deze verantwoording opgenomen en kan wat betreft het tankstation worden geconcludeerd dat: ‘Op de risicokaart staat tankstation de Haan aangegeven. In het verleden was hier sprake van verkoop van LPG, waarvoor de 10-6/jaar contour 25 meter bedraagt en het invloedgebied 150 meter (bestemmingsplan Dorpskernen, onherroepelijk vastgesteld 13 februari 2012). Het tankstation staat op meer dan 150 meter van de planlocatie en hoeft in dit geval zonder meer niet als externe risicobrand te worden beschouwd.
Hoewel dit tankstation op de risicokaart nog staat aangegeven als LPGtankstation, is dit in de praktijk niet meer het geval en wordt alleen nog diesel en benzine verkocht’ En kan wat betreft de N216 worden geconcludeerd dat: ‘Het gebouw staat op 40 meter van de N216. Omdat het aantal transporten over deze weg beperkt is, wordt voldaan aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico en is het groepsrisico zeer laag. Daarom volstaat in dit geval een beperkte verantwoording, waarbij alleen wordt ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.’ ‘Bestrijdbaarheid De bestrijdbaarheid van een calamiteit op de N216 verandert niet door de realisatie van het plan. Het plan bestaat uit de transformatie van een bestaand bijgebouw naar een woning waardoor het geen nieuwe belemmering vormt voor de bereikbaarheid van de N216’ ‘Zelfredzaamheid Op de N216 kunnen als gevolg van het transport van geklasseerde stoffen een plasbrand, fakkelbrand, BLEVE of gifwolk optreden. Wat betreft geklasseerde stoffen is de kans op een ongeval op de N216 als gevolg van het transport van brandbare vloeistoffen (bijvoorbeeld benzine) het grootst. Hierdoor kan een plasbrand ontstaan. In deze situatie zal de plas niet tot aan de 40
woning komen. Wel is er op een afstand van 40 meter sprake van een hoge warmtestraling bij de woning van maximaal 35 KW/m2, maar op grotere afstand neemt deze snel af tot onder de 10 KW/m2. Bij een warmtestraling van meer dan 10 kW/m2, kan het gebouw in brand raken. In dat geval kan men in de schaduw van het gebouw van de weg vandaan vluchten. Bij een warmtestraling kleiner dan 10 kW/m2 is de kans op brandoverslag minimaal en kan men inpandig schuilen. Het vervoer van brandbare gassen kan leiden tot een fakkelbrand, waarbij het gas continu uit de tank stroomt of en tot een BLEVE, waarbij het gas in een keer vrijkomt. De kans op deze scenario’s is met 17 transporten per jaar zeer klein. In beide gevallen ontstaat in zeer korte tijd een hoge warmtebelasting in de omgeving van het ongeval. Bij een BLEVE ontstaat bovendien een drukgolf. Of men in geval van een fakkel of BLEVE inpandig veilig is, hangt af van de warmtebelasting op deze locatie en daarmee indirect van de afstand tot de ongevalslocatie. Een gifwolk kan ontstaan bij een ongeval met het vervoer van toxische vloeistoffen en gassen. De gevolgen zijn erg afhankelijk van de stof, de afstand tot het ongeval en de weersomstandigheden. In geval van een gifwolk moet men deuren en ramen sluiten en kan men inpandig schuilen.’ ‘Afweging maatregelen Vervoer van gevaarlijke stoffen over de N216 vindt slechts incidenteel plaats.
De kans op een calamiteit is hierdoor minimaal. Bovendien gaat het om een bestaand gebouw met mogelijkheden om bij brand van de bron weg te vluchten. Aanvullende maatregelen om de woning veiliger te maken ten aanzien van een extern risico, zoals een hogere brandwerendheid van de gevels of letselvrij glas zijn daarom naar onze mening niet nodig.’ Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
41
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Door het plangebied loopt wel een rioolwatertransportleiding van Waterschap Rivierland naar RWZI GrootAmmers. Gezien het plan enkel een juridisch-planologische wijziging betreft zonder fysieke werkzaamheden vormt dit geen belemmeringen. De beschermingszone van 3 meter aan weerszijde langs het hart van deze leiding (totaal dus 6 meter) wordt overgenomen uit het moederbestemmingsplan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
42
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft uitsluitend een juridisch-planologische wijziging van een bijgebouw naar burgerwoning en een burgerwoning naar bedrijfswoning. Er vinden geen fysieke werkzaamheden plaats, zoals bouw- en/of sloopwerkzaamheden, dempen van watergangen, kappen van bomen en/of en verwijderen van andere beplanting. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het onderhavige plan in het kader van flora en fauna geen nadelige gevolgen heeft voor de verblijfsplaatsen van beschermde plant- en diersoorten en/of beschermde natuurgebieden. Het uitvoeren van een ecologische quickscan is niet noodzakelijk.
Tevens kan gezien het karakter van het plan (enkel juridisch-planologische wijziging) en de ruime afstand tot stikstofgevoelig Natura2000-gebied (4,8km) een stikstofdepositieonderzoek achterwege worden gelaten. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt geen belemmeringen voor wat betreft het aspect ecologie.
43
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft uitsluitend een juridisch-planologische wijziging van een bijgebouw naar een burgerwoning en een burgerwoning naar een bedrijfswoning. Gezien er geen fysieke ingrepen in de bodem plaats vinden en het bijgebouw reeds jaren een woonbestemming betreft kan worden gesteld dat de bodem geschikt is om op te wonen. Op basis hiervan is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt geen belemmeringen voor wat betreft bodemkwaliteit.
44
4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; Het onderhavige plan betreft uitsluitend een juridisch-planologische wijziging van een bijgebouw naar burgerwoning en een burgerwoning naar bedrijfswoning. Er vinden geen fysieke ingrepen plaats, zoals bouw-, sloop- en/of graafwerkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor eventueel aanwezige archeologische resten in de bodem.
Op basis hiervan is het uitvoeren van een (verkennend) archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.
45
Afbeelding 17: Archeologische verwachtings- en beleidskaart
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie de uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat. Ter bescherming van de archeologische waarden wordt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan.
46
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. Het plan speelt hier bewust op in door een bestaand bijgebouw om te zetten naar een woning en deze te isoleren conform de huidige bouweisen van het bouwbesluit. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen) en maatregelen in het kader van energiebesparing. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaat adaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: • Wateroverlast door overvloedige neerslag; • Overstroming; • Hitte; • Droogte. Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen omtrent de risico’s van deze vier aspecten. Het onderhavige plan betreft uitsluitend een juridisch planologische wijziging van een bijgebouw naar burgerwoning en burgerwoning naar bedrijfswoning. Er vinden geen fysieke ingrepen plaats. De bebouwing en verharding ter plaatse blijft daarmee ongewijzigd.
Planologisch wordt extra bebouwing in de vorm van een geheel nieuwe bedrijfswoning juist uitgesloten. De huidige situatie is reeds op een verantwoorde wijze ingericht en middels het onderhavige plan wordt een toekomstbestendige en duurzame situatie gecreëerd. Er wordt gebruik gemaakt van bestaande bebouwing om extra woonruimte te creëren zonder de ruimtelijke kwaliteit en het landschap ter plaatse aan te tasten. Hiermee wordt op een duurzame wijze omgegaan met het landschap. Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Er is voldoende grasland en waterberging in de directe omgeving van het plangebied aanwezig om zware regenbuien te kunnen opvangen. Het belang van een groene inrichting wordt onder de aandacht gebracht, maar in principe vinden er geen fysieke ingrepen plaats. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Doordat de woning relatief hoog is gelegen ten opzichte van de directe omgeving (gelegen op een dijk) is er weinig kans op schade door hoge waterstanden. Gezien het warmer en droger wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte en droogte. Het plangebied blijft
47
ingericht zoals deze is zodat deze bestand blijft tegen intensievere weersomstandigheden.
48
5
Juridische planbeschrijving
5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Ottoland, Lubbertjesweg 1-2’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Ottoland, Lubbertjesweg 1-2’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Ottoland, Lubbertjesweg 1-2’ is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’. De regels bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Bedrijf Ter plaatse van het bestaande bedrijfsperceel blijft de bestemming ongewijzigd. Deze bestemming wordt vergroot ter plaatse van de nieuwe bedrijfswoning. Ten behoeve van de nutsvoorziening wordt er een specifieke aanduiding opgenomen ter plaatse. Wonen Ter plaatse van de nieuwe burgerwoning (bestaand bijgebouw) blijft de bestemming wonen behouden. Enkel de aanduiding ‘bijgebouwen’ wordt gewijzigd in een bouwvlak. Leiding - Riool Ter plaatse van de rioolwatertransportleiding blijft de dubbelbestemming ‘Leiding – Riool’ behouden. Waterstaat – Waterkering Ter plaatse van de regionale waterkering blijft de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ behouden.
49
Waarde – Archeologie 4 Ter plaatse van het gehele plangebied blijft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ behouden ter bescherming en veiligstelling van de eventueel archeologische waarden in de bodem.
5.4 Aanduidingen • • • • • • •
Bouwvlak; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’; Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – detailhandel en reparatie personenauto’s’ Functieaanduiding ‘bedrijfswoning’; Functieaanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’; Functieaanduiding ‘nutsvoorziening’ Figuur ‘hartlijn leiding – riool’.
50