Bijlage 1 – Toelichting bestemmingsplan Noordeloos, noordzijde 108
Tekst van het document
Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De extra wooneenheid in de woonboerderij wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. Primaire of regionale waterkering Het plangebied is gelegen binnen de kern- en beschermingszone van een regionale waterkering. Binnen de kernzone gelden strenge regels voor het uitvoeren van
34
bouw- en/of sloopwerkzaamheden. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Er vinden geen bouw- en/of sloopwerkzaamheden plaats binnen de kern- en beschermingszone van de regionale waterkering. Het aanvragen van een watervergunning hiervoor is dan ook niet noodzakelijk. Op termijn zal een nieuwe ontsluiting worden gerealiseerd, welke is gelegen in de kern- en beschermingszone van de regionale waterkering. Voor de ontsluiting dient t.z.t. een watervergunning te worden aangevraagd. Ter bescherming van de waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone van de waterkering de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ opgenomen. Op basis van de Barro (2012) wordt voor de beschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ opgenomen. Deze dubbelbestemming en gebiedsaanduiding beschermen de waterkering voor de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming.
Afbeelding 12: Legger waterkeringen
Wegbeheer Het perceel Noordzijde 108 te Noordeloos is in de huidige situatie ontsloten middels een enkele in- en uitrit op de noordzijde ten zuidwesten van de woonboerderij. In de nieuwe situatie blijft deze ontsluiting ongewijzigd. Ten behoeve van de splitsing van de woonboerderij, het agrarische bedrijf, de verkeersveiligheid en de leefbaarheid op en in de directe omgeving van het perceel wordt er een extra ontsluiting gerealiseerd ten noordoosten van de woonboerderij. Voor de beoogde ontsluiting dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. De nieuwe ontsluiting wordt toegewezen aan het achterhuis en het agrarisch bedrijf en de huidige ontsluiting wordt toegewezen aan 35
het voorhuis (de burgerwoning). Zo kan richting de toekomst een goede situatie worden verzekerd. Conclusie Het onderhavige plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Wel dient voor het onderhavige plan een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland voor de extra ontsluiting.
36
5.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen.
Cumulatie geluidsbronnen Wanneer voor een geluidgevoelige bestemming die in de zone van meerdere geluidsbronnen (wegverkeer, spoorwegverkeer of industrielawaai) ligt en waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld, dient inzichtelijk te worden gemaakt hoe hoog de gecumuleerde geluidbelasting is. De gecumuleerde geluidbelasting wordt berekend met de rekenmethode die in het Reken- en meetvoorschrift geluidhinder 2012 is vastgelegd, rekening houdend met de dosiseffect relaties van de verschillende bronsoorten. Het bevoegd gezag moet dan een oordeel vellen over de hoogte van deze geluidbelasting. Een wettelijke toetsing aan een grenswaarde voor deze gecumuleerde geluidbelasting is niet aan de orde. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of gezoneerd industrieterrein, waardoor uitsluitend hoeft te worden gekeken naar wegverkeerslawaai. Het plan betreft de splitsing van een bestaande woonboerderij naar twee wooneenheden. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van de toevoeging van een nieuw geluidsgevoelig object. Het plangebied is gelegen binnen de geluidszone van de Noordzijde en de Botersloot (60 km/h). Hiermee is het uitvoeren van akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai noodzakelijk. Door Voortman Ingenieurs is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai.
De conclusies van het onderzoek luiden: • ‘De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Noordzijde en Botersloot ten hoogste respectievelijk 38 dB en 42 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt. Deze geluidbelastingen zijn niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeer;
37
• •
De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 43 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt; De woning beschikt alzijdig over geluidluwe gevels en een geluidluwe buitenruimte, zodat aan het streven uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.
Voor deze woning hoeft geen hogere grenswaarden te worden vastgesteld omdat de voorkeursgrenswaarden voor wegverkeerslawaai niet worden overschreden. Voor de woning hoeft geen aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en te toetsen aan de wettelijke eisen uit het Bouwbesluit. Algemeen geldt dat voor verblijfsruimten met een geluidbelasting tot 53 dB, excl. aftrek art. 110g Wgh zonder aanvullende geluidwerende voorzieningen en bij toepassing van gebruikelijke bouwconstructies/ materialen (spouwmuren, standaard dubbel glas, enkele kierdichting, ventilatieroosters etc.) een minimale geluidwering van 20 dB wordt bereikt en de geluidwering van deze ruimten niet nader wordt onderzocht.’ Conclusie Het onderhavige plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.
38
5.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijn stof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 2: Grenswaarden Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring 2019 het volgende overzicht voor het jaar 2020: • Een stikstofconcentratie van 15,3 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 18,1 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,1 µg/m3 PM2,5. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
39
•
Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Conclusie Het onderhavige plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
40
5.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als agrarische en kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden mogen één afstandstrap worden verlaagd. Daarnaast heeft de gemeente Molenlanden de ‘Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020’ vastgesteld. Middels deze verordening mogen in bepaalde gevallen de geurafstand van veehouderijen tot geurgevoelige objecten verder gereduceerd worden. Onderzoek Het onderhavige plan voorziet in de wijziging van de woning in het voorhuis naar een burgerwoning en het toevoegen van een nieuwe bedrijfswoning in het achterhuis van de karakteristieke boerderij. Tevens wordt het agrarisch bouwvlak gewijzigd.
41
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven als gevolg van het onderhavige plan. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de functiewijziging van de bedrijfswoning naar een burgerwoning (voorhuis) en de toevoeging van een bedrijfswoning (achterhuis). Tevens dient onderzocht te worden of de wijziging van het agrarisch bouwvlak leidt tot aantasting van het woon- en leefklimaat van milieugevoelige objecten in de omgeving. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Functiewijziging voorhuis Middels het plan wordt de functie van het voorhuis gewijzigd van bedrijfswoning naar burgerwoning. Hiermee blijft deze woning een milieugevoelig object ten opzichte van andere bedrijven in de omgeving. Aan de woning komt in dit geval niet meer bescherming toe dan toen deze nog als bedrijfswoning was bestemd, behalve dat de woning wel ‘milieugevoelig’ wordt ten opzichte van de voormalige eigen inrichting. De wijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning leidt derhalve niet tot een (verdere) beperking van de bedrijfsvoering van bedrijven in de omgeving, anders dan de voormalige eigen inrichting. Voor de voormalige eigen inrichting/veehouderij gelden de volgende richtafstanden.
Tabel 4: Richtafstanden voormalige eigen inrichting Functie Richtafstanden (milieucategorie) Geur Geluid Stof Melkveehouderij 0 meter * 10 meter 10 meter (3.2)
Gevaar 0 meter
* Conform artikel 4, lid 3 onder a van de Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020 geldt een geurafstand van het geurgevoelig object tot de voormalige eigen inrichting van 0 meter.
Middels het onderhavige plan wordt een nieuwe juridisch-planologische situatie gecreëerd voor de melkveehouderij. De bedrijfsgebouwen kunnen uitsluitend gerealiseerd worden binnen het bouwvlak, zonder de aanduiding ‘bedrijfswoning’. Het agrarisch bouwvlak waar de bedrijfsgebouwen gerealiseerd mogen worden is op een minimale afstand van 25 meter vanaf het perceel van de burgerwoning gelegd. Hiermee wordt juridisch-planologisch vastgelegd dat tussen de nieuwe woonbestemming en het grote agrarisch bouwvlak geen bedrijfsgebouwen mogen worden gerealiseerd anders dan een bedrijfswoning met aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen. Hiermee wordt verzekerd dat de melkveehouderij op een minimale afstand van 25 meter vanaf het perceel van de burgerwoning is gelegen en daarmee ruim wordt voldaan aan de richtafstanden zoals genoemd in tabel 4.
42
Minimaal 25 meter
Bouwvlak t.b.v. bedrijfsgebouwen Bouwvlak t.b.v. bedrijfswoning Woonperceel burgerwoning
Afbeelding 13: Verbeelding onderhavig bestemmingsplan
Geconcludeerd wordt dat bedrijven in de omgeving alsmede de melkveehouderij niet wordt belemmerd als gevolg van de wijziging van bedrijfswoning naar burgerwoning in het voorhuis van de karakteristieke boerderij. Toevoegen bedrijfswoning in het achterhuis Het plan voorziet tevens in het realiseren van een bedrijfswoning in het achterhuis. Hiermee wordt voorzien in het toevoegen van een milieugevoelig object en dient de woning getoetst te worden aan de richtafstanden van het VNG-handboek bedrijven en milieuzonering. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende relevante bedrijven gelegen. Tabel 5: Bedrijven in de omgeving van het plangebied Adres Functie (milieucategorie) Zwaarste richtafstand conform VNG Botersloot 58 Varkenshouderij (4.1) 50 meter ** Botersloot 59 Autohandel en reparatie 50 meter (3.2) Botersloot 61 Max. categorie 2 10 meter Botersloot 61-I Melkveehouderij (3.2) 25 meter Noordzijde 97 Hoveniersbedrijf b.o. >500 30 meter m² (3.1) Noordzijde 97-I Melkveehouderij (3.2) 25 meter Noordzijde 104 Aannemingsbedrijf b.o. 10 meter <1000 m2 (2) Noordzijde 108 Melkveehouderij (3.2) N.v.t. ***
Daadwerkelijke afstand 45 meter 52 meter 169 meter 187 meter 280 meter 220 meter 63 meter N.v.t. ***
** De bedrijfswoning is gelegen buiten de bebouwde kom en maakt onderdeel uit van een veehouderij, waardoor artikel 4, lid 1 onder b van de Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020 van toepassing is en er een richtafstand geldt van 50 meter.
43
*** De bedrijfswoning maakt onderdeel uit van de melkveehouderij. De bedrijfswoning is niet milieugevoelig voor het eigen bedrijf.
Botersloot 108: n.v.t.
Botersloot 61: 169 meter
Noordzijde 97-I: 220 meter
Botersloot 61-I: 187 meter
Botersloot 59: 50 meter
Botersloot 58: 45 meter Noordzijde 104: 63 meter Noordzijde 97: 280 meter Afbeelding 14: Afstanden omliggende bedrijven t.o.v. nieuwe bedrijfswoning
De nieuwe bedrijfswoning voldoet aan de richtafstanden van omliggende bedrijven, behoudens de varkenshouderij aan de Botersloot 58. Omdat de afstanden als genoemd in het VNG-Handboek richtafstanden betreffen, kan gemotiveerd afgeweken worden van deze richtafstanden. Redelijkerwijs kan worden gesteld dat de richtafstand voor geur van varkenshouderijen gebaseerd is op de stallen waar de varkens worden gehouden. De daadwerkelijke afstand van 45 meter tot de nieuwe bedrijfswoning is gemeten vanaf het bouwvlak binnen de enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden – Cultuurhistorische waarden’ op het perceel Botersloot 58. Het voorste deel van het perceel van de varkenshouderij (welke voorzien is van het agrarische bouwvlak) wordt echter feitelijk gebruikt als inrit en ten behoeve van de bedrijfswoning. Gezien de bedrijfsvoering van de varkenshouderij onmogelijk wordt gemaakt als hier een varkensstal wordt gerealiseerd (mede gezien de oprit dan niet meer gebruikt kan worden), kan geconcludeerd worden dat een eventueel voornemen om een varkensstal te realiseren op het voorste gedeelte van het agrarische bedrijfsperceel is uitgesloten. Hierdoor kan worden gesteld dat op dit deel van het voorerf geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden die zorgen voor de hoge richtafstand voor geur zoals opgenomen in het VNG-Handboek.
Derhalve kan worden gerechtvaardigd dat wordt gemeten vanaf de dichtstbijzijnde agrarische schuur op het perceel. In dit geval is de afstand van de nieuwe bedrijfswoning tot de dichtstbijzijnde varkensstal 111 meter, waarmee wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Gesteld wordt dat de toevoeging van een bedrijfswoning in het achterhuis niet beperkend werkt voor de bedrijfsvoering van de varkenshouderij. Daarnaast kan worden gesteld dat
44
op een kleinere afstand al milieugevoelige objecten in de vorm van burgerwoningen zijn gelegen, welke al beperkend werken ten opzichte van de varkenshouderij.
Nieuwe bedrijfswoning
Dichtstbijzijnde varkensstal Botersloot 58
111 meter
Afbeelding 15: Afstand nieuwe bedrijfswoning t.o.v. dichtstbijzijnde varkensstal
Wijziging agrarisch bouwvlak Met het wijzigen van het agrarisch bouwvlak van de melkveehouderij, wijzigen tevens de contouren van het bedrijf en kan daarmee het huidige woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige objecten worden aangetast. Voor de melkveehouderij ten opzichte van omliggende milieugevoelige objecten gelden de volgende richtafstanden. Tabel 6: Richtafstanden voormalige eigen inrichting Functie Richtafstanden (milieucategorie) Geur Geluid Stof Melkveehouderij 25 meter **** 10 meter 10 meter (3.2)
Gevaar 0 meter
**** Conform artikel 4, lid 2 onder b van de Geurverordening Gemeente Molenlanden 2020 geldt een geurafstand van een extensieve veehouderij tot een geurgevoelig object binnen een halveringszone en buiten de bebouwde kom van 25 meter.
45
Plangebied
Afbeelding 16: Uitsnede kaart gebiedsindeling geur
Op een afstand van 25 meter vanaf de uitbreiding van het agrarisch bouwvlak zijn geen milieugevoelige objecten aanwezig. De wijziging van het agrarisch bouwvlak voorziet derhalve niet in een aantasting van het woon- en leefklimaat.
Indicatie locatie verwijderen agrarisch bouwvlak
Indicatie locatie uitbreiding bouwvlak
60 m
34 m
Indicatie locatie verwijderen agrarisch bouwvlak Afbeelding 17: Uitbreiding bouwvlak
Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt middels onderhavig plan.
46
5.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of inrichtingen waar werkzaamheden met gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het onderhavige plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Teven zijn geen spoorwegen en/of voor de beroepsvaart relevante vaarwegen aanwezig.
47
Plangebied
Afbeelding 18: Risicokaart externe veiligheid
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het onderhavige plan voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen ondervindt.
48
5.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningsleidingen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
49
5.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft uitsluitend een juridisch-planologische wijziging van de monumentale woning en de inpandige splitsing ervan. Er vinden geen fysieke werkzaamheden plaats, zoals uitpandige bouw- en/of sloopwerkzaamheden, dempen van watergangen en het kappen van beschermde bomen, behoudens het aanleggen van een tweede inrit ten behoeve van het agrarisch bedrijf. Gezien de locatie voor de tweede inrit thans wordt gebruikt als tuin bij de huidige woning en hier op regelmatige basis onderhoud wordt gepleegd, kan gesteld worden dat deze locatie niet geschikt is voor beschermde flora en fauna en derhalve de werkzaamheden niet voorzien in aantasting van deze flora en fauna.
Daarnaast zal met de aanleg van de inrit – mede gezien de kleinschalige werkzaamheden en de afstand tot stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden (circa 4,8 km) – niet voorzien in relevante stikstofdepositie. Op basis hiervan kan worden gesteld dat het onderhavige plan in het kader van flora en fauna geen nadelige gevolgen heeft voor de verblijfsplaatsen van beschermde plant- en diersoorten en/of beschermde natuurgebieden. Het uitvoeren van een ecologische quickscan of een stikstofdepositieonderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
Afbeelding 19: Goed onderhouden tuin behorende bij woning
Conclusie Het onderhavige plan ondervindt geen belemmeringen voor wat betreft het aspect ecologie. 50
5.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft uitsluitend een juridisch-planologische wijziging van de monumentale woning en de inpandige splitsing ervan. Er vinden geen fysieke ingrepen plaats in de bodem. Gezien de woonboerderij thans jarenlang wordt bewoond kan worden gesteld dat de bodem geschikt is om op te wonen. Op basis hiervan is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Het onderhavige plan ondervindt geen belemmeringen voor wat betreft bodemkwaliteit.
51
5.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied en de te wijzigen monumentale woonboerderij is gelegen op gronden met een: • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het onderhavige plan betreft uitsluitend een juridisch-planologische wijziging van de monumentale woning en de inpandige splitsing ervan.
Er vinden geen fysieke ingrepen plaats, zoals bouw-, sloop- en/of graafwerkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor eventueel aanwezige archeologische resten in de bodem. Op basis hiervan is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. 52
Plangebied
Afbeelding 20: Archeologische verwachtingskaart
Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie de uitvoering van het onderhavige plan niet in de weg staat. Ter bescherming van de archeologische waarden worden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2 & 4’ opgenomen in het nieuwe bestemmingsplan.
53
5.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De aanvrager is zich bewust van deze gemeentelijke ambitie. Het onderhavige plan voorziet in de splitsing van een monumentale woonboerderij. Middels het onderhavige plan wordt er een duurzame toekomstbestendige situatie gecreëerd op het perceel. Het agrarische bedrijf kan middels onderhavig plan geschikt worden gemaakt voor de toekomstige bedrijfsopvolging, waardoor het bedrijf kan blijven voortbestaan. Tevens ontstaat er een meer toekomstbestendige situatie voor de monumentale woonboerderij. Middels onderhavig plan komen er twee huishoudens in de woonboerderij te wonen, waarmee de relatief hoge kosten voor het onderhoud kan worden verdeeld. Mogelijk toekomstige verpaupering en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit kan hiermee worden voorkomen. Zeker gezien de monumentale status en de cultuurhistorische waarden op de locatie is dit een welkome bescherming van een stukje identiteit van het dorp.
54