Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan ‘Noordeloos, naast Minkeloos 28’
Tekst van het document
project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Voor het plangebied wordt geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de wettelijke grenswaarden wordt voldaan. Daarnaast wordt gesteld dat het plan valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen.
35
4.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 3: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het onderhavige plan betreft de toevoeging van een woning. Hiermee is sprake van het toevoegen van een milieugevoelig object. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele belemmeringen in de bedrijfsvoering van omliggende relevante bedrijven als gevolg van het onderhavige plan. Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Ter plaatse van het onderhavige plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Daar is in onderhavig geval sprake van. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd. De richtafstanden voor de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied mogen één afstandstrap worden verlaagd.
36
Daarnaast heeft de gemeenteraad van Molenlanden een Geurverordening vastgesteld. Met de geurverordening wordt afgeweken van de richtafstanden voor geur voor agrarische bedrijven waar dieren worden gehouden zonder door de minister vastgestelde geuremissiefactor. Middels de Geurverordening wordt de richtafstand voor geur tot een gevoelig object buiten de bebouwde kom gereduceerd naar 25 meter. In de directe omgeving van het plangebied zijn er twee relevante functies/bedrijven gelegen (zie onderstaande afbeelding). De naastgelegen minicamping op de Minkeloos 28 en het agrarisch bedrijf aan de overzijde van de weg op de Minkeloos 19/I. Het agrarisch bedrijf is gelegen op ca. 125 meter van de nieuwe woning. De richtafstand van het bedrijf betreft conform de geurverordening 25 meter, waardoor ruimschoots wordt voldaan aan deze afstand. Minicamping
Agrarisch bedrijf
30m
125m
Bouwvlak Afbeelding 14: Plangebied t.o.v. directe omgeving (indicatief)
‘Kampeerterreinen’ hebben een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Door het bouwvlak (de nieuwe woning) op een afstand van minimaal 30 meter van de camping te leggen, wordt voldaan aan deze richtafstand. Daarnaast wordt er het e.e.a. opgemerkt. Er is geen sprake van een grootschalige camping, maar het betreft een minicamping met maximaal 15 plaatsen. Waardoor er eventueel gemotiveerd kan worden afgeweken van de richtafstand die conform het VNG eigenlijk bedoeld is voor ‘kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d. (met keuken)’. Tevens is er in de verkennende fase geparticipeerd met deze camping (zie paragraaf 1.4), welke hebben aangegeven positief tegenover de ontwikkeling te staan en de camping direct planologisch wordt mee gewijzigd. De campingplaatsen zijn allen ten noorden van de bedrijfswoning gelegen en niet aan de zuidkant aan de zijde van het plangebied, waardoor de afstand van het kampeerterrein tot de woning in de praktijk nog groter zal zijn dan 30 meter (minimaal 80 meter afstand tot
37
standplaatsen). De kans op werkelijk overlast is daarmee zeer klein gezien de grotere afstand tot de standplaatsen. Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat voldaan wordt aan de gestelde richtafstanden. Gesteld kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt. De 30 meter afstand tussen de camping en het bouwvlak van de nieuwe woning zorgt voor een goede ruimtelijke ordening. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven en milieuhinder geen belemmeringen.
38
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR=10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Inventarisatie Volgens de risicokaart (zie afbeelding 14) bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen en voor de externe veiligheid relevante vaarwegen aanwezig. Wel is het plangebied gelegen in het invloedsgebied van: • •
Het transport van gevaarlijke stoffen over de A27 op 700 meter ten oosten van de planlocatie; De hogedruk aardgasleiding A-555 op 430 meter ten noorden van de planlocatie.
Daarom is door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: 39
Afbeelding 15: Uitsnede risicokaart externe veiligheid (planlocatie blauw; aardasleiding rood; snelweg geel)
‘Transport over de A27 Over de A27 vindt transport van gevaarlijke stoffen plaats. Deze weg maakt deel uit van het Basisnet en is hierin omschreven als wegvak tussen afrit 25 (Noordeloos) en knooppunt Gorinchem. De Regeling basisnet schrijft voor dit wegdek een 10-6 PRcontour van 14 meter vanaf het midden van de weg voor en een plasbrandaandachtsgebied van 30 meter, gemeten vanaf de rand van de weg. Het plangebied ligt op meer dan 30 meter van de rand van de weg, zodat aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico wordt voldaan en de regels van het plasbrandaandachtsgebied niet van toepassing zijn voor deze locatie. Bij de toekomstige wetgeving zouden ook een brandaandachtsgebied of een eventueel explosieaandachtsgebied niet van toepassing zijn. De planlocatie ligt op meer dan 200 meter van de transportroute. Daarom is op voorhand duidelijk dat de bijdrage van het plan aan het groepsrisico verwaarloosbaar is en een berekening niet nodig is. Naast brandbare stoffen worden over de A27 ook toxische vloeistoffen en toxische gassen vervoerd. De planlocatie ligt binnen het effectgebied van een gifwolk als een toxische vloeistof (LT2) of een zeer toxisch gas (GT4) vrijkomt bij een ongeval op de snelweg. Hogedruk aardgasleiding Op 430 meter ten noorden van de planlocatie ligt de hogedruk aardgasleiding A555.
(…) Voor hogedruk aardgasleidingen moet de 10-6 PR-contour binnen de belemmeringenstrook liggen. Deze strook is 5 meter vanaf het hart van de buisleiding. Ter plaatse van het plangebied wordt aan deze afstand voldaan. Wel ligt de planlocatie binnen de 1% letaliteitsafstand, zodat formeel voor de buisleiding de verandering van het groepsrisico moet worden bepaald. In de te beschouwen situatie is echter op voorhand duidelijk dat het groepsrisico laag is vanwege het lage aantal woningen in de omgeving van de locatie. In de toelichting op het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Giessenlanden heeft de gemeente destijds al 40
geconcludeerd dat het groepsrisico ver onder de oriëntatiewaarde ligt (maximaal 0,00002 keer de oriëntatiewaarde). Op 430 meter van de planlocatie ligt de woning buiten de 100% letaliteitsafstand en ook buiten de house burning distance (235 meter vanaf de aardgasleiding). Bij een fakkelbrand zal een gebouw daarmee niet direct in brand geraken. Bestrijdbaarheid Voor zowel een calamiteit op de A27 als een calamiteit bij de buisleiding A-555 geldt dat de bestrijdbaarheid niet verandert als gevolg van de functiewijziging. Beide risicobronnen zijn net zo goed bereikbaar als in de bestaande situatie. Ten aanzien van de buisleiding is bestrijden van een fakkel ter plaatse zonder meer geen optie vanwege de warmtebelasting. Een dergelijke brand is alleen te stoppen door de leiding af te sluiten en het gas dat zich al in de leiding bevond te laten opbranden. Een groot deel van de incidenten rondom buisleidingen ontstaat door graaf- en grondroerders-werkzaamheden rondom de buisleiding. De kans op incidenten kan worden beperkt met afdekplaten, strikter toezicht op de werkzaamheden of preventief ontruimen van het gebied waar werkzaamheden plaatsvinden. Zelfredzaamheid calamiteit A27 De enige vorm van gevaar die vanaf de snelweg tot de planlocatie reikt, is een gifwolk. Gezien de afstand tot de snelweg is het afdoende om naar binnen te vluchten en ramen en deuren te sluiten.
Om de zelfredzaamheid te bevorderen is het, net als in de bestaande situatie en voor andere aanwezigen in de omgeving, belangrijk dat mensen op tijd gewaarschuwd worden door middel van een alarmsysteem. Volgens het Bouwbesluit moet mechanische ventilatie kunnen worden uitgeschakeld. Zelfredzaamheid calamiteit buisleiding A-555 Bij een calamiteit aan de gasleiding kan een grote fakkelbrand ontstaan, waarbij veel warmte-straling vrijkomt. De planlocatie bevindt zich buiten de house burningdistance, zodat de kans klein is dat de woning bij een fakkelbrand in brand geraakt. Daarmee kan men bij een calamiteit inpandig schuilen. Bovendien komt de schuur tussen de woning en de gasleiding te staan, zodat de woning bij een fakkelbrand grotendeels in de luwte van de schuur staat.
Daarmee is de warmtebelasting lager dan in een onbebouwde omgeving.’ Advies veiligheidsregio De Veiligheidsregio adviseert om onderstaande maatregelen te nemen: • de woning te voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie conform artikel 4.124 lid 4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: Een mechanisch ventilatiesysteem heeft een voorziening waarmee het systeem handmatig kan worden uitgeschakeld bij een externe calamiteit die kan leiden tot een voor de gezondheid nadelige kwaliteit van de binnenlucht; • vluchtroutes van de risicobron af te creëren; • de toekomstige bewoners te informeren over de risico's en daarbij handelingsperspectief te bieden. Met betrekking tot de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen binnen het plangebied moet er voldaan worden aan de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019 (Brandweer Nederland, 2020). 41
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft externe veiligheid geen belemmeringen.
42
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft kabels en leidingen geen belemmeringen.
43
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Om de invloed van de sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen en huismus. Indien de coniferen in het zuidwesten van de planlocatie gekapt worden, dient tevens een aanvullend onderzoek naar roofvogels uitgevoerd te worden. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli).
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. De planlocatie is gelegen in belangrijk weidevogelgebied. Op voorhand kan worden uitgesloten dat de beoogde ruimtelijke ontwikkeling resulteert in een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het weidevogelgebied. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie De sloop van twee schuren en de realisatie van een nieuwe woning en schuur aan de Minkeloos ong. te Noordeloos is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. 44
•
•
•
•
•
•
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond.
De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 3. De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. Sloop- en bouwwerkzaamheden binnen 75 meter van het roofvogelnest in de conifeer in het zuidwesten van de planlocatie dienen, conform de natuurkalender broedvogels, buiten de kwetsbare periode (begin maart – eind augustus) uitgevoerd te worden. Uitvoering dient derhalve plaats te vinden tussen begin september en eind februari.’
Conclusie Er dient voor de sloopwerkzaamheden een aanvullend onderzoek naar de huismus en vleermuis te worden uitgevoerd. Onderzoek naar roofvogels is niet noodzakelijk omdat de conifeer behouden blijft.
45
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen voor het beoogde gebruik is door Adromi B.V. een verkennend onderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: • • • • • • •
•
‘De baksteenhoudende bovengrond is licht verontreinigd met look, kwik, zink, molybdeen en PCB; De overige bovengrond zonder bodemvreemde bijmengingen is licht verontreinigd met lood, zink, minerale olie en PCB; Het grondwater is licht verontreinigd met barium; Op het maaiveld is asbestverdacht materiaal waargenomen in de vorm van stukken golfplaat afkomstig van de daken van de huidige schuren; In de bodem is geen asbestverdacht materiaal waargenomen; In de analysemonsters ABMM01 en ABMM02 van de bovengrond is geen asbest aangetoond; In de volledige puinmonsters ter plaatse van het puinpad is wel asbestverdacht materiaal aangetoond. Het betreft meerdere deeltjes golfplaten en asbestboard bestaande uit hechtgebonden chrysotiel en crocidoliet; In het afvalverzamelmonster aangetroffen naast de schuren (stuk golfplaat) is asbest aangetoond in de vorm van hechtgebonden chrysotiel.
De hypothese verdacht wordt bevestigd vanwege het aantreffen van lichte verontreinigingen met zware metalen, PCB en minerale olie in de grond en het grondwater. Deze verontreinigingen zijn geen belemmering voor de bestemmingswijziging alsmede de nieuwbouw van een woning met schuur.’ Conclusie Het bestemmingsplan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen.
46
4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (zie afbeelding 15) is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een zeer hoge verwachting. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 50 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het plan voorziet in bodemingrepen groter en/of dieper dan de bovengenoemde grenswaarden. Daarom is door ADC Archeoprojecten een verkennend bureau- en veldonderzoek uitgevoerd. De belangrijkste resultaten zijn hieronder uiteengezet.
47
Afbeelding 16: Uitsnede archeologische verwachtingskaart
‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? In het plangebied is een rivierduin aangetroffen, waarvan de flanken begroeid zijn geraakt met veen dat werd afgedekt door een pakket komklei. Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? Door het gebruik van het plangebied in de Middeleeuwen en Nieuwe tijd is de top van de natuurlijke afzettingen (respectievelijk de komklei en het rivierduin) vergraven. De lagen die worden gerelateerd aan het gebruik en de bewoning van het plangebied in de Middeleeuwen en Nieuwe tijd zijn op hun beurt weer verstoord geraakt door de realisatie van de huidige inrichting van het terrein. Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? De archeologisch relevante niveaus in het plangebied worden in theorie gevormd door het rivierduinzand en de ophoging uit de Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Het onderzoek heeft echter uitgewezen dat op beide niveaus geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn. Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? De top van het rivierduin is aangetroffen op zeer wisselende dieptes. In het noorden van het plangebied is het rivierduin vanaf het maaiveld aanwezig.
Vanaf daar loopt het duin steil af naar 4,1 – 4,5 m -mv (3,7 – 5,5 m -NAP). De ophogingslagen uit de Middeleeuwen – Nieuwe tijd bevinden zich direct onder de bouwvoor of worden afgedekt door een pakket recent bouwzand. De top hiervan ligt op 5 – 75 cm -mv (0 – 1,3 m -NAP).
48
Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Nee In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De archeologische verwachting kan voor alle perioden worden bijgesteld naar laag. In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? In het plangebied worden naar verwachting geen archeologische waarden bedreigd. Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Het plangebied is voldoende onderzocht. Aanbevelingen ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.’ De gemeente Molenlanden heeft het volgende selectiebesluit (10-03-2023) genomen: ‘Het selectieadvies van ADC Archeoprojecten wordt onderschreven om het plangebied vrij te geven waar het de bestaande bebouwing betreft binnen de contour van de te slopen westelijke stal tot een diepte van 2,0 m-mv.
Archeologisch onderzoek is voor deze locatie niet nodig. De sloop van de fundering en gierkelders van deze stal hoeft evenmin archeologisch te worden begeleid. Wat betreft de oostelijk gelegen stal en de bestaande verharding liggen onvoldoende gegevens voor met betrekking tot de diepte van de bestaande verstoringen (en m.b.t. de kelder van de stal ook de locatie en omvang ervan) om beargumenteerd van de voorschriften af te wijken die verbonden zijn aan de thans geldende dubbelbestemming Waarde-Archeologie 3. Aangezien booronderzoek in dit gebied niet mogelijk is dient bij de ondergrondse sloop van de oostelijke stal en het verwijderen van de bestaande fundering daarom vervolgonderzoek te worden uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform KNA 4.1 protocol 4003, variant archeologische begeleiding. Voor zover met de geplande ontwikkeling bodemingrepen buiten de contour van de bestaande stallen en het verharde gebied gepland zijn die dieper gaan dan 0,3 meter beneden huidig maaiveld dienen deze eveneens archeologisch te worden begeleid; Voorafgaand aan het uitvoeren van een proefsleuvenonderzoek, variant archeologische begeleiding, dient een Programma van Eisen te worden opgesteld en ter goedkeuring te worden aangeboden aan de gemeente’.
49
Conclusie Ten behoeve van het plan dient ten tijden van de uitvoering archeologische begeleiding plaats te vinden.
50
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemer is zich bewust van deze gemeentelijke ambitie. De nieuwe woning zal voldoen aan de huidige bouw- en duurzaamheidseisen (bouwbesluit). Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen) en maatregelen in het kader van energiebesparing. Daarnaast wordt middels het plan op een duurzame wijze omgegaan met de bebouwde ruimte. Alvorens de realisatie van de nieuwe woning worden verouderde asbesthoudende schuren gesloopt. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte.
Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Het plan voorziet in een afname in bebouwing en verharding. Daarnaast is er sprake van voldoende oppervlaktewater rondom het plangebied om zware regenbuien op te vangen. Tevens wordt het plangebied groen ingericht waarmee hemelwater beter in de bodem kan infiltreren. Het risico op wateroverlast zal daarmee in de nieuwe situatie afnemen. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. Het plangebied ligt hoger dan de omgeving (op een terp), waarmee is voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van het plan rekening gehouden met de accumulatie van warmte. De installaties in de woning wordt geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De te kiezen beplantingen moeten erosie van het terrein terugdringen. Het
51
plangebied wordt groen ingericht. Dit betreft streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen.
52
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Noordeloos, naast Minkeloos 28’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Noordeloos, naast Minkeloos 28’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Noordeloos, naast Minkeloos 28’ is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen ‘Buitengebied Giessenlanden’ (2015), ‘Parapluherziening Parkeren’ (2020) en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ (2021). De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Recreatie - Verblijfsrecreatie De naastgelegen minicamping verkrijgt de passende enkelbestemming ‘Recreatie – Verblijfrecreatie’, waarmee het bestemmingsplan wordt gewijzigd conform de situatie in de praktijk en een toekomstbestendige planologische situatie wordt geboden voor de minicamping. Tuin Voor de voorgevel van de nieuwe woning wordt de enkelbestemming ‘Tuin’ opgenomen gelijk de planologische situatie van andere woonpercelen aan de Minkeloos in het moederbestemmingsplan. Wonen Het plangebied ter plaatse van de nieuwe woning verkrijgt de enkelbestemming ‘Wonen’ met bouwvlak waarmee de realisatie van de woning mogelijk wordt.
53
Waarde – Archeologie 3, 4 & 5 De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ worden ongewijzigd overgenomen uit het moederbestemmingsplan ter bescherming van de mogelijke archeologische waarden in de grond.
5.4 Aanduidingen • •
Bouwvlak; Functieaanduiding: specifieke vorm van recreatie – minicamping.
54