CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan ‘Molenaarsgraaf, Ocker Repelaerstraat’

Raadsvergadering 21 maart 2023, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Molenaarsgraaf, Ocker Repelaerstraat11.502 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

35

30 m tot bouwvlak

50 m tot bouwvlak

Oprekken bouwvlak (indicatief) Afbeelding 11: Plangebied t.o.v. bedrijven

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijven- en milieuhinder geen belemmeringen.

36

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR 10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten bevinden (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.

Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen aanwezig. Transport gevaarlijke stoffen via transportroutes Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied vindt geen voor de externe veiligheid relevant structureel transport van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Incidentele 37

transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen zijn echter niet uit te sluiten, maar deze vallen ruimschoots buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig. Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn voor de beroepsvaart geen relevante vaarwegen aanwezig.

Afbeelding 12: Uitsnede risicokaart

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.

38

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologische relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen oplevert voor de uitvoering van het plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

39

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het onderhavige plan betreft het juridisch-planologisch vergroten van het bestaande bouwvlak. Er is geen bebouwing aanwezig op de locatie en er vinden daarmee geen sloopwerkzaamheden plaats welke nadelige gevolgen kan hebben op beschermde flora en fauna. Er worden geen watergangen gedempt, geen bomen gekapt of beplanting verwijderd. Het huidige grasland is zoals eerder aangegeven in gebruik als speelveld voor de buurt en wordt daarmee structureel gebruikt en daarnaast ook structureel onderhouden. Hiermee kan worden gesteld dat het plangebied niet geschikt is voor beschermde flora en fauna.

Op basis hiervan kan worden gesteld dat het onderhavige plan in het kader van flora en fauna geen nadelige gevolgen heeft voor de verblijfsplaatsen van beschermde plant- en diersoorten en/of beschermde natuurgebieden. Het uitvoeren van een ecologische quickscan is derhalve niet noodzakelijk. Wel geldt ten alle tijden de algemene zorgplicht voor beschermde plant- en diersoorten. Stikstof Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop en eenmalige aanleg- activiteiten. Dit wordt de ‘bouwvrijstelling’ genoemd. Eventuele stikstofdepositie vanwege de realisatie-/ bouwfase is dan ook vrijgesteld van vergunningplicht. Dat geldt ook voor dit project. Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat is gelegen binnen Natura 2000-gebied ‘Biesbosch’ en is gelegen op een afstand van circa 6,4 kilometer tot het plangebied.

Verder zijn stikstofgevoelige habitats in de volgende Natura 2000 gebieden gelegen. Tabel 4: Stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden Gebieds- Natura 2000-gebied Circa afstand stikstofgevoelige nummer habitats tot plangebied 70 Lingegebied & Diefdijk-Zuid 11,7 kilometer 71 Loevestein, Pompveld & Kornsche 14,7 kilometer Boezem 40

82 105 106

Uiterwaarden Lek Zouweboezem Boezems Kinderdijk

107

Donkse Laagten

112

Biesbosch

9,1 kilometer 13,9 kilometer Geen stikstofgevoelige habitats aanwezig Geen stikstofgevoelige habitats aanwezig 6,4 kilometer

13,9 km 9,1 km

11,7 km

6,4 km

14,7 km

In de voortoets stikstofdepositie is voor het plan de stikstofdepositie vanwege de ontwikkeling ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000 gebieden berekend met behulp van de AERIUS Calculator 2020. Uit de berekening blijkt dat de ontwikkeling niet voorzien in rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. De invoergegevens en rekenresultaten zijn opgenomen in de bijlage van dit rapport. Ten aanzien van stikstofdepositie ondervinden stikstofgevoelige habitats Binnen Natura 2000-gebieden geen negatieve effecten als gevolg van de ontwikkeling. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming in het kader van stikstofdepositie. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect ecologie en stikstof geen belemmeringen.

41

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen is door Adcim een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit het bodemonderzoek luiden: •

• •

• •

‘De bovengrond bestaat aan de noordzijde van het perceel uit zandige klei en aan de zuidzijde uit sterk kleiig veen. De ondergrond bestaat uit veen welke op een diepte van circa 1,50m-mv overgaat op klei. Er is geen bijmenging aangetroffen. Zowel de boven- als ondergrond is niet tot licht verontreinigd met molybdeen en PCB. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit voldoet de licht verontreinigde grond aan klasse industrie. De bovengrond is tevens aanvullend onderzocht op PFAS. Bij indicatieve toetsing aan besluit bodemkwaliteit is de grond als klasse wonen toepasbaar. Het grondwater is gelegen op ca. 0,42-0,70 m-mv en is licht verontreinigd met barium. (…)

Voor de voorgenomen werkzaamheden vormt de bodemkwaliteit op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek geen belemmering. Nader onderzoek met een gewijzigde onderzoeksinspanning wordt niet noodzakelijk geacht.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de bodemkwaliteit geen belemmeringen.

42

4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Ten tijde van de ontwikkeling van de gehele wijk Molenaarsgraaf-Oost is reeds een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd door ADC Archeoprojeceten voor de gehele ontwikkeling, zo ook voor het onderhavige plangebied (zie bijlage: Hanemaaijer, M. en J.A.G. van Rooij, 2010; Plan Molenaarsgraaf, Molenaarsgraaf, gemeente Graafstroom Een Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek. ADC Rapport 2394. Amersfoort). Op afbeelding 13 zijn de verrichte boringen weergegeven. Uit dit onderzoek komen de volgende resultaten naar voren: •

‘Is er in het plangebied een intact potentieel vondstniveau aanwezig en zo ja, komt dit overeen met het op basis van het bureauonderzoek verwachte potentiële vondstniveau? Binnen het plangebied zijn zoals verwacht veengronden aanwezig. In het noordelijke deel zijn geen beddingafzettingen van de Vuilendamse meandergordel aangetroffen. In de diepere ondergrond zijn ongerijpte 43

kleilagen aanwezig, die geïnterpreteerd worden als oever- en komafzettingen. In potentie kunnen zich op het veen of in de klei archeologische resten bevinden, maar gezien het feit dat het plangebied te nat was voor bewoning, worden binnen het plangebied geen archeologische waarden meer verwacht. •

Zijn er (aanwijzingen voor) archeologische waarden in het plangebied aanwezig en, zo ja, wat is naar verwachting de omvang, ligging, aard, datering en waardestelling hiervan? Op basis van het ontbreken van archeologische indicatoren en de interpretatie van het landschap in het verleden worden binnen het plangebied geen archeologische waarden meer verwacht.

•

In welke mate worden deze waarden verstoord door realisatie van de geplande bodemingreep? Niet van toepassing, aangezien binnen het plangebied geen archeologische waarden meer verwacht.

•

Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? Niet van toepassing

•

Indien de eventuele archeologische waarden niet kunnen worden behouden: Welke vorm van nader onderzoek is nodig om de aanwezigheid van archeologische waarden en hun omvang, ligging, aard en datering voldoende te kunnen bepalen om te komen tot een selectiebesluit? ADC Archeoprojecten adviseert om binnen het plangebied geen archeologisch vervolgonderzoek uit te laten voeren. (…)

Op basis van het veldonderzoek adviseert ADC ArcheoProjecten om het terrein vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is echter niet volledig uit te sluiten dat binnen het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij het bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 53 van de Monumentenwet.’

44

Afbeelding 13: Weergave verrichte boringen

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect archeologie geen belemmeringen.

45

4.11 Duurzaamheid & Klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemer heeft duurzaamheid hoog in het vaandel staan. Duurzaamheid is enerzijds toekomstbestendigheid en ecologische duurzaamheid (duurzame materialen etc.) en anderzijds energievoorziening. Beide aspecten vormen de leidraad in de aanpak van de initiatiefnemers van zowel de bouw als de inrichting van het perceel. De nieuwe bebouwing zal voldoen aan alle geldende bouw- en duurzaamheidseisen die vigerend zijn. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. De beoogde bebouwing zal conform de nieuwe BENG-norm gerealiseerd worden. Deze eis wordt gehaald met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiksvriendelijke installaties. De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. Dit wordt in het kader van de omgevingsvergunning nader uitgewerkt. Men doet verder onderzoek naar de haalbaarheid om op het dak van de nieuwe bebouwing zonnepanelen te realiseren en het plangebied zo zacht en groen mogelijk in te richten.

Klimaatadaptatie In de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland is een regel opgenomen dat er in een bestemmingsplan aandacht moet worden aan een viertal risico’s die kunne optreden ten gevolge van klimaatverandering. Het gaat om wateroverlast door overvloedige neerslag, overstroming, hitte & droogte. Het onderhavige plan heeft geen nadelige gevolgen die het risico van deze vier aspecten doet toenemen. Middels het onderhavige plan wordt een reeds bestaande en gereserveerde bouwlocatie ontwikkeld. Het risico op wateroverlast en overstroming neemt in de nieuwe situatie niet toe in vergelijking met situatie waarbij twee vrijstaande woningen stonden gepland. Het plan heeft daarmee ook geen nadelige gevolgen voor hittestress en droogte. De initiatiefnemer is voornemens het plangebied zo zacht en groen mogelijk in te richten, zie bovenstaande alinea’s duurzaamheid. Zachte gronden hebben minder gevolgen voor hitte en water dan verharde gronden. Ook kunnen deze gronden hierdoor langer water vasthouden en wordt water minder snel afgevoerd, waarmee droogte kan worden tegengegaan. Rondom het plangebied is voldoende oppervlakte water om hemelwater naar af te voeren. Het onderhavige plan heeft gezien het karakter geen nadelige gevolgen voor de genoemde risico’s in de omgevingsverordeing.

46

4.12 Molenbiotoop Beleidskader Het plangebied valt binnen de beschermingszones van de Kerkmolen. In het gebied rondom deze molen is een molenbiotoop vastgesteld met een straal van 400 meter vanuit het middelpunt van de molen Ter bescherming van de molenbiotoop is in het vigerend bestemmingsplan ‘Dorpskernen’ de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400m’ opgenomen. Ten aanzien van het realiseren van bebouwing en/of beplanting binnen deze zone gelden de volgende richtlijnen: 1. Binnen de straal van 100 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, mag geen bebouwing worden opgericht of beplanting aanwezig zijn, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek. 2. Binnen de straal van 100 tot 400 meter gerekend vanuit het middelpunt van de molen, moet voor wat betreft bebouwing en beplanting het volgende zijn geregeld: a. In het buitengebied mag de maximale hoogte niet meer bedragen dan 1/100 van de afstand tussen bouwwerk/beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek (1 op 100 regel); b. In het stedelijk gebied mag de maximale hoogte van bebouwing/ beplanting niet hoger zijn dan 1/30 van de afstand tussen bouwwerk/ beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek (1 op 30 regel).

Onderzoek De in 1844 gebouwde Kerkmolen betreft een maalvaardige ronde stenen poldermolen. De molen behoort tot het type van grondzeilers en staat aan de Molenhoek 24. De molen dient voor het (op vrijwillige basis) bemalen van de Polder Giessen-Oudebenedenkerk en Molenaarsgraaf. De molen heeft een Oudhollandse wiekenvorm met een vlucht van 26,35 m en is voorzien van een rieten kap. De landschappelijke waarde van de molen is betrekkelijk gering omdat de molen door de dorpsbebouwing ingesloten is geraakt. De nieuw te bouwen woningen zijn geprojecteerd op een afstand van 380-390 meter. Echter wordt de molen binnen bebouwd dorpsgebied reeds beperkt in de vrije windvang en het zicht door de aanwezige bebouwing (zie afbeelding 13). Tevens blijven de maximale toegestane hoogtes ter plaatsen ongewijzigd. Hierdoor staat de molenbiotoop de ontwikkeling van het plangebied niet in de weg. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft de molenbiotoop geen belemmeringen.

47

Kerkmolen

Reeds beperkende bebouwing

Plangebied

Afbeelding 14: Plangebied t.o.v. Kerkmolen

48

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Molenaarsgraaf, Ocker Repelaerstraat’ bestaat uit drie delen, de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Molenaarsgraaf, Ocker Repelaerstraat’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het onderhavige bestemmingsplan ‘Molenaarsgraaf, Ocker Repelaerstraat’ is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan ‘Dorpskernen ’ (vastgesteld op 13 februari 2012). De regels van het bestemmingsplan ‘Molenaarsgraaf, Ocker Repelaerstraat’ bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Woongebied De enkelbestemming ‘Woongebied’ ter plaatse van het plangebied blijft ongewijzigd. Enkel de bouwvlakken worden gewijzigd ten behoeve van de realisatie van de meer betaalbare wooneenheden in de kwadrantwoning. Hierbij is het mogelijk om achter de voorgevel aan-, uit- en bijgebouwen te realiseren. Door de oriëntatie van de voorgevel richting de Ocker Repelaerstraat is het ten behoeve van de voorste wooneenheden in de kwadrantwoning geen mogelijkheid op bergingen te realiseren achter de voorgevel. Ten behoeve van deze woningen is er daarom ruimte voor de voorgevel specifiek aangeduid ten behoeve van bergruimte. Hetgeen stedenbouwkundig tevens passend is, gezien de ligging langs de stoep en speeltuin. Aan de andere zijde van de speeltuin heeft nr. 46 dezelfde mogelijkheid om langs de speeltuin bijgebouwen te realiseren. Door het verschil in oriëntatie van de voorgevel, is voor de kwadrantwoning echter een specifieke aanduiding nodig voor de vorgevel. Water De enkelbestemming ‘Water’ ter plaatse van de watergangen rondom het plangebied blijft ongewijzigd. 49

5.4 Aanduidingen • • • •

Bouwvlak; Gebiedsaanduiding: vrijwaringszone – molenbiotoop 400m; Maatvoering: maximum goothoogte: 6 m; Maatvoering: maximum aantal wooneenheden: 4.

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=d5b8b2fa-02af-40b8-9c41-0f0cf5d94c51