CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 – Toelichting bestemmingsplan Langerak, Lekdijk 1

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Lekdijk 1, Langerak13.880 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

33

Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en Bwatergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor een A- en een B-watergang gelden in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Werkzaamheden binnen deze beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichting.

C-watergang 047255

C-watergang 047324

C-watergang 047258 Afbeelding 11: Uitsnede kaart legger wateren

In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen. De werkzaamheden zullen plaatsvinden buiten de beschermingszones van de nabijgelegen watergangen. Voor deze geplande werkzaamheden is het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Rivierenland niet vereist dan wel noodzakelijk. Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20200210-9-22424). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied OVW053. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -1,34 meter NAP en een winterpeil van –1,44 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor 34

het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

Plangebied

Afbeelding 12: Uitsnede peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden voor het omgaan met (schoon) hemelwater dient zoveel mogelijk benut te worden. Dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan hergebruikt worden, geïnfiltreerd worden in de bodem, schoongehouden worden, afgekoppeld worden of worden aangesloten op het gescheiden rioolstelsel. Hierdoor wordt de belasting van de afvalwaterzuivering verminderd. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaatsvindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2.

35

Tabel 2: Oppervlaktebalans verharding Bestaande situatie Achterhuis boerderijgebouw (Lekdijk 1) Voormalige agrarische schuur Bijgebouw Grind (1.614 m²)

Oppervlakte verharding 322 m² 580 m² 60 m² 807 m²

Totale oppervlakte bestaande situatie

1.769 m²

Nieuwe situatie Achterhuis boerderijgebouw (Lekdijk 1) Voormalige agrarische schuur Bijgebouw Asfalt/beton/terras voor theetuin Grind (1.860 m²)

322 m² 580 m² 60 m² 423 m² 930 m²

Totale oppervlakte nieuwe situatie

2.315 m²

Verschil

546 m² toename

Afbeelding 13: Verharding bestaande (links) en nieuwe (rechts) situatie

Binnen het plangebied zal een toename van 546 m² aan verharding plaatsvinden. Conform de stelregel van het waterschap zal hiermee 13,8 m³ (546 × 0,0436) watercompensatie moeten plaatsvinden. Rekening houdend met een peilstijging van 0,2 m zal de watercompensatie 199,0 m² bedragen. De watercompensatie zal plaatsvinden op een nader te bepalen locatie, bij voorkeur bij het lozingspuntplangebied. Als de aanvrager aantoont dat dit niet mogelijk is, dan kan de berging elders in het peilgebied worden gerealiseerd. De locatie van de watercompensatie zal te zijner tijd in de watervergunning worden opgenomen. Indien de initiatiefnemer gebruikmaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m² en deze nog niet eerder heeft gebruikt, kan watercompensatie achterwege blijven. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal uiteindelijk bepalen of gebruik kan worden gemaakt van deze particuliere vrijstelling.

36

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.

Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De nieuwe woning worden aangesloten op het bestaande gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het plangebied is gelegen binnen de kern, beschermings- en buitenbeschermingszone van een primaire waterkering, de Lekdijk. De Lekdijk en de zogeheten beschermingszones aan weerszijden van de dijk zijn door de verordening Keur beschermd. In principe geldt dat er geen bebouwing op de waterkering aanwezig mag zijn. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ‘ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering’. Binnen de buitenbeschermingszone geldt dat de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen.

Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding. Voor het plaatsen van bomen en struiken dient rekening gehouden te worden met de regels voor beplanting in dijkzones. Het plaatsen van groen in de dijkzone is veelal een melding of een watervergunning benodigd.

37

Afbeelding 14: Uitsnede legger waterkeringen

De nieuwe woning in het boerderijgebouw is gelegen binnen de beschermingszone van de waterkering. Gezien de nieuwe woning wordt geïntegreerd in een bestaand gebouw, waardoor er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Dit geldt tevens voor de functiewijziging van de voormalig agrarische schuur. Ter bescherming van de primaire waterkering wordt op de verbeelding ter plaatse van de kernzone de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ opgenomen. Op basis van de Barro (2012) wordt voor de beschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ en voor de buitenbeschermingszone de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 2’ opgenomen. Verder wordt de gebiedsaanduiding ‘milieuzone – boringsvrije zone’ overgenomen uit het bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’. Wegbeheer Buiten de bebouwde kom is het Waterschap Rivierenland verantwoordelijk voor het beheer van de wegen in de Alblasserwaard, waaronder de Lekdijk. Het plan voorziet verder niet in het realiseren van nieuwe in- en uitritten. Boringsvrije zone Het plangebied ligt deels in de boringsvrijezone van zuiveringsstation De Steeg te Langerak. De boringsvrije zone beschermd de afdekkende laag van het watervoerend pakket. Ter bescherming van de boringsvrije zone is de aanduiding ‘milieuzone – boringsvrije zone’ in de verbeelding opgenomen.

Binnen deze aanduiding is in de regels opgenomen dat niet dieper dan 2,5 meter onder het maaiveld mag worden geroerd en alle handelingen die de deklaag kunnen beschadigen niet zijn toegestaan. Dit geldt niet voor handelingen ten behoeve van grondwaterbeheer of waarvoor reeds door Gedeputeerde Staten toestemming is verleend. Heien van palen is toegestaan, mits geen palen met verbrede voet worden gebruikt.

38

Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.

39

4.3 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De Wgh stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige objecten en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. De Wgh stelt dat alle wegen een geluidszone hebben, met uitzondering van woonerven en 30 km/h-wegen. Conform artikel 74 lid 2 van de Wgh hoeft geen akoestisch onderzoek te worden verricht voor 30 km/h wegen. De wettelijke voorkeursgrenswaarde voor geluidsgevoelige objecten binnen de geluidszone van wegen bedraagt 48 dB. De maximaal te ontheffen geluidsbelasting bedraagt 53 dB in landelijk gebied en 63 dB in stedelijk gebied. Onderzoek Het plan betreft de toevoeging van een woning. In het kader van de Wgh is hiermee sprake van toevoeging van een nieuw geluidsgevoelig object en is het uitvoeren van een akoestisch onderzoek noodzakelijk. Het plangebied ligt binnen de invloedsfeer van de voor Wgh relevante wegen.

Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein en kunnen derhalve verder buiten beschouwing worden gelaten. Het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is uitgevoerd door Voortman Ingenieurs. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘De woning is ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van de Lekdijk en de Langesteinseweg. Doel van het onderzoek is om in het kader van de ruimtelijke onderbouwing de geluidbelasting op de woning ten gevolge van wegverkeerslawaai te bepalen en te toetsen aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Lekdijk ten hoogste 40 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai; • De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Langesteinseweg ten hoogste 43 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai; • De berekende gecumuleerde geluidbelasting (LCUM*) ten gevolge van alle wegen ten hoogste 43 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh, bedraagt en er sprake is van een goed woon- en leefklimaat; • Alle gevels van de woning geluidluw zijn waarmee aan het streven uit het gemeentelijk geluidbeleid wordt voldaan.

Voor deze woning hoeft geen hogere grenswaarden te worden aangevraagd.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen.

40

4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Binnen de Europese Unie zijn normen voor de luchtkwaliteit vastgesteld (richtlijn 1999/30 EG van de Raad van Europese Unie). Met haar Besluit Luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) implementeert Nederland de Europese richtlijn in de Nederlandse wetgeving. Het Besluit Luchtkwaliteit is echter op 15 november 2007 vervangen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit is sindsdien opgenomen in de Wet milieubeheer. Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt bedragen: Tabel 3: Grenswaarden Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 µg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 µg/m3 concentratie 24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. concentratie meer dan 50 µg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 µg/m3 concentratie Voor roet gelden thans nog geen grenswaarden.

Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015

Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft NSL-monitoring 2019 voor het jaar 2020 het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie van 16,0 µg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie van 18,1 µg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie van 11,0 µg PM2,5/m3. Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan de grenswaarden wordt voldaan. Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit NIBM vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met

41

niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan in het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

42

4.5 Bedrijven- en milieuhinder Beleidskader Bij realisering van nieuwe hindergevoelige functies (bedrijf) dient te worden onderzocht of er zich in de omgeving hindergevoelige objecten bevinden die hinder kunnen ondervinden. Uitgangspunt daarbij is dat er ter plaatse van de woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en dat bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Voor een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen gebruik gemaakt van het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009). Deze publicatie is bedoeld voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven in relatie tot woningen en omgekeerd, zodat in geen van beide situaties een belemmering voor één van beiden optreedt. In de publicatie staan richtafstanden vermeld voor geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Het is wel aan te bevelen eventuele afwijkingen te benoemen en te motiveren.

Tabel 4: Milieucategorie en bijbehorende richtafstand Milieucategorie Zwaarste richtafstand rustige Zwaarste richtafstand woonwijk en rustig gemengd gebied buitengebied 1 10 meter 0 meter 2 30 meter 10 meter 3.1 50 meter 30 meter 3.2 100 meter 50 meter 4.1 200 meter 100 meter 4.2 300 meter 200 meter 5.1 500 meter 300 meter 5.2 700 meter 500 meter 5.3 1.000 meter 700 meter 6 1.500 meter 1.000 meter Onderzoek Het plan betreft de toevoeging van een wooneenheid op het perceel, waardoor sprake is van het toevoegen van een milieugevoelig object. Tevens voorziet het plan in het realiseren van een bed & breakfast en een atelier voor het geven van schilderen kookworkshops met theetuinaccommodatie. Hiermee is sprake van de toevoeging van milieubelastende functies. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele beperking van de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies en eventuele aantasting van het woon- en leefklimaat van milieugevoelige objecten, zoals woningen. Het plan getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). De omgeving van het plangebied wordt getypeerd als gemengd gebied. Het VNGHandboek geeft onder andere de volgende definitie van een gemengd gebied: ‘Lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere 43

bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd’. De richtafstanden ten opzichte van een rustige woonwijk of rustig buitengebied kunnen vanwege de ligging in een gemengd gebied met één afstandstrede worden verlaagd. Dit betekent dat gemotiveerd afgeweken kan worden van de richtafstanden voor een rustige woonwijk en rustig buitengebied en de richtafstanden met één afstandstrede gereduceerd kunnen worden. Milieugevoelig object In de directe omgeving van het plangebied is uitsluitend een rundveehouderij gelegen (Lekdijk 1 te Tienhoven aan de Lek), op 52 meter afstand tot de woonbestemming van het perceel Lekdijk 1 te Langerak. Een dergelijk agrarisch bedrijf is in het VNG-Handboek opgenomen als een 3.2-categoriebedrijf waarbij de volgende richtafstanden gelden in een gemengd gebied. Tabel 5: Richtafstanden voor het fokken en houden van rundvee in gemengd gebied Bedrijf Geur Stof Geluid Gevaar Fokken en houden 50 meter 10 meter 10 meter 0 meter van rundvee (cat. 3.2)

52 meter

Afbeelding 15: Afstanden omliggende bedrijven t.o.v. plangebied

Gesteld kan worden dat het nieuwe milieugevoelige object (de nieuwe woning) op voldoende afstand is gelegen van het agrarisch bedrijf aan de Lekdijk 1 te Tienhoven aan de Lek en derhalve sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en onderhavige ontwikkeling de bedrijfsvoering van het agrarisch bedrijf niet (verder) beperkt.

44

Milieubelastende functie Naast de toevoeging van een milieugevoelig object voorziet het plan in het realiseren van milieubelastende functies in de vorm van een bed & breakfast en een atelier voor het geven van schilder- en kookworkshops met theetuinaccommodatie. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient gekeken te worden naar de eventuele hinder van de nieuwe milieubelastende functie ten opzichte van de omliggende milieugevoelige functies. Bed & breakfast In het VNG-Handboek zijn geen richtafstanden opgenomen voor een bed & breakfast. Echter kan wel gesteld worden dat een bed & breakfast in ieder geval geschaard kan worden onder de categorie ‘hotels en pensions met keuken, conferentieoorden en congrescentra’. Dergelijke bedrijven zijn geschaard onder milieucategorie 1. Atelier Ateliers zijn in het VNG-Handboek opgenomen onder de categorie ‘bibliotheken, musea, ateliers, e.d.’. Dergelijke bedrijven zijn geschaard onder milieucategorie 1. Theetuin In het VNG-Handboek zijn geen richtafstanden opgenomen voor een theetuin. Echter kan wel gesteld worden dat een theetuin in ieder geval geschaard kan worden onder de categorie ‘restaurants, cafetaria’s, snackbars, ijssalons met eigen ijsbereiding, viskramen, e.d.’. Dergelijke bedrijven zijn geschaard onder milieucategorie 1.

Gesteld kan worden dat in het huidige voormalige agrarische schuurgebouw uitsluitend ‘bedrijven’ worden geïntegreerd welke geschaard zijn onder milieucategorie 1. Voor dergelijke bedrijven in een gemengd gebied geldt een zwaarste richtafstand van 0 meter. Derhalve kan gesteld worden dat deze functies het woon- en leefklimaat van omliggende milieugevoelige objecten niet aantast. Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Hieruit kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en omliggende bedrijven niet (verder) in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

45

4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij de invloed van de externe veiligheid wordt bezien in hoeverre de veiligheidsrisico’s door de gewenste bestemmingen worden overschreden. Het gaat hierbij om risico’s door stationaire (inrichtingsgebonden) activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico’s door het transport van gevaarlijke stoffen. In beide gevallen wordt de afweging gebaseerd op de omvang van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, de mogelijke effecten die optreden en de kans dat die effecten ook daadwerkelijk manifest worden. Nieuwe (beperkt) kwetsbare bestemmingen mogen niet voorkomen op plaatsen waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar. De normen voor het plaatsgebonden risico zijn bedoeld als grenswaarden volgens de Wet milieubeheer. Naast het plaatsgebonden risico wordt ook gekeken naar het groepsrisico. De normen worden weergegeven door middel van risicocontouren. Onderzoek Invloed van stationaire bronnen Volgens de risicokaart bevinden zich in de omgeving van het plangebied geen Beviinrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt en/of wegen waarover bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen worden vervoerd die een bedreiging kunnen vormen voor het plan.

308 m 146 m

Plangebied

Afbeelding 16: Uitsnede Risicokaart

46

Invloed transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke voor het aspect externe veiligheid relevant zijn. Invloed transport gevaarlijke stoffen via transportroutes Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen gelegen waarvan bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvind. Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen is niet uit te sluiten, maar deze vallen tevens buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten. Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen gelegen waarvan bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvind. Vaarwegen Het onderhavige plangebied is gelegen in de nabijheid van rivier de Lek. De Lek wordt in het rapport Basisnet Water aangeduid als zwarte vaarweg. Voor de rode, zwarte en groene vaarwegen zijn gebruiksruimtes voor het vervoer (veiligheidsbuffer) gedefinieerd. Deze gebruiksruimten worden uitgedrukt in een plaatsgebonden risico (PR) 10-6 per jaar contour op de vaarweg en het groepsrisico. In tegenstelling tot het Basisnet Weg en Basisnet Spoor is in het Basisnet Water geen risicoplafond ingevoerd voor het plaatsgebonden en het groepsrisico.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn voor de rode en zwarte vaarwegen beperkingen opgelegd. Zo dient er rekening te worden gehouden met de effecten van een ongeluk met zeer brandbare vloeistoffen. Langs enkele vaarwegen zijn eveneens de zogenaamde Plasbrand Aandacht Gebieden (PAG’s) vastgesteld. Voor belangrijke binnenvaarwegen (zwart) geldt: • Geen nieuwe bestemmingen binnen de waterlijn; • Plasbrand Aandacht Gebied (PAG) 25 meter vanaf de waterlijn en in de uiterwaarden. Bouwen binnen een PAG is mogelijk in afweging met de gemeente; • Verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Berekening nodig indien bevolkingsdichtheid > 1500 personen/ha dubbelzijdig of 2250 personen/ha enkelzijdig. Voor het onderhavige plangebied geldt dat de afstand tussen de waterlijn en het plangebied meer dan 25 meter bedraagt (circa 146 meter). Daarnaast blijft de bevolkingsdichtheid in Langerak ruim onder de 1.500 per hectare, waardoor een verantwoordingsplicht van het groepsrisico niet aan de orde is. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect externe veiligheid de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

47

4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn verder geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Met betrekking tot het aspect afvalwater wordt gebruikgemaakt van een septictank. Het afvalwater wordt per as afgevoerd. De kosten hiervoor zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

48

4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Het plan gaat uit van het toevoegen van een wooneenheid in het bestaande boerderijgebouw, een nieuwe invulling van de voormalige agrarische schuur en het terugbrengen van het terrein in een representatieve staat. Hiermee is sprake van werkzaamheden welke nadelige gevolgen kunnen hebben voor beschermde flora en fauna. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is door Blom Ecologie een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming Er dient rekening gehouden te worden met de aanwezigheid van een nest van de beschermde ooievaar.

De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur. Er zijn wel karakteristieke landschapselementen aanwezig in de vorm van knotwilgen. Indien deze worden verwijderd, geldt een herplantingsplicht. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk.

49

Afbeelding 17: Afstand plangebied t.o.v. Natura 2000-gebied

Afbeelding 18: Afstand plangebied t.o.v. Natuurnetwerk Nederland

50

Afbeelding 19: Afstand plangebied t.o.v. Belangrijk weidevogelgebied en Strategische reservering natuur

Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van het ooievaarsnest, en enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Lekdijk 1 te Langerak uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Zoveel mogelijk buiten het broedseizoen van de ooievaar werken. Het broedseizoen loopt globaal van april-medio augustus. Werkzaamheden die trilling veroorzaken mogen binnen het broedseizoen van de soort niet binnen 50 meter vanaf het nest uitgevoerd worden. • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodem bewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

51

•

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.’

Stikstofdepositie Het plan voorziet niet in grote sloop- en bouwwerkzaamheden, waardoor geen mobiele machines ingezet hoeven te worden. Gezien de kleinschaligheid van het plan, er geen grote werkzaamheden plaatsvinden en de afstand tot stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden, kan gesteld worden dat het plan niet voorziet in stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft ecologie en stikstofdepositie geen belemmeringen.

52

4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om aan te tonen dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik is door Bakker Milieuadviezen een verkennend bodemonderzoek (incl. asbestonderzoek) uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘Op basis van het bodemonderzoek kan voor het onderzochte terrein het volgende worden geconcludeerd: • De bovengrond ten oosten van de grote stal was tamelijk ongeroerd en bevatte geen noemenswaardige bijmengingen. Deze grond blijkt geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740-pakket; Deze grond is extra onderzocht op PFAS en gesteld kan worden dat deze stoffen in tamelijk lage gehalten zijn aangetroffen (PFOA 0.79 en PFOS 0.39 ug/kgds).

• De bovengrond ten westen van de grote stal was ongeroerd en blijkt geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740-pakket; • De bovengrond onder de grind/puinlaag ter plaatse van het erf ten oosten van de boerderij bevat alleen een lichte verhoging aan PAK; • De ongeroerde matig humeuze kleiige ondergrond is geheel schoon voor alle parameters uit het NEN-5740-pakket; • Ter verificatie of er al dan niet een gedempte sloot ligt in het verlengde van de sloot op het zuidelijke aangrenzende perceel, zijn 3 extra boringen verricht. Hierbij zijn geen duidelijke of verdachte dempingskenmerken waargenomen. Desondanks is een mengmonster van de ondergrond uit de boringen 16 en 17 onderzocht en deze grond bevat alleen een licht verhoogd PAK-gehalte; • In het grondwater is alleen barium in een gehalte boven de streefwaarde aangetroffen. Dit is een gangbare, niet relevante overschrijding. • De grind/puinlaag op het erf naast de boerderij bevat een asbestgehalte van 8.4 mg/kgds (alleen chrystotiel/witte asbest). Dit gehalte ligt onder de interventiewaarde van 100 mg/kgds en heeft geen consequenties.

Op grond van de verkregen analyseresultaten kan gesteld worden dat de bodemkwaliteit geen enkele belemmering vormt voor de herontwikkeling van het onderzochte terreindeel voor recreatieve doeleinden en voor woonbestemming.’ Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bodem geen belemmeringen. 53

4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.

Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologie-vriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een: • Middelmatige verwachting voor late middeleeuwen en nieuwe tijd. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk; • Hoge verwachting aan of nabij het oppervlak. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 250 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Het onderhavige plan voorziet niet in graafwerkzaamheden groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk en derhalve achterwege gelaten.

Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen. Ter bescherming van de archeologische waarden worden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie – 2 en 4’ uit het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’ overgenomen in het onderhavige bestemmingsplan.

54

4.11 Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De initiatiefnemer is bewust van deze gemeentelijke ambitie en zal onderzoek doen naar toepassingen in het kader van het opwekken van duurzame energie (bijvoorbeeld zonnepanelen).

55

5

Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Langerak, Lekdijk 1’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Langerak, Lekdijk 1’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Langerak, Lekdijk 1’ is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Liesveld’, vastgesteld op 20 februari 2018. De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.

5.3 Bestemmingen Tuin Ten behoeve van de tuin langs de Langesteinseweg wordt de bestemming ‘Tuin’ opgenomen. Wonen Het overige deel van het plangebied zonder de tuinbestemming wordt voorzien van de bestemming ‘Wonen’. Het betreft het erf, de bebouwing en de ontsluitingswegen naar de Lekdijk en de Langesteinseweg. Waarde – Archeologie – 2 en 4 De archeologische dubbelbestemmingen zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden in de bodem. Waterstaat – Waterkering Ter bescherming van de regionale waterkering wordt ter plaatse van de kernzone van de regionale waterkering de dubbelbestemming opgenomen.

56

5.4 Aanduidingen • • • • • • • • •

Bouwvlak; Bouwaanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – 1’; Functieaanduiding ‘atelier’; Functieaanduiding ‘bed & breakfast’ Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – theetuin’; Gebiedsaanduiding ‘milieuzone – boringsvrije zone’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’; Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 2’; Maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 3’.

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=3af855a9-c3b1-4abc-8609-cd44f3ef9bf9