Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Bleskensgraaf Heulenslag 2
Tekst van het document
Dit nog los van de bouwkundige opgave om de aanbouwen te verwijderen, zonder afbreuk te doen aan de cultuurhistorische waarde van de schuur. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de 2 karakteristieke silo’s die voor de schuur staan, ook markante bouwwerken bij boerderijen uit het verleden. Om deze reden worden de aanbouwen en de silo’s gehandhaafd. Molenbiotoop Het plangebied valt binnen de molenbeschermingszone van de molen ‘De Vriendschap’. In het gebied rondom deze molen is een molenbiotoop ingesteld met een straal van 400 meter vanuit het middelpunt van de molen. De nieuwe woning komt op ruim 100 meter van de molen ‘De Vriendschap’. Voor het gebied tussen de 100 en 400 m van de molen geldt de zogenaamde 1/100 regel. Op 100 m afstand mag de maximale hoogte van een bouwwerk niet meer bedragen dan 1/100 van de afstand tussen bouwwerk en het middelpunt van die molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wiek. Het onderste punt van de verticaal staande wiek van de molen is, zo blijkt uit recent in opdracht van de gemeente uitgevoerde metingen, gelegen op 6,286 meter boven NAP. Dit betekent dat er voor de nieuwe woning op een afstand van 102 m van de molen, een maximale bouwhoogte geldt van 7,306 meter boven NAP). De berekening is als volgt (102 meter / 100 = 1,02 meter + 6,286 meter = 7,306 meter boven NAP.
In de regels van het bestemmingsplan is geborgd dat deze maximale bouwhoogte niet wordt overschreden. In artikel 13 (algemene aanduidingsregels) is de molenbiotoop met haar berekeningssystematiek bindend voorgeschreven. Bij concreet in te dienen bouwplannen wordt door de gemeente getoetst of de te bouwen woning niet hoger wordt dan de genoemde hoogte van 7,306 boven NAP. Bij de aanvraag om omgevingsvergunning moet om die reden de bouwhoogte van de woning t.o.v. NAP en t.o.v. Peil toegevoegd worden, zodat de maximale bouwhoogte t.o.v. NAP gecontroleerd kan worden door de gemeente op basis van de molenbiotoop regeling. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er geen sprake is van verdere beperking van de molen ‘De Vriendschap’. Het onderhavige plan heeft geen negatieve invloed op de windvang van molen ‘De Vriendschap’.
4.10 verkeer Ontsluiting Het plangebied blijft ontsloten via de Heulenslag. De ontsluiting vindt plaats via de bestaande uitwegen. Door de realisering van de nieuwe woning zullen er gemiddeld 9 vervoersbewegingen per etmaal plaatsvinden. In de oude situatie was op deze locatie een agrarisch bedrijf aanwezig dat meer voertuigbewegingen genereerde. De Heulenslag is voldoende gedimensioneerd om de verkeersbewegingen vanuit het plangebied te verwerken. Parkeren Bij nieuwe functies moet voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein worden gerealiseerd. De gemeente bepaalt op basis van de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 de parkeerbehoefte bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. De doelstelling van de 'Nota parkeernormen Molenlanden 2020' is als volgt verwoord in die nota:
33
'Het vaststellen van gemeentelijke parkeernormen voor het bepalen van de parkeerbehoefte van ruimtelijke plannen en -ontwikkelingen in de gemeente Molenlanden om daarmee de bereikbaarheid en leefbaarheid in de gemeente Molenlanden te waarborgen'. In deze nota zijn voor de hoofdfunctie Wonen de volgende normen opgenomen:
Het plangebied valt in het gebied (rest) bebouwde kom. Bij de nieuwe woning is een behoefte van 2,3 parkeerplaatsen, bij de twee bestaande woningen van 2,2 parkeerplaats per woning. In totaal dienen er derhalve op eigen terrein binnen het plangebied 6,7 (afgerond 7) parkeerplaatsen beschikbaar te zijn voor de drie woningen. Op de hierna opgenomen tekening is aangegeven waar de parkeerplaatsen aanwezig (zullen) zijn. Bij elke woning (Heulenslag 1 en 2 en de nieuwe woning) zullen twee parkeerplaatsen aanwezig zijn, terwijl er daarnaast nog twee extra parkeerplaatsen worden aangelegd aan de noordkant van de Heulenslag. In totaal zullen er derhalve 8 parkeerplaatsen beschikbaar zijn.
Figuur 4.5 parkeerplaatsen binnen het plangebied
Conclusie Er wordt derhalve voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
34
4.11 Milieueffectrapportage Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit omgevingsrecht moet bij ontwikkelingen worden bekeken of de ruimtelijke ontwikkeling ook uit milieuoogpunt aanvaardbaar is en of er een Milieueffectrapportage moet worden opgesteld. Op grond van de D-lijst uit het besluit Mer moet er in ieder geval een Milieueffectrapportage worden opgesteld bij de aanleg of wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject dat een oppervlakte van 100 hectare of meer dan wel de bouw van 2000 of meer woningen omvat. In onderhavig bestemmingsplan gaat het om de afwijking van een bestemmingsplan voor de realisering van éen woning en een functiewisseling van de twee al bestaande woningen. Daarom heeft er een vormvrije mer-beoordeling plaatsgevonden. De impact van dit plan is beperkt en de milieugevolgen zijn in de hiervoor opgenomen hoofdstukken voldoende in kaart gebracht. Het is uitgesloten dat er milieugevolgen voor het gebied optreden. Om deze reden is het niet vereist dat er een Milieueffectrapportage wordt opgesteld. 4.12 Duurzaamheid Bij de verdere ontwikkeling is het de inzet om het gebouw zo duurzaam mogelijk te maken aangaande verbruik van energie, terwijl het gebouw tevens zo duurzaam mogelijk dient te worden ingepast in de omgeving.
Met het oog daarop wordt onder andere aandacht besteed aan: - energiebesparing, zeer goed geïsoleerde appartementen; - gebruik van duurzame materialen; - respect voor het milieu; - lage fossiele brandstof behoefte; - een gezond binnenmilieu; - duurzaam slopen, waarbij materialen opnieuw kunnen worden gebruikt.
35
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving
Dit bestemmingsplanplan bestaat uit een: - Toelichting - Regels - Verbeelding Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Deze wet vormt het wettelijk kader voor bestemmingsplannen. Vanaf 1 januari 2010 moeten alle nieuwe ruimtelijke plannen digitaal, uitwisselbaar en vergelijkbaar worden gemaakt. Het gaat om bestemmingsplannen, provinciale verordeningen, Algemene maatregelen van Bestuur (AMvB's) en structuurvisies. Uitgangspunt hierbij is dat gemeenten, provincies en departementen verantwoordelijk zijn voor het maken en beheren van hun eigen ruimtelijke plannen en verordeningen. Tevens worden deze plannen en verordeningen digitaal beschikbaar gesteld voor burgers, bedrijven en medeoverheden. Een vergelijkbaar ruimtelijk plan is opgebouwd volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen, editie 2012 (SVBP2012), die is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De SVBP2012 is toegepast in de planregels en verbeelding. Daarnaast is in de nieuwe Besluit ruimtelijke ordening een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van bestemmingsplannen moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, wijze van meten, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de antidubbeltelregel. Het voorliggende plan is opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP2012.
Opzet verbeelding Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Binnen dit plan is de bestemming ‘Wonen’ van toepassing voor de drie woningen (Heulenslag 1 en 2 en de nieuwe woning). Voor Heulenslag 1 en 2 is de functieaanduiding ‘cultuurhistorische waarden’ van toepassing, aangezien het hier rijksmonumentale bebouwing betreft. Voor de resterende agrarische gronden geldt de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 4’ voor bescherming van de eventueel aanwezige archeologische waarden. Ter bescherming van de belangen van de waterkering is de dubbelbestemming ’Waterstaat- Waterkering’ opgenomen. Op de percelen Heulenslag 1 en 2 geldt tevens de dubbelbestemming ‘Waterstaat – waterbergingsgebied’ voor de handhaving en ontwikkeling van de waterbergende functie van boezemlanden. Daarnaast zijn enkele gebiedsaanduidingen opgenomen, die nu ook al gelden voor de plangebieden, te weten: ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 100 m’, ‘vrijwaringszone – molenbiotoop 400 m’, ‘geluidzone industrie’, ‘vrijwaringszone – dijk’, ‘wro-zone aanlegvergunning gevoelige bodem’, ‘wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied’ en ‘wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint’.
36
Opzet regels Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken, waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde. De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk twee wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene regels. De overgangs- en slotregel maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.
37