CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 34a’

Raadsvergadering 28 september 2021, gemeente MolenlandenBij agendapunt: Bestemmingsplan Abbekesdoel 34A, Bleskensgraaf12.458 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 34a’

Toelichting bestemmingsplan ‘Bleskensgraaf, Abbekesdoel 34a’

Identificatie NL.IMRO.1978.BPabbekesdoel34BKG-VG01 Datum 22-07-2021 Planstatus Vastgesteld Versie 2.0

2

Inhoud 1.

2

3

4

Inleiding ....................................................................................................................................... 5 1.1

Inleiding ..................................................................................................... 5

1.2

Kader .......................................................................................................... 6

1.3

Maatschappelijk resultaat ........................................................................... 9

1.4

Maatschappelijk draagvlak .......................................................................... 9

1.5

Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid............................ 10

1.6

Communicatie .......................................................................................... 10

1.7

Realisatie .................................................................................................. 10

1.8

Leeswijzer................................................................................................. 10

Planbeschrijving .................................................................................................................... 11 2.1

Bestaande situatie ..................................................................................... 11

2.2

Nieuwe situatie ......................................................................................... 13

Beleidskader............................................................................................................................ 17 3.1

Rijksbeleid ................................................................................................ 17

3.2

Provinciaal beleid ...................................................................................... 19

3.3

Regionaal beleid ....................................................................................... 24

3.4

Gemeentelijk beleid .................................................................................. 26

3.5

Conclusie .................................................................................................. 29

Sectorale aspecten ................................................................................................................ 30 4.1

Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) .................................................. 30

4.2

Watertoets ................................................................................................ 31

4.3

Geluid ....................................................................................................... 38

4.4

Luchtkwaliteit ........................................................................................... 40

4.5

Bedrijven- en milieuhinder ........................................................................ 42

4.6

Externe veiligheid ..................................................................................... 44

4.7

Kabels en leidingen................................................................................... 46

4.8

Ecologie .................................................................................................... 48

4.9

Stikstofdepositie ....................................................................................... 51

4.10 Bodem ...................................................................................................... 52 4.11 Archeologie .............................................................................................. 53 4.12 Duurzaamheid .......................................................................................... 56 5

Juridische planbeschrijving .............................................................................................. 57 5.1

Inleiding ................................................................................................... 57

5.2

Systematiek van de regels ......................................................................... 57

5.3

Bestemmingen .......................................................................................... 57 3

5.4

Aanduidingen ........................................................................................... 57

Bijlage Omschrijving 1 Landschappelijk inrichtingsplan 2 Digitale watertoets 3 4 5 6 7

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Ecologische quickscan Stikstofdepositieonderzoek Verkennend bodemonderzoek Archeologisch onderzoek

Auteur Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten Waterschap Rivierenland Voortman Ingenieurs

Referentie LTL21384-01

Datum 04-08-2020

20200623-923632 R-JVO/1591

23-06-2020

Blom Ecologie

BE/2020/464/r

03-07-2020

Van den Heuvel Milieuadvies Bakker Milieuadviezen

19116 v2

01-03-2021

BM/2692-2020

ADC ArcheoProjecten

ADC Rapport 5207

September 2020 23-07-2020

11-08-2020

4

1.

Inleiding

1.1 Inleiding 1.1.1 Aanleiding Het perceel Abbekesdoel 34a te Bleskensgraaf betreft een voormalige dierenkliniek. De werkzaamheden zijn per 1 augustus 2019 beëindigd, waardoor er geen volwaardige bedrijfsactiviteiten meer worden uitgevoerd en het pand thans leeg staat. De initiatiefnemer heeft in overleg met de gemeente besloten om het gebouw te gaan gebruiken als een burgerwoning. De initiatiefnemer heeft thans nog niet besloten of ze in het bestaand gebouw gaan wonen of dat het gebouw wordt gesloopt en een nieuwe woning wordt gerealiseerd. Het plan is echter strijdig met de vigerende bestemmingsplannen ‘Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 25 januari 2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Graafstroom), ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ (vastgesteld op 15 september 2015 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Molenwaard) en de ‘Parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 20 februari 2018 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Molenwaard). Het perceel is voorzien van een bedrijfsbestemming. Binnen deze bestemming is een burgerwoning niet toegestaan. Op 14 oktober 2019 is een principeverzoek ingediend bij de gemeente Molenlanden. Op 14 april 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten in principe medewerking te verlenen aan het plan.

Om het plan juridischplanologisch mogelijk te maken wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen. 1.1.2 Plangebied Het plangebied is gelegen tussen de kernen Bleskensgraaf en Oud-Alblas. Het plangebied wordt in het noorden begrensd door de Abbekesdoel. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door het perceel Abbekesdoel 34 en in het westen door het perceel Abbekesdoel 35. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Achterwetering. Het plangebied maakt deel uit van het kadastrale perceel Bleskensgraaf, sectie E, 423.

5

Afbeelding 1: Begrenzing plangebied

1.1.3 Belang De gemeente Molenlanden geeft toestemming aan een plan wanneer het plan bijdraagt aan het behalen van gemeentelijke en/of regionale doelstellingen, een bijdrage levert aan de ruimtelijke kwaliteit (of daar tenminste geen afbreuk aan doet) en overige belangen niet, of in ieder geval niet onevenredig nadelig worden beïnvloed. Het plan is thans voorzien van een bedrijfsbestemming. Bedrijven in woonlinten zijn onwenselijk vanwege de mogelijke aantasting van het woon- en leefklimaat. Middels de functiewijziging naar wonen wordt een eventuele vestiging van een nieuw volwaardig bedrijf juridisch-planologisch uitgesloten en draagt daarmee bij aan een acceptabel woon- en leefklimaat. De huidige bouwmogelijkheden worden middels het plan niet uitgebreid en een deel van het perceel wordt voorzien van een tuinbestemming waarbinnen verharding niet is toegestaan. Verder is in Bleskensgraaf behoefte naar woningen. Dit plan, de toevoeging van een woning, speelt in op deze woningbehoefte. Tenslotte wordt met de functiewijziging verdere leegstand en verpaupering en daarmee aantasting van de ruimtelijke kwaliteit voorkomen. Het onderhavige plan is een passende ontwikkeling voor de gemeente Molenlanden.

1.2 Kader Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 25 januari 2010). Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Bedrijf; • Water; • Wonen. De dubbelbestemmingen: 6

•

Waterstaat – Waterkering.

En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – dierenkliniek’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning gevoelige bodem’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint’.

Afbeelding 2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’

Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ Op 15 september 2015 is de derde herziening van bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de derde herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dat: • De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is toegevoegd; • De bestemmingsgrens van dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is gewijzigd. • De gebiedsaanduidingen ‘wro-zones’ zijn gewijzigd naar ‘wetgevingszones’.

7

Afbeelding 3: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Graafstroom 3e herziening'

Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Op 20 februari 2018 is de ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de parapluherziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dit dat de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is gesplitst in de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’.

8

Afbeelding 4: Uitsnede bestemmingsplan 'parapluherziening Buitengebied Graafstroom'

1.3 Maatschappelijk resultaat Met de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een nieuwe, geactualiseerde en gedigitaliseerde juridische regeling geboden. Middels het nieuwe bestemmingsplan wordt het gebouw juridisch-planologisch gewijzigd van een bedrijfsgebouw naar een burgerwoning.

1.4 Maatschappelijk draagvlak De initiatiefnemer heeft het plan voorgelegd aan de direct omwonenden. De direct omwonenden hebben aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het plan. Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Vooroverleg Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan opgestuurd naar de Provincie Zuid-Holland en het Waterschap Rivierenland. De provincie heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een reactie te geven. Het waterschap heeft aangegeven dat scheepsvaart uit de bestemming Water gehaald moet worden en adviseert dat de initiatiefnemers worden geïnformeerd dat bij het dempen van watergangen gecompenseerd dient te worden in de vorm van het graven van nieuw water en dat bij een toename van verharding tevens watercompensatie nodig is (mits geen gebruik wordt gemaakt van de eenmalige particuliere vrijstelling). Het advies 9

van het waterschap is overgenomen en scheepsvaart is verwijderd uit de bestemmingsomschrijving van de enkelbestemming ‘Water’. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan en bijbehorende stukken hebben vanaf 8 juni 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen (Gemeenteblad nummer 177934), waarbij eenieder in de gelegenheid werd gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

1.5 Financiële consequenties/economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

1.6 Communicatie Er wordt op de wettelijke manier gecommuniceerd over de te voeren procedure (via internet en de Staatscourant).

1.7 Realisatie Wanneer geen beroep wordt ingediend, is het bestemmingsplan na de beroeps termijn onherroepelijk. De omgevingsvergunning voor de realisatie van het plan kan dan worden aangevraagd.

1.8 Leeswijzer Deze toelichting bestaat uit de volgende hoofdstukken, waarin de achtergronden van het plan zijn beschreven: • • • •

Hoofdstuk 2: Planbeschrijving; Hoofdstuk 3: Verantwoording beleidskaders; Hoofdstuk 4: Verantwoording sectorale aspecten (onderzoeken); Hoofdstuk 5: Juridische planbeschrijving.

10

2

Planbeschrijving

2.1 Bestaande situatie 2.1.1 Ontstaansgeschiedenis Bleskensgraaf Het dorp Bleskensgraaf is ontstaan als lintbebouwing langs de Graafstroom. Vanuit de lintbebouwing is er rondom de kerk een buurtschap ontstaan. Vanuit dit buurtschap is het dorp Bleskensgraaf ontstaan. Mede door de verbetering van de wegen en de toename van transport over de weg (voorheen over water) is het dorp Bleskensgraaf in de loop der tijd gegroeid. De groei vond met name plaats in de dorpskern. In de Tweede Wereldoorlog is de dorpskern van Bleskensgraaf nagenoeg volledig verwoest als gevolg van een bombardement. Thans is nog slechts een beperkt deel van het oorspronkelijke buurtschap zichtbaar. Na de Tweede Wereldoorlog is het dorp wederopgebouwd. De laatste fase van de wederopbouw werd afgerond met de opening van het gemeentehuis op 12 mei 1955. In de jaren daarna heeft Bleskensgraaf, net zoals de meeste dorpen in de Alblasserwaard een grote groei doorgemaakt, welke is terug te zien in de seriematige uitbreidingswijken rondom de oorspronkelijke kern van het dorp. 2.1.2 Stedenbouwkundige en landschappelijke structuur Het plangebied is gelegen in de cultuurhistorische lintbebouwing langs de Abbekesdoel ten westen van de dorpskern Bleskensgraaf.

Deze lintbebouwing is gevormd door een langgerekte strook van min of meer samengegroeide gemengde bebouwing met daartussen afwisselend smalle en brede landschappelijke doorzichten. De bebouwing kenmerkt zich door een afwisseling van (grotere) boerderijen en (kleinere) arbeiders-/knechtenhuisjes. Hier en daar is de traditionele bebouwing vervangen door nieuwbouw (vrijstaande woningen) en hebben de bestaande boerderijen hun agrarische functie verloren en zijn volledig in gebruik als woonfunctie. De verkavelingsrichting van het landschap is haaks op de Abbekesdoel gericht. De traditionele bebouwing ten zuiden van de Abbekesdoel is overwegend parallel aan de verkavelingsrichting gepositioneerd en dicht tegen de Abbekesdoel gebouwd. De vervangende nieuwbouw is zowel haaks als parallel aan de verkavelingsrichting gebouwd. Zowel de traditionele bebouwing als de latere nieuwbouw in het cultuurhistorische lint langs de Abbekesdoel zijn bedekt met een zadeldak of een afgeleide daarvan. De woningen zijn overwegend opgebouwd uit bakstenen gevels met een gebakken pan of riet als dakbedekking. Ten zuiden van de Abbekesdoel kenmerkt het gebied zich door slagenverkaveling (open veenweidegebied) omringd door sloten en (achter)weteringen. In het open slagenlandschap zijn kaden en ontginningsassen gelegen welke veelal zijn beplant met bomenlanen (elzenrijen of knotwilgen).

De openheid van het landschap, de slagenverkaveling in combinatie met het slotenpatroon ten zuiden van de Abbekesdoel en de lintbebouwing met landschappelijke doorzichten kunnen worden gezien als de streekeigen stedenbouwkundige en landschappelijke structuur.

11

2.1.3 Huidige status/gebruik Het perceel Abbekesdoel 34a te Bleskensgraaf betreft een voormalige dierenkliniek. De bedrijfsactiviteiten zijn in 2019 beëindigd waardoor het pand thans leegstaat. Het voorerf is verhard en voorzien van enkele parkeerplaatsen. De achterzijde van het plangebied betreft een goed onderhouden tuin. Voormalige dierenkliniek Abbekesdoel 34a

Afbeelding 5: Luchtfoto bestaande situatie Abbekesdoel 34a te Bleskensgraaf

Afbeelding 6: Aanzicht op Abbekesdoel 34a Bleskensgraaf

12

2.2 Nieuwe situatie 2.2.1 Plan Het plan voorziet in het juridisch-planologisch wijzigen van de voormalige dierenkliniek naar een burgerwoning. De huidige bedrijfsbestemming wordt gewijzigd naar een woonbestemming, waarbij het huidige bouwvlak gehandhaafd blijft en qua regels wordt aangesloten bij het bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’. Hierdoor blijven de huidige bouwmogelijkheden onveranderd. Hiermee wordt een eventuele nieuwvestiging van een volwaardig bedrijf op deze locatie uitgesloten en betekent dit een vermindering van het aantal verkeersbewegingen. Daarnaast wordt een deel van de voortuin gewijzigd naar een tuinbestemming waarin verharding niet is toegestaan om op deze manier verstening tegen te gaan. Na de bestemmingsplanwijziging gaan de initiatiefnemers onderzoek doen of het pand wordt gesloopt en daarvoor in de plaats een nieuwe woning wordt gerealiseerd of dat ze het huidige gebouw gebruiken als woning. In het onderhavige plan is op voorhand rekening gehouden met nieuwbouw. 2.2.2 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het plangebied wordt in de huidige situatie ontsloten middels een enkele in- en uitrit op de Abbekesdoel. Dit blijft ongewijzigd.

Afbeelding 7: Bestaande ontsluiting

Verkeersgeneratie Voor de berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van de CROW-publicatie 381. In het CROW-beleid wordt uitgegaan van een bandbreedte van een minimaal tot een maximaal kengetal. In deze berekening is uitgegaan van het gemiddelde.

13

Om de af- of toename te kunnen berekenen, dient de verkeersgeneratie van de huidige juridisch-planologische situatie berekend te worden. Thans is het uitsluitend mogelijk om een dierenkliniek te vestigen. Voor een dierenkliniek zijn echter geen kengetallen opgenomen en is er ook geen functie genoemd die overeenkomstig is voor wat betreft verkeersaantrekkende bewegingen. Gezien de verkeersbewegingen van medewerkers naar de kliniek, een dierenarts ook op locatie werkzaamheden verricht én huisdiereneigenaren zelf naar de dierenkliniek rijden, mag redelijkerwijs verwacht worden dat een dierenkliniek een verkeersaantrekkende werking heeft van minimaal 12 verkeersbewegingen per etmaal. Tabel 1: Verkeersgeneratie Categorie Kengetal

Aantal

Verkeersgeneratie

Bestaande situatie Dierenkliniek

n.b.

-

12 verkeersbewegingen

Nieuwe situatie Koop, huis, vrijstaand

8,6 per woning

1

9 verkeersbewegingen

Verschil

-3 verkeersbewegingen

Als gevolg van dit plan is sprake van een afname in de verkeersbewegingen. Parkeren Voor de berekening van de toekomstige parkeerbehoefte is uitgegaan van de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020. Dit parkeerbeleid is gebaseerd op de CROWpublicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018). In het CROW-beleid wordt uitgegaan van een bandbreedte van een minimale tot een maximale parkeernorm. In de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 wordt uitgegaan van het gemiddelde. De gemeente Molenlanden valt qua stedelijkheidsgraad in de categorie ‘niet stedelijk’. Het plangebied is gelegen in het gebiedstype ‘buitengebied’. Tabel 2: Parkeren Categorie Woning, koop, vrijstaand

Parkeernorm (gemiddelde) 2,4

Aantal

Parkeerbehoefte

1 2,4 Totaal 2,4 parkeerplaatsen

De parkeerbehoefte van dit plan bedraagt 2,4 parkeerplaatsen. De benodigde parkeerbehoefte wordt volledig op eigen terrein opgelost. Binnen het plangebied wordt ruimte voor mimimaal 3 parkeerplaatsen gerealiseerd. Parkeerplaatsen op eigen terrein bij woningen worden in het gemeentelijk parkeerbeleid niet altijd volledig meegerekend in de gerealiseerde parkeerplaatsen, omdat deze plaatsen in de praktijk vaak voor andere doeleinden worden gebruikt dan het parkeren van auto’s. De mate waarin parkeren op eigen terrein wordt meegerekend (afhankelijk van de parkeervoorziening) is opgenomen in tabel 3.

14

Tabel 3: Parkeeroplossing Parkeervoorziening Enkele oprit zonder garage

Theoretisch aantal 1

Berekend aantal 0,8

Dubbele oprit zonder garage 2 1,7 Berekend aantal parkeerplaatsen

Parkeerplaatsen 0,8 1,7 2,5 parkeerplaatsen

Daarnaast is in de Nota Parkeernormen Molenlanden 2020 een minimale afmeting voor parkeerplaatsen opgenomen, namelijk 2,5 meter breed en 5 meter lang. Binnen het plangebied is voldoende ruimte om de volledige parkeerbehoefte op te kunnen lossen.

Afbeelding 8: Mogelijke parkeeroplossing nieuwe situatie

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde parkeernormen in de 'Nota Parkeernormen Molenlanden 2020'.

15

2.2.3 Landschappelijke inrichting Om tot een optimale ruimtelijke kwaliteitsverbetering te komen wordt het plangebied op een verantwoorde wijze landschappelijk ingericht. Door Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten ut Bergambacht is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, deze is vergroot toegevoegd in de bijlage van de toelichting. Middels het plan wordt het voorerf zo groen mogelijk ingericht, waarbij de huidige inrit ten behoeve van het parkeren en ontsluiting blijft behouden. Ter afscheiding van het erf wordt een streekeigen haag aangeplant en worden aan de westzijde van het plangebied een rij knotwilgen aangeplant ter accentuatie van de watergang. De groene achtererfinrichting blijft behouden. Hierdoor wordt het landelijke karakter hersteld en ontstaat tevens een doorzicht naar het achtergelegen open slagenlandschap.

Afbeelding 9: Landschappelijk inrichtingsplan

16

3

Beleidskader

3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Het Rijk streeft naar een Nederland dat concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig is. Dit wil zij doen met een krachtige aanpak, die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Een actualisatie van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid is nodig om deze nieuwe aanpak vorm te geven. Daarnaast geven nieuwe politieke accenten, veranderende omstandigheden zoals de economische crisis, klimaatverandering en toenemende regionale verschillen aanleiding voor herziening van het rijksbeleid. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte laat het Rijk de verantwoordelijkheid voor de afstemming tussen verstedelijking en groene ruimte op regionale schaal over aan provincies. Daarmee wordt bijvoorbeeld het aantal regimes in het landschaps- en natuurdomein fors ingeperkt. Daarnaast wordt (boven)lokale afstemming en uitvoering van verstedelijking overgelaten aan (samenwerkende) gemeenten binnen provinciale kaders. Afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering laat het Rijk los.

Het Rijk geeft aan dat landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten identiteit geven aan een gebied en culturele voorzieningen en cultureel erfgoed bovendien van groeiend belang zijn voor de concurrentiekracht van Nederland. In de nieuwe structuurvisie is aangegeven dat het Rijk verantwoordelijk blijft voor het cultureel en natuurlijk UNESCO Werelderfgoed (inclusief de voorlopige lijst), kenmerkende stads- en dorpsgezichten, rijksmonumenten en het maritieme erfgoed. Het beleid ten aanzien van landschap is echter niet langer een Rijksverantwoordelijkheid en laat het Rijk over aan de provincies. Het plan is kleinschalig van aard en er worden geen rijksbelangen geschaad. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Kern van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is dat alle overheden hun ruimtelijke belangen vooraf kenbaar maken en aangeven via welke weg zij die belangen denken te realiseren. Het Rijk geeft dit aan in de AMvB Ruimte. De nieuwe AMvB Ruimte, het Barro (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) is gebaseerd op enkele hoofdstukken uit de voorgaande AMvB Ruimte en enkele nieuwe toevoegingen. Het Barro omvat alle ruimtelijke rijksbelangen uit eerder uitgebrachte PKB's (planologische kernbeslissingen) die juridisch doorwerken op het niveau van bestemmingsplannen.

Het gaat om kaders voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de ecologische hoofdstructuur, de kust, grote rivieren, militaire terreinen, mainportontwikkeling van Rotterdam en de Waddenzee. Met het Barro maakt het Rijk proactief duidelijk waar provinciale verordeningen en gemeentelijke bestemmingsplannen aan moeten voldoen.

17

Het plan is kleinschalig van aard en maakt geen onderdeel uit van de genoemde ruimtelijke rijksbelangen in het Barro. 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgelegd aan gemeenten en provincies om in de toelichting van een bestemmingsplan waarmee een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, een beschrijving op te nemen over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Voordat een stedelijke ontwikkeling plaats kan vinden zal deze moeten worden getoetst aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’. Ladder voor duurzame verstedelijking Of toetsing van het plan aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking wettelijk verplicht is hangt af van het feit of er sprake is van een ‘stedelijke ontwikkeling’. Een voorziene ontwikkeling dient voldoende substantieel te zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt.

In artikel 1.1.1, lid 1, onder i van het Bro is de volgende definitie opgenomen: ‘Ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.’ Inmiddels biedt jurisprudentie een beoordelingskader van welke ontwikkelingen als nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’ worden aangemerkt: ‘Wanneer een bestemmingsplan voorziet in niet meer dan 11 woningen die gelet op hun onderlinge afstand als één woningbouwlocatie als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, van het Bro, kunnen worden aangemerkt, kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS: 2017:1724, Uitspraak 201608869/1/R3).’ Toetsing aan ladder voor duurzame verstedelijking In dit plan wordt per saldo één wooneenheid toegevoegd. Op basis van bovenstaande jurisprudentie is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is.

18

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland Op 20 februari 2019 hebben de Provinciale Staten van Zuid-Holland het Omgevingsbeleid vastgesteld. Per 1 april is het Omgevingsbeleid in werking getreden. Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De provincie Zuid-Holland heeft in de Omgevingsvisie zes richtinggevende ambities voor de fysieke leefomgeving geformuleerd: • Naar een klimaatbestendige delta; • Naar een nieuwe economie: the next level; • Naar een levendige meerkernige metropool; • Energievernieuwing; • Best bereikbare provincie; • Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. Het centrale doel van het provinciale omgevingsbeleid is het verbeteren van de omgevingskwaliteit. De provincie streeft naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Hiermee wordt aangesloten op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt verstaan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen.

Hierbij gaat het om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Beter benutten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD) Conform het provinciaal beleid van Zuid-Holland vinden nieuwe ontwikkelingen bij voorkeur plaats binnen bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft echter te worden opgevangen binnen BSD. Conform het provinciaal beleid kunnen kleinschalige stedelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied plaatsvinden in aansluiting op bestaand stads- en dorpsgebied of in bebouwingslinten (in de bebouwde ruimte). Onder “bebouwde ruimte” wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. Daarbij zet de provincie Zuid-Holland in op het beter benutten van de bebouwde ruimte. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren. Het plangebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied (BSD), maar binnen de ‘bebouwde ruimte’.

Het plan past binnen het woningbouwbeleid van de provincie Zuid-Holland en het streven van de provincie Zuid-Holland naar het beter benutten en opwaarderen van de ‘bebouwde ruimte’. Beter benutten van de bebouwde ruimte krijgt ruimtelijk invulling door verdichting, herstructurering en binnenstedelijke transformatie.

19

Het plan voorziet in een functiewijziging van een bestaand bebouwd perceel. Met de bestemmingsplanwijziging kan het pand gebruikt worden voor woondoeleinden en wordt verdere leegstand voorkomen. Hiermee kan worden gesteld dat er sprake is van het beter benutten van de bebouwde ruimte. Verbeteren ruimtelijke kwaliteit Gezien het sterke contrast tussen een dynamische stedelijke omgeving en open deltalandschappen in Zuid-Holland, is zorg voor de ruimtelijke kwaliteit in het bijzonder van belang. Ruimtelijke kwaliteit is het resultaat van goede ruimtelijke ordening: een evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. De essentie van het ‘verbeteren van ruimtelijke kwaliteit’ is dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen enerzijds inspelen op de aanwezige kwaliteiten in de omgeving (zeker als de omgeving hoge cultuurhistorische of identiteitsbepalende waarden vertegenwoordigt) en er anderzijds specifieke kwaliteiten toevoegen aan het gebied en de samenleving. Kwaliteitskaart De kwaliteitskaart is voor de provincie Zuid-Holland een belangrijk instrument om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig te sturen dat ze een bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit.

De provincie wil de karakteristieken van de Zuid-Hollandse landschappen, herkenbaar en beleefbaar houden en tegelijk ook ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen. De kwaliteitskaart geeft een beschrijving van de gebiedskenmerken en kwaliteiten van Zuid-Holland, waar rekening mee gehouden dient te worden in de planvorming. De kwaliteitskaart biedt een middel om vroeg in het planproces een integrale afweging te maken die de ruimtelijke kwaliteit ten goede komt. Het verbinden van nieuwe ontwikkelingen aan de bestaande gebiedskenmerken vormt hierbij uitgangspunt. Het plangebied is gelegen in het ‘veenweidelandschap’ en de ‘linten’.

20

Plangebied

Afbeelding 10: Uitsnede kwaliteitskaart

Veenweidegebied De ruimtelijke structuur in het veenweidegebied wordt sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Haaks hierop staan de verkavelingspatronen. Kenmerkend voor het veenweidelandschap is de openheid van het gebied met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels omringd door sloten. Voor ontwikkelingen in het veenweidelandschap heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden; • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen; • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden; • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders; • Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar. Linten Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied. Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.

Voor ontwikkelingen in de linten heeft de provincie de volgende richtpunten vastgesteld: • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied; 21

•

• •

Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst; Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend; Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

Om de ruimtelijke kwaliteit te behouden dan wel te versterken is het bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied wenselijk zorg te dragen voor een passende inrichting van het plangebied. Door Lagendijk tuin- en landschapsarchitecten is voor het plangebied een landschappelijk inrichtingsplan opgesteld om dit te bewerkstelligen. Middels het plan wordt hierdoor het perceel op een landschappelijk verantwoorde manier goed ingepast (zie paragraaf 2.2.3). Het plan resulteert in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en is in overeenstemming met de Kwaliteitskaart. 3.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland Gelijktijdig met de omgevingsvisie hebben de Provinciale staten van Zuid-Holland op 20 februari 2019 de Omgevingsverordening vastgesteld. Deze verordening vormt de vertaling van het provinciaal beleid, in algemene regels (zoals bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening). Hiermee is het beleid van de provincie juridisch verankerd. In de verordening zijn regels gesteld over de inhoud van bestemmingsplannen en de inhoud van de toelichting van bestemmingsplannen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen dient daarom ook rekening te worden gehouden met provinciaal beleid. Het gaat daarbij verder vooral om het integrale ruimtelijke beleid dat is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie.

Ruimtelijke kwaliteit In paragraaf 6.2.2 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor ruimtelijke kwaliteit. Een bestemmingsplan kan voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, onder de volgende voorwaarden ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. De ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart (inpassen); b. Als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: ▪ zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en ▪ het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen; c. Als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze uitsluitend toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door:

22

▪

▪

Een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, alsmede rekening is gehouden met de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart; en Het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen.

Gezien de schaal en aard kan het plan worden geschaard in de categorie ‘inpassen’. Het plan voorziet in de mogelijkheid om het huidige bedrijfspand te gebruiken als een burgerwoning. Hierbij is geen sprake van wijzigingen op structuurniveau. De bestaande gebiedsidentiteit blijft ongewijzigd. Het plan is qua aard en schaal passend is in dit gebied. Stedelijke ontwikkelingen (ladder voor duurzame verstedelijking) In paragraaf 6.2.3 van de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen voor stedelijke ontwikkelingen. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. De toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; b. Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling (toevoegen één wooneenheid). Vanuit jurisprudentie (zie paragraaf 3.1.3) is daarmee geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, waardoor de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is.

23

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale structuurvisie Visie 2030 ‘Open voor elkaar’ In navolging van de regionale structuurvisie Alblasserwaard Vijfheerenlanden, heeft de regio in 2012 de visie 2030 opgesteld. Deze visie is een actualisering van het beleid uit de regionale structuurvisie en bepaalt de beleidskeuzes met het oog op 2030. Binnen de Visie 2030 komen onderwerpen als de regionale woonvisie, beleid op het gebied van recreatie & toerisme, bedrijventerreinen, water & klimaat, een regionaal verkeer & vervoersplan naar voren. In de visie speelt de leefbaarheid en behoud en versterking van voorzieningen in het gebied een grote rol. De centrale visie uit de nota is de vorming van een vitale regio, gericht op het duurzaam vernieuwen van zowel het landelijk als het stedelijk gebied, tezamen met het versterken van het overwegende open, rustige en authentieke karakter van de regio, waardoor bewoners, bedrijven en bezoekers zich thuis blijven voelen en zich verder kunnen ontplooien. Het plan speelt in op de woningbehoefte in Bleskensgraaf. De woning wordt op een passende wijze in het landschap ingepast (zie paragraaf 2.2.3). Het plan draagt bij aan het behoud van de leefbaarheid in Bleskensgraaf. Verder wordt met het plan de gebruiksfunctie van het gebouw gewijzigd, waarmee een toekomstbestendige situatie wordt gecreëerd.

Verdere leegstand en verpaupering van het pand en daarmee verpaupering en aantasting van de ruimtelijke kwaliteit tegengegaan. Het plan is in overeenstemming met het regionaal beleid. 3.3.2 Regionale woonvisie Alblasserwaard-Vijfheerenlanden In 2017 is in de regio Alblasserwaard-Vijfheerenlanden een actualisatie van de Regionale woonvisie 2020 (2013) vastgesteld. De regio AV wil een aantrekkelijk en onderscheidend woongebied in de luwte van de randstad zijn. De regio kent een bijzondere combinatie van een rustig middengebied een dynamische stedelijke zone. De verschillende woonmilieus in de regio moeten elkaar goed aanvullen. Hiervoor is het noodzakelijk dat er voldoende kwalitatieve woonmilieus zijn en er sprake is van een goede balans tussen vraag en aanbod op regionaal niveau. Om die goede balans te bereiken, trekken de gemeenten gezamenlijk op om plannen af te stemmen en te realiseren. Zo wordt onnodige concurrentie tussen gemeenten voorkomen en kan snel en efficiënt op de markt worden ingespeeld. Er wordt onderscheid gemaakt in: • Stedelijk gebied; • Voorzieningendorpen; • Woondorpen. De huidige afspraak is een netto toevoeging van maximaal 3.364 woningen netto in totaal voor de regio voor de periode 2015-2025. De gemiddelde jaarlijkse netto woningbehoefte in de regio is geschat op 0,7% huishoudensgroei per jaar. Bleskensgraaf is aangeduid als een voorzieningendorp.

Bleskensgraaf heeft hiermee een bovenlokale functie in wonen en voorzieningen. Voor het voorzieningendorp Bleskensgraaf geldt dat voor het realiseren van 10 wooneenheden (of minder), mits de totale groei van het aantal wooneenheden in Bleskensgraaf niet groter is dan

24

0,7% van de totale woningvoorraad in de planperiode 2010-2019, regionale afstemming niet noodzakelijk is. Het plan speelt in op de woningbehoefte in Bleskensgraaf. Omdat de optelsom van plannen in Bleskensgraaf een groei laten zien groter dan 0,7% van de totale woningvoorraad, is de woning gemeld in het regionaal overleg. De regio heeft de hierop positief beoordeeld. De woning wordt meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030.

25

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Toekomstvisie Molenwaard De Toekomstvisie Molenwaard geeft aan dat de gemeente plaats biedt aan mensen en bedrijven die hier wonen en werken en die hier willen blijven en mensen en bedrijven die een binding hebben met de gemeente. De gemeente wil zijn bedrijven begeleiden in hun ontwikkeling. Dit vraagt om maatwerk en veelal heel praktische oplossingen. Om de doelen in de visie te realiseren moet worden samengewerkt met bedrijven/ondernemers. Het plan betreft de wijziging van een bedrijfspand naar een burgerwoning. Het plan speelt in op een concrete lokale woningbehoefte in Bleskensgraaf. Het plan zorgt voor een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad van de gemeente en levert daarmee een positieve bijdrage aan de gewenste doorstroming op de woningmarkt. 3.4.2 Woonvisie Molenlanden 2020 - 2024 In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020 - 2024 vastgesteld. Relevant voor het plan is het gemeentelijk beleid ten aanzien van woningbouw. Op het vlak van woningbouw luidt de visie als volgt: • Er worden voldoende woningen gebouwd om te voorzien in de lokale woningvraag, het gaat daarbij om de realisatie van +1.460 woningen in de periode 2020 t/m 2029. • De focus in de nieuwbouw gaat uit naar het bouwen van betaalbare woningen voor starters, jonge doorstromers en nultredenwoningen voor senioren.

Daarbij gaat het met name om een vraag naar betaalbare koopwoningen. • De gemeente stuurt meer op de juiste prijs-kwaliteit van woningen, gericht op die doelgroepen waar de grootste vraag zit. Tegelijkertijd versnel de gemeente de woningproductie, zodat voorkomen wordt dat woningzoekenden naar andere gemeenten uitwijken. • Nieuwbouw voldoet minimaal aan de landelijke eisen met betrekking tot duurzaamheid en energieverbruik. Dit betekent dat woningen bijna energieneutraal zijn (BENG) en aardgasloos. • Bij de ontwikkeling van nieuwe woningbouwlocaties en herstructurering van bestaande wijken is het belangrijk om voldoende aandacht te hebben voor klimaatadaptatie, om de gevolgen van droogte en wateroverlast op te kunnen vangen. • Nieuwbouw wordt primair gerealiseerd op transformatieplekken binnen de kernen (sloop / nieuwbouw of herbestemming leegstaand vastgoed). Met de functiewijziging van het gebouw wordt één wooneenheid toegevoegd. Daarmee draagt het plan bij tot het realiseren van 1.460 woningen in de periode tot en met 2029. Omdat er sprake is van een wat kleinschaligere en daarmee betaalbare vrijstaande woning worden jonge gezinnen en doorstromers binnen de gemeente bediend. Tenslotte voorziet het plan in de functiewijziging van een bestaand gebouw of in de sloop en nieuwbouw. Het plan sluit aan op de gemeentelijke woonvisie.

26

3.4.3 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ Het plangebied valt binnen de contouren van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ (vastgesteld op 25 januari 2010). Het plangebied heeft de enkelbestemmingen: • Bedrijf; • Water; • Wonen. De dubbelbestemmingen: • Waterstaat – Waterkering. En de aanduidingen: • Bouwvlak; • Functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – dierenkliniek’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning gevoelige bodem’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – aanlegvergunning overgangsgebied’; • Gebiedsaanduiding ‘wro-zone – wijzigingsgebied dorpslint’.

Afbeelding 11: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’

3.4.4 Bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom 3e herziening’ Op 15 september 2015 is de derde herziening van bestemmingsplan ‘Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de derde herziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dat: • De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ is toegevoegd; • De bestemmingsgrens van dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is gewijzigd. • De gebiedsaanduidingen ‘wro-zones’ zijn gewijzigd naar ‘wetgevingszones’.

27

Afbeelding 12: Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied Graafstroom 3e herziening'

3.4.5 Bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ Op 20 februari 2018 is de ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’ vastgesteld. In de parapluherziening zijn regels opgenomen en aangepast naar aanleiding van afwijkingen tussen de verschillende bestemmingsplannen voor het buitengebied, evenals omissies of nieuw beleid. Voor het plangebied betekent dit dat de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ is gesplitst in de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ en de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’.

28

Afbeelding 13: Uitsnede bestemmingsplan 'parapluherziening Buitengebied Graafstroom'

Het plan is strijdig met het vigerende bestemmingsplan ‘parapluherziening Buitengebied Graafstroom’. Binnen een bedrijfsbestemming zijn burgerwoningen juridisch-planologisch niet toegestaan.

3.5 Conclusie Op basis van het beleidskaders kan worden geconcludeerd dat: • Het plan past binnen de rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleidskaders; • In het plan is geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee niet van toepassing; • Het plan resulteert in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; • Het plan speelt in op een concrete lokale woningbehoefte in Bleskensgraaf. De woning wordt gemeld in het regionaal overleg en wordt meegenomen in de herijking van de woningbouwmonitor Alblasserwaard-Vijfheerenlanden 2020-2030.

29

4

Sectorale aspecten

4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling bestaande uit de functiewijziging van een bedrijfspand naar een burgerwoning. Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden.

Kenmerken van het plan Het plan maakt het juridisch-planologisch mogelijk om de voormalige dierenkliniek te gebruiken als een burgerwoning. Hiermee worden volwaardige bedrijfsactiviteiten juridisch-planologisch uitgesloten. Behoudens de standaard toegestane aan-huisgebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen afnemen (zie paragraaf 2.2.2), wat de verkeersafwikkeling op de Abbekesdoel ten goede komt. Gezien de kleinschaligheid van het plan zal er geen sprake zijn van significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer. 30

4.2 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Rivierenland de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met het duurzaam waterbeheer. Gemeentelijk beleid Vanuit onder andere het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), is bepaald dat voor alle gemeenten in Nederland een stedelijk waterplan opgesteld moet worden. Om aan deze eis te kunnen voldoen hebben de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom en het waterschap Rivierenland de handen ineengeslagen en het Stedelijk Waterplan Gemeente Liesveld en Graafstroom opgesteld. In dit waterplan is aangegeven welke doelen men wenst te bereiken op het gebied van stedelijk waterbeheer voor de voormalige gemeenten Liesveld en Graafstroom. De doelen uit het beleidsplan zijn uitgewerkt in vier aspecten: • Afkoppelen, meer ruimte voor water creëren en diffuse bronnen aanpakken (duurzaam onkruidbeheer, duurzaam bouwen); • Belevingswaarde; • Samenwerking; • Beheer en onderhoud.

Het beleidsplan moet de gemeenten helpen om een veilig, robuust en duurzaam watersysteem te bereiken in 2025 door optimalisering van het huidige systeem. De gemeenten en het waterschap gaan de komende jaren intensief samenwerken om de gestelde doelen te bereiken. Hierbij wordt, naast het toetsen van nieuwe ontwikkelingen in de ruimtelijke inrichting, ook aandacht besteed aan de gezamenlijke uitvoering en communicatie rond de geplande ingrepen. In het laatste aspect wordt deze samenwerking doorgezet voor het beheer en onderhoud. Dit is een belangrijke pijler voor het op orde houden van het watersysteem. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen.

Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

31

Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening de Keur is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. De beschermingszone is een obstakelvrije onderhoudsstrook die in de legger is aangewezen. Met deze zone wordt handmatig en/of machinaal onderhoud van de watergang vanaf de kant mogelijk gemaakt. Binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang mogen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. Voor een A-watergang geldt in de Alblasserwaard een beschermingszone van 5 meter en voor een B-watergang 1 meter. Werkzaamheden in de watergang of de bijbehorende beschermingszone zijn vergunning- en of meldingsplichtig, omdat deze invloed hebben op de wateraanen afvoer, de waterberging of het onderhoud. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (dossiercode 20200623-9-23632). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn verder in dit hoofdstuk uitgewerkt. Watergangen In de omgeving van het plangebied zijn enkele watergangen gelegen. Ten zuiden van het plangebied is A-watergang 112052 gelegen en verder zijn in de directe omgeving de C-watergangen 067739 en 067864 gelegen. Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen de beschermingszone van watergangen. Derhalve is het aanvragen van een watervergunning niet noodzakelijk.

32

C-watergang 067739

C-watergang 067864

A-watergang 112052

Afbeelding 14: Uitsnede legger wateren

Peilgebied Het plangebied is gelegen binnen het peilgebied NDW014. Het peilgebied heeft een zomerpeil van -2,24 meter NAP en een winterpeil van –2,34 meter NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Voldoende drooglegging is nodig om grondwateroverlast te voorkomen.

33

Plangebied

Afbeelding 15: Peilgebiedenkaart

Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dien zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te berekenen welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de stelregel dat er 436 m3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut. In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1.500 m2. Daarnaast dient het dempen van watergangen ten allen tijden gecompenseerd worden.

34

Verhardingsbalans Om de eventuele benodigde watercompensatie te bepalen is een verhardingsbalans opgesteld. Tabel 4: Verhardingsbalans Bestaande situatie Bedrijfsgebouw Overkapping Verhard voorerf

Oppervlakte verharding 35 m² 37 m² 92 m²

Totaal bestaande situatie Nieuwe situatie Woning Overkapping Erfverharding

164 m² 40 m² 20 m2 164 m²

Totaal nieuwe situatie

224 m²

Verschil

60 m² toename

Het plan resulteert in een toename aan verharding van 60 m². Conform de stelregel van het waterschap dient hiermee 2,62 m³ (60 × 0,0436) water gerealiseerd te worden. Uitgaande van een maximaal peil van 0,2 m betekent dit een oppervlak van 13,08 m². De watercompensatie moet binnen hetzelfde peilgebied plaatsvinden. In eerste instantie moet de berging bij het lozingspuntplangebied worden gerealiseerd. Als de aanvrager aantoont dat dit niet mogelijk is, kan de berging elders in het peilgebied worden gerealiseerd. Als de aanvrager aantoont dat compensatie in hetzelfde peilgebied niet mogelijk of onwenselijk is, kan het waterschap op grond van waterhuishoudkundige argumenten toelaten dat compensatie in een benedenstrooms gelegen peilgebied plaatsvindt. De verhardingstoename valt echter onder de vrijstelling van 1.500 m², waardoor watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn indien van de vrijstelling gebruik wordt gemaakt. Tevens worden er geen watergangen gedempt. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal beoordelen of er gebruik gemaakt kan worden van de eenmalige vrijstelling van de compensatie voor verhard oppervlak.

Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; 35

•

Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie.

Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van daken wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan. Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk door het waterschap Rivierenland mogelijk blijven. In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Vuil water wordt afgevoerd via een gescheiden rioleringsstelsel. De woning is/wordt aangesloten op het bestaande gescheiden rioleringsstelsel. Het gescheiden rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Molenlanden. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Waterkering Het plangebied is gelegen binnen de beschermingszone van een regionale waterkering.

Binnen de beschermingszone van de water- kering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Werkzaamheden in de ondergrond dienen buiten het Profiel van vrije ruimte (Pvvr) van de waterkering plaats te vinden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=f988e7cf-367d-4537-bf16-ea054cff0c61