Bijlage 1 Toelichting bestemmingsplan 'Arkel, tussen Dorpsweg 157 en 158'
Tekst van het document
De conclusies uit dit onderzoek luiden: ‘Uit tabel 4.1 volgt dat de geluidbelasting vanwege de onderzochte wegen, met uitzondering van de gevel van één woning, onder de voorkeursgrenswaarde van 48 dB blijft. Ter plaatse van de noordgevel van bedrijfswoning 5 (uiterst oosten) bedraagt de geluidbelasting op alle bouwlagen van het plan 49 dB. Het aanvragen van hogere waarden is daarmee noodzakelijk.’ 34
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect geluid geen belemmeringen. Voor de meest noordoostelijke woning is een hogere waarden besluit genomen door het college.
35
4.4 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 3: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Stikstofdioxide Jaargemiddelde (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie Fijnstof (PM2,5)
Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3
Geldig Vanaf 2015
40 µg/m3
Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m3 25 µg/m3
Vanaf 2015
Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2021) het volgende overzicht voor het jaar 2020: Een stikstofconcentratie van • Een stikstofconcentratie van 15,4 µg/m3 NO2; • Een fijnstofconcentratie van 15,9 µg/m3 PM10; • Een fijnstofconcentratie tussen 8,8 µg/m3 PM2,5 Op basis van bovenstaande kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit aan alle grenswaarden wordt voldaan. Gesteld kan worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Besluit Niet In Betekenende Mate Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit Niet In Betekenende Mate (NIBM) vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit NIBM en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
36
•
Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
Conclusie Het plan is kleinschalig van aard en valt binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit. Uit het oogpunt van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) en goede ruimtelijke ordening zijn er geen belemmeringen voor de realisatie van dit plan.
37
4.5 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.
Tabel 4: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de het juridisch-planologisch mogelijk maken van vijf bedrijfswoningen en vijf bedrijfsloodsen binnen het plangebied. In het kader van bedrijven en milieuhinder veranderd er vrijwel niets. De maximale milieucategorie die ter plaatse zijn toegestaan (cat. 2.0) blijven ongewijzigd. De mogelijkheid tot een ‘goederenwegvervoerbedrijf’ (cat. 3.1) ter plaatse van de bestaande grote opstal wordt zelfs verwijderd en de bedrijfsbestemming ter plaatse wordt verkleind, waardoor er sprake is van een verbetering van het woon- en leefklimaat ter plaatse. Des al niet te min is het plan getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en Milieuzonering (editie 2009) in het kader van een goede ruimtelijke ordening. In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘gemengd gebied’, gezien er sprake is van een bebouwingslint in het buitengebied waarbij er een afwisseling is van burgerwoningen, bedrijven en andere functies. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden worden gerechtvaardigd.
De richtafstanden voor gemengde gebieden mogen één afstandstrap worden verlaagd ten opzichte van de omgevingstypen rustige woonwijk en rustig buitengebied.
38
De richtafstand van de bedrijvigheid (cat. 2.0) op het plangebied tot omliggende milieugevoelige objecten is in de bestaande en nieuwe situatie 10 meter, waarbij wordt opgemerkt dat cat. 3.1 mogelijkheden en daarmee de richtafstand van 30 meter verdwijnen. Ten oosten is burgerwoning nr. 157 gelegen direct aan het plangebied op 0 meter afstand. Dit is in de bestaande situatie en de nieuwe situatie het geval en blijft daarmee ongewijzigd. Waarbij wordt opgemerkt dat de bedrijvigheid zich op het achtererf bij de loods zal concentreren en daarmee op grotere afstand van deze woning zal zijn gelegen in werkelijkheid. Ten westen is burgerwoning nr. 158 gelegen op een afstand van 10 meter van het plangebied, waarmee voor deze woning wordt voldaan aan de VNG-richtafstand. De voetbalvereniging (cat. 3.1) is ten zuiden van het plangebied gelegen. De vereniging heeft door de verlichting op het voetbalveld nabij het plangebied een richtafstand van 30 meter ten opzichte van milieugevoelige objecten. De nieuwe bedrijfswoningen worden op een afstand van ca. 35 meter gerealiseerd vanaf dit verlichte voetbalveld, waarmee wordt voldaan aan de gestelde richtafstand. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft bedrijven en milieuhinder (milieuzonering) geen belemmeringen.
39
4.6 Externe veiligheid Beleidskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: • Bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; • Vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon overlijdt door een ongeval met een risicobron, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) onbeschermd op een bepaalde plaats in de buurt van die risicobron zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Binnen de contour van PR=10-6 per jaar mogen zich geen kwetsbare objecten (objecten als gebouwen of terreinen waar zich veel mensen of waar zich beperkt zelfredzame mensen bevinden) en bij voorkeur ook geen beperkt kwetsbare objecten (objecten of terreinen waar zich een beperkt aantal mensen bevinden). Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal 10 personen overlijdt als direct gevolg van een ongeval met een risicobron. Voor het groepsrisico geldt geen normering. Er is wel een zogenaamde oriëntatiewaarde vastgesteld.
Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. De regels voor externe veiligheid zijn voor inrichtingen vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen, voor buisleidingen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen en voor het transport over weg, rail en water in het Besluit externe veiligheid transportroutes en Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. De toetsing aan het plaatsgebonden risico is in al deze besluiten hetzelfde, voor de toetsing van het groepsrisico zijn er enkele (kleine) verschillen. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Volgens de risicokaart (zie afbeelding 14) bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan. Transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen welke in het kader van de externe veiligheid relevant zijn. De meest dichtstbijzijnde buisleiding ten zuiden is op ruim voldoende afstand gelegen (290 meter). Transport gevaarlijke stoffen, Wegverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen gelegen waarvan bekend is dat daarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt.
Incidentele transporten van gevaarlijke stoffen over de omliggende wegen is niet uit te sluiten, maar deze vallen tevens buiten het toetsingskader. Hierdoor zijn geen relevante externe veiligheidsrisico’s door transport over de weg te verwachten.
40
Invloed transport gevaarlijke stoffen, Spoorverkeer In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig die voor de externe veiligheid relevant zijn. Invloed transport gevaarlijke stoffen, Vaarwegen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen vaarwegen aanwezig die voor de externe veiligheid relevant zijn.
Afbeelding 13: Uitsnede risicokaart externe veiligheid
Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen.
41
4.7 Kabels en leidingen Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek In het plangebied of de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden gelegen. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het onderhavige plan. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
42
4.8 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten uit dit onderzoek luiden: ‘Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart – 15 juli). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Conclusie De beoogde sanering van de loods en schuur aan de Dorpsweg ong. te Hoogblokland ten behoeve van 5 nieuwbouw bedrijfswoningen met bijhorende loodsen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro). Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om
43
•
•
•
•
•
grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april. Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te vinden.
Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.’
Stikstof Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop en eenmalige aanleg- activiteiten. Dit wordt de ‘bouwvrijstelling’ genoemd. Eventuele stikstofdepositie vanwege de realisatie-/ bouwfase is dan ook vrijgesteld van vergunningplicht. Dat geldt ook voor dit project. Door De Roever is een stikstofdepositieonderzoek uitgevoerd, de resultaten uit dit onderzoek luiden als volgt:
44
‘In dit stikstofdepositieonderzoek is voor de gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling aan de Dorpsweg naast 157 in Arkel de te verwachten stikstofdepositie ter plaatse van het Natura 2000-gebied berekend. Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Stikstof vormt geen belemmering voor het plan.’ Conclusie Het bestemmingsplan ondervindt voor wat betreft ecologie en stikstof geen belemmeringen.
45
4.9 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem in kaart te brengen voor het beoogde gebruik is door ATKB een verkennend onderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit onderzoek luiden: •
•
•
•
•
•
‘De bodem op de locatie bestaat tot de maximale boordiepte uit klei met rond 1,5 m-mv een halve meter veen. Plaatselijk is in de bovengrond zand aanwezig. De stijghoogte van het grondwater is vastgesteld op 0,85 m-mv. In de bodem zijn bijmengingen met baksteen, slakken, asfalt en beton aangetroffen. (…) Op het maaiveld en in het opgeboorde materiaal is geen asbestverdacht materiaal waargenomen. Daarnaast is geen (bijmenging met) bodemvreemd materiaal vastgesteld. Op basis van historische gegevens (bouwperiode voormalige opstallen) is de locatie mogelijk verdacht voor het voorkomen van asbest. Om aan- of afwezigheid van asbest in grond met enige zekerheid vast te stellen, is een onderzoek conform NEN 5707 altijd noodzakelijk. (…) Ter plaatse van fase 2 is vermoedelijk een geval van ernstige bodemverontreiniging aanwezig met koper. Dit is gerelateerd aan de bijmenging met slakken en baksteen. De vermoedelijke omvang is 125 m3, aanwezig in de bovengrond. In de overige monsters zijn ten hoogste licht verhoogde gehalten met overige zware metalen, PAK, PCB en/of minerale olie vastgesteld. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De gehanteerde onderzoekshypothese “de grond en het grondwater zijn verontreinigd met de parameters uit het NEN5740-analysepakket” is bevestigd.
Er zijn in de grond en het grondwater verontreinigingen vastgesteld met zware metalen, PAK, PCB, aromaten en/of minerale olie. De gehanteerde onderzoekshypothese “in de grond wordt de hergebruiksnorm voor PFAS niet overschreden” is bevestigd. Ten aanzien van PFAS kan de grond worden hergebruik als klasse wonen of achtergrondwaarde. (…) Ten aanzien van fase 2 wordt aanbevolen om bij de geplande ontwikkeling van het terrein een BUSmelding op te stellen en in te dienen bij de omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid.’
Conclusie Voorafgaand aan de omgevingsvergunningaanvraag dient een BUS-melding te worden gedaan.
46
4.10 Archeologie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Beleidsnota Archeologie De gemeenten in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden hebben een regionaal archeologiebeleid geformuleerd. Dit archeologiebeleid is samengevat in drie elementen te weten: de beleidsnota, een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart en een beleidsadvies, opgesteld door het adviesbureau BAAC. De nota is gebaseerd op de uitgangspunten en principes van het Verdrag van Malta en gaat uit van behoud van het cultureel erfgoed in situ (op locatie en veiliggesteld in de bodem). Daarnaast gaat het beleid uit van het principe 'de verstoorder betaalt' Het beleid krijgt vooral gestalte door de bescherming van archeologische waarden en verwachtingen via de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan vormt hierin het centrale instrument.
Bij een nieuwe ontwikkeling, waarbij het noodzakelijk is een bodem verstorende activiteit uit te voeren op een plaats waar archeologische waarden aanwezig zijn of verwacht worden, zal door de gemeente worden getoetst of aan die activiteit specifieke voorwaarden verbonden moeten worden. Dit geschiedt aan de hand van de Archeologische Monumentenzorgcyclus, die erop is gericht om kennis te verzamelen om vervolgens een afgewogen besluit te kunnen nemen over het al dan niet of onder voorwaarden toestaan van die bodem verstorende activiteit. Bij de verlening van omgevingsvergunningen kunnen dan voorschriften worden opgenomen over (bijvoorbeeld) aanpassingen van het bouwplan, archeologievriendelijk heien of het beperken van bodemingrepen. Onderzoek Op de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, zie onderstaande afbeelding, is te zien dat het plangebied is gelegen op gronden met een zeer hoge verwachting. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 50 m² en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Voor het plan is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt:
47
Afbeelding 14: Uitsnede archeologische verwachtingskaart
‘Wat is de geomorfologische situatie en de geologische en bodemkundige opbouw van het plangebied? De ondergrond van het plangebied bestaat uit matig grof zand met een kleiige of siltige bijmenging. Het betreft hier waarschijnlijk door een tak van de Schaikse stroomgordel verspoeld pakket rivierduinzand. Dit wordt afgedekt door een gelaagd klei- en zandpakket. Dit zijn geulafzettingen van de tak van de Schaikse stroomgordel. De geulafzettingen worden afgedekt door een pakket komklei met veen met in de top daarvan een dunne laag sterk siltige klei. De bovenste laag is een restant van een pakket oeverafzettingen. Is sprake van een natuurlijke (intacte) bodemopbouw of is deze (deels) verstoord? Indien sprake is van verstoringen, wat is de diepte en omvang van de verstoring? De top van de oeverafzettingen en in de helft van de tot onder het moderne pakket reikende boringen het hele pakket van oeverafzettingen is niet meer aanwezig. Het restant van het pakket gaat op een variërende diepte van 70 tot 140 cm –mv (0,48 tot 1,32 m – NAP) scherp naar boven toe over in een recent geroerd pakket. Zijn er archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig in het plangebied? De afzettingen in de ondergrond van het plangebied zijn afgezet door een watervoerende geul. Tijdens de actieve fase was de locatie niet aantrekkelijk voor bewoning.
Na de actieve fase had het plangebied een relatief lage ligging ten opzichte van de zone met rivierduinafzettingen langs de Dorpsweg. De top van het pakket met oeverafzettingen is verstoord. In het plangebied zijn geen archeologisch relevante geo(morfo)logische eenheden of lagen aanwezig.
48
Zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? In het plangebied worden geen potentiële archeologische niveaus verwacht. Alhoewel niet het doel van een verkennend booronderzoek, zijn er desondanks toch archeologische indicatoren aangetroffen? Tijdens het booronderzoek zijn geen archeologische indicatoren gevonden. De overige deelvragen zijn daarom niet van toepassing. Zo ja: Op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP zijn deze archeologische indicatoren aangetroffen? Niet van toepassing. Wat is de horizontaal ruimtelijke spreiding van deze archeologische indicatoren? Niet van toepassing. Wat is de aard en ouderdom van deze indicatoren? Niet van toepassing. In welk opzicht kan op basis van het veldonderzoek de archeologische verwachting worden bijgesteld? De hoge archeologische verwachtingswaarde voor de ondergrond van het plangebied kan bijgesteld worden naar een lage archeologische verwachtingswaarde. De bovengrond had al een lage archeologische verwachtingswaarde. In hoeverre worden de (mogelijk aanwezige) archeologische waarden bedreigd door toekomstige planontwikkeling? In het plangebied worden geen intacte archeologische waarden verwacht en daarom zullen bij de planuitvoering geen archeologische waarden verstoord worden.
Is het plangebied voldoende onderzocht en zo nee, welke vorm van nader archeologisch onderzoek kan worden geadviseerd? Omdat geen archeologische waarden meer verwacht worden is het plangebied inmiddels voldoende onderzocht. Aanbeveling ADC ArcheoProjecten adviseert om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling. Het is altijd mogelijk dat tijdens grondwerkzaamheden onverwacht archeologische vondsten aan het licht komen. Het verdient daarom aanbeveling om de uitvoerder van de grondwerkzaamheden te wijzen op de plicht zogenoemde toevalsvondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet.’ Conclusie Het bestemmingsplan ondervindt voor wat betreft archeologie geen belemmeringen.
49
4.11 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De gemeente Molenlanden heeft de ambitie om meer duurzaam te bouwen binnen de gemeente. De nieuwe woningen worden conform de huidige bouw- en duurzaamheidseisen gerealiseerd (bijvoorbeeld gasloos en goed geïsoleerd). Er wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor duurzame energiebronnen (zonnepanelen) en maatregelen in het kader van energiebesparing. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte. Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Rondom het plangebied is voldoende oppervlakte water aanwezig om zware regenbuien op te vangen.
Daarbij komt dat de locatie in de bestaande situatie al grotendeels verhard is. Hiermee zal de infiltratie en/of afvoer van regenbuiten niet negatief worden beïnvloed door het plan. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De woningen worden op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van de woning rekening gehouden met de accumulatie van warmte. De installaties in de woning worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Gezien het relatief open karakter van de directe omgeving worden op dit aspect geen negatieve gevolgen verwacht. Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. De te kiezen beplantingen moeten ook erosie van het terrein terugdringen.
50
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Arkel, tussen Dorpsweg 157 en 158’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld met een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Arkel, tussen Dorpsweg 157 en 158’ is conform de landelijke ROstandaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan ‘Arkel, tussen Dorpsweg 157 en 158’ is aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen ‘Dorpskern Arkel’ (2013), ‘Parapluherziening Parkeren’ (2020) en ‘Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten’ (2021). De regels bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen.
5.3 Bestemmingen Bedrijf De bestemming ‘Bedrijf’ wordt verkleind. De bouwvlakken ter plaatse worden aangepast ten behoeve van de sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van de nieuwe woningen en loodsen. De mogelijkheid tot een goederenwegvervoerbedrijf (cat. 3.1) wordt weggenomen. Groen De bestemming ‘Groen’ blijft grotendeels ongewijzigd. Wel wordt de mogelijkheid toegevoegd om binnen deze bestemming parkeervoorzieningen te realiseren. Verkeer De bestemming ‘Verkeer’ blijft tevens grotendeels ongewijzigd. Water De bestemming ‘Water’ blijft ongewijzigd.
51
Wonen De bestemming ‘Wonen’ in de noordoostelijke hoek van het plangebied, waar de directe buren de gronden in gebruik hebben bij hun woning blijft behouden. Daarbij wordt een klein stukje bestemming ‘Bedrijf’ extra gewijzigd naar ‘Wonen’ ten behoeve van het gebruik bij deze woning.
5.4 Aanduidingen • • • • • •
Bouwvlakken; Aanduiding: ‘bedrijf tot en met categorie 2’; Aanduiding: ‘bedrijfswoning’; Aanduiding: ‘specifieke bouwaanduiding – 1’; Aanduiding: ‘specifieke bouwaanduiding – 2’; Maatvoering: ‘maximale goothoogte (m)’ 6 m;
52