Bijlage 1 Overzicht afspraken uit Financieel arrangement Kinderdijk
Tekst van het document
Financieel arrangement Kinderdijk 1.Inleiding In het Bestuurlijk Platform is in november 2020 overeenstemming bereikt over de uitgangspunten die worden gehanteerd voor het financieel arrangement (zie bijlage). Het voorliggende financieel arrangement is een uitwerking van deze uitgangspunten. Het is gebaseerd op het rapport van Twynstra Gudde d.d. 18 oktober 2021. 2. Basisafspraken A. De gemeente Molenlanden en Alblasserdam en de SWEK richten een zogenaamd Kinderdijkfonds op. Dit fonds heeft een (extracomptabel) administratief karakter om voor een langere periode een duidelijk overzicht van de kosten en opbrengsten te kunnen geven. B. De gemeenten brengen de volgende onderdelen in dit Kinderdijk fonds in: i.
historische kosten uit de periode 2015 t/m 2020
ii. de nog te maken kosten in het kader van het uitvoeringsprogramma (vanaf 2021 en volgende) iii. de resultaten van de verschillende exploitaties van de projecten (zoals Westrand, Transferium, Entreegebied) C. Vanaf het moment dat de SWEK de exploitatieverliezen van 2020 en 2021 heeft kunnen compenseren en weer over voldoende reserves beschikt, stort de SWEK € 1,00 (NB: prijspeil 2021; te indexeren) per bezoeker in het Kinderdijkfonds.
3. Toelichting I: Kinderdijkfonds
1. Het Kinderdijkfonds is een zogenaamd extracomptabel fonds. Het maakt geen onderdeel uit van de staat reserves en voorzieningen van de gemeente of de SWEK en is louter en alleen bedoeld om een eenduidig overzicht te hebben van staat van de kosten en opbrengsten, zoals partijen dat met elkaar hebben afgesproken. 2. Het Kinderdijkfonds wordt administratief beheerd vanuit het Bestuur Platform Kinderdijk; beide gemeenten voeren een eigen administratie. 4. Toelichting 2: Inbreng gemeenten Centraal uitgangspunt bij het opstellen van het financieel arrangement is de volgende: de uitgaven die de
gemeenten doen, omdat het Werelderfgoed er is en die zij dus niet gedaan zouden hebben als dat Werelderfgoed er niet is, worden in principe gedekt uit de exploitatie van het Werelderfgoed en door subsidies vanuit andere overheden. Dit betreft de zogenaamde historische kosten (2015-2020), kosten die nog gemaakt gaan worden in het kader van het uitvoeringsprogramma (vanaf 2020) en de resultaten van de exploitaties van de projecten. In het rapport van Twynstra Gudde wordt aangegeven welke van de gemaakte kosten wel en welke niet ten laste komen van het Kinderdijkfonds. In grote lijnen wordt hierbij de benadering gevolgd die ook gevolgd wordt bij het toerekenen van kosten aan projecten bij onderhandelingen met een projectontwikkelaar. Dat betekent bijvoorbeeld dat de kosten van de totstandkoming van het gemeentelijk beleid en de interne gemeentelijke besluitvorming niet ingebracht worden in het Kinderdijkfonds.
4A: historische kosten Op basis van de berekeningen uit het rapport van Twynstra Gudde wordt de omvang van de historische kosten voor de periode 2015-2020 als volgt vastgesteld: 1. Gemeente Molenlanden: € 285.746,—
2. Gemeente Alblasserdam: € 259.949,—
4B: kosten vanaf 2020 Vanaf 2020 hebben de gemeente kosten gemaakt die niet direct onder de exploitatie van een project vallen, maar die wel ingebracht zullen worden in het Kinderdijkfonds. De berekening van de hoogte van de in te brengen kosten zal op een vergelijkbare manier gebeuren als de manier waarop de kosten voor de periode 2015-2020 zijn berekend. Alblasserdam en Molenlanden gebruiken dus dezelfde systematiek voor het bepalen van de kosten die zij ten laste van het Kinderdijkfonds brengen en hebben hier onderling afstemming over. Gemeenten kunnen echter nooit eenzijdig bepalen welke kosten zij inbrengen, maar doen dat altijd na overleg in het BPK.
4C: projecten en hun exploitaties Voor projecten en hun exploitaties gelden de volgende aanvullende afspraken: A. de partij die conform het uitvoeringsprogramma verantwoordelijk is, is daarmee ook verantwoordelijk voor het opstellen van het investeringsbudget en zal dit moeten meenemen in de begroting van de eigen organisatie. (NB: Met de andere partijen in het Bestuurlijk Platform
kunnen uiteraard afspraken worden gemaakt over bijdragen in de vorm van subsidies of medefinanciering op projectniveau). B. Risico’s op de investeringen komen ten laste van de organisatie die conform het uitvoeringsprogramma verantwoordelijk is, maar zullen worden verdisconteerd in de exploitatie van het project. C. De businesscase die zo ten grondslag ligt aan de uitvoering van een project wordt ter advisering voorgelegd aan het Bestuurlijk Platform. Het daartoe bevoegde orgaan (raad, bestuur, RvT) stelt de business case daarna formeel vast, waarna het wordt ondertekend door beide gemeenten en de SWEK. D. Over de exploitaties van de verschillende projecten wordt per project tussen de SWEK en de betrokken gemeente afspraken gemaakt. Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: I.
de exploitatie wordt bij voorkeur door de SWEK gevoerd i.v.m. de nauwe relaties met de exploitatie van het molengebied zelf
II. SWEK maakt per project afspraken over de exploitatie met de gemeenten, in deze afspraken worden de kapitaallasten van de gemeenten meegenomen. Projectinvesteringen blijven onderdeel van de gemeentelijke balans en daarmee blijft de gemeente economisch en juridisch eigenaar van de activa. De afspraken worden vastgelegd in een dienstverleningsovereenkomst (DVO) III. Zowel winstgevende als verlieslatende exploitatieresultaten komen ten laste van het Kinderdijkfonds.
E. Bovenstaande afspraken A t/m D gelden voor de projecten in het vastgestelde uitvoeringsprogramma (juni 2020). Daar kunnen zowel door de gemeentes als door de SWEK projecten aan worden toegevoegd op basis van een projectvoorstel, een analyse van de consequenties van het projectvoorstel en na advisering door het bestuurlijk platform. F. Het Bestuurlijk Platform heeft dus een adviserende rol voorafgaan aan de start van een project op zowel de investerings- als exploitatieopzet. Er worden dus geen projecten gestart, zonder dat daar een door de raad vastgestelde business case aan ten grondslag ligt en zonder dat er met de SWEK afspraken zijn vastgelegd over de exploitatie.
(NB: het project Westrand is gestart zonder dat deze afspraken waren gemaakt; aan de DVO SWEK en gemeente wordt op dit moment gewerkt)
5. Toelichting 3: Herstel SWEK De SWEK gaat pas bijdragen aan het fonds als de verliezen zijn gecompenseerd en de reserves weer op peil zijn. Daarover worden de volgende afspraken gemaakt: 1. de SWEK komt met een beargumenteerde notitie over de omvang van de aan te houden reserves (weerstandsvermogen, reserve groot onderhoud monumenten). Het BPK geeft daarover een zwaarwegend advies; het is de bevoegdheid van de RvT om de omvang van de reserves vast te stellen. 2. de SWEK bespreekt alvorens deze formeel vast te stellen, de (meer)jarenbegroting met het BPK; het BPK heeft een zwaarwegend advies. Op die manier is er zicht op de termijn waarop de reserves weer op peil kunnen zijn en het moment waarop de SWEK bij kan gaan dragen aan het Kinderdijkfonds. 3. de SWEK rapporteert regelmatig over de financiële stand van zaken en doet dat op een dusdanig transparante wijze zodat duidelijk wordt of de geplande termijnen waarin de reserves weer op peil zijn, zullen worden gerealiseerd. 4. er komt een periodiek overleg tussen de financieel adviseurs van de SWEK en die van beide gemeenten. In dit overleg kunnen de details inzake het weerstandvermogen, de reserve groot onderhoud en de voortgang van de verschillende (deel)exploitaties en de samenhang daartussen worden besproken. 6.
Regionaal Fonds De bestaande afspraken m.b.t het zogenaamde regionale fonds komen te vervallen; dit fonds wordt opgeheven. Resterende middelen komen ten gunste van het Kinderdijkfonds. 7. Toekomst
Afhankelijk van het herstel van het aantal betalende bezoekers aan Kinderdijk zal tussen 2025 en 2035 de SWEK kunnen starten met het ‘vullen’ van het Kinderdijkfonds. Vanaf dat moment wordt het fonds dus gevuld met € 1,00 (te indexeren) per bezoeker. Met een verwacht aantal bezoekers van 350.000 tot 450.000 per jaar zal dat fonds dan snel gevuld gaan worden. Op dat moment kunnen de gemeenten, na bespreking in het bestuurlijk platform, besluiten om deze gelden in te gaan zetten voor: 1. ‘aflossing’ van eerder door de gemeente beschikbaar gestelde middelen 2. investeren in (nieuwe) onderdelen van het uitvoeringsprogramma 3. uitgaven zoals die nu in het kader van het regiefonds worden gedaan.
BIJLAGE
Uitgangspunten financieel arrangement (vastgesteld november 2020) 1. Het in stand houden van het unieke Werelderfgoed, één van de internationaal meest aansprekende Hollandse iconen, is de zorg is van alle betrokken partijen: gemeenten, waterschap, provincie een rijk. De SWEK is de stichting die in het leven is geroepen om hier namens de overheden zorg voor te dragen. 2. SWEK streeft bij de exploitatie van het Werelderfgoed niet naar winstmaximalisatie maar naar winstoptimalisatie. Er moeten door de SWEK voldoende middelen gegenereerd worden om: a. de monumenten en het gebied in stand te houden voor het nageslacht (rentmeesterschap) b. de OUV’s (Outstanding Universal Values) van het Werelderfgoed uit te dragen (educatieve taak) c. het merendeel van de molens bewoonbaar en bewoond te houden (verhuurders-functie) d. de overlast voor bewoners van het gebied en de omliggende kernen te minimaliseren en de bezoekersstromen naar Kinderdijk toe te beheersen (bezoekersmanagement) e. (zo mogelijk) een bijdrage te leveren aan de leefbaarheid in de regio f.
de kosten te dekken van de werkorganisatie die hiervoor nodig is.
3. Inkomsten van de SWEK bestaan uit: a. verkochte toegangsbewijzen/combi-tickets in combinatie met parkeergelden, last-mile vervoer etc. b. inkomsten uit steigergelden, gidsen, rondvaartbootjes c. omzet uit winkels/horeca/parkeren / last-mile vervoer/overige activiteiten die passen binnen de kaders van het gebiedsperspectief d. subsidies: i.
eenmalig - bijvoorbeeld om investering mogelijk te maken
ii. meerjarig - bijv. onderhoud molens, openbaar vervoer etc. e. giften, sponsoring f.
verhuren van de molens.
4. Uitgaven die de gemeenten doen, omdat het Werelderfgoed er is en die zij dus niet gedaan zouden hebben als dat Werelderfgoed er niet is, worden in principe gedekt uit de exploitatie van het Werelderfgoed en door subsidies vanuit andere overheden. Welke kosten dat zijn, de mate waarin ze terug moeten vloeien, het tempo waarin en de manier waarop dat moet gebeuren, wordt uitgewerkt in een hernieuwd financieel arrangement tussen de SWEK en beide gemeenten.
5. Er is een maximum aan het aantal bezoekers dat per dag Kinderdijk kan bezoeken. De totale inkomsten uit de bezoekers kunnen echter wel hoger worden: door alle bezoekers1 te laten betalen én door functies toe te voegen waardoor bezoekers langer in het gebied en omgeving verblijven én daar meer geld spenderen. De activiteiten die daaraan bijdragen dienen uiteraard wel te passen binnen de kaders van het gebiedsperspectief. 6. De wijze waarop en de mate waarin een investering van een gemeente terug moet vloeien uit de exploitatie van de SWEK kan niet eenzijdig door de gemeente worden opgelegd, maar dient eerst besproken te zijn met de SWEK en in het Bestuurlijk Platform. Gemeenten kunnen dus niet eenzijdig en zonder overleg ‘kosten doorschuiven naar de SWEK.
1 Het gebied kan nu ook bezocht worden zonder dat er een ticket gekocht hoeft te worden. Het gaat er hierbij dus om dat
ingezet wordt om het percentage betalende bezoekers te verhogen en zo meer omzet te generen vanuit een gelijk aantal gebiedsbezoeken.