CConstaterende datMolenlanden
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Onderbouwing BOPA

Raadsvergadering 10 juli 2024, gemeente MolenlandenBij agendapunt: 6a. Adviesrecht omgevingsvergunning Lekdijk 73A, Waal12.365 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Onderbouwing BOPA Lekdijk 73A, Waal Gemeente Molenlanden

Colofon Gegevens over het project: Plannaam:

Lekdijk 73A Waal

Status:

definitief

Datum:

13 juni 2024

Projectnummer Buro SRO:

SR230471

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:

Gemeente Molenlanden

Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:

’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht

Telefoon:

030-2679198

E-mail:

utrecht@buro-sro.nl

Internet:

www.buro-sro.nl

pagina 2 van 41

Inhoudsopgave Colofon

2

Inhoudsopgave

3

1.

2.

3. 4.

5.

6.

7.

Inleiding

4

1.1

Aanleiding en ambitie

4

1.2

Aanduiding plangebied

4

1.3

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit

5

1.4

Leeswijzer

5

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7

2.1

Participatie

7

2.2

Bestuurlijk overleg

7

Huidige situatie

8

Planbeschrijving

10

4.1

Ruimtelijke opzet en inpassing in omgeving

10

4.2

Functionele ontwikkeling en programma

10

Toetsing aan omgevingsplan

13

5.1

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

13

5.2

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

14

Beleid

15

6.1

Rijksbeleid

15

6.2

Provinciaal beleid

16

6.3

Gemeentelijk beleid

20

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

22

7.1

Welstand

22

7.2

Verkeer en parkeren

22

7.3

Duurzaamheid en gezondheid

24

7.4

Geluid

25

7.5

Milieubelastende activiteiten en milieuruimte

26

7.6

Geur

27

7.7

Luchtkwaliteit

27

7.8

Archeologie en cultuurhistorie

28

7.9

Bodem

29

7.10

Omgevingsveiligheid

30

7.11

Natuur

32

7.12

Water

34

7.13

M.e.r.-beoordeling

36

8.

Financiële haalbaarheid

39

9.

Conclusie

40

pagina 3 van 41

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding en ambitie

De gemeente Molenlanden heeft opdracht gekregen van de landelijke overheid om meer opvangplekken voor Oekraïners te realiseren. Als onderdeel hiervan heeft de gemeente besloten om een opvanglocatie voor maximaal 65 Oekraïense vluchtelingen te realiseren in het dorp Waal. Er is op dit moment een groot tekort aan opvangplekken en daarom is de noodzaak van onderhavig initiatief hoog. Deze faciliteit zal in stand blijven zolang de behoefte van de vluchtelingen dit vereist. Met de geplande ontwikkeling geeft de gemeente Molenlanden niet alleen uitvoering aan haar lokale verantwoordelijkheid, maar draagt zij tevens bij aan de nationale behoefte aan opvangfaciliteiten.

In het noordoostelijke deel van de gemeente Molenlanden bevindt zich het dorp Waal. De planlocatie is gelegen aan de dijk in het centrum achter de autohandel ‘VOF Autobedrijf De Poort’. Binnen het plangebied bevindt zich één gebouw, terwijl de rest van het terrein deels verhard en deels onverhard is. De initiatiefnemer is voornemens om op deze locatie tijdelijk een gemeentelijke opvang voor Oekraïense vluchtelingen te vestigen. Hiertoe worden de benodigde functies en slaapkamers deels in het bestaande gebouw gerealiseerd en worden op het perceel woonunits geplaatst. De beoogde ontwikkeling past niet binnen de regels van het tijdelijke omgevingsplan (omgevingsplan van rechtswege) van de gemeente Molenlanden. Derhalve dient met een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) van het tijdelijke omgevingsplan afgeweken te worden.

1.2

Aanduiding plangebied

De planlocatie staat kadastraal bekend onder de gemeente Langerak, sectie E, perceelnummers 623, 624 en 625 en betreft een totale oppervlakte van ca. 3.176 m². Het plangebied grenst aan de noordelijke kant aan een autohandel, verder ten noorden ligt de Lek. Ten oosten is agrarische bedrijvigheid aanwezig en ten zuiden van de planlocatie liggen agrarische gronden. Ten westen van het plangebied zijn enkele bedrijven en woningen aanwezig langs de Lekdijk. Ten Op de navolgende afbeeldingen is de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 1. Globale ligging planlocatie, rood omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving)

pagina 4 van 41

Afbeelding 2. Specifieke begrenzing planlocatie, rood omkaderd (bron: Atlas Leefomgeving)

1.3

Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: 1.

Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen.

2.

Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan.

Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a.

met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl);

b.

als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden.

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt ingegaan op de resultaten van de omgevingstafel, de participatie en het bestuurlijk overleg. Hoofdstuk 3 omvat een beschrijving van de huidige situatie waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als functionele aspecten aan de orde komen. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling.

pagina 5 van 41

In hoofdstuk 5 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Aansluitend daarop wordt in hoofdstuk 6 het van toepassing zijnde beleidskader voor de locatie/het gebied verwoord. In hoofdstuk 7 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten.

In hoofdstuk 8 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot wordt in hoofdstuk 9 een algehele conclusie getrokken.

pagina 6 van 41

2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie. In beginsel is bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken. In sommige gevallen kan het college echter wel bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren. Bij de reguliere procedure bestaat de mogelijkheid voor bezwaar. Bij de uitgebreide procedure bestaat geen mogelijkheid voor bezwaar. Daar bestaat de mogelijkheid zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen. Onderhavig initiatief behoort tot de lijst met gevallen waarvoor advies van de gemeenteraad nodig is voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 16.14a lid b. onder 1 Omgevingswet, gemeente Molenlanden. Het adviesrecht is hier dus van toepassing.

2.1

Participatie

Op 6 december is aan de bewoners bekend gemaakt dat de gemeente Molenlanden Oekraïense vluchtelingen tijdelijk wil huisvesten in Waal aan de Lekdijk 73A. ’s Avonds heeft de gemeente bij een inwonersbijeenkomst van Waal uitleg gegeven. In dit overleg hebben inwoners hun zorgen toegelicht en zijn vragen besproken. Daarnaast heeft de gemeente toegelicht dat ze niet eerder naar buiten is getreden met deze plannen vanwege grondverwerving en financiële haalbaarheid. De inwoners ontvingen vrijdag 8 december een brief met een samenvatting van de plannen, zorgen en vragen vanuit de inwonersbijeenkomst. Daarnaast is een brief op 13 december verstuurd met een terugkoppeling van de raadsvergadering en een reactie op de zorgen en vragen die geuit zijn tijdens de inwonersbijeenkomst. Op vrijdag 15 december heeft de gemeente een inloopbijeenkomst georganiseerd voor alle inwoners. Op deze avond werd meer verteld over de plannen voor de gemeentelijke opvang voor Oekraïners op de Lekdijk 73A. Tijdens deze inloopavond heeft de gemeente veel gesprekken gevoerd met de inwoners van Waal. De gemeente heeft toen aangegeven later verder te gaan met de punten die zijn verzameld. Op 19 januari hebben de inwoners een brief ontvangen met informatie op gestelde vragen en geuite zorgen.

Bewoners van Waal hebben op 8 februari een brief ontvangen met informatie over de voorbereidingen, onderzoeken, bijeenkomst van het omwonendenoverleg en uitnodiging voor inloopbijeenkomst op 14 februari waar ze de plantekeningen kunnen bekijken en vragen kunnen stellen. Voor het volledige overzicht van notulen, informatiebrieven en praktische informatie wordt verwezen naar de gemeentelijke site van Molenlanden.

2.2

Bestuurlijk overleg

In het kader van het vooroverleg zal het plan voorgelegd worden aan de vooroverlegpartners.

pagina 7 van 41

3.

Huidige situatie

De planlocatie ligt aan de Lekdijk, ter hoogte van het dorp Waal. De voorgestelde locatie voor de vestiging van de gemeentelijke opvang voor Oekraïners betreft een gedeelte van het terrein van het voormalige autobedrijf 'De Poort'. In de huidige situatie zit hier een sanitair verkoop- en verhuurbedrijf De-Lo. De bebouwing is op te delen in twee delen. Op de afbeelding van de huidige situatie is te zien dat de bebouwing uit twee delen bestaat. Specifiek omvat het plangebied het achterste deel van dit pand, dat breder en hoger is dan het voorste gedeelte. Het voorste gedeelte van het terrein is nagenoeg volledig verhard, terwijl het achterste deel bestaat uit grasland. In de huidige situatie zijn op het terrein mobiele voorzieningen aanwezig ten behoeve van bedrijf De Lo. De omvang van het achterste deel van het pand bedraagt 544 m².

De planlocatie maakt deel uit van het bebouwingslint aan de Lekdijk. De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door een mix van andere bedrijfsactiviteiten en woonhuizen, behorende tot dit lint. Verderop, in het verlengde van het plangebied, strekken zich uitsluitend agrarische gronden uit.

Navolgende afbeeldingen tonen een impressie van de planlocatie.

Afbeelding 3. Impressie huidige situatie, opvang in het achterste deel van het pand, met blauwe bord aan de gevel (bron: Bons)

pagina 8 van 41

Afbeelding 4. Achterkant plangebied (bron: Pullen Makelaardij)

pagina 9 van 41

4.

Planbeschrijving

4.1

Ruimtelijke opzet en inpassing in omgeving

In de huidige situatie kenmerkt de planlocatie zich door de aanwezigheid van een loods en gedeeltelijke verharding. De beoogde ontwikkeling introduceert een nieuwe invulling voor dit terrein, waarbij het wordt omgevormd tot een tijdelijke verblijflocatie met woonunits. Deze woonunits zullen strategisch worden geplaatst tot dezelfde bebouwingslijn als de aangrenzende percelen. Hierdoor blijft het open karakter aan de zuidkant van het plangebied behouden.

De herontwikkeling omvat ook de aanleg van een nieuwe toegangsweg die de bereikbaarheid van de planlocatie optimaliseert. Aan het begin van het plangebied wordt een deel gereserveerd voor beveiliging en afval opslag. De mensen die gebruik gaan maken van de opvangplekken hebben hiervoor dus hun eigen voorzieningen. Voor de rest van het gebied staat een groene invulling centraal. Hierdoor wordt ruimte gecreëerd voor natuurlijke elementen zoals beplanting, tuinen, en mogelijk recreatieve groenvoorzieningen.

4.2

Functionele ontwikkeling en programma

De geplande ontwikkeling omvat de realisatie van in totaal 8 woonunits, die zorgvuldig over het plangebied verdeeld zullen worden. Er zal gebruik gemaakt worden van de reeds aanwezige loods, die zal fungeren als een gemeenschappelijke ontmoetingsruimte en plaats biedt aan 13 slaapkamers. Deze multifunctionele ruimte zal voorzieningen bevatten zoals een keuken, kantine, badkamers, toiletten en wasmachines. De voorgenomen ontwikkeling is tijdelijk voor een periode van maximaal tien jaar.

Daarnaast wordt gestreefd naar een groene invulling van het plangebied, met onder andere de toevoeging van een moestuin en een speeltuin. Deze groenvoorzieningen dragen niet alleen bij aan het visuele aspect, maar bieden tevens ruimte voor ontspanning en gemeenschapsactiviteiten. De geplande indeling van het plangebied is schematisch weergegeven op onderstaande afbeelding, waarbij de rest van het gebied in zuidelijke richting onbebouwd blijft. Deze bewuste keuze draagt bij aan het behoud van open ruimte en groen in de omgeving.

pagina 10 van 41

Onderstaande afbeelding geeft de toekomstige indeling van de loods weer.

Afbeelding 5. Plattegrond toekomstige indeling loods (bron: De Maatschap Projecten)

pagina 11 van 41

Zowel langs de oostgrens als de zuidgrens van het plangebied worden 4 units geplaatst. Waar het plangebied is ontsloten aan de bestaande inrit zijn parkeerplaatsen gerealiseerd. Op het terrein is voldoende ruimte voor het plaatsen van fietsen. Er zal voorzien worden in het aantal fietsparkeerplaatsen wat volgens de geldende norm gesteld is. De onderstaande afbeelding geeft een overzicht van de toekomstige indeling van het plangebied. Voor een gedetailleerde versie van deze tekening wordt verwezen naar de ingediende documenten.

Afbeelding 6. Situatietekening plangebied (bron: De Maatschap Projecten)

pagina 12 van 41

5.

Toetsing aan omgevingsplan

5.1

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Alle voorheen geldende bestemmingsplan maken onderdeel uit van het tijdelijke omgevingsplan. Voor de locatie gold het bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’ (vastgesteld op 26 maart 2013 door de voormalige gemeente Molenwaard), waarin de gronden voorzien waren van de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Agrarisch’. Het beoogde voornemen past niet binnen deze bestemmingen, waardoor buitenplans afgeweken dient te worden van het tijdelijke omgevingsplan. Daarnaast geldt het bestemmingsplan Parapluherziening Buitengebied Liesveld (vastgesteld op 20 februari 2018) waarbij de gronden zijn aangeduid als 'wetgevingszone - wijzigingsgebied dorpslint'. Tot slot gelden ook de Parapluherziening Parkeren (vastgesteld op 27 oktober 2020) en het Paraplubestemmingsplan Huisvesting Arbeidsmigranten (vastgesteld op 26 oktober 2021). Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van het tijdelijke omgevingsplan ‘Buitengebied Liesveld’ weer.

Afbeelding 7. Uitsnede van voormalige bestemmingsplan ‘Buitengebied Liesveld’ (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

In de omgeving van het projectgebied komen conform het tijdelijke omgevingsplan de bestemmingen ‘Bedrijf’, ‘Wonen’, ‘Groen’, ‘Tuin’ en ‘Maatschappelijk’ voor. De omgeving van het plangebied is aan te merken als een gemengd gebied met wonen. Bij de gronden met de bestemming ‘Bedrijf’ gelegen ten noorden van de planlocatie zijn bedrijfsactiviteiten in de milieucategorie 2 toegestaan. In de omgeving zijn functies aanwezig die naar aard en invloed op de omgeving geschikt zijn voor de ligging nabij de beoogde gemeentelijke opvanglocatie.

pagina 13 van 41

5.2

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Het plan is op de volgende onderdelen strijdig met het tijdelijke omgevingsplan:

▪

Bestemming ‘Bedrijf’ en ‘Agrarisch’: Het gebruiken van het bestaande bedrijfsgebouw ten behoeve van de gemeentelijke opvanglocatie en het realiseren en gebruiken van tijdelijke woonunits is strijdig met deze bestemmingen.

pagina 14 van 41

6.

Beleid

6.1

Rijksbeleid

6.1.1

Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

2.

duurzaam economisch groeipotentieel;

3.

sterke en gezonde steden en regio's;

4.

toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.

Planspecifiek Onderhavig initiatief past binnen de derde prioriteit, waarmee het initiatief passend is binnen de intenties van dit rijksbeleid. Gezien de aard en omvang van het initiatief is de NOVI verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.

6.1.2

Ladder voor duurzame verstedelijking

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

In Artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met: a.

de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en

b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wat gezien wordt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Met de beoogde

pagina 15 van 41

ontwikkeling worden 8 tijdelijke woonunits gerealiseerd. Derhalve is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Desondanks wordt hier een nadere toelichting voor gegeven.

Behoefte De opvang van vluchtelingen stelt Nederland voor grote uitdagingen. Ook gemeente Molenlanden zoekt continu naar mogelijkheden voor opvang van vluchtelingen om haar aandeel te leveren in de opvang van vluchtelingen. In september 2023 kwam er een noodoproep van de staatssecretaris met de opdracht om in januari 2024 extra plekken te realiseren. Die opgave wordt vanuit het Rijk via de provincie en vervolgens de veiligheidsregio verdeeld. De veiligheidsregio, Zuid-Holland Zuid, had nog niet genoeg opvangplekken. De gemeente Molenlanden heeft daarbinnen de opgave om voor meer gemeentelijke opvang te zorgen. Zij had op dat moment 250 plekken (180 particulier, 70 gemeentelijk) en moet groeien naar 400 plekken.

Stedelijk gebied In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is stedelijk gebied als volgt omschreven: Stedelijk gebied is het samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur. Het betreft het

samenstel van

bebouwing dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten. Het plangebied is gelegen in het dorp Waal en in de huidige situatie is rondom het plangebied reeds bebouwing aanwezig, waaronder woningen en bedrijven. Uitgaande van de definitie als omschreven in het Bkl kan het plangebied worden aangemerkt als stedelijk gebied.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

6.2

Provinciaal beleid

6.2.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland

De meeste recente versie van de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland is in werking getreden op 1 april 2023. De Omgevingsvisie bestaat uit vier onderdelen: 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur toont de essentie en de samenhang van verschillende ruimtelijke beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie. Het integrale kaartbeeld van de ruimtelijke hoofdstructuur is opgebouwd uit de volgende kaartbeelden:

▪

het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee via hov (hoogwaardig openbaar vervoer) verbonden regiokernen;

▪

de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht;

▪

het logistiek-industriële systeem van mainport, greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur;

▪

de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie;

▪

de groene ruimte en de groenblauwe structuur;

▪

het bodem- en watersysteem;

▪

energie.

pagina 16 van 41

2.

Ambities en sturing

De provincie wil meer vertrouwen geven aan maatschappelijke initiatieven. De provincie werkt daarom vanuit een aantal sturingsprincipes: opgavegericht, provinciaal belang en maatwerk.

De provincie heeft zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Deze ambities zijn geworteld in de historie, ligging en economische structuur van Zuid-Holland en zijn gekoppeld aan de strategische uitdagingen waar de regio voor staat. De provincie heeft de volgende ambities:

▪

Naar een klimaatbestendige delta;

▪

Naar een nieuwe economie: the next level;

▪

Naar een levendig meerkernige metropool;

▪

Energievernieuwing;

▪

Best bereikbare provincie;

▪

Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

3.

Omgevingskwaliteit

Onder 'omgevingskwaliteit' wordt verstaan: het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. De volgende onderdelen vormen de basis van de omgevingskwaliteit:

▪

een beschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland: de drie deltalandschappen, de ZuidHollandse steden en de strategische ligging in internationale netwerken;

▪

een beschrijving van de bestaande omgevingskwaliteit op basis van de leefomgevingstoets, met aandacht voor aspecten van milieukwaliteit. Hiertoe implementeert de provincie de beleidscyclus en monitor Omgevingskwaliteit;

▪

een nadere uitwerking van het provinciale beleid voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit, op basis van de 'kwaliteitskaart' en de 'richtpunten ruimtelijke kwaliteit'.

4.

Beleidskeuzes

De provincie heeft in de Omgevingsvisie een overzicht gemaakt van samenhangende beleidskeuzes (zie Omgevingsvisie Zuid Holland).

Planspecifiek 1.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De ruimtelijke hoofdstructuur is voor het beoogde initiatief niet specifiek van belang gezien de beperkte aard en omvang van het initiatief. 2.

Ambities en sturing

De ambities van de provincie zijn niet specifiek van toepassing voor het initiatief, maar vormen tevens geen belemmering voor de ontwikkeling. 3.

Omgevingskwaliteit

Voor de beoogde ontwikkeling is de omgevingskwaliteit wel van belang. Hiervoor zullende de relevante kaartlagen van de kwaliteitskaart en de bijbehorende richtpunten nader worden omschreven.

pagina 17 van 41

Laag van de ondergrond Op de kaart ‘Laag van de ondergrond’ is het plangebied aangewezen als ‘rivierdeltacomplex’. De komgronden en oeverwalgebieden van het rivierengebied in Zuid-Holland zijn opgebouwd uit rivierklei en liggen vooral in het oosten van de provincie. Ze zijn vermengd met de veenondergrond. De oeverwallen vormen plaatselijk hogere/drogere delen binnen het veengebied. Dit is terug te zien in het landschap. Een richtpunt voor dit gebied is dat ontwikkelingen het verschil herkenbaar houden tussen komgronden en oeverwallen. Met de voorgenomen ontwikkeling worden geen activiteiten verricht welke het verschil onherkenbaar zouden maken. Daarnaast is de ontwikkeling van tijdelijke aard.

Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Het plangebied bevindt zich in een 'veen(weide)landschap'. De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de verkavelingspatronen. Richtpunten voor het veenlandschap zijn:

▪

Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.

▪

Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen

▪

Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden

▪

Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.

▪

Nieuwe agrarische bedrijven liggen aan bestaande ruilverkavelingslinten of op een zeer goed bereikbare locatie voor zwaar verkeer. Ze vormen visuele eilanden in het veenweidelandschap door stevige, passende beplanting en een ligging op ruime afstand van elkaar.

De beoogde ontwikkeling betreft hoofdzakelijk het inpandig realiseren van een gemeentelijke opvanglocatie en het plaatsen van enkele woonunits voor Oekraïners. De beoogde woonunits worden grotendeels geplaatst binnen de bestaande structuren. Slechts vier woonunits worden geplaatst in de veenweidepolders, maar nog wel in lijn met de bebouwing van de naastgelegen percelen. De ontwikkeling heeft een kleinschalig karakter en betreft de plaatsing van tijdelijke opvangplekken voor Oekraïense vluchtelingen. Het veen(weide)landschap wordt met de beoogde ontwikkeling niet aangetast.

Laag van de stedelijke occupatie Het plangebied valt binnen het gebied ‘steden en dorpen’. Elk dorp ontwikkelt zijn eigen identiteit en bouwt voort op haar karakteristieke structuur en ligging aan en in het landschap. Het dorp is deel van het omringende landschap, doordat onderliggende patronen herkenbaar zijn in de structuur van het dorp. Enkele richtpunten voor dit gebied zijn:

▪

Ontwikkelingen dragen bij aan de karakteristieke kenmerken/identiteit van stad, kern of dorp.

▪

Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de stedelijke groen- en waterstructuur.

Voor een klein dorp als Waal is vrijwel geen sprake van karakteristieke kernmerken. Waal heeft namelijk een oppervlakte van 0,14 km² en 130 inwoners. Binnen dit dorp zijn er geen specifieke aspecten die Waal onderscheiden van de naastgelegen dorpen. Daarnaast is deze ontwikkeling slechts tijdelijk. Daarom zal het geen afbreuk doen aan de identiteit van het dorp. Het plangebied zal vergeleken met de huidige situatie een groenere uitstraling krijgen en zal daarmee een kleine bijdrage leveren aan de groenstructuur van het gebied.

pagina 18 van 41

4.

Beleidskeuzes

De ontwikkeling sluit aan bij de beleidskeuze 'behoud en versterking ruimtelijke kwaliteit'. Het ruimtelijke kwaliteitsbeleid bestaat uit de voorgenoemde lagen van de kwaliteitskaart. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling binnen het bestaand stads- en dorpsgebied is voorzien is de beleidskeuze 'stedelijke ontwikkelingen binnen bestaand stads- en dorpsgebied' van toepassing. Om de bebouwde ruimte beter te benutten heeft de provincie het bestaand stads- en dorpsgebied en de linten in het buitengebied aangegeven en gesteld dat, in beginsel, hierbinnen de verstedelijking dient plaats te vinden. Het plangebied is geheel binnen het bestaand stads- en dorpsgebied gesitueerd. Het voorliggende plan maakt een tijdelijke ontwikkeling van verblijfplekken voor vluchtelingen mogelijk.

6.2.2

Zuid-Hollandse Omgevingsverordening

Op 1 januari 2024 is de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Omgevingsverordening draagt bij aan het realiseren van het provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de Omgevingsverordening. De verordening omvat in aanvulling op de Omgevingsvisie toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen.

Ruimtelijke kwaliteit In artikel 7.43c van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een omgevingsplan alleen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen toelaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Onder de volgende voorwaarden kan ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit worden voorzien in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling: a.

de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied (inpassen), wordt deze alleen toegelaten als deze rekening houdt met de relevante richtpunten;

b.

als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze alleen toegelaten mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving;

c.

als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door een integraal ontwerp.

Ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit is sprake van een vorm van inpassen (sub a), omdat de ontwikkeling zich afspeelt op het niveau van een kavel en past bij de aard en de schaal van het gebied. Met de stedenbouwkundige invulling van de beoogde nieuwbouw is zoveel mogelijk rekening gehouden met de bestaande gebiedsidentiteit. De relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen zijn reeds onder ‘Omgevingsvisie ZuidHolland’ toegelicht. Hieruit blijkt dat het plan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart en gebiedsprofielen voldoet. Risico’s van klimaatverandering In artikel 7.41a van de Omgevingsverordening is opgenomen dat rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering, tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a.

wateroverlast door overvloedige neerslag;

b.

overstroming;

c.

hitte;

d.

droogte.

pagina 19 van 41

- Wateroverlast Uit de Klimaatatlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het plangebied niet gevoelig is voor extreme neerslag. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt er rekening gehouden met de waterhuishouding en zullen de richtlijnen vanuit het waterschap in acht genomen worden. - Overstroming Uit raadpleging van de overstromingskaart van de Klimaatatlas van Zuid-Holland blijkt dat ter plaatse van het plangebied voor de primaire waterkeringen een kleine overstromingskans van toepassing is. Specifieke maatregelen met betrekking tot overstroming worden daarom niet noodzakelijk verwacht. - Hitte Ter plaatse van het plangebied is op dit moment geen sprake van een hoge temperatuur vergeleken met de omgeving. De hittestress zal licht toenemen wanneer de woonunits gerealiseerd worden. Gezien de groenblauwe omgeving wordt niet verwacht dat toekomstige bewoners hittestress gaan ervaren. - Droogte In het plangebied, lijkt op basis van de klimaatatlas, droogte geen probleem te vormen. Tevens wordt door de aanleg van groen water zoveel mogelijk vastgehouden in de locatie. Daarnaast is er voldoende oppervlaktewater aanwezig rondom het plangebied.

Conclusie Gezien het voorgaande dient er geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het voorgenomen plan vanuit de Omgevingsverordening.

6.3

Gemeentelijk beleid

6.3.1

Toekomstvisie Molenlanden 2030 ‘Eigenheid in verbondenheid’

Op 28 september 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Molenlanden de Toekomstvisie Molenlanden 2030 vastgesteld. Op zes onderwerpen beschrijft de visie de landelijke en lokale trends en de wensen van de gemeente. Deze trends die de gemeente ziet, gebruikt de gemeente om de wensen mogelijk te maken. Per onderwerp schetst de gemeente het beeld voor het jaar 2030. Deze zes beelden samen bepalen het integrale beeld voor wat de gemeente in 2030 wil zijn. De zes beelden gaan in op de volgende aspecten: 1.

Inclusieve samenleving

2.

Leefomgeving

3.

Economie

4.

Recreatie & Toerisme

5.

Klimaat & Energie

6.

Bereikbaarheid

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling betreft het tijdelijk opvangen van maximaal 65 vluchtelingen in een bestaande loods en enkele tijdelijke woonunits aan de Lekdijk 73A. In de toekomstvisie van de gemeente is sluit dit deels aan bij de wensen. De gemeente Molenlanden wenst namelijk voldoende, betaalbare en (levensloop)geschikte woningen voor de verschillende doelgroepen. Voor iedereen is er een passende woning, zoals voor statushouders. Met voorgenomen ontwikkeling wordt invulling gegeven aan het voorzien van tijdelijke woningen voor vluchtelingen.

pagina 20 van 41

Daarnaast stelt de gemeente zichzelf de vraag: “Wat helpt om op dit onderwerp de impact te bereiken die nodig is in de samenleving?” De nood voor de opvang van Oekraïense vluchtelingen is hoog en de gemeente Molenlanden heeft de opdracht gekregen om meer opvangplaatsen aan te bieden. Door op deze locatie 65 opvangplekken te realiseren, levert de gemeente een grote bijdrage aan een regionale en zelfs nationale behoefte.

6.3.2

Woonvisie 2020-2024

In oktober 2020 heeft de gemeente Molenlanden de Woonvisie 2020-2024 vastgesteld. In deze woonvisie wordt ingegaan op de volgende onderwerpen. 1.

Meer woningen met de juiste kwaliteit

2.

Betaalbaar wonen

3.

Bestaande voorraad op peil

4.

Wonen met zorg

5.

Specifieke woningbehoeften

6.

Leefbare en vitale dorpen

Planspecifiek Onderhavige ontwikkeling sluit het meest aan bij de specifieke woningbehoeften. Eén van deze behoeften betreft de huisvesting van statushouders. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) wijst een aantal vergunninghouders per jaar toe aan de gemeente. De gemeente moet hen een passende woonruimte aanbieden. De gemeente Molenlanden is, zoals toegelicht in hoofdstuk 5.1.2, aangewezen om in totaal 400 opvangplekken te realiseren voor vluchtelingen.

pagina 21 van 41

7.

Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

7.1

Welstand

Artikel 22.29 lid 1 onder b (bruidsschat) bepaalt dat bestaande en nieuwe bouwwerken niet in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Veel gemeenten hebben deze welstandsnota waarin zij de beleidsregels hebben opgenomen. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijven de huidige welstandsregels van toepassing.

In het omgevingsplan kunnen welstandscriteria echter ook worden opgenomen in de ruimtelijke planregels, in plaats van in beleidsregels. Ook zijn er gemeenten die bepaalde gebieden hebben aangewezen die welstandsvrij zijn. Er vindt in deze gebieden dan geen welstandstoets plaats. Ook kunnen voor nieuwe ontwikkelingen bijvoorbeeld specifieke welstandsregels gelden die zijn opgenomen in een beeldkwaliteitsplan.

Planspecifiek Op basis van de welstandsnota van de gemeente Molenlanden (vastgesteld op 24 oktober 2019) valt het plangebied in een welstandsvrij gebied. Dat betekent dat in hoofdzaak geen ‘relevante eisen van welstand’ worden toegepast op. Het aspect welstand vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Het aspect welstand vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.2

Verkeer en parkeren

7.2.1

Verkeer

Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

Planspecifiek Met de beoogde ontwikkeling worden in totaal 8 woonunits gerealiseerd. Daarnaast worden er nog 13 slaapkamers in de bestaande loods gerealiseerd met enkele voorzieningen als een ontmoetingsruimte, badkamers, etc. Om de invloed op het verkeersnetwerk in te kunnen schatten is de verkeersgeneratie van de planlocatie berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig Parkeren’. Bij de berekening is uitgegaan van een ‘niet stedelijk’ woonmilieu in ‘rest bebouwde kom’. Conform de CROW-publicatie zal de realisatie van de woningen ca. 45 voertuigbewegingen per etmaal genereren (zie tabel).

pagina 22 van 41

Type

CROW-categorie

Aantal

Kengetal

Verkeersgeneratie

Kamer in loods

Kamerverhuur,

13

2,1

27,3

8

2,1

16,8

zelfstandig Woonunit

Kamerverhuur, zelfstandig

44,1 (45) Tabel 1. Voertuigbewegingen

Uit de tabel volgt dat de extra verkeersgeneratie ca. 45 voertuigbewegingen per etmaal bedraagt. Echter zal naar waarschijnlijkheid, gelet op het type bewoner, het aantal verkeersbewegingen lager uitvallen dan berekend via de CROW. Deze berekening kan gezien worden als een worstcasescenario. De bestaande infrastructuur kan de berekende verkeersgeneratie gemakkelijk opvangen. Het aspect verkeer vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

7.2.2

Parkeren

Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeren is vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen Molenlanden 2020’ (vastgesteld op 5 maart 2020). Om te waarborgen dat bij ruimtelijke ontwikkelingen in voldoende mate wordt voorzien in de parkeerbehoefte en -ruimte is het noodzakelijk om de parkeernormen in de bestemmingsplannen te laten landen. Daarbij is het wenselijk om te kunnen verwijzen naar een nota waarin de parkeernormen zijn vastgelegd. De gemeente Molenlanden legt om die reden haar parkeernormen vast in een Nota Parkeernormen Molenlanden 2020.

Planspecifiek De parkeernormen van de gemeente Molenlanden zijn gebaseerd op de kencijfers van de parkeernota. Derhalve is conform ‘Nota Parkeernormen Molenlanden 2020’ de parkeerbehoefte berekend. Er is bij de berekening uitgegaan van een 'niet stedelijk’ woonmilieu in de 'rest bebouwde kom’. De onderstaande tabel toont het aantal benodigde parkeerplaatsen.

pagina 23 van 41

In de loods worden 13 kamers gerealiseerd en op het terrein worden 8 tijdelijke woonunits gerealiseerd. Voor beide typen wordt een parkeernorm van 0,7 parkeerplaats per eenheid gehanteerd. In totaal bedraagt de toekomstige (tijdelijke) parkeerbehoefte 14,7 parkeerplaatsen (afgerond 15 parkeerplaatsen).

Type

CROW-categorie

Aantal

Parkeernorm

Parkeerbehoefte

Kamer in loods

Kamerverhuur, zelfstandig

13

0,7

9,1

Woonunit

Kamerverhuur, zelfstandig

8

0,7

5,6

Totaal

14,7 (15)

Tabel 2. Parkeernormen

Uit de tabel volgt dat er 15 parkeerplaatsen benodigd zijn. Echter zal naar waarschijnlijkheid, gelet op het type bewoner, het aantal benodigde parkeerplaatsen lager uitvallen. In de beoogde situatie worden 16 parkeerplaatsen gerealiseerd.

Er kan geconcludeerd worden dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

7.3

Duurzaamheid en gezondheid

De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden.

De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden.

Planspecifiek De beoogde woonunits worden gasloos en volgens de BENG methode gebouwd. Het voornemen is om deze units prefab te realiseren, wat naar verwachting resulteert in minimale verstoring van de omgeving tijdens de aanlegfase. In de ‘Zuid-Hollandse Omgevingsverordening’ is ingegaan op de risico’s van klimaatverandering en wat voor gevolgen dit heeft voor de beoogde ontwikkeling. Uit het raadplegen van de klimaatatlas Zuid-Holland blijkt dat er voor het plangebied een zeer kleine kans op overstromingen is. Gelet op de aard en omvang van het initiatief is het thema overstromingen verder niet van belang. Het plangebied ligt in een groene omgeving, wat een

pagina 24 van 41

positief effect heeft op de gezondheid van de bewoners. Een groene omgeving zorgt tevens voor het verlagen van hittestress. Daarnaast zal onderhavige ontwikkeling geen geuroverlast veroorzaken.

Het aspect duurzaamheid en gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.4

Geluid

De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidsgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (Artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

▪

woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;

▪

gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of

▪

gebouw voor kinderopvang met bedden;

▪

bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Het

beschermen

van

deze

geluidsgevoelige

gebouwen

gebeurt

aan

de

hand

van

vastgestelde

geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen.

Planspecifiek Een woonfunctie is een geluidgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Een

geluidgevoelig

gebouw

dat

met

een

omgevingsvergunning

voor

een

buitenplanse

omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar wordt echter niet in aanmerking genomen. Onderhavige ontwikkeling betreft de tijdelijke realisatie van opvangplekken voor Oekraïense vluchtelingen voor een periode van minder dan tien jaar. Desondanks is in het kader van deze transformatie een onderzoek uitgevoerd met betrekking tot geluid vanwege activiteiten in de nabije omgeving (Peutz, d.d. 19 april 2024, bijlage 1). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven.

In het onderzoek is de geluidsbelasting van bedrijfsactiviteiten aan de Waal 9 en 9b op de beoogde tijdelijke huisvestingslocatie aan de Lekdijk 73A geanalyseerd. De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus kunnen ter plaatse van de tijdelijke huisvesting ten hoogste 48 dB(A) etmaalwaarde bedragen. De maximale geluidniveaus op de tijdelijke woningen bedragen ten hoogste 68 dB(A), 63 dB(A) en 58 dB(A) in respectievelijk de dag-, avonden nachtperiode. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de geluidwaarden. Dit creëert een acceptabel woonen leefklimaat voor de nieuwe tijdelijke woningen, zonder extra beperkingen voor de bedrijven, omdat de geluidwaarden niet van toepassing zijn op tijdelijke woningen.

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

pagina 25 van 41

7.5

Milieubelastende activiteiten en milieuruimte

Het aspect activiteiten en milieuzonering gaat in op de invloed die activiteiten hebben op hun omgeving. In de Omgevingswet wordt in de bijlage bij artikel 1 het begrip milieubelastende activiteit (mba) gedefinieerd. Dit gaat feitelijk om alle activiteiten die enig negatief effect op het milieu kunnen hebben (met uitzondering van ‘directe lozingen’ en wateronttrekkingsactiviteiten). Milieubelastende activiteiten zijn niet in alle gevallen aan de orde. Er moet gecontroleerd worden of het Bkl, Bal of Bbl instructieregels bevatten die relevant zijn voor het project. In het gemeentelijke omgevingsplan wordt het milieuspoor verder geïntegreerd. De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2019 de uitgave ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ gepubliceerd. Met deze uitgave wordt de toelating van bedrijven gereguleerd op basis van een voor een locatie beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieuwaarden. De uitgave is verder doorontwikkeld tot geïntegreerde staalkaart. De Staalkaart Bedrijventerrein maakt inzichtelijk hoe activiteiten met gebruiksruimte en milieugevolgen inpasbaar kunnen worden gemaakt en welke regeling in het omgevingsplan hiervoor kan worden opgenomen. De staalkaart zal vervangen worden door de VNG-uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024’.

Deze kan ook worden toegepast buiten bedrijventerreinen, in tegenstelling tot de uitgave uit 2019 en de geïntegreerde staalkaart. Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur.

In het stedelijk gebied kunnen grofweg drie soorten gebieden worden onderscheiden:

▪

industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert;

▪

woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) prevaleert;

▪

gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca, detailhandel, etc.

Planspecifiek Het voorgenomen initiatief betreft de oprichting van 8 tijdelijke woonunits en 13 slaapkamers binnen in de bestaande loods. Wonen is een gevoelige functie, waardoor beoordeeld dient te worden of ter plaatse van deze gevoelige bestemming sprake is van een goed woon- en leefklimaat en milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg.

De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in de realisatie van 8 tijdelijke woonunits op een bestaand bedrijfsperceel en 13 slaapkamers in de bestaande bebouwing voor een periode van minder dan tien jaar. Omdat de woonunits tijdelijk worden bewoond, worden deze nieuwe woonunits volgens artikel 3.21 en 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) niet als een (geur- en geluids)gevoelige bestemming aangemerkt. Tevens gaat het in onderhavig plan om de ontwikkeling van uitsluitend tijdelijke woningen en worden er geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt die een belemmering vormen voor gevoelige bestemmingen in de omgeving.

pagina 26 van 41

Daarnaast dient, in het kader van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving, te worden beschouwd of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarbij dient opgemerkt te worden dat het nadrukkelijk gaat om een tijdelijke opvanglocatie gaat voor Oekraïense ontheemden. Voor deze bewoners dienen de woonunits dan ook als tussenoplossing.

Het aspect milieubelastende activiteiten en milieuruimte vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.6

Geur

Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. In artikel 5.91 Bkl is opgenomen wat geurgevoelige gebouwen zijn. Specifieke beoordelingsregels voor geur voor de milieubelastende activiteit staan in artikel 8.20 Bkl.

In beginsel stelt de gemeente in het omgevingsplan regels voor geur om te zorgen voor een aanvaardbaar hinderniveau. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan dan gelden de regels uit de Bruidsschat. Voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. De gemeente stelt in aanvulling hierop waar nodig 1 of meer bebouwingscontouren geur vast waaraan een beschermingsniveau gekoppeld is. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke regels ze stelt. Tevens kan de gemeente omgevingswaarden voor geur opnemen in het omgevingsplan.

Planspecifiek Een woonfunctie is een geurgevoelig gebouw zoals bedoeld in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Een

geurgevoelig

gebouw

dat

met

een

omgevingsvergunning

voor

een

buitenplanse

omgevingsplanactiviteit is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar wordt echter niet in aanmerking genomen. Onderhavige ontwikkeling betreft de tijdelijke realisatie van gemeentelijke opvangplekken voor Oekraïense vluchtelingen voor een periode van minder dan tien jaar. Het uitvoeren van een geur onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.7

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in

pagina 27 van 41

betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (een ontsluitingsweg) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar.

Met behulp van de Atlas Leefomgeving is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2021 van stikstofdioxide (NOx) en fijnstof (PM2,5) en (PM10) en in het plangebied bedragen respectievelijk en 13,6 µg/m³, 9,25 µg/m³ en 16,1 µg/m³. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden.

In het kader van een gezonde fysieke leefomgeving is het aspect luchtkwaliteit onderzocht ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling (Peutz, d.d. 1 maart 2024, zie bijlage 2).

Uit het onderzoek volgt dat voldaan wordt aan het gestelde in artikel 5.54 van het Bkl aangezien het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie in de buitenlucht van een stof waarvoor een grenswaarde is opgenomen.

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.8

Archeologie en cultuurhistorie

In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. Maar er zijn ook algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (3.7 Bal).

Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

pagina 28 van 41

In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

Planspecifiek Het westelijke deel van het plangebied heeft een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 30 m² (Waarde Archeologie -1). Het oostelijke deel van het plangebied heeft een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 250 m² en dieper dan 30 cm (Waarde - Archeologie -4). In het westelijke deel wordt geen bebouwing geplaatst, de grenswaarde zal niet worden overschreden. Met de voorgenomen ontwikkeling worden slechts tijdelijke woonunits gerealiseerd, welke zonder graafwerkzaamheden geplaatst worden. Derhalve is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk.

In (de buurt van) het plangebied zijn geen monumenten of anderszins cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Tevens is de beoogde ontwikkeling van tijdelijke duur. Nader onderzoek naar cultuurhistorie kan derhalve achterwege blijven.

De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

7.9

Bodem

Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

▪

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten

op

grond

van

een

omgevingsplan

of

een

omgevingsvergunning

voor

een

omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

▪

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

Planspecifiek Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw is het uitvoeren van een bodemonderzoek noodzakelijk. Derhalve is door Silt op 29 januari 2024 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 3). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven.

pagina 29 van 41

De bovengrond vertoont een verhoogd nikkelgehalte, licht verhoogd loodgehalte en licht verhoogde gehaltes aan koper, kwik en lood laat zien, allen onder interventiewaarden. De bovengrond wordt indicatief als maximaal klasse industrie beschouwd. In de ondergrond is een licht verhoogd molybdeen gehalte aangetoond, onder de interventiewaarde, wat een indicatie geeft van klasse Wonen.

Het grondwater toont een licht verhoogde concentratie barium, onder de interventiewaarde. Bij het asbestonderzoek in het puin zijn geen verhoogde gehaltes aangetoond.

De hypothese van een 'heterogeen diffuus verdacht' bodemgebied wordt bevestigd op basis van de resultaten van verhoogde gehaltes in grond en grondwater. Echter, de hypothese van een diffuse bodembelasting met een heterogeen verdeelde asbestverontreiniging wordt verworpen op basis van de resultaten. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Als aanvulling hierop is door Silt de grond onderzocht op PFAS (zie bijlage 4). De bodem wordt niet hergebruikt en er worden slechts tijdelijke woonunits gerealiseerd met de voorgenomen ontwikkeling. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.

7.10

Omgevingsveiligheid

Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over externe veiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan. Of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. Waar onder het oude recht de regels over externe veiligheid verspreid waren, waaronder in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), zijn de belangrijkste regels over externe veiligheid onder de Omgevingswet opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Kwetsbare gebouwen en locaties Om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen tegen externe veiligheidsrisico’s, gaat het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in op drie categorieën waar afstanden voor kunnen gelden: ‘beperkt kwetsbare gebouwen en locaties’, ‘kwetsbare gebouwen en locaties’ en ‘zeer kwetsbare gebouwen’. Beperkt kwetsbaar zijn bijvoorbeeld verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen, bij kwetsbaar gaat het hierbij om meer dan 50 personen. Onder kwetsbare gebouwen vallen gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing), kantoren en sportgebouwen. De categorie zeer kwetsbaar is nieuw en hieronder vallen gebouwen die groepen mensen bevatten die niet of slecht zelfredzaam zijn. Deze vielen voorheen onder de categorie kwetsbaar en bevatten onder meer onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven.

Aandachtsgebieden De Omgevingswet vult het groepsrisico anders in dan in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) het geval was. Bij risicovolle activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) regelt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dat gemeenten aandachtsgebieden aanwijzen. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Molenlanden&id=d3b7dfab-51fa-4b42-8a7f-f114fec64f94