Bijlage 1 concept Verordening rechtspositieregeling raads- en burgerleden 2025
Tekst van het document
Verordening rechtspositie Raads-
en burgerleden Molenlanden 2025 De raad van de gemeente Molenlanden
gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97, 98, 99 van de Gemeentewet en [de ]artikel[en] [3.1.1, vijfde lid,] 3.1.3, eerste lid[, 3.1.4, eerste lid, 3.1.8, eerste lid, 3.1.9, eerste lid,
3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1, eerste lid, en 3.4.2] en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;
besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening rechtspositie raads- en burgerleden Molenlanden 2024
Artikel 1 Definitiebepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. burgerlid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd. b. griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de Gemeentewet. c. raadslid: lid van de gemeenteraad.
Artikel 2. Toelage raadslid onderzoekscommissie 1. Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de
Gemeentewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente een toelage toegekend conform het maximale bedrag op grond van artikel 3.1.4, eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
2. Een raadslid dat lid is van een bijzondere commissie als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers wordt voor de duur van de activiteiten van de
commissie een toelage toegekend conform het maximale bedrag op grond van artikel 3.1.4, eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
Artikel 2A. Toelage vast commissievoorzitters Een raadslid die vaste voorzitter is van een commissie ex. artikel 82 gemeentewet, wordt per voorgezeten vergadering voor de duur van het voorzitterschap van de commissie, ten laste van de gemeente een toelage toegekend conform het maximale bedrag op grond van artikel 3.1.4, eerste lid van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
Artikel 3. Reis- en verblijfkosten raads- en burgerleden voor reizen 1. Voor reizen als bedoeld in artikel 3.1 van de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers en artikel 3.1.7 van het rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers worden aan een raads- of burgerlid vergoed: a.
b.
de kosten voor het gebruik van openbaar vervoer;
bij gebruik van een eigen auto het maximumbedrag dat door een werkgever aan een werknemer per afgelegde kilometer onbelast kan worden verstrekt, alsmede de parkeer- of stallingskosten, veerkosten en tolkosten;
2. Boetes en naheffingsaanslagen voor parkeren worden niet vergoed. 3. Als een raadslid of burgerlid een functionele beperking heeft, kan incidenteel een voor de beperking geschikte vervoersvoorziening worden vergoed of ter beschikking gesteld.
4. De noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte werkelijke verblijfkosten die een raadslid of burgerlid maakt in verband met reizen gemaakt voor de uitoefening van de functie, worden ten laste van de gemeente vergoed.
Artikel 4. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en burgerleden
1. De griffier draagt zorg voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor raads- en burgerleden. 2. Een raads- of burgerlid dat naast het aanbod zoals opgenomen in het eerste lid, wil deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van zijn functie als bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daartoe vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de griffier.
3. Deze aanvraag gaat vergezeld van stukken met inhoudelijke informatie en een kostenspecificatie. 4. De griffier beslist op de aanvraag op basis van de overlegde stukken en overlegt bij twijfel hierover met de werkgeverscommissie.
Artikel 5. Informatie- en communicatievoorzieningen raads- en burgerleden 1. Een raads- of burgerlid ontvangt in bruikleen van de gemeente voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen als bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
2. Een raads- of burgerlid levert na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente.
3. Overname van de informatie- en communicatievoorzieningen na schoning door het raads- of burgerlid is mogelijk volgens het geldende beleid van de gemeente Molenlanden.
Artikel 6. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel 1. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.
2. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de
loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen,
genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.
Artikel 7. Betaling vaste vergoedingen Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale
politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van de vergoeding van burgerleden, bedoeld in artikel 3.4.1 het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, maandelijks plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering.
Artikel 8. Betaling en declaratie van onkosten 1.
Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling
decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door:
2.
a.
betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden
b.
betaling vooruit uit eigen middelen.
factuur of;
Een aanvraag om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een
declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft. 3.
Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen 30 dagen na factuurdatum of betaling
4.
Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan raads- of
door raads- of burgerleden ingediend bij de griffier.
burgerleden binnen 30 dagen na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt.
Artikel 9. Intrekking oude verordening De Verordening rechtspositie raads- en burgerleden Molenlanden oktober 2024 wordt ingetrokken.
Artikel 10. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie van het
Gemeenteblad waarin deze verordening wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2025.
Artikel 11. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en burgerleden Molenlanden 2025.
Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Molenlanden op 20 mei 2025. De voorzitter, Theo Segers
De griffier, Marjolein Teunissen
Toelichting Verordening rechtspositie raads- en burgerleden Molenlanden 2025 ALGEMEEN DEEL Wettelijke regelingen In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld betreffende de
rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere
invulling van de rechtspositie van raads- en burgerleden alsmede de financiële voorzieningen moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nader regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt.
Hoofdlijnen gemeentelijke verordening In deze verordening zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit decentrale politieke
ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Het ministerie van BZK
publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening.
Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang. In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of
krachtens de wet is toegekend’, ontvangen de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en
tegemoetkomingen ten laste van de gemeente. Deze verordening vormt een (nadere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.
De arbeidsverhoudingen en fiscale positie Raadsleden en burgerleden hebben geen dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is dus niet de
werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raads- en
burgerleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en burgerleden opteren voor de loonbelasting als
voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde
opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst.
Als de raads- en burgerleden en gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan geldt dat de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten moeten worden verantwoord en mogen de
(beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of burgerlid moeten verantwoorden in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden. De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en burgerleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst
doorgeven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en burgerleden op persoonlijke titel worden
gekozen, zijn zij niet aan te merken als (fiscaal) ondernemer. Er hoeft dan ook geen VAR-verklaring / Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente.
De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is niet van toepassing op raads- en burgerleden.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 2. Toelage lid onderzoekscommissie en bijzondere commissie van raadsleden Deze artikelen betreffen de toelagen voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Hiermee wordt gedoeld op de vertrouwenscommissie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de
Gemeentewet specifiek zijn omschreven. De vaststelling dat er sprake is van een dergelijke bijzondere
commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening plaatsvinden. Daarbij moet gemotiveerd
worden dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk meerwerk is naast het reguliere lidmaatschap van de gemeenteraad. Voor de hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde drie zware commissies wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds de vertrouwenscommissie en de rekenkamerfunctie, en anderzijds de onderzoekscommissie.
Wat betreft de hoogte van de toelagen voor het lidmaatschap van de vertrouwenscommissie, geldt een vast (belast) bedrag per maand conform het maximale bedrag van artikel 3.1.4, eerste lid van het
Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Dit geldt ook voor de hoogte van de toelage voor het lidmaatschap van een bijzondere commissie. Het bedrag wordt naar rato van de duur van de
activiteiten toegepast. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage: niet de duur van het lidmaatschap is van belang, maar de duur van de activiteiten.
Artikel 2A In de Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers is de mogelijkheid opgenomen om een
vergoeding toe te kennen aan vaste voorzitters van commissievergaderingen. Het gaat om commissies op grond van artikel 82 gemeentewet. Vanwege de extra tijdsinvestering van de voorzitters is artikel 2a
toegevoegd aan de regeling, waardoor het mogelijk wordt de voorzitters een vergoeding te geven per
voorgezeten vergadering. Onder vaste voorzitters worden ook verstaan voorzitters die deel uitmaken van een voorzitterspool. De vergoeding bedraagt een vast bedrag per voorgezeten vergadering.
Artikel 3. Reis- en verblijfkosten raads- en burgerleden In deze bepaling is bij verordening geregeld dat raads- en burgerleden een vergoeding van de reis- en
verblijfkosten kunnen krijgen. Daaronder kunnen ook de buitenlandse dienstreizen worden geschaard. De
naar redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten voor dienstreizen in het buitenland, die door of vanwege de gemeente zijn georganiseerd komen ook voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten is niet nader ingevuld en is een lokale
aangelegenheid per gemeente. Omdat in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers verder
geen eigen vergoedingsregeling is opgenomen, kan aansluiting worden gezocht bij de vergoedingsregelingen voor wethouders.
Artikel 4. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en burgerleden
Voor raads- en burgerleden is expliciet bepaald dat de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde
functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht
van de gemeente. Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is.
Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde
vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij.
Overigens kan de gemeente ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die lasten komen ten laste van de gemeente.
Er is ruimte voor lokale accenten. Op grond van het tweede lid kan de raad nadere regels stellen voor de
scholing van zijn leden. Deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld in een scholingsplan komen te staan. In dit plan kunnen procedureregels voor individuele scholingsverzoeken worden opgenomen als ook regels over de hoogte van de tegemoetkoming. Dit plan kan vervolgens als handvat dienen bij toetsing van
individuele scholingsaanvragen. Het beoordelen van en/of fiatteren van scholingsaanvragen kan worden gemandateerd aan de griffier.
Artikel 5. Informatie- en communicatievoorzieningen Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een raadslid, wethouder of de burgemeester voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking.
Ook burgerleden kunnen aanspraak maken op ICT-middelen op grond van art. 3.4.4 Rechtspositiebesluit
decentrale politieke ambtsdragers. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone, een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Er mag slechts een één computer verstrekt worden. Een computer is een desktop, laptop, tablet- of minicomputer. Een smartphone is niet te kwalificeren als computer.
De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke
ambtsdrager omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. Voor het overnemen van het ICT-middel gelden de gemeentelijke regels.
Artikel 6. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel
In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de verordening
aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan de politieke ambtsdrager kan worden overgemaakt. Anders worden
deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de politieke ambtsdragers loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden
aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt.
Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot 1,2% fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen.
Artikel 7. Betaling vaste vergoedingen & artikel 8. Betaling en declaratie van onkosten Het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen wanneer de vergoedingen en onkosten betaald moeten worden aan raads- en burgerleden. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kunnen deze artikelen uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden
voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Het
verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt waarmee raads- en burgerleden gemaakte
onkosten kunnen verantwoorden. Raads- en burgerleden declareren in beginsel hun kosten bij de griffier. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft.1
1
Circulaire Introductie bij gemeenten van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (Stcrt. 7 december
2018, 68918) p.8.